Artikel 56

Bediening van de doop aan de kinderen

Aan de kinderen van de gelovigen zal de doop als zegel van Gods verbond zo spoedig mogelijk bediend worden in de openbare eredienst.

 

Bediening van de doop aan wettig geadopteerde kinderen

A. De synode constateert:
1. dat het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot adoptie o.m. de volgende bepalingen bevat (art. 227, 229, 231):
a. adoptie geschiedt door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van een echtpaar dat een kind wil adopteren;
b. het verzoek kan alleen worden toegewezen, indien de adoptie, zowel uit het oogpunt van verbreking van de banden met de ouders als uit dat van bevestiging van de banden met de adoptanten, in het kennelijk belang van het kind is;
c. door adoptie verkrijgt de geadopteerde de staat van wettig kind van de adoptief-ouders;
d. door de adoptie houden op familierechtelijke betrekkingen te bestaan tussen de geadopteerde en zijn bloed- en aanverwanten in de opgaande linie en de zijlinie;
e. de adoptie kan door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van de geadopteerde worden herroepen;
f. het verzoek kan alleen worden toegewezen, indien de herroeping in het kennelijk belang van de geadopteerde is, de rechter van de redelijkheid van de herroeping in gemoede overtuigd is en het verzoek is ingediend niet eerder dan twee jaren en niet later dan drie jaren na de dag, waarop de geadopteerde meerderjarig is geworden;
2. dat als bezwaar tegen gebruik van de adoptiewet door gelovigen, en daarmee tegen het dopen van geadopteerde kinderen, is aangevoerd,
a. dat de Schrift alleen spreekt over verwantschap door geboorte, zijnde een scheppingsorde;
b. dat adoptie betekent een inbreuk op Gods bestel, dat kinderen aan hun ouders verbindt;
c. dat het vijfde gebod verplicht de oorspronkelijke relatie te blijven erkennen;
d. dat gelovigen bedacht dienen te zijn op herstel van geschonden verhoudingen en op de mogelijkheid van bekering;
e. dat de wet resultaat is van het volgen van de rechtsovertuiging onder het Nederlandse volk en een van de Schrift afwijkende ontwikkeling heeft mogelijk gemaakt.

Zij overweegt:
1. dat adoptie niet inhoudt een ontkenning van de bloedverwantschap tussen het kind en zijn ouders noch ook de fictie dient, dat een andere bloedverwantschap ontstaat;
2. dat Gods bestel waardoor Hij een kind schenkt aan zijn ouders, mede omvat dat deze ouders gesteld worden onder de opdracht het kind te verzorgen en op te voeden;
3. dat wanneer echter blijkt, dat de ouders niet bereid of in staat zijn het kind te verzorgen en op te voeden, de overheid van Godswege bevoegd is rechtsmaatregelen te treffen tot bescherming van het kind;
4. dat wanneer vaststaat dat de ouders Gods opdracht voortdurend niet (kunnen) nakomen, niet is in te zien waarom bij het treffen van rechtsmaatregelen een grens gesteld zou moeten worden vanwege het feit, dat God het kind uit deze ouders deed geboren worden, zodat niet aan anderen de volle omvang van het ouderschap terwille van het kind zou mogen worden toevertrouwd in het wettigen van de inmiddels gegroeide verhouding als een ouder-kind-verhouding;
5. dat hiertegen niet het vijfde gebod van de Here kan worden aangevoerd, aangezien dit gebod bij het noemen van de ouders, gelet op het woord eren, de ambtelijke waardigheid van het ouderschap op het oog heeft, die gegrond is op de aanstelling tot het ouderschap (vgl. H. Cat., antw. 104);
6. dat wanneer de rechtbank verbreking van de banden aan de ouders in het kennelijk belang van het kind acht, reeds geruime tijd tevoren het onderzoeken van de mogelijkheid van herstel aan de orde was, waarbij uiteraard de rechter niet in strijd kon komen met hetgeen de Nederlandse wet bepaalt aangaande de ouderlijke macht;
7. dat het rekening houden met mogelijkheid van bekering bij de oorspronkelijke ouders niet mag worden opgeworpen als een beletsel van Godswege tegen het adopteren van kinderen, aangezien de Schrift in geval een voldongen situatie aanwezig is waarin een door God gemaakte en geordende verhouding op een zondige wijze is verbroken, het rekening houden met mogelijkheid van bekering niet oplegt als een verplichting voor een ander om deze verhouding toch te bestendigen (1Cor. 7 : 15, 16);
8. dat in geval van gelovigen de weg naar adoptie volgen voor hen méér aan de orde is dan dat de rechtbank een beslissing heeft te nemen, aangezien zij de Here dienen te erkennen, die hun leven en dat van het betrokken kind regeert en zijn geopenbaarde Woord gegeven heeft, zodat hun gebruik maken van de adoptiewet zowel wat het motief als wat de methode betreft onderworpen is aan het woord van de wijsheid, dat wanneer de Here gekend wordt in al hun wegen, Hij hun paden recht zal maken (Spr. 3 : 6);
9. dat wanneer de rechtbank bevestiging van de banden met de adoptanten in het kennelijk belang van het kind acht, voor gelovigen méér aan de orde is dan wat de overheid in rekening brengt, daar zij oog dienen te hebben voor Gods barmhartigheid, waardoor Hij een kind aan hen toevertrouwde, en voor het belang van het kind dat het "christelijk en godzalig" opgevoed wordt;
10. dat dit kennen van de Here voor gelovigen insluit de erkenning van de bevoegdheid van de overheid, daar Hij de overheid gesteld heeft om in allerlei zaken recht en regel te laten gelden, zodat het onjuist zou zijn, wanneer gelovigen op de beslissing van de rechtbank vooruit lopen door voortijdig te handelen alsof het betrokken kind reeds hun wettig kind zou zijn;
11. dat uit de adoptiewet zelf niet bewezen kan worden, dat zij in strijd zou zijn met de Schrift, terwijl voorts de constatering, dat in verband met de adoptiewet door velen met humanistische motieven wordt gewerkt, geen reden kan zijn om gebruik van deze wet voor gelovigen ongeoorloofd te achten.

Zij is van oordeel:
1. dat er geen goede grond is aangevoerd om in het algemeen te verklaren, dat gebruik maken van de adoptiewet door gelovigen ongeoorloofd is;
2. dat wanneer gelovigen zich onderwerpen aan de wijsheid van Gods Woord, zij geen beletsel behoeven te zien om van de adoptiewet gebruik te maken.

