Hoofdstuk VII.

De likwidatie der remonstrantsche troebelen.

 

Na de perioden vóór en na de remonstrantsche troebelen zorgvuldig met ons zoeklicht te hebben nagespoord, komen we nu tot de gebeurlijkheden tijdens de likwidatie daarvan; zonder twijfel wel voor de kwestie, waarom het hier gaat, verreweg de belangrijkste, omdat men juist in deze periode de argumenten voor de synodale bevoegdheid tot afzetten van kerkeraden heeft gezocht.

Nu hebben zich ook werkelijk in deze perioden wel afzettingen van kerkeraden voorgedaan.

Toch zal het weder goed zijn, ook hierbij, wat er geschied is, tot zijn ware proporties terug te brengen; en dit zoowel wat de provincies betreft, waar zij hebben plaats gehad, als de voorbeelden, welke historisch zijn vast te stellen, de omstandigheden, waaronder zij zijn toegepast, het kerkrechtelijk karakter, dat zij dragen, het gezag, waarop zij werden in het werk gesteld, en de plaats waar zij werden uitgevoerd.

|31|

Zoo zij dan met allen nadruk vooropgesteld, dat het bij zulke afzettingen geheel en uitsluitend om Zuidholland gaat. Provincies, als Groningen, Drenthe en Zeeland, waar de remonstrantsche beweging geen vasten voet heeft kunnen krijgen, vallen natuurlijk uit den aard der zaak geheel buiten onze beschouwing. Doch ook in gewesten, als Friesland, Gelderland, Overijssel, Utrecht en Noordholland komen zij niet voor. In Friesland, waar het remonstrantisme over het gemeen zeer geringen aanhang had, liet men zelfs de afzetting van predikanten aan de classen over, zij het met behulp der synodale deputaten, en drong men alleen bij de Gedeputeerde Staten op effectueering aan van het placcaat der Generale Staten, ook wat de conventikels betreft1). In Gelderland was het anders. Hier was de beweging tot „in dorpen en schansen” doorgedrongen. Volgens den genoemden Tideman zijn hier niet minder dan 21 predikanten afgezet. Toch stelde de synode hier ten aanzien van de kerkeraden geen vaste gedragslijn vast, maar droeg zoowel den synodalen, als classicalen deputaten op, om met de kerkeraden in overleg te treden, en zoo „op een wijse ende voet bedacht te weesen, waerdoor de gemeente, te voeren van den predikant verontrust, gerust ende tevrede gestelt mocht werden, alles nochtans richtende tot de meeste rust ende stichtinge der zelvre gemeente” (R.V. IV 330 v.); en wat dit beteekende, zagen we reeds in het onmiddellijk in de acta daarbij aansluitend optreden ten aanzien van Tiel. Evenzoo werd ook in Overijssel meer voor „sachte ende patiënte middelen” gevoeld, en om door strenger toezicht op de examens, wat de leer betreft, een beteren geest onder de predikanten aan te kweeken. Alleen te Kampen schijnt het meer hard tegen hard te zijn gegaan. Hier was onder invloed van de vier predikanten, en de begunstiging door den magistraat de aanhang van de geesteskinderen van Arminius onder het volk aanvankelijk nog al groot geweest. Er wordt dan ook in de provinciale synodale acta bepaald van een „arminiaanschen kerkeraad” gesproken (R.V. V 357), die destijds dan ook vrij heftig optrad, en zooals zoo vaak in Zuidholland geschiedde, de synodale, classicale en consistoriale boeken, alsmede het kerkzegel onder zich hield. Zelfs in 1620 waren deze, niettegenstaande de bemoeienissen van de burgemeesters nog niet weer uitgeleverd (318, 357, 369). Er wordt daarbij dan ook gesproken van een onderzoek bij degenen, die in den arminiaanschen kerkeraad „geweest” waren2), wat er op wijst, dat in 1620 althans officieel zulk een kerkeraad niet meer


1) Paschier de Fijne prees Friesland om de „civiele” behandeling van de heeren daar. Zijn predikaties werden nooit gestoord, en ook de burgers leden geen schade. Alleen in Dokkum was nog al eenige aanhang. Toch wordt ook hier niet vóór 1630 van een afzonderlijke gemeente gesproken, welke echter klein bleef en zich op het einde van de 18e eeuw — zij bestond toen uit 6 mannelijke en 7 vrouwelijke leden — met de doopsgezinde aldaar vereenigde; zie Tideman a.w. 295; 300v.
2) Ook Brandt spreekt van remonstrantsche ouderlingen (IV 513). Hoewel de aanhang eerst zeer groot was, wordt van een gemeente hier sedert het einde der 17e eeuw niet meer gesproken; zie Tideman a.w. 305.

