Artikel 8

Toelating zonder theologische opleiding

Wie geen theologische opleiding hebben ontvangen, kunnen niet toegelaten worden tot het predikambt, tenzij overtuigend blijkt dat zij bijzondere gaven hebben van godsvrucht, ootmoed, ingetogenheid, verstand, onderscheidingsvermogen en welsprekendheid.
Wanneer zulke personen toelating vragen tot de dienst des Woords, zal de classis hen examineren na toestemming van de particuliere synode. Indien het examen naar het oordeel van de classis gunstig verloopt, zal deze een periode vaststellen waarin zij als proponent mogen voorgaan in de kerken van het classicaal ressort.
Daarna zal de classis verder met hen handelen zoals naar haar oordeel verantwoord is, volgens de generale regeling die daarvoor door de kerken is vastgesteld.

 

„Bijzondere gaven”

De synode acht het thans niet nodig in behandeling te nemen, wat bedoeld is met de bijzondere gaven, genoemd in art. 8 K.O., in onderscheiding van de daarna genoemde gaven van godsvrucht, ootmoed, ingetogenheid, enz., maar beveelt wel aan de kennisneming van de uitvoerige bespreking van het vraagstuk door het „Synodaal Convent van Nederduitsche Gereformeerde Kerken (Doleerende) in Nederland”, gehouden te Rotterdam 1887 (acta blz. 30-40) en door de „Voorloopige synode van Nederduitsche Gereformeerde Kerken”, gehouden te Utrecht 1888/9 (acta blz. 46 vv), alsmede van het door die „Voorloopige Synode” aangenomen rapport (acta art. 169).

('s-Gravenhage 1914, art. 108; zie voor de genoemde stukken: Bijlage 7-1)

 

Nadere explicatie

Op het verzoek om nadere explicatie van de in art. 8 K.O. genoemde bijzondere gaven antwoordt de synode, dat, zoals uit de wording van art. 8 K.O. blijkt, met de uitdrukking „bijzondere gaven” de daarna genoemde gaven bedoeld zijn, en dat de uitdrukking wil te kennen geven, dat wie zonder gestudeerd te hebben tot het predikambt wenst toegelaten te worden deze gaven in bijzondere mate bezitten moet.

(Utrecht 1923, art. 39)

 

Toepassing van art. 8 K.O.

De synode beveelt bij de kerken aan, bij de toepassing van art. 8 K.O. rekening te houden met de hoofdlijnen van het door haar aanvaarde rapport van haar commissie van preadvies, waaruit blijkt, dat men zich bij examinatie naar art. 8 K.O. dient te richten op het onderzoek, of de aldaar genoemde gaven of kwaliteiten inderdaad zo bijzonder aanwezig zijn, dat de gaven of geschiktheden tot het predikambt zonder wetenschappelijke studie voorhanden zijn.

(Groningen 1946, art. 68; zie voor het genoemde rapport: Bijlage 7-1)

 

Toelating tot de dienst naar art. 8 K.O.

Inzake toelating tot de dienst van het Woord naar art. 8 K.O. is bepaald:
1. de gereformeerde kerken erkennen geen andere weg tot de bediening van het Woord dan die van de theologische studiën, behoudens alleen de zeer zeldzame gevallen, waarin, bij hoge uitzondering, de Here naar zijn vrijmachtig welbehagen langs andere weg de nodige gaven verleent;
2. om dit te weten, zal de particuliere synode van hen, die zich hiertoe aanbieden, allereerst de nodige attesten van kerkenraad en classis onderzoeken ten aanzien van de in art. 8 K.O. geëiste eigenschappen; vervolgens zal zij zelf te dien aanzien nader onderzoeken; alleen indien de aanwezigheid daarvan boven alle billijke twijfel verheven blijkt, zal zij hem toelaten tot het preparatoir examen;
3. dit preparatoir examen zal de examinandus worden afgenomen door de classis van zijn woonplaats, die het overige deel van art. 8 K.O. zal uitvoeren en, wanneer hij aan het einde van de oefeningstermijn voldoende zal zijn bevonden, hem beroepbaar zal stellen; waarna hem dan het peremptoir examen wacht; deze beide examina onderscheiden zich van die van de theologisch opgeleiden alleen door het niet-onderzoeken in de oude talen;
4. de particuliere synoden zelf hebben te beslissen aangaande het getal keren van onderzoek  van éénzelfde persoon.