B. De synode constateert:
1. dat tegen het dopen van geadopteerde kinderen, die tevoren niet tot Gods verbond behoorden, is aangevoerd, dat volgens de leer van de Schrift de uit gelovigen geboren kinderen gedoopt zullen worden en dat anderen alleen gedoopt mogen worden na voorafgaande geloofsbelijdenis;
2. dat daarbij tevens wordt gewezen op vr. en antw. 74 H. Cat., art. 34 N.G.B., het formulier voor het dopen van kinderen ("ons en ons zaad") en art. 56 K.O.

Zij overweegt:
1. dat Gods spreken in het verbondsstatuut van Gen. 17 over Abraham en diens nageslacht allereerst doelde op zijn voornemen om uit Abraham een volk voort te brengen als het zaad van de belofte en dat volk te doen wonen in Kanaän als het land van de belofte (Gen. 17 : 7, 8);
2. dat dientengevolge de band tussen Abraham en zijn nageslacht, als een band door geboorte, geheel geschapen werd door de kracht van Gods belofte, waarbij de weerstand van het menselijk-onmogelijke door de kracht van deze belofte werd overwonnen (Gen. 17 : 17, 19, 21; 18 : 14);
3. dat de vervulling van hetgeen de Here aldus in het verbondsstatuut van Gen. 17 heeft vastgelegd in het nieuwtestamentische onderricht wordt aangewezen, zo vaak daar gesproken wordt over Christus en zijn gelovigen (Gal. 3 : 16, 22), waarbij deze gelovigen worden genoemd kinderen van de belofte (Rom. 9 : 8; Gal. 4 : 28) en daardoor kinderen van Abraham (Gal. 3 : 7) en erfgenamen van de toekomende wereld (Gal. 3 : 29);
4. dat deze in Christus vervulde betekenis van de verbondsbelofte door de H. Catechismus onder woorden wordt gebracht, wanneer hij b.v. in antw. 74, in verband met de doop, spreekt over de verlossing van de zonden door het bloed van Christus en de Heilige Geest, die het geloof werkt, gelijk hij in antw. 66 spreekt over de vergeving van de zonden en het eeuwige leven vanwege het enige slachtoffer van Christus aan het kruis volbracht;
5. dat het deelhebben aan de verbondsbelofte in de nieuwtestamentische tijd wordt geschonken in de weg van het geloven in Jezus Christus, zodat dit deelhebben niet meer afhankelijk is van de band aan Abraham in de weg van de geboorte (Gal. 3 : 26-29; 5 : 6; 6 : 15; 1 Cor. 7 : 19);
6. dat dit deelhebben aan de verbondsbelofte te danken is aan Gods krachtdadige roepen, waardoor Hij reeds Abraham heeft geroepen uit diens land en maagschap en het huis van zijn vader (Gen. 12 : 1) om hem als drager van de belofte te doen wonen in het land van de belofte als in een vreemd land (Hebr. 11 : 9, 10) en de weg van het geloof te doen gaan (Gen. 15 : 6; Rom. 4 : 18), welk roepen ook in het nieuwtestamentische onderricht voortdurend genoemd wordt als eerste bij de toedeling van het heil (Rom. 8 : 30; 9 : 25; 1 Cor. 7 : 17-24; Gal. 3 : 2, 5; 5 : 8);
7. dat bij Gods roepen duidelijk is, dat Hij niet gebonden is aan de begrensde mogelijkheden van deze wereld, daar Hij de toekomende wereld op het oog heeft (Hebr. 2 : 5; 11 : 10), gelijk dit ook blijkt uit de geboorte van Izaäk en het bestaan van het volk Israël temidden van de andere volken als voortgekomen uit de kracht van dit roepen (Rom. 4 : 17; Hosea 11 : 1);
8. dat dit roepen van God de oorzaak is van het heilig zijn ook van de kinderen van de gelovigen in de nieuwtestamentische tijd, daar zij uit kracht van dat roepen, evenals de volwassenen, gesteld worden onder de toezegging van Gods verbond, waarin het volle heil van Christus is vastgelegd (1 Cor. 7 : 14, vgl. 1 : 2; Ef. 6 : 1-4; 1 Petr. 2 : 9, vgl. Ex. 19 : 6);
9. dat de Here in de nieuwtestamentische tijd de band van de geboorte tussen ouders en kinderen instrumenteel gebruikt om ook de kinderen een plaats te geven in zijn verbond, dat uit zijn roepen is voortgekomen;
10. dat de Here bij zijn vaststelling van het verbondsstatuut in Gen. 17 beslag legde op Abrahams huis door met Abraham ook de inwoners van zijn huis een plaats te geven in zijn verbond en hen dat verbond in hun vlees te laten meedragen (Gen. 17 : 10 - 13);
11. dat hoezeer de slaven van Abraham daarbij als slaven hun plaats in dat verbond hadden, dit niets afdoet van de werkelijkheid, dat ook zij Gods verbond met Abraham voor hun deel volledig moesten respecteren (Gen. 17 : 14; vlg. voor dergelijke sanctie Ex. 31 : 14; Lev. 7 : 27; Nem. 15 : 30 e.a.p.) en op hun plaats zich moesten laten leiden door de wetten en bepalingen in Gods verbond (Gen. 18 : 19, vlg. Gen. 35 : 2) en mochten meedoen in het vieren van de vreugde van dat verbond (vgl. Ex. 12 : 44);
12. dat in de nieuwtestamentische tijd ook de plaats van slaven in Gods verbond geheel bepaald werd door de openbaring van het in Christus verworven heil, hetgeen met zich meebracht, dat allen in Gods verbond met gelijke kracht werden geconfronteerd met de belofte van het verbond, waarbij met name te noemen is de gave van de Geest (Hand. 2 : 39; Gal. 3 : 14) en werden gesteld voor de opdracht om als mondige leden van Christus zich te gedragen (Rom. 8 : 9, 14; Gal. 4 : 6; Ef. 4 : 11 - 16), zodat het voor het delen in Christus niet beslissend was of iemand als slaaf werd geroepen of als vrije (Gal. 3 : 28; 1 Cor. 7 : 22);
13. dat uit Schriftplaatsen als Hand. 11 : 14; 16: 15, 33; 18 : 8 tevens blijkt, dat de Here ook in de nieuwtestamentische tijd bij de verbreiding van de heerschappij van zijn Woord beslag heeft gelegd op levensverbanden van deze wereld door gehele huizen, de heer van het huis met inbegrip van degenen die bij hem hoorden, door het geloof in Jezus Christus te behouden;
14. dat kinderen die vóór hun adoptie reeds als pleegkinderen voorlopig vertoefden in de kring van Gods verbond, door hun adoptie in de gezinskring van christenen een vaste plaats ontvangen, die niet alleen te kenschetsen is als het verkregen hebben van de staat van wettig kind van de adoptief-ouders maar ook als het door Gods barmhartigheid permanent gesteld zijn in het huis van christenen en toevertrouwd zijn aan het ouderschap van die christenen;
15. dat gezien het in 6-8, 10-13 overwogen onderricht van de Schrift aangaande Gods genadeverbond, deze kinderen, die door God zelf in de weg van adoptie aan christenouders zijn toevertrouwd, moeten worden gerekend als kinderen, die met hen in Christus geheiligd zijn, door God zelf van alle andere volken en vreemde religies afgezonderd om Hem geheel toegeëigend te zijn (art. 34 N.G.B.), en vanwege dit genadige handelen van God door de kerk geteld mogen worden bij de kinderen van de gemeente die niet van nature maar uit kracht van Gods roepen tot zijn heil met hun ouders een plaats in Gods verbond ontvangen;
16. dat in het formulier voor de kinderdoop (in hedendaags Nederlands), evenals in art. 34 N.G.B. en art. 56 K.O., het woord kinderen, gebruikt ter onderscheiding van volwassenen, toereikend is om ook geadopteerde kinderen als kinderen van christenen daaronder te rekenen.