|32|

bestond. Hoe hier de loop van zaken geweest is, kunnen we niet zeggen. De invloed van den magistraat zal hier wel beslissend zijn geweest, die eerst op de hand der Remonstranten, bij het draaien van den wind spoedig bakzeil hadden gehaald. In elk geval blijkt in de acta van een synodale afzetting niets. Ook zal zij wel niet van de classis zijn uitgegaan, waar ook deze zelf overwegend remonstrant was. In Noordholland bleef men ook ten aanzien van de remonstrantsche moeilijkheden bij de in Haarlem met zulk een goeden uitslag bekroonde methode van „accomodatie”, met regressie tot het primordiale verkiezingsrecht der gemeente. Ook te Hoorn waren twee „contrarie” kerkeraden: de gereformeerde, die in een huis in de Ramen — zoo heette de straat — vergaderde, werd zelfs „op haer eyghen versoeck van haer ghetrouwen dienst bedanckt”3); „die van de publycke kercke”, d.w.z. destijds de remonstrantsche, min of meer onwillig „vanhare bedieninghe ontslagen”, en toen „wt het gansche corpus der gemeente” onder assistentie van den overgebleven rechtzinnigen predikant Ripperti Sixti, „door authoriteyt” der synodale deputaten, en op hun nominatie een nieuwe kerkeraad verkozen. En in den grond der zaak verschilt hiervan ook de Utrechtsche gedragslijn niet zoo heel veel. Ook hier weder die recours tot het verkiezingsrecht der gemeente. In deze provincie — waar de remonstrantsche actie wel zeer groot, ten gevolge van den overheidsdruk het aantal kerkeraden slechts gering was, — zij waren alleen in de steden toegelaten — werd als de gevoegelijkste manier tot zuivering van kerkeraden, die „int geheel ofte ten deele Remonstranten” waren, aanbevolen, en dit ook den classen opgedragen (R.V. VI 438), „den gansenen kerekeraet (te) licentieren”, verlof te geven, vrij te laten, te ontslaan, ook de rechtzinnige leden, „ende wederom nieuwe ouderlingen en diaconen (te) kiesen, alsoo nochtans dat diegeene, die gesont syn in den geloeve, eligibiles zyn, ende dat het halve getall maer voor een jaer dienen” zou. Dit utrechtsche besluit is intusschen daarom zoo merkwaardig en belangrijk, omdat het genomen was onder auspiciën van de kopstukken van de nationale synode „bij den sinode nationael specialick gecommitteert ende expresse missive van de E. Mo. heeren Staten (der) provincie verzocht”, onder welke mannen als Bogerman, Damman, Trigland en Udemans — Bogerman, en na diens haastig vertrek Trigland, fungeerde zelfs als assessor der synode —, zoodat men er bijna bij van een nationaal-synodaal waarmerk zou kunnen spreken; en voorts omdat het zulk een helder licht werpt op het wezenlijk karakter van dergelijke maatregelen destijds, waarvoor we in het verloop van dit hoofdstuk nog wel meer aanwijzingen zullen aantreffen, namelijk dat we daarin meer met regeerings-, dan met eigenlijk gezegde tuchtmaatregelen hebben te doen. Doch alles saamnemende, ziet men toch, dat men bij de


3) Ook vroeger was van de zijde der Gereformeerden reeds een dergelijke accomodatie hier voorgeslagen; zie Uytenb. Kerk. Hist. II 241. Deze methode was dus wel echt noordhollandsch.

|33|

afzettingen van kerkeraden in den tijd, niet met een algemeenen, maar met een bepaald provincialen, zuidhollandschen maatregel hebben te doen.

Doch ook hier, in dezen beperkten kring, moet men weder blijven onderscheiden.