(Dordrecht 1893, art. 175)

 

Herhaald onderzoek

De synode antwoordt op de vraag, of een particuliere synode gehouden is, zo menigmaal een onderzoek naar art. 8 K.O. en het door de synode van Dordrecht 1893, acta art. 175, bepaalde gevraagd wordt, dit in te stellen, ook in die gevallen, waarin de broeder, die begeert onderzocht te worden, door haar of door een ander particuliere synode eenmaal of meermalen na onderzoek is afgewezen:
dat elke particuliere synode geheel vrij is en blijft in de beoordeling van de toelating van iemand, die naar art. 8 K.O. wenst onderzocht te worden, en er dus geen reden is hieromtrent nadere bepalingen te maken.

(Utrecht 1905, art. 96)

 

Bepalingen voor toelating tot de dienst van het Woord naar art. 8 KO vervallen verklaard

(De synode besluit) de bepalingen voor de toelating tot de dienst van het Woord naar artikel 8 KO, zoals vastgelegd door de Generale Synode Dordrecht 1893, art. 175 (in combinatie met de regels voor het preparatoir examen, vastgesteld door de Generale Synode Rotterdam-Delfshaven 1964-1965, acta art. 105c) vervallen te verklaren.

Grond:
de andere opzet en inhoud van de kerkelijke onderzoeken voor afgestudeerden aan de Theologische Universiteit waartoe de Generale Synode Leusden besloot (Acta art. 28) – van preparatoir en peremptoir examen naar Beroepbaarstellend Onderzoek (BSO) en Toelatend Onderzoek (TLO) – dienen ook consequenties te krijgen voor wie in de weg van art. 8 KO predikant wil worden.

(de synode besluit) de route naar het predikantschap via artikel 8 KO als volgt vast te stellen:

1. Wanneer iemand naar art. 8 KO toelating wil verkrijgen tot het ambt van predikant, dient hij zich daartoe aan te melden bij de kerkenraad van de kerk waarvan hij lid is.
2. Op zijn verzoek zal de kerkenraad eerst beoordelen of de broeder voldoet aan de voorschriften die de Heilige Schrift bevat ten aanzien van de leer en de levenswandel van hen die staan naar het ambt van dienaar van het Woord. Tevens zal de kerkenraad zich uitspreken over de vraag of bij de broeder de bijzondere gaven aanwezig zijn waarop art. 8 KO doelt.
3. De kerkenraad zal zijn bevindingen schriftelijk meedelen aan betreffende broeder, en daarbij tevens de gronden vermelden en de manier waarop hij tot zijn oordeel is gekomen.
4. Wanneer de verklaring onder punt 3 positief is, kan de bewuste broeder zich presenteren bij de Theologische Universiteit, waarbij hij de verklaring van de kerkenraad overlegt en (kopieën van) relevante diploma’s.
5. Na de nodige oriënterende gesprekken stelt de senaat van de Theologische Universiteit voor hem een beperkt, relevant studieprogramma vast, waarin ook een stage is opgenomen. Tevens zal hij onder begeleiding van de Theologische Universiteit gedurende tenminste een periode van een half jaar voorgaan in erediensten binnen het ressort van de classis waar hij woont.
6. De aspirant kan ten behoeve van zijn studie aan de Theologische Universiteit voorzover nodig op de normale wijze financiële steun vragen bij deputaten ad art. 19 KO.
7. De senaat van de Theologische Universiteit zal na voltooiing van dit studieprogramma aan de aspirant een getuigschrift verlenen waarmee hij zich bij de classis kan presenteren voor een beroepbaarstellend onderzoek.
8. De classis neemt het beroepbaarstellend onderzoek volgens de geldende regels af, met uitzondering van het bepaalde over (een kopie van) het doctoraal diploma van de Theologische Universiteit.