Zij is van oordeel:
1. dat het onjuist is tegen het dopen van geadopteerde kinderen aan te voeren, dat volgens de leer van de Schrift de uit gelovigen geboren kinderen gedoopt zullen worden en dat anderen alleen gedoopt mogen worden na voorafgaande geloofsbelijdenis;
2. dat aan door gelovigen geadopteerde kinderen het recht niet kan worden ontzegd, dat zij als in Christus geheiligd de bediening van de doop ontvangen als bevestiging van de toezegging van Gods verbond aan Christus' gemeente;
3. dat de omstandigheid, dat geadopteerde kinderen niet in de weg van geboorte een plaats in Gods verbond ontvangen, geen reden is om de tekst van het doopsformulier daarbij aan te passen.
Zij spreekt uit, dat gezien het onderricht van de Schrift, aan door gelovigen geadopteerde jonge kinderen, die tevoren niet in Gods verbond waren opgenomen, van Godswege de bediening van de doop als teken en zegen van de verbondsbelofte toekomt.

(Hattem 1972/3, art. 251; Kampen 1975, art. 362, 366)

 

Bediening van de doop aan in het buitenland geadopteerde kinderen

De synode overweegt:
1. a. de adoptie in landen, waarmee geen adoptieverdrag bestaat, geldt voor het Nederlandse recht niet als adoptie, maar slechts als een voorziening in gezag;
b. deze voorziening in het gezag staat voor het Nederlandse recht gelijk met toekenning van de voogdij aan slechts één van de adoptanten;
c. naar Nederlands recht is bij overlijden van één van beide of beide adoptanten of in geval van echtscheiding de wettige positie van het te adopteren kind wezenlijk verschillend van die van een kind na de adoptie;
d. eerst wanneer de banden met de adoptanten in de voorlopige gezagsrelatie bevestigd blijken te zijn, krijgt het kind door middel van de adoptie-uitspraak van de overheid een wettelijk gegarandeerde vaste plaats in het gezin van de adoptanten;
e. het argument, dat de voogdij of daarmee gelijk te stellen gezagsrelatie door de rechter alleen ongedaan gemaakt kan worden op dezelfde gronden die gelden voor ontheffing of ontzetting uit de ouderlijke macht, zegt op zichzelf niets over de wettelijke gelijkwaardigheid van die beide gezagsverhoudingen en is geen bewijs voor het definitief karakter van de eerstgenoemde gezagsrelatie;
f. dat de voorlopige gezagsrelatie niet gelijkwaardig is aan de ouderlijke macht, wordt ook gedemonstreerd door de volgende factoren:
1. eventuele ontzetting uit het voogdijgezag is onherroepelijk;
2. voogdijschap vervalt automatisch bij meerderjarigheid van het kind;
g. andere factoren die de voorlopigheid van de voorziening in het gezag demonstreren, zijn:
1. de Nederlandse nationaliteit wordt nog niet toegekend, er wordt volstaan met een verblijfsvergunning en inschrijving in het vreemdelingenregister en voor de wet draagt het kind nog geen Nederlandse naam;
2. de familieband en de positie in het erfrecht worden nog niet vastgesteld;
2. a. het besluit van de generale synode van Hattem 1972/73, bevestigd door die van Kampen 1975, spreekt over de adoptieprocedure als een weg die pas eindigt bij de gerechtelijke adoptie-uitspraak, waarin juridisch wordt bezegeld wat feitelijk gegroeid is;
b. de generale synode van Hattem 1972 overwoog dat kinderen die vóór hun adoptie reeds als pleegkinderen voorlopig vertoefden in de kring van Gods verbond, door hun adoptie in de gezinskring van christenen een vaste plaats ontvangen, die niet alleen te kenschetsen is als het verkregen hebben van de staat van wettig kind van de adoptief-ouders maar ook als het door Gods barmhartigheid permanent gesteld zijn in het huis van christenen en toevertrouwd zijn aan het ouderschap van die christenen (acta art. 251 D, II, 14); waarbij zij niet voor niets de "vaste plaats in de gezinskring van christenen" verbindt aan het feit, dat het adoptief-kind "de staat van wettig kind van de adoptief-ouders" ontvangt;
c. de synode van Hattem waarschuwt om niet op de definitieve adoptiebeslissing vooruit te grijpen en vraagt op deze wijze van de a.s. adoptief-ouders terughoudendheid om aan alle betrokkenen de mogelijkheid te bieden de kennelijke leiding van de Here in te zien (acta art. 251C, II 10).

Zij is van oordeel:
1. de eigen aard van de onderhavige gezagsrelatie en de haar kenmerkende factoren tonen aan, dat de definitieve wettelijke garanties voor een vaste plaats van het in Nederland nog te adopteren kind in het gezin van de adoptanten - en daarmee in de kring van het verbond - ontbreken;
2. letter en geest van de door voorgaande synoden genomen besluiten inzake de doop van geadopteerde kinderen verzetten zich tegen bediening van de doop, voordat het einde van de adoptieprocedure is bereikt.
Zij spreekt uit: aan in het buitenland geadopteerde kinderen behoort de doop niet te worden bediend, voordat zij naar Nederlands recht wettig zijn geadopteerd.

