Artikel 13

Emeritering

Wanneer een predikant door ouderdom, ziekte of andere oorzaken niet meer in staat is zijn ambtswerk te verrichten, blijft hij rechtens dienaar des Woords.
De kerk die hij gediend heeft, zal hem op gepaste wijze onderhouden.
Deze verplichting geldt ook met betrekking tot weduwen en wezen van predikanten.

 

Leeftijdsgrens

Met betrekking tot de uitdrukking in artikel 13 van de kerkorde "door ouderdom niet meer in staat zijn zijn ambtswerk te verrichten" mag als grens worden gesteld het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Een predikant heeft niet de verplichting, maar wel de mogelijkheid op 65-jarige leeftijd emeritaat aan te vragen.

(Arnhem 1981, art. 68)

 

Verzorging van emeriti is plicht

De verzorging van emeriti predikanten en van predikants-weduwen en -wezen, gegrond in de eis van Gods Woord en voorgeschreven door art. 13 K.O., is niet zaak van barmhartigheid, maar recht van de genoemde personen en plicht van de betrokken kerken.
Hierbij zal in de eerste plaats de plaatselijke kerk in welke zij het laatst dienden te zorgen hebben.

(Dordrecht 1893, art. 179)

 

Leeftijd van te beroepen predikant

De synode bindt de kerken ernstig op het hart, geen bepalingen te maken, waarin alleen uit hoofde van de emeritaats-regeling een vaste grens gesteld wordt voor de leeftijd van de te beroepen predikanten, daar zulke bepalingen tot nadeel strekken van de emeritaats-regeling en een ongeestelijk element in de heilige zaak van het beroepingswerk mengen.

(’s-Gravenhage 1914, art. 143)

 

Financiële stipulaties bij beroep

De synode beveelt aan de kerken aan, dat zij bij het beroepen van een dienaar van het Woord de nodige stipulaties maken, niet alleen voor het traktement, maar ook voor het pensioen.

(Utrecht 1905, art. 131; Amsterdam 1908, art. 43;
’s-Gravenhage 1914, art. 142)

 

Emeritaats-honorarium

De synode legt er nadruk op, dat reeds aanstonds bij het beroepen het emeritaats-honorarium dient vastgesteld te zijn.

(Arnhem 1902, art. 144)

 

Ontwerp voor emeritaatsregeling

Zie: Bijlage 8-1.

 

Hoe de emeritus-verklaring geschiedt

De emeritus-verklaring geschiedt, indien nodig, op aanvraag van de belanghebbende (hetzij predikant of kerkenraad) door de classis, gesteund door de deputaten ad examina van de particuliere synode.

(Dordrecht 1893, art. 178)

 

Instructie voor de deputaten van de particuliere synode, aangewezen tot steun aan de classes bij de emeritus-verklaring van predikanten

Deputaten zullen zich overtuigen:
a. dat er is een aanvraag om emeritaat;
b. dat, indien die aanvraag uitgaat van de dienaar van het Woord, er ook is een verklaring van zijn kerkenraad, dat deze daarin bewilligt;
c. dat de reden „onbekwaamheid tot uitoefening van de dienst” aanwezig is;
d. dat, is ziekte de oorzaak van de onbekwaamheid, die uit een verklaring van twee bevoegde deskundigen, zal moeten blijken;
e. dat de classis de aanvrage gewettigd acht;
f. dat de classis zich heeft vergewist, dat de kerkenraad behoorlijke toezegging aan de dienaar heeft gedaan van zijn emeritaats-onderhoud;
g. dat bij bepaling van dit emeritaats-onderhoud gehandeld is naar de besluiten van de generale synoden;
h. dat van een en ander een behoorlijk ondertekend stuk is opgemaakt, waarvan gewaarmerkt afschrift aan de betrokken kerk en de betrokken dienaar is gegeven.

(Arnhem 1902, art. 144)

 

Geneeskundige verklaring

Bij emeritering uit oorzaak van ziekte zal de onbekwaamheid tot de uitoefening van de dienst moeten blijken uit een verklaring van twee bevoegde deskundigen, van wie één is aan te wijzen door de belanghebbende predikant en één door de betrokken kerkenraad, terwijl bij geschil een derde kan worden aangewezen door de betrokken classis.

