Artikel 15

Ontheffing uit het ambt

Wanneer een predikant eenmaal geroepen is volgens de regel van artikel 5, heeft hij zich voor het leven aan de kerkelijke dienst verbonden. Dit houdt in dat hij zijn ambt niet mag neerleggen.
Hij kan slechts van zijn ambt worden ontheven en overgaan tot een andere levensstaat, indien de kerkeraad en de classis, met medewerking van de deputaten van de particuliere synode, oordelen dat daarvoor gewichtige redenen zijn.

 

Leidraad bij overgang tot een andere levensstaat

De synode betuigt haar instemming met de grondgedachten, die in het rapport over deze zaak uitgesproken zijn (zie dit rapport: Bijlage 11-1) en beveelt dit aan de kerken aan als leidraad, hoe in dergelijke gevallen te handelen.
Zij verklaart: 
1. dat zij onverzwakt wenst te handhaven het beginsel in art. 15 K.O. uitgesproken, dat een dienaar van het Woord, eenmaal geroepen volgens de regel van art. 5 K.O., zijn leven lang aan de kerkelijke dienst verbonden blijft, waarom het hem niet geoorloofd zal zijn, zich tot een andere levensstaat te begeven zonder gewichtige redenen;
2. dat zij, gelet hebbende op het droeve feit, dat meermalen dienaren van het Woord niet alleen buiten, maar ook in onze kerken, hun ambt hebben neergelegd, om een beroep te kiezen, dat financieel voor hen voordeliger was, de dienaren van het Woord met name op het hart bindt, dat het hun niet geoorloofd is om dergelijke redenen het heilig ambt door Christus hun toe betrouwd neer te leggen; waaraan zij echter evenzeer de vermaning toevoegt tot de kerken, om niet door te karige bezoldiging van haar dienaren tot zulk een zondige daad aanleiding te geven;
3. dat zij de classes, die naar art. 15 K.O. geroepen zijn om haar oordeel uit te spreken over het gewicht van de redenen, die zulk een overgang tot een andere levensstaat alleen wettigen, vermaant om aan dit artikel3 streng de hand te houden, en zodanig verzoek om uit de kerkelijke dienst ontslagen te worden, niet anders toe te staan, dan wanneer naar haar oordeel daartoe gewichtige redenen aanwezig zijn;
4. dat zij aan het verzoek om nader te omschrijven, wat onder deze gewichtige redenen te verstaan is, opdat in dezen meer uniformiteit komt, moeilijk voldoen kan, omdat de gevallen daarvan te onderscheiden zijn en elk geval afzonderlijk moet behandeld worden;
5. dat zij echter van oordeel is, dat in het vervolg het verlof om tot een andere levensstaat over te gaan, niet zal geschonken worden door de classis alleen, maar dat daarbij moet gevraagd worden de goedkeuring van de deputaten van de particuliere synode, waarom zij heeft besloten art. 15 K.O. aldus aan te vullen, dat daarbij gevoegd werden de woorden: „met medewerking van de deputaten van de particuliere synode”;
6. dat de classes niet lichtvaardig de naam en eer van een dienaar van het Woord zullen laten behouden aan dienaren, die hun ambt neerleggen om naar een ander beroep over te gaan, maar zich houden zullen aan de regel, dat zulk een voorrecht alleen behoort geschonken te worden aan zulke dienaren, die geroepen worden tot een andere dienst ten bate van de  kerken in het gemeen of tot een zodanige arbeid, die een geestelijk karakter draagt en met de roeping tot de verkondiging van het evangelie in verband staat.

(Leeuwarden 1920, art. 105)

 

Geen behoud van naam en eer van predikant

Met betrekking tot een geval, dat een dienaar van het Woord hoogleraar werd in de faculteit van de letteren, waarbij hem wel geoorloofd werd wegens gewichtige redenen tot een andere levensstaat over te gaan, maar niet vergund werd de naam en eer van een dienaar te behouden, overweegt de synode:
1. dat dit behoud van de naam en eer van een dienaar van het Woord rechtens volgens art. 13 K.O. alleen toekomst aan zulke dienaren, die door ouderdom, ziekte of andere oorzaken niet meer in staat zijn hun ambtswerk te verrichten, maar in geval een dienaar van het Woord de kerkelijke dienst verlaat om zich aan een ander levensdoel te wijden alleen als voorrecht en bij wijze van uitzondering door de kerken behoort te worden geschonken;
2. dat in bovengenoemde speciale geval terecht is geoordeeld, dat voor het verlenen van dit voorrecht geen genoegzame grond is, daar het hoogleraarschap in de letteren kwalijk verenigbaar kan worden geacht met het behoud van de ambtelijke positie van de predikanten daardoor ook een niet ongevaarlijk precedent zou worden gesteld.