(Groningen-Zuid 1978, art. 389)

 

Richtlijnen voor tijdstip van doop van geadopteerde kinderen

De synode wijst op de algemene regel dat de doop niet kan plaatsvinden dan nadat de adoptieprocedure (inclusief verzets- en beroepingstermijnen) is afgerond;
als nadere richtlijnen beveelt zij aan:
a. betreffende in het buitenland geadopteerde kinderen, dat de doopsbediening kan plaatsvinden na de uitspraak van de Nederlandse rechter (vonnis), waarin het verzoek tot adoptie definitief is toegewezen;
b. betreffende in Nederland geadopteerde kinderen kan de doopsbediening eerst geschieden nadat een rechterlijke verklaring is afgegeven, dat geen verzet of hoger beroep is ingesteld of nog mogelijk is.

(Arnhem 1981, art. 79)

 

Geen vroeger tijdstip

De synode voldeed niet aan een verzoek, goed te vinden dat de doop aan in het buitenland geadopteerde kinderen eerder mag worden bediend dan nadat zij naar Nederlands recht wettig zijn geadopteerd.

Gronden:
1. Het verschil tussen hetgeen in het buitenland een adoptie genoemd wordt en wat in Nederland onder adoptie is te verstaan is nog steeds aanwijsbaar:
a. De buitenlandse adoptie regelt de gezagsverhouding tussen het adoptiekind en de adoptiefouders, maar ook al wordt die gezagsverhouding erkend door de Nederlandse rechter, het is daarmee nog geen adoptie naar Nederlands recht.
b. Door de buitenlandse adoptie wordt een kind nog niet het wettige kind van zijn adoptiefouders, maar pas door de uitspraak van de Nederlandse rechter.
c. Door de buitenlandse adoptie verandert de nationaliteit van het kind nog niet, maar is het voor de Nederlandse wet nog "een vreemde", die wordt ingeschreven in "het vreemdelingen-register".
d. Hoe ook de nieuwe wet op het Nederlanderschap zal luiden, nu hebben wij te maken met de vigerende wetten, ook terzake van de adoptie.
2. a. Of een buitenlandse adoptie een „sterke”1) adoptie is, wordt beslist door de Nederlandse overheid en haar rechtsorganen en God wil ons door de Nederlandse overheid laten regeren.
b. De erkenning dat ook buitenlandse overheden dienaressen van God zijn, houdt niet in dat haar wetten en beslissingen zonder meer rechtsgeldig zijn voor òns, die naar Gods bestel onder de Nederlandse overheden zijn gesteld en háár wetten en bepalingen hebben te gehoorzamen.
c. Al zou er door een "sterke" adoptie van een buitenlands kind minder reden zijn voor zorg betreffende "de vaste plaats" in het huis van de adoptanten en daardoor in de kring van het Verbond, dan nog is daar het feit, dat het adoptiekind voor de Nederlandse wet "een vreemde" is, waarom het zinvol is te vragen door de Nederlandse rechter de adoptie te laten uitspreken.
d. Tegenover het oordeel, dat de gerechtelijke adoptiebeslissing aan het einde van de gehele procedure in geen enkel opzicht iets fundamenteels toevoegt aan de definitieve wettelijk gegarandeerde vaste plaats in het gezin van de adoptanten en daarmee in de kerk waartoe zij mogen behoren, stemt de synode in met het oordeel van haar voorgangster, Hattem 1972, die aan die gerechtelijke eindbeslissing juist zo grote waarde hechtte (acta art. 251) als aan de afsluiting en de bekroning van de hele procedure. Dit oordeel werd door de generale synode van Groningen-Zuid 1978 met kracht gehandhaafd (acta, art. 389, VII, 3).
3. Pas wanneer het adoptiekind niet langer "een vreemde" is voor de wet, maar via de rechterlijke uitspraak aan het einde van de adoptieprocedure het wettige kind van zijn adoptiefouders is geworden, is het moment bereikt, waarop de doop kan worden aangevraagd voor en bediend aan dit kind van de gemeente.

(Heemse 1984/5, art. 60)


1) Onder „sterke adoptie” wordt verstaan:
a. die welke berust op een behoorlijk onderzoek door de buitenlandse rechter of administratieve autoriteit, die een uitspraak heeft gedaan of de beschikking heeft gegeven;
b. die, waardoor de familierechtelijke betrekkingen tussen het kind en zijn (natuurlijke) ouders geheel worden verbroken en een familierechtelijke band tussen een kind en een echtpaar (adoptanten) daarvoor in de plaats treedt.

 

Tijdstip van de doop van geadopteerde kinderen

(De synode besluit)
1. de uitspraak van de GS Groningen-Zuid 1978 (Acta art. 389) “aan in het buitenland geadopteerde kinderen behoort de doop niet te worden bediend, voordat zij naar Nederlands recht wettig zijn geadopteerd”, gehandhaafd door de GS Heemse 1984--1985 (Acta art. 60) en door de GS Berkel en Rodenrijs 1996 (Acta art. 39), vervallen te verklaren;
2. uit te spreken dat aan buitenlandse kinderen die in Nederland door gelovige ouders in hun gezin worden opgenomen ter adoptie, na hun aankomst in Nederland het recht op de doop toekomt.

Gronden:
1. nu Nederland (op 1 oktober 1998) het Haags Adoptieverdrag heeft geratificeerd, is erkenning door de Nederlandse rechter van een adoptie uit één van de verdragslanden niet meer nodig;
2. de ‘Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie’ (voorheen: ‘Wet opneming buitenlandse pleegkinderen ter adoptie’) bepaalt dat ‘aspirant-adoptiefouders’ verplicht zijn hun kind, dat op grond van die wet een blijvende plaats in hun gezin heeft gekregen, te verzorgen en op te voeden als was het hun eigen kind (art. 1; art. 8 lid d en e; art. 9.1);
3. buitenlandse kinderen die door gelovige ouders in hun gezin zijn opgenomen ter adoptie, hebben op grond van de in grond 2 genoemde wet een blijvende plaats in dat gezin gekregen en behoren (NGB art. 34; HC zondag 27) daarom als kinderen van het verbond het sacrament van de doop te ontvangen (naar analogie van GS Hattem 1972--1973, Acta art. 251, besluit IV).