(Amsterdam 1936, art. 173)

 

Akte van emeritering

Zie: Bijlage 9-1.

 

Geen synodale regeling voor uitvoering van art. 13 K.O.

De synode besluit:
1. geen regeling voor de uitvoering van art. 13 K.O. bij de kerken aan te bevelen;
2. de aanbeveling door vorige synoden gedaan van de regeling inzake de uitvoering van art. 13 K.O. niet meer voor haar rekening te nemen;
3. zich er toe te bepalen de kerken op te wekken ten aanzien van de uitvoering van art. 13 K.O. de schriftuurlijke regels in de kerkorde vervat en in het rapport (zie: Bijlage 10-1) naar voren gebracht, na te leven.

(Groningen 1946, art. 192)

 

Geen overgangsbepalingen

De synode overweegt:
1. zij heeft door haar besluiten met betrekking tot de uitvoering van art. 13 K.O. (acta art. 192) de kerken niet in een nieuwe toestand gebracht;
2. zij heeft door die besluiten geen enkele regeling of overeenkomst, door enige kerk gemaakt, van haar kracht beroofd;
3. de verzorging van emeriti predikanten en van weduwen en wezen van predikanten die thans reeds worden verzorgd behoort evenmin tot de taak van de kerken in het gemeen als de verzorging van emeriti predikanten en weduwen en wezen van predikanten, die er in de toekomst zullen komen;
4. het behoort niet tot de taak van de generale synode om te voorzien in de moeilijkheden die met betrekking tot de uitvoering van art. 13 K.O. zich zullen kunnen voordoen of zich nu reeds voordoen;
5. het is geen schande dat een kerk door de vrijmaking in financiële moeilijkheden komt en hulp van de zusterkerken moet vragen voor de verzorging van haar emeritus predikant of van de weduwe en wezen van haar dienaar van het Woord.
Zij besluit geen overgangsbepalingen te maken in verband met predikanten en hun nagelaten betrekkingen die thans reeds naar art. 13 K.O. verzorgd worden.

(Groningen 1946, art. 209)

 

Geen generale regeling nodig

De synode besluit niet te voldoen aan het verzoek van een kerkenraad om herziening van het door de generale synode van Groningen 1946 (acta, art. 192) genomen besluit aangaande de uitvoering van art. 13 K.O., omdat
1. de emeritaatsverzorging een verplichting is van de plaatselijke kerk (art. 13 K.O.) tegenover de dienaar van het Woord, die door die plaatselijke kerk geroepen is (art. 5 en 6 K.O.) en aan die plaatselijke kerk verbonden is (art. 4 K.O.);
2. een dienaar van het Woord, die overeenkomstig art. 5 K.O. door de classis wordt aangewezen voor de beperkte taak één of meer vacante kerken als raadsman te dienen, verbonden blijft aan de plaatselijke kerk die hem riep, en niet - zoals de kerkenraad stelt - in dienst komt „van de kerken in ’t gemeen”;
3. de kerkenraad niet heeft aangetoond, dat de door hem genoemde moeilijkheden bij de uitvoering van het besluit van Groningen 1946 onoplosbaar zijn binnen de kaders van de vrijwillige aangegane samenwerkingsverbanden en de in de kerkorde aangewezen hulpverleningsmogelijkheden (vgl. de art. 11, 41 en 44 K.O.).

(Hattem 1972/3, art. 114)

 

Kerkelijke positie van geëmeriteerden als geestelijke verzorgers

Inzake de vraag, welke kerkelijke positie geestelijke verzorgers in stichtingen hebben, wanneer zij vroeger predikant on onze kerken zijn geweest en bij hun overgang tot een andere geestelijke arbeid emeritaat hebben verkregen, wil de synode gaarne verklaren, dat hun kerkelijke positie geheel dezelfde is als van elke emeritus predikant, d.w.z. dat zij de bevoegdheid hebben behouden op uitnodiging van een kerkenraad het Woord en de sacramenten in een gemeente te bedienen. Een nadere invulling van art. 13 K.O., om te constateren, dat degenen die emeritaat aanvragen, omdat zij tot een andere geestelijke arbeid overgaan, geen recht hebben op pensioen, noch voor hen zelf, noch voor hun weduwe of wezen, acht zij niet nodig, aangezien het van zelf spreekt, dat in zulke gevallen de slotalinea van dit artikel niet van toepassing is, daar de nooddruft ontbreekt, en de betrokken kerk dit desgewenst bovendien uitdrukkelijk in de akte van ontslag stipuleren kan.

