Bijlage 37

(bij art. 65 K.O.)

 

Instructie voor de predikant voor de ambtelijke verzorging van dove en slechthorende gemeenteleden

De taak van de DSH-predikant omvat de volgende elementen:
1. hij bekwaamt zich in de communicatieve vaardigheid met het oog op de pastorale verzorging van doven en slechthorenden door het volgen van een studie voor doventolk of van een gelijkwaardige opleiding, desgewenst met uitzondering van die studieonderdelen die niet direct van toepassing zijn op de pastorale zorgverlening; hij houdt zich op de hoogte van de ontwikkelingen op het gebied van de dovenproblematiek en van de dovenzorg;
2. omdat de ambtelijke zorg voor dove en slechthorende gemeenteleden is toevertrouwd aan plaatselijke kerkeraden, zal hij slechts op verzoek van de desbetreffende kerkeraden of met hun goedvinden zijn pastorale taak verrichten; zijn werk is gericht op de integratie van DSH-gemeenteleden in de plaatselijke gemeente waartoe zij behoren;
a. hij gaat voor in dovendiensten en in aangepaste kerkdiensten, zo mogelijk twee keer per zondag en verder op christelijke feest- en bededagen, eventueel met inbegrip van bediening der sacramenten; ook instrueert, begeleidt of assisteert hij, voorzover hen mogelijk is, anderen die in zulke diensten voorgaan;
b. hij geeft in overleg met deputaten catechetisch onderwijs aan DSH-jongeren en/of studenten en instructie of begeleiding aan anderen die dat onderwijs geven;
c. hij leidt, voorzover het hem mogelijk is, trouwdiensten en begrafenissen waarbij DSH-personen nauw betrokken zijn;
d. hij legt pastorale bezoeken af bij DSH-gemeenteleden, al naar gelang de ernst van hun handicap; eventueel begeleidt hij anderen die dergelijke bezoeken afleggen; zo nodig onderhoudt hij telefonisch of schriftelijk pastorale contacten met DSH-broeders en zusters;
e. hij rapporteert jaarlijks en zo nodig vaker aan de kerkeraad van DSH-gemeenteleden over pastorale contacten voorzover de kerkeraad daarbij niet door een of meer ambtsdragers betrokken was; hij doet dit eventueel door het onderhouden van telefonisch contact met de predikant of kerkeraad van de betrokken DSH-gemeenteleden;
3. hij neemt deel aan het overleg en het werk van deputaten tot het stimuleren en het coördineren van de plaatselijke en regionale pastorale verzorging en kerkelijke toerusting van de DSH-broeders en zusters;
4. hij woont als adviserend lid, mits daartoe uitgenodigd, de vergaderingen van deputaten bij en rapporteert hun eens per kwartaal over zijn werkzaamheden; ook werkt hij desgevraagd mee aan het opstellen van het rapport van deputaten aan de generale synode;
5. hij woont eenmaal per jaar een vergadering bij van de kerkeraad van de beroepende kerk, evenzo een vergadering van de kerkeraad met de diakenen en de vergadering waarin jaarlijkse kerkvisitatie wordt gehouden; tevens is het gewenst dat hij twee keer per jaar voorgaat in een kerkdienst die belegd is door de beroepende kerk.

(Ommen 1993, art. 42-8)