(Leusden 1999 art. 36-1)

 

Doop van een buitenechtelijk kind van een geëxcommuniceerde moeder

In antwoord op de vraag, naar aanleiding van een concreet geval, of een kind in onecht geboren uit een geëxcommuniceerde moeder, maar door leden van de gemeente als hun kind aangenomen, mag gedoopt worden, spreekt de synode uit:
a. dat deze vraag in het algemeen ontkennend moet beantwoord worden;
b. dat er echter bijzondere omstandigheden kunnen zijn, waarin een andere regel moet worden toegepast; en
c. dat in ieder geval de doop, die bediend is, niet ongedaan gemaakt kan worden; en dat dus dit kind, onder omstandigheden als bovengenoemd gedoopt, niet hierom van de gemeenschap van de kerk mag worden uitgesloten.

(Utrecht 1905, art. 33)

 

Moeder bij de doop

De synode overweegt, dat volgens art. 56 K.O. de heilige doop zo spoedig mogelijk aan de kinderen van de gelovigen moet bediend worden en dat bij de toepassing van deze regel de kerkenraad met prudentie heeft op te treden.
Zij spreekt als haar gevoelen uit, dat wanneer de moeder bij de bediening van de doop tegenwoordig is, er geen reden is, haar in de derde doopvraag niet te noemen.

(Arnhem 1902, art. 192)

 

Voorwaarde voor erkenning van de doop

De doop van genootschappen, verenigingen of personen, die formeel met het trinitarisch geloof hebben gebroken en deze breuk ook feitelijk doen uitkomen zo dikwijls hun een kind ten doop gepresenteerd wordt, kan niet meer als doop erkend worden.
Doch overigens is het altijd de praktijk in de gereformeerde kerk geweest, overeenkomstig de eis van Schrift en belijdenis, iedere doop is erkennen, hetzij aan kinderen of bejaarden bediend, in geval dezen gedoopt zijn in of vanwege een kring van christenen, door een door zulk een kring geroepen en erkend dienaar van het Woord en in de naam van de Vader en van Zoon en van de Heilige Geest.

(Groningen 1899, art. 116)

 

Geldigheid van de Darbistendoop

De synode spreekt uit, dat de kerkenraad de doop, die in de kring van de Darbisten bediend is had behoren te erkennen, omdat, al is de leer van de Darbisten aangaande het ambt niet in overeenstemming met de Heilige Schrift, toch de persoon, die bij hen de doop bedient, dit niet willekeurig doet als particulier persoon, maar op gezag van de kring van christenen, die hem daartoe aangewezen heeft.

(Arnhem 1930, art. 92)

 

Wanneer mogen kinderen van doopleden worden gedoopt?

In antwoord op de vraag, welke de goede praktijk is naar gereformeerde belijdenis inzake de doop van kinderen van doopleden: òf zulke ouders zelf laten staan over de doop van hun kinderen, òf in zulke gevallen getuigen vergen in de plaats van de ouders, òf de doop uitstellen tot na het belijdenis doen van de ouders, spreekt de synode uit:
a. de goede praktijk naar gereformeerde orde is, dat de kerkenraden arbeiden om volwassen leden, die nog geen toelating tot het heilig avondmaal hebben gevraagd, er toe te brengen, dat zij belijdenis van het geloof afleggen;
b. de kinderen van zulke ouders, die nog leden van de kerk zijn, behoren als zaak van de kerk gedoopt te wezen;
c. doch de stipulaties, welke de kerk bij de doop van de kinderen verlangt en moet verlangen als waarborg voor de christelijke opvoeding, kunnen niet met de ouders worden aangegaan zolang deze geen belijdenis van het geloof hebben afgelegd;
in dit geval blijft geen andere mogelijkheid dan de ouders van de te dopen kinderen met de meeste ernst te vermanen, dat zij belijdenis van het geloof afleggen, opdat het verbond van God zo spoedig mogelijk aan het zaak van het verbond wordt verzegeld1).

(Amsterdam 1908, art. 86; Arnhem 1930, art. 294; Middelburg 1933, art. 99; Enschede 1955/6, art. 105b)


1) Vanwege het belang van de zaak en omdat de kerken vroeger een andere praktijk volgden, wordt er op gewezen, dat de punten onder b en c door de synode van Amsterdam 1908, art. 86, als volgt waren geformuleerd:
b. maar dat de kinderen van zulke ouders die nog leden van de kerk zijn, beschouwd moeten worden als te behoren tot het zaak van de kerk, en dat deze derhalve recht op de doop hebben;
c. dat echter de stipulaties, welke de kerk bij de doop van de kinderen verlangt en moet verlangen, als waarborg voor de christelijke opvoeding, niet met de ouders kunnen worden aangegaan, wijl dezen zelf nog verzuimden door eigen belijdenis van hun geloof te doen blijken. In zulke gevallen blijkt er bij gevolg niets anders over dan om, liefst uit de kring van de familie, een of meer getuigen te vorderen, die naar het oordeel van de kerkenraad voldoende waarborg geven, dat de opvoeding van zulke kinderen beantwoorden zal aan de eis van het verbond.
Uit bezorgdheid over het feit dat in onderscheiden kerken veel kinderen, die in het verbond waren geboren, ongedoopt bleven, drong de synode van Arnhem 1930, art. 294, er bij de kerkenraden op aan, dat zij zich zouden houden aan de bepaling van de synode van Amsterdam bovengenoemd. Zij sprak uit, dat wanneer de ouders geen doopgetuigen kunnen stellen, de kerkenraad zo mogelijk een lid van de gemeente als getuige zal doen optreden, opdat het kind niet ongedoopt blijft.
Zij droeg aan de classes op ernstig toe te zien, dat deze bepalingen getrouw worden nageleefd.
De synode van Middelburg 1933 handhaafde in art. 99 wel het Arnhemse besluit, maar sprak tevens uit, dat de kerkenraden naarstig zullen arbeiden opdat niet anders dan bij hoge uitzondering van doopgetuigen behoeft te worden gebruik gemaakt; maar dat, waar het niet komen tot belijdenis van het geloof van de ouders zulks nodig doet zijn, niet moet worden nagelaten doopgetuigen te zoeken, opdat het kind niet ongedoopt blijft.
Bij de generale synode van Enschede 1955/6 kwam blijkens art. 105b een gravamen ter tafel tegen het laatste deel van de uitspraak van de synode van Amsterdam 1908 inzake het stellen van getuigen in de plaats van de ouders bij de bediening van de kinderdoop; welk gedeelte aldus luidt: „In zulke gevallen blijft er bijgevolg niets anders over dan om, liefst uit de kring van de familie, een of meer getuigen te vorderen, die naar het oordeel van de kerkenraad voldoende waarborg geven, dat de opvoeding van zulke kinderen beantwoorden zal aan de eis van het verbond”.
Zij constateerde, dat tegen de gewraakt woorden o.m. de volgende argumenten zijn aangevoerd:
1. dat in de oude redactie van art. 57 K.O. van geheel andere doopgetuigen sprake is, nl. van zulke, die náást de ouders zich stellen en niet in plááts van hen, en wel naast ouders, die de HERE wél belijden, in plaats van niet belijden;
2. dat de verplichtingen, welke zulke doopgetuigen in de zin van de voornoemde uitspraak van de generale synode van 1908 op zich nemen, feitelijk onuitvoerbaar zijn, aangezien iemand kwalijk verplichtingen op zich kan nemen over een kind, dat niet onder zijn gezag staat;
3. dat het gebruik van getuigen in de zin van de voornoemde uitspraak van de generale synode van 1908 veeleer de nalatige ouders in hun zonde tegemoet komt dan hen daarin tegenstaat.
Zij was van oordeel, dat deze argumentatie, die de gewraakte woorden bestrijdt, overtuigend geacht moet worden.
Zij sprak uit, dat zij de uitspraak van de generale synode van 1908 inzake het stellen van getuigen in de plaats van de ouders bij de bediening van de doop aan kinderen van de gemeente (acta art. 86) voor vervallen verklaart; in plaats daarvan stelde zij bovenvermelde uitspraak.