(’s-Gravenhage 1914, art. 139)

 

Geen emeritaat van oefenaars

De synode maakt geen regeling voor het emeritaat van oefenaars, omdat onze kerken geen vaste en geregelde dienst en dus ook geen emeritaat van oefenaars kennen, die toch slechts tijdelijk als hulp voor vacante kerken zijn aangenomen.
Het ligt echter wel op de weg van de kerken, zoveel mogelijk in het onderhoud van hen, die als oefenaar in haar dienst werkzaam zijn geweest, te voorzien.

(Utrecht 1905, art. 36)

 

Weduwe van een na emeritering hertrouwde predikant

Als regel geldt, dat de weduwe van een predikant, die na zijn emeritering is hertrouwd, niet valt onder het in art. 13 K.O. omtrent predikantsweduwen bepaalde. Wel erkent de synode de mogelijkheid, dat bij uitzondering zich zulk een geval zou kunnen voordoen, waarin bijzondere redenen een andere handelwijze zouden aanbevelen. Mocht zich zulk een geval voordoen, dan moet de regel toegepast, dat elk geval op zich zelf vrij moet beoordeeld.

(Groningen 1899, art. 124)

 

Op grond van de bepaling van de synode van Groningen 1899 mag aan een weduwe als daarin bedoeld niet zonder meer een uitkering naar art. 13 K.O. worden onthouden, omdat die synode tegelijk uitsprak, dat elk geval op zichzelf moet worden beoordeeld. De uitnemende weg van de generale synode van Dordrecht, art. 178, moet ook worden gevolgd voor het regelen van bijzondere gevallen in de onderhouding van art. 13 K.O.
Het besluit van de generale synode van Groningen 1946, „geen regeling voor de uitvoering van art. 13 K.O. bij de kerken aan te bevelen”, heeft de bepaling van de synode van Groningen 1899 niet ongedaan gemaakt en er bestaat ook geen reden, genoemde bepaling uit het midden van de kerken weg te nemen.

(Kampen 1975, art. 199)

 

Zorg voor de weduwe van een losgemaakte predikant

Het ligt wel degelijk op de weg van de kerken, de weduwe van een dienaar, die indertijd eervol werd losgemaakt van de kerk, welke hij diende, en beroepbaar bleef voor andere kerken, maar tot zijn dood toe niet door een beroep aan een andere kerk in de dienst van het Woord werd verbonden, niet aan haar lot over te laten.
In zulk een geval kan nochtans moeilijk sprake zijn van een verplichting van een plaatselijke kerk, van welk zulk een dienaar juist losgemaakt is; dus zullen de gezamenlijke kerken van de classis of particuliere synode, waartoe ook die kerk behoort, wel doen, het weduwengeld uit te keren; met dien verstande, dat bij elk geval de omstandigheden zullen te beoordelen zijn.

(Groningen 1899, art. 126)

 

Verzoek PS Utrecht over artikel 13 KO

brief van de Particuliere Synode Utrecht d.d. 14 februari 2002 (met bijlage), waarin de Generale Synode Zuidhorn 2002 verzocht wordt een (studie)deputaatschap in te stellen om, in samenwerking met de Vereniging Samenwerking Emeritering, de (kerkrechtelijke) vragen rond de mogelijkheden tot vervroegde emeritering te onderzoeken, teneinde eventueel concrete voorstellen te doen tot nadere regelgeving met betrekking tot artikel 13 KO.

Besluit:
dit verzoek te voegen bij het opdrachtenpakket voor het deputaatschap Dienst en recht, en het deputaatschap te vragen over deze zaak te rapporteren aan de volgende generale synode.

Grond:
het betreft hier een nieuwe zaak, die in de kerkelijke weg aan de orde is gesteld en die aansluit bij het reeds vastgestelde opdrachtenpakket voor het deputaatschap Dienst en recht (zie Acta art. 29).

(Zuidhorn 2002, art. 28)