Zeker zij hebben hier plaats gehad, en zelfs betrekkelijk veel. Anders zou de synode van Leiden het wel niet hebben noodig geacht, met het oog daarop, zooals zij deed, een bepaald formulier vast te stellen. De synodale deputaten konden er dan ook te Gouda den magistraat op wijzen, dat zulk een deportement reeds in „verschey-dene ander kereken gheschiet was” (R.V. III 365). Bij navraag kon ook op de volgende synode van Gouda (1620) worden geconstateerd, dat op een paar daar genoemde uitzonderingen na „alomme inde respective classen en de kereken”, daar bedoelde kerkeraden waren, de resolutie van Leiden was „naegecomen”. In de synodale acta worden zelfs enkele met name genoemd: behalve Gouda, ook Vlaar-dingen, Maasland (R.V. III 334), en Rotterdam (356)4). Of echter zulke betuigingen, als op de synode van Gouda, precies ad litteram zijn te nemen, is een andere kwestie. Dat te Warmond en Woubrugge de uitvoering, althans der verkiezing van een nieuwen kerkeraad, onder invloed van den collator nog niet had plaats gehad, doet zien, dat men daarvoor ook nog wel van wat anders, dan kerkelijke besluiten afhankelijk was. De predikant van Buren behoorde tot de aller heftigste Remonstranten. De synode meende daarom zelfs, dat men tot zijn excommunicatie moest overgaan. Toch is de kerkeraad van Buren niet afgezet, hoewel hij toch ook „tot nochtoe” met een ,,verlatenen kerckendienaer in de kerekenregierunge gedient” had, en zelfs zich aan het bevel tot excommunicatie van zijn predikant zocht te onttrekken, door zich achter de noodzakelijkheid van een consent van den prins, als ambachtsheer te verschuilen (R.V. III 387 v.; 421). Ja de nadere verklaring van de Gouwsche synode op de bepalingen van die van Leiden spreekt zelfs van „hare” kerkeraden — (bedoeld zijn de predikanten, die wel de acte van gehoorzaamheid hadden onderteekend, en toch „tot quaet exempel van andere” uit de kerk bleven) — „die noch hartneckig in haer afwijking voortvaren” (R.V. III 442), en die men moest trachten met kerkelijke vermaning te winnen. Zulke kerkeraden waren er


4) Uytenb.) IV 332 noemt nog den haagschen van den St Jacobskerk op 1 December 1618; en Wyminga Fest. Homm. 300 n 6 uit het oud archief der Ned. Herv. kerk behalve Warmond nog Hazerswoude; alle door de commissie van de delftsche synode en de gecommitteerden van de Staten. Dus nog vóór het leidsche besluit. Tot zulke afzetting had deze commissie echter geen mandaat, hoever dit in dit bijzondere geval ook was uitgebreid, het betrof alleen de predikanten; zie R.V. III 313. In Rotterdam heeft de afzetting misschien door den magistraal plaats gehad, die ook de predikanten had afgezet. Dat de synode van Leiden hen desniettemin nog eens afzette, hangt samen met de eigen positie der predikanten in het kerkverband; de afzetting in Rotterdam had alleen plaatselijke beteekenis; zie R.V. III 355: „ende dat se derhalven noch predikanten zijn”.

|34|

dus destijds nog, en de synode wist dit; hetzij clandestien en oogluikend toegelaten, of misschien zelfs nog in volle functie.

Doch waarop in het bijzonder moet worden gelet, zulke afzettingen waren daarom nog geen synodale afzettingen. Er waren, wat de bevoegdheid betreft nog drie, wil men, zelfs vier andere gegadigden voor het recht daartoe. Allereerst de plaatselijke kerken zelf, of althans het rechtzinnig deel daarvan, of de gereformeerde kerkeraad, waar er ook zulk een was. Voorts was er de classe, die in het bijzonder geroepen was, om op de plaatselijke kerken toe te zien, en bij ontstentenis van een kerkeraad diens plaats in te nemen (D.K.O. 39). Dan had men den stedelijken magistraat, en wil men afzonderlijk genoemd, ook de ambachtsheeren en collatoren, tegenover welke — Warmond en Woubrugge bewijzen het — ook classicale autoriteiten niet altijd waren opgewassen. En wie nu in bepaalde gevallen de beslissende autoriteiten bij de afzetting zijn geweest, is zeker niet altijd gemakkelijk uit te maken. Nu eens zal wel inzonderheid het initiatief, of de aandrang van de eene, dan weder van de andere instantie zijn uitgegaan. Doch dit was volstrekt niet altijd de synode of een synodale deputatie. Dit was eigenlijk slechts een zeldzaamheid. Ja zien we goed, dan is dit eigenlijk strikt genomen slechts eenmaal geschied, namelijk te Gouda. Gewoonlijk gingen zulke afzettingen buiten de synodale bemoeienis om. Dit komt toch ook eigenlijk duidelijk genoeg in de synodale acta zelf uit. Te Vlaardingen en Maasland hadden ze vóór Leiden (III 334) reeds plaats gehad. Dat er op de synode over wordt gesproken, houdt verband met de weigering van den afgezetten kerkeraad, om de officieele kerkelijke boeken over te geven. Van den kerkeraad van Rotterdam lezen we, niet dat hij afgezet wordt, maar dat hij „affgeset sal worden” (356). Ook het algemeene besluit van Leiden (art. 118) is hier leerzaam. De afzettingen worden hier eigenlijk niet voorgeschreven, maar meer verondersteld. Op zijn meest kan men er een aanmaning in lezen, om daarin niet