 

Doop van een kind uit een kerkelijk-gemengd huwelijk

De synode overweegt, dat een kerkenraad terecht weigerde, in geval een van de ouders van een kind tot een ander kerkgenootschap behoort, de betrokken ouder op te roepen tot het antwoorden op de doopvragen bij de eventuele doop van hun kind, omdat:
1. de kerkenraad over het geloof van de betrokkene niet kan oordelen, daar deze buiten de Gereformeerde Kerk ter plaatse staat;
2. de kerkenraad zich door de betrokkene niet erkend ziet wegens diens blijven bij het andere kerkgenootschap;
3. de kerkenraad niet in staat zou zijn, eventueel tucht op de betrokkene uit te oefenen, wanneer deze zijn belofte niet hield;
4. de kerkenraad aan hem, die geheel buiten de Gereformeerde Kerk ter plaatse staat, niet kan geven, wat volgens de synode van Amsterdam 1908, acta art. 86, geweigerd moet worden aan degenen, die in elk geval nog doopleden van de Gereformeerde Kerk zijn.

(Rotterdam 1917, blz. 35)

 

Revisieverzoek GS Leusden 1999 (Acta art. 36)

Besluit 1:
uit te spreken:
1. dat het besluit inderdaad voor meerdere uitleg en voor misverstand vatbaar is;
2. dat de lijn van besluiten over de doop van geadopteerde kinderen tot aan 1999 was, dat alleen aan kinderen die door middel van de definitieve adoptie-uitspraak door de Nederlandse autoriteiten een wettelijk gegarandeerde vaste plaats in het gezin van de adoptanten hebben gekregen, het recht op doop toekwam en niet ook aan die kinderen die nog niet wettig geadopteerd zijn, hoewel er nauwelijks nog redenen zijn om te twijfelen aan hun vaste en blijvende plaats in het gezin van de adoptanten;
3. dat uit de gronden bij het besluit van de Generale Synode Leusden 1999 en uit een verklaring van de rapporterende commissie die in de Acta (art. 36) is opgenomen, ten onrechte de suggestie zou kunnen voortkomen dat het voorgestelde geen feitelijke wijziging betekende van het eerder door de kerken gevoerde beleid, maar alleen een aanpassing van het beleid aan nieuwere wetgeving; de doorgevoerde wijziging was wel van verderstrekkende betekenis dan het woord ‘aanpassing’ deed vermoeden;
4. dat de Generale Synode Leusden 1999 er goed aan had gedaan vast te stellen dat er – mede gezien de ontwikkelingen in de wet- en regelgeving van overheidswege – een breed kerkelijk draagvlak was ontstaan om tot een gewijzigde bepaling te komen inzake het moment waarop een buitenlands kind dat met het oog op een adoptie in een gezin van gelovige ouders is opgenomen, gedoopt mag worden;
5. dat er thans door geen enkele kerkenraad revisie van het besluit van de Generale Synode Leusden 1999 in dezen is gevraagd en er daarom geen gronden zijn voor de huidige synode om de in 1999 ingeslagen koers inhoudelijk te corrigeren; dat het echter wel gewenst is de toen gemaakte bepaling te herformuleren.

Gronden:
1. in de besluittekst van de Generale Synode Leusden 1999 (Acta art. 36) wordt onvoldoende onderscheiden tussen kinderen die wettig geadopteerd zijn omdat de adoptie is uitgesproken in een land dat het Haags Adoptieverdrag heeft geratificeerd, en kinderen die niet uit een verdragsland komen en waarvan de adoptie mogelijkerwijs alsnog in Nederland moet worden uitgesproken;
2. de Generale Synode Heemse 1984-1985 (Acta art.60 besluit II grond 2) merkte op dat, hoewel de gerechtelijke adoptiebeslissing aan het einde van de gehele procedure “in geen enkel opzicht iets fundamenteels toevoegt aan de definitieve wettelijk gegarandeerde vaste plaats” in het gezin, de synode instemde met het oordeel van haar voorgangster, de Generale Synode Hattem 1972, die aan die gerechtelijke eindbeslissing juist zo grote waarde hechtte (Acta art.251) als de afsluiting en de bekroning van de gehele procedure. Dit oordeel was door de Generale Synode Groningen-Zuid 1978 met kracht gehandhaafd (Acta 389,VII,3). Verder sprak de Generale Synode Heemse 1984-1985 uit dat pas wanneer een kind via de rechterlijke uitspraak aan het einde van de adoptie-procedure het wettige kind van zijn adoptief-ouders is geworden, het moment is bereikt waarop de doop kan worden aangevraagd voor en bediend aan dit kind van de gemeente (Acta art.60, besluit II grond 3). Het beleid van de kerken in dezen werd nog eens bevestigd door de Generale Synode Berkel en Rodenrijs 1996 (Acta art. 39).
Hieruit blijkt dat synodes tot aan 1999 ook wel degelijk de mogelijkheid hebben overwogen om tot bediening van de doop over te gaan, nadat een kind een wettige vaste plaats in een gezin had gekregen, en niet pas wanneer die plaatsing ook gevolgd was door een rechterlijke adoptie-uitspraak.