Gronden:
1. dat de Heilige Geest sommigen op bijzondere wijze (singuliere gaven) bekwaamheid tot het ambt schenkt, sluit niet uit dat een beperkte aanvullende studie nodig en nuttig is;
2. de plaatselijke kerkenraad is de eerst aangewezen instantie om een oordeel uit te spreken over iemands verhouding tot de Here, roeping, bijzondere gaven en levenswandel;
3. in de Theologische Universiteit beschikken de kerken over een instantie waar men met de nodige competentie en distantie volgens objectieve maatstaven en in een reeks van toetsingsmomenten kan beoordelen of iemand een startbekwaamheid heeft om te dienen in het ambt van predikant;
4. de kerken houden een belangrijk en beslissend aandeel in de toetsing via de stage, het voorgaan in de erediensten in de classiskerken, en de zelfstandige toetsing bij het BSO en het TLO;
5. het singuliere blijft hierin uitkomen dat iemand zonder volledige wetenschappelijke theologische opleiding na een deugdelijke toetsing via een beperkte, op de persoon toegespitste studie en stage zich kan presenteren bij de classis voor een beroepbaarstellend onderzoek.

(de synode besluit) de laatste twee alinea’s van art. 8 KO buiten werking te stellen, en deputaten kerkrecht en kerkorde opdracht te geven een wijziging van art. 8 KO op dit punt voor te bereiden, waarbij alleen de hoofdzaak en niet de procedure in de KO wordt opgenomen.

(Zuidhorn 2002, art. 27)

 

Wijziging tekst artikel 8

Besluit 1:
artikel 8 van de Kerkorde aldus te doen luiden:
‘De classis zal alleen hen beroepbaar stellen die een universitaire theologische opleiding hebben ontvangen, tenzij overtuigend blijkt dat iemand ook zonder deze opleiding bekwaam is om in het ambt van predikant te dienen. Bij het onderzoek of deze bekwaamheid aanwezig is, zullen de regelingen van de generale synode worden toegepast’.

Grond:
hiermee wordt de regeling waartoe de Generale Synode van Zuidhorn 2002-2003 in artikel 27 van de Acta heeft besloten, verankerd in de kerkorde.

Besluit 2:
vast te stellen dat het hier om een tekstuele wijziging van de kerkorde gaat, die na de voorbereidende inhoudelijke besluitvorming op de GS Zuidhorn thans door de synode kan worden afgehandeld.

Grond:
de GS Zuidhorn heeft de inhoudelijke herziening van art. 8 reeds behandeld, waarbij een deputatenrapport tevoren aan alle kerken was toegezonden. De nu voorliggende formulering is slechts een uitwerking van wat de GS Zuidhorn besloot. Van het voorstel daartoe hebben alle kerken eveneens via het deputatenrapport kennis kunnen nemen. Er zijn uit de kerken geen opmerkingen of bezwaren over ingebracht. 

(Amersfoort 2005, art. 29)

 

Beroepbaarstelling en toelating tot het ambt op grond van artikel 8 KO

N.a.v. brief van de Gereformeerde kerk te Wapenveld waarin zij stelt dat: ‘er toch een begrenzing van de werking van de Heilige Geest is ingeslopen ten aanzien van leeftijd en niveau’.

Besluit:
niet op de brief van Wapenveld in te gaan.

Grond:
Wapenveld gaat niet in op het besluit van de Generale Synode van Zuidhorn 2002-2003, maar op passages uit het rapport van deputaten kerkrecht en kerkorde, die door de synode niet in het besluit over de route naar het predikantschap via art. 8 KO zijn opgenomen.

(Amersfoort 2005, art. 38)