Artikel 51

Vertegenwoordiging van de kerkeraad in stoffelijke zaken

Ten aanzien van het bestuur van de stoffelijke goederen wordt een kerk in en buiten rechte vertegenwoordigd door twee personen, die daartoe bij het nemen van het uit te voeren besluit door de kerkeraad en de diakenen zijn aangewezen.

 

Regeling van het beheer van de kerkelijke bezittingen

Zie: Bijlage 25-1

 

Inzake zogenaamde zelfstandige kerkelijke onderdelen

Artikel 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek luidt:
1. Kerkgenootschappen, alsmede hun zelfstandige onderdelen bezitten rechtspersoonlijkheid.
2. Zij worden geregeerd door hun eigen statuut, voorzover dit niet in strijd is met de wet.
De synode stemt in met de volgende conclusies:
- art. 2 Boek 2 BW biedt de gereformeerde kerken de maximale mogelijkheid om op eigen wijze kerkelijke taken met raakvlakken op het terrein van het burgerlijk recht, alleen of in samenwerking met de zusterkerken, te organiseren; daarbij zijn de regels van het kerkrecht beslissend;
- wil men gebruik maken van de mogelijkheden, die art. 2 Boek 2 BW biedt, dan zal duidelijk naar voren moeten komen, dat naar het oordeel van de deelnemende partijen, met inachtneming van de opvattingen die dienaangaande in onze kerken leven, sprake is van een kerkelijke taak;
- wordt aan die voorwaarde niet voldaan dan zal geen gebruik gemaakt moeten worden van de mogelijkheden die art. 2 Boek 2 BW biedt, maar van een andere door de wet geboden mogelijkheid, b.v. een vereniging of een stichting;
- wordt aan die voorwaarde wel voldaan, dan zullen de kerken in eigen vrijheid dienen te beslissen welke methode haar het meest geraden voorkomt, hetzij de mogelijkheid die art. 2 Boek 2 BW biedt, hetzij de gewone verenigingsvorm of stichtingsvorm;
- een voorzichtig gebruik maken van de mogelijkheden van art. 2 Boek 2 BW behoeft zeker niet afgewezen te worden;
- bij de gegeven stand van zaken kunnen de kerken gebruik maken van art. 2 Boek 2 BW zonder dat aanvulling van de K.O. noodzakelijk is.

Grond:
Art. 2 boek 2 BW biedt de mogelijkheid rechtspersonen voor een kerkelijke taak op te richten, wanneer plaatselijke kerken van oordeel zijn dat voor een bepaald doel zelfstandige onderdelen nodig zijn.

(Spakenburg-Noord 1987, art. 76)