Besluit 2:
de bepaling van de Generale Synode Leusden 1999, Acta art. 36, in haar besluit 2 met de desbetreffende gronden vervallen te verklaren en de regel voor de doop van adoptief-kinderen uit het buitenland als volgt te herformuleren:

Een buitenlands kind dat volgens de daarvoor door de Nederlandse overheid wettelijk voorgeschreven procedure in verband met of met het oog op adoptie in een gezin van gelovige ouders is opgenomen, heeft na aankomst in Nederland een vaste plaats in dat gezin gekregen; daarom heeft het vanaf dat moment het recht op de doop.

Gronden:
1. door zowel Nederlandse als internationale juridische bepalingen over adoptie zijn in het kader van de rechten van het kind de belangen en de door het recht beschermde positie van de bedoelde adoptief-kinderen steeds beter gewaarborgd;
2. de door Nederland geratificeerde internationale verdragen met betrekking tot erkenning van adoptie-uitspraken en de regelgeving zoals in de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie bieden aan de kerken ten aanzien van adoptief-kinderen uit het buitenland voldoende zekerheid inzake hun plaats en opvoeding in het desbetreffende gezin.

(Zuidhorn 2002 art. 34)

 

Doop van Nederlandse aspirant-adoptiefkinderen

Brief van de Particuliere Synode Gelderland d.d. 26 februari 2002. Zij vraagt dat de Generale Synode Zuidhorn 2002 besluit, dat Nederlandse aspirant-adoptiefkinderen pas gedoopt kunnen worden, nadat gebleken is dat zij een blijvende en onomkeerbare plaats in het gezin van gelovige ouders hebben gekregen. Voorts dat de synode besluit via haar deputaten met de Nederlandse overheid te overleggen, op basis van welke juridische grond de zekerheid verkregen kan worden dat het kind zo’n blijvende en onomkeerbare plaats in het gezin heeft gekregen.
De particuliere synode heeft zich voor haar verzoek geconfronteerd met het besluit hieromtrent van de Generale Synode Arnhem 1981, Acta art. 79. Tevens sluit ze aan bij een vraag die aan de Generale Synode Leusden 1999 was gesteld, nl. om uit te spreken: “Dat de kerkenraden de bevoegdheid hebben te beoordelen of er genoeg zekerheid is omtrent de blijvende band tussen gelovige adoptiefouders en het kind dat zij in huis genomen hebben voordat de heilige doop aan dit kind wordt bediend”, Acta art. 36. Gesteld wordt dat er met betrekking tot deze zaak bij de kerken onduidelijkheid bestaat.

Besluit:
1. thans niet over te gaan tot afhandeling van deze brief met betrekking tot de doop van Nederlandse aspirant-adoptiefkinderen;
2. aan deputaten Kerkrecht en kerkorde op te dragen:
a. de in deze brief aan de orde gestelde vragen te bestuderen;
b. op basis daarvan de volgende synode te dienen met een voorstel, hoe de vragen en onduidelijkheden met betrekking tot het tijdstip van de doop van Nederlandse aspirant-adoptiefkinderen het beste kunnen worden beantwoord dan wel opgelost.

Grond:
De particuliere synode Gelderland vraagt terecht om duidelijkheid met betrekking tot het tijdstip van de doop van een Nederlands kind dat ter adoptie in een gezin is opgenomen. Want de Generale Synode Leusden 1999 heeft alleen een uitspraak gedaan op het concrete punt van de doop van kinderen uit het buitenland die naar Nederland komen in het kader van een adoptieprocedure.
Het is de deputaten kerkrecht en kerkorde niet gelukt tijdens de zittingsperiode van de Generale Synode Zuidhorn 2002 voldoende informatie te verzamelen om tot rapportage en voorstellen te komen.

(Zuidhorn 2002 art. 35)

 

Doop aspirant-adoptief kinderen

Besluit 1:
a. het besluit van de Generale Synode van Arnhem 1981, Acta art. 79, besluit 2b inclusief grond 2 te bevestigen en als volgt te formuleren: de doopbediening van in Nederland geboren kinderen die zijn afgestaan ter adoptie en door gelovige ouders in hun gezin ter adoptie worden opgenomen kan pas geschieden wanneer de adoptie door de laatste rechterlijke uitspraak definitief is geworden;
b. als uitzondering op die regel te bepalen dat de doopsbediening eerder kan plaatsvinden wanneer gelovige natuurlijke ouder(s) daarom vragen. Deze doopvraag door de ouder(s) moet wel schriftelijk worden bevestigd en zo geverifieerd kunnen worden door de kerkenraad van de aspirant-adoptiefouders.

Gronden:
1. er is in de fase voorafgaande aan de laatste rechterlijke uitspraak bij de adoptie van een in Nederland geboren kind niet sprake van een door diverse wettelijke regelingen beschermde vaste plaats waar de gronden van Generale Synode van Zuidhorn 2002-2003, Acta art. 34, besluit 2 over spreken m.b.t. een in het buitenland geadopteerd kind;
2. van gelovige ouders die vragen om de doop mag verwacht worden dat, wanneer op het laatst de definitieve adoptie geen doorgang vindt, zij zelf die christelijke opvoeding die in het verlengde van de doop ligt, ter hand zullen nemen.

Besluit 2:
te constateren dat door de uitspraken van de Generale Synode van Leusden 1999, Acta art. 36, en van de GS Zuidhorn, Acta art. 34, ten aanzien van het tijdstip van de doop geen parallellie meer bestaat tussen de adoptie van een kind in Nederland en de adoptie van een kind uit het buitenland, zoals destijds de GS Arnhem betoogde, Acta art. 79.

Grond:
er is door de sinds 1993 sterk gewijzigde regelgeving, nationaal en internationaal, bij de adoptie van een kind uit het buitenland dadelijk na aankomst in Nederland voldoende zekerheid inzake plaats en opvoeding in het gezin van gelovige ouders; zo’n zekerheid is er bij de adoptie van een kind in Nederland pas na de laatste rechterlijke uitspraak.

Besluit 3:
niet te voldoen aan het verzoek van de PS Gelderland 2002 dat de generale synode via haar deputaten met de Nederlandse overheid overlegt op basis van welke juridische grond de zekerheid verkregen kan worden dat het kind een blijvende en onomkeerbare plaats in het gezin heeft gekregen.