(Leeuwarden 1920, art. 106)

 

Verlies van bevoegdheid

De synode dringt er bij de kerken op aan, dat ze geen voormalige dienaren van het Woord, welke tot een andere levensstaat zijn overgegaan, uitnodigen om voor te gaan in de kerkdienst.

(Arnhem 1930, art. 201)

 

Geen aanvullende bepaling bij de tekst van art. 15 K.O.

De synode besluit geen aanvullende bepaling aan art. 15 K.O. toe te voegen om de positie te regelen van dienaren van het Woord, die in een andere dienst ten bate van de kerk in het algemeen of tot zodanige arbeid, die een geestelijk karakter draagt en met de roeping tot verkondiging van het evangelie in verband staat, geroepen worden, omdat door het besluit van de generale synode van Leeuwarden 1920, acta art. 105, alinea 6, de algemene regels, hoe te handelen is met zulke dienaren van het Woord, genoegzaam zijn aangegeven en over de vraag, of deze regeling in de kerkorde behoort opgenomen te worden beter beslist kan worden, wanneer eventueel tot een generale revisie van de kerkorde zou besloten worden.

(Amsterdam 1936, art. 213)

 

Herstel in het ambt

De synode acht het op zich zelf niet onmogelijk aan het verzoek van een predikant, die vroeger op grond van art. 15 K.O. tot een andere levensstaat is overgegaan en nu begeert in het ambt van dienaar van het Woord hersteld te worden, te voldoen.
Maar zij oordeelt, dat de vraag of het geraden en wenselijk is, afhangt van de levensstaat, waartoe hij overging en van de motieven, die hem daarbij geleid hebben.
Zij spreekt voorts uit, dat de beoordeling van zulk een geval niet bij de generale synode thuis hoort, maar bij de classis, met wier medewerking het ontslag uit de dienst verleend is.

(’s-Gravenhage 1914, art. 107)

 

Richtlijnen bij ambtsherstel

De synode spreekt uit:
1. dat aan iemand, die moedwillig zijn ambt neerlegde zonder bewilliging en tegen het advies van de kerkenraad en de classis, niet anders dan om zeer bijzondere redenen (nl. redenen, niet in de betrokken persoon, maar buiten hem in het kerkelijk leven gelegen, bijv. wan neer uit de kerken de begeerte zou opkomen hem weer als dienaar van het Woord hersteld te zien of wanneer er groot gebrek aan dienaren van het Woord zou zijn of om andere redenen) weer de weg tot het ambt behoort te worden geopend;
2. dat de classis, niet zonder advies en bewilliging van de classis en de particuliere synode waaronder de betrokken broeder ressorteerde toen hij de ambtelijke bediening verliet, voorts met een goed getuigenis van de kerk, waaronder hij thans behoort, en tevens met kennis en goedvinden van de particuliere synode, waaronder hij thans ressorteert, allereerst een onderzoek zal instellen naar de beweegredenen, die hem leidden tot zijn verzoek, en of de boetvaardigheid duidelijk blijkt en daarna beoordelen en beslissen of de weg tot het ambt voor hem weer kan worden ontsloten;
3. dat hierbij nog moet worden overwogen, of hij nog geschikt is voor de ambtelijke bediening en nog met stichting kan dienen, of hij instemt met de leer van de kerk en of hij met betrekking tot zijn gaven en kennis beantwoordt aan de eisen, die God stelt aan de dienaren van het Woord, en dat hij na bevredigend onderzoek door de classis beroepbaar verklaard zal worden.

(Arnhem 1930, art. 164; Middelburg 1933, art. 268)

 

Rapport deputaten dienst en recht

Besluit 7:
dat de door GS Zuidhorn getroffen financiële regeling ad art. 14 KO (Acta art. 29, besluit 6) ook van toe­passing is in geval van ontheffing naar art. 15 KO, wanneer een predikant zelf onthef­fing vraagt in het belang van de kerk, waaraan hij verbonden is.

Gronden:
1. niet in alle gevallen waarin een predikant ontheffing vraagt uit zijn ambt naar art. 15 KO is er sprake van een eenzijdige beslissing, waarvan hij zelf de consequenties moet dragen; soms kan door eerder ontstane moeiten zoveel schade zijn aangericht, dat een predikant niet meer goed als zodanig kan functioneren, en daarom in goed overleg besluit ontheffing te vragen in het belang van de kerk, die hij diende;
2. oneigenlijk gebruik van art. 14 KO dient voorkomen te worden; wanneer de band tussen een predikant en zijn gemeente in het belang van de gemeente losgemaakt wordt, mogen niet de financiële consequenties daarvan reden zijn om in plaats van toepassing van art. 15 KO te kiezen voor toepassing van art. 14 KO.

(Amersfoort 2005, art. 55)