Grond:
raadpleging van de geldende wetgeving heeft voldoende duidelijk gemaakt dat in het geval van een in Nederland geboren kind dat ter adoptie in een gezin wordt opgenomen een blijvende en onomkeerbare plaats juridisch pas gegarandeerd is als de adoptie-uitspraak definitief is.

(Amersfoort 2005, art. 31)

 

Doop pleegkinderen

Besluit 1:
uit te spreken: de doop wordt aan kinderen in duurzame pleegsituaties op aanvraag van de pleegouders bediend onder de volgende voorwaarden:
a. er is sprake van een pleegsituatie die door de Nederlandse wet is geregeld;
b. in het hulpverleningsplan is sprake van een toekomstperspectief waarbij het pleegkind in het pleeggezin zal blijven;
c. de ouders dienen toestemming te geven. Indien de ouders geen ouderlijk gezag meer uitoefenen, hoeft de mening van ouders niet doorslaggevend te zijn, maar zal het oordeel van die instantie die het gezag uitoefent het zwaarst mogen wegen;
d. indien ouders aan pleegouders vragen hun kind te laten dopen, wordt de doop bediend zodra deze doopaanvraag door ouders -ter verificatie door de kerkenraad- schriftelijk wordt bevestigd;
e. in het bepalen van de leeftijd tot welke kinderen kunnen worden gedoopt zullen de kerkenraden handelen naar het geldende kerkrecht en naar analogie van andere praktijksituaties waarbij zal worden aangesloten bij het in Nederland geldende recht.

Gronden:
1. in het rapport genoemd onder materiaal 3 is voldaan aan de studie waar de PS Gelderland om heeft verzocht;
2. door een juridisch beschermde en verifieerbare gezinssamenleving van pleegkinderen en pleegouderschap zijn dergelijke kinderen door God geroepen binnen de kring van zijn verbond en gemeente;
3. pas als er in het hulpverleningsplan sprake is van een toekomstperspectief waarbij het pleegkind in het pleeggezin zal blijven is in de praktijk sprake van een duurzame pleegsituatie;
4. krachtens de Nederlandse Wet (art. 1:247 BW) hebben alleen ouders de bevoegdheid voor het kind rechtsbetrekkingen van persoonlijke aard aan te gaan zoals de aansluiting bij een kerkgenootschap. Wanneer ouders ontheven zijn van of ontzet zijn uit het gezag is daarmee niet alle relatie opgebroken en dient daaraan naar vermogen recht te worden gedaan. De mening van de instantie die op basis van een rechterlijke uitspraak bevoegd is tot gezag, is echter doorslaggevend.
5. het is voor zowel een (pleeg)kind als de kerk als voor ouders en andere belanghebbenden van belang dat er sprake is van een juridisch verifieerbare situatie zodat niet voor elk kind dat tijdelijk elders verblijft de doop kan worden aangevraagd;
6. in de Nederlandse wetgeving geldt de leeftijd van 12 jaar als grens waarna kinderen in de gelegenheid worden gesteld hun mening kenbaar te maken in juridische procedures die hen aangaan.

Besluit 2:
indien de grootouder die door de rechter als voogd is aangewezen van het kind van zijn\haar minderjarige (ongehuwde) dochter de doop voor zijn/haar kleinkind aanvraagt, mag de kerk die alleen inwilligen wanneer de moeder van het kind en waar van toepassing ook de vader daarmee instemt.

Grond:

hoewel de voogd juridisch gezien voldoende gezag heeft om een doopaanvraag te doen m.b.t. het kind waarover hij/zij is aangesteld, is in deze situatie, waarin de ouder nog leeft en t.z.t de opvoeding en de zorg overneemt, de kans reëel dat er een einde komt aan dat gezag en de natuurlijke ouder het gezag terugkrijgt. Het voor de bediening van de doop noodzakelijke perspectief op de lange termijn (zie besluit 1, sub b), vergt instemming van de natuurlijke ouder.

(Amersfoort 2005, art. 49)

 

Doop aan kinderen van asielzoekers

Besluit 2:
de landelijke richtlijnen inzake toelating van asielzoekers tot de sacramenten dan wel tot de gemeenschap van de kerk als lid in volle rechten als volgt te wijzigen:
1. wanneer christen-asielzoekers of asielzoekers die tijdens hun verblijf hier tot het geloof gekomen zijn, toelating vragen tot de gemeenschap van de kerk als leden in volle rechten, zal de kerkenraad handelen in overeenstemming met art. 58 en 60 KO;
2. kerkenraden zullen asielzoekers, ongeacht hun status, op de gewone wijze als gasten tot de sacramenten1) toelaten, wanneer hij ervan overtuigd is:
a. dat zij in de christelijke gemeente waartoe ze behoorden, zijn toegelaten tot het avondmaal;
b. dat in een onderzoeksgesprek is gebleken dat zij met ons overeenstemmen in de ‘grondstukken’ van de christelijke religie;
c. dat er een positief getuigenis van hun levenswandel gegeven kan worden, mede op grond van het getuigenis van diegenen die hen begeleiden, terwijl ze naar vermogen de kerkdiensten trouw bezoeken;
d. dat zij bereid zijn zolang zij als gasten aan het avondmaal deelnemen zich aan het toezicht van de kerkenraad te onderwerpen.
3. vertrekt een asielzoeker die als gast was toegelaten tot de sacramenten naar een andere plaats, dan krijgt hij een schriftelijk getuigenis mee van de kerkenraad, opgesteld aan de hand van de onder 2. genoemde criteria. Op grond van dit getuigenis zal een asielzoeker in de zusterkerk waar hij zich vervolgens meldt, eveneens als gast worden toegelaten tot het gebruik van de sacramenten1).

Gronden:
1. met het oog op rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor de asielzoekers blijft het goed dat de kerken in dezen enkele gezamenlijke bepalingen aanvaarden;
2. het is gewenst dat de richtlijnen zo dicht mogelijk bij de bestaande bepalingen van de kerkorde aansluiten. Tevens blijft het nuttig om de bepalingen van de Generale Synode van Leeuwarden 1920 hier naar analogie toe te passen, zoals de GS Zuidhorn terecht heeft gesteld;
3. de bijzondere situatie van asielzoekers, met name de taal- en cultuurverschillen en de onzekerheid over de duur van hun verblijf, maakt het nodig om voor hen een apart omschreven positie als gast in de gemeenten te scheppen.

(Amersfoort 2005, art. 40)


1) Het meervoud sacramenten betekent, dat de betrokkenen in voorkomende gevallen ook de doop voor hun kinderen kunnen ontvangen. [ M.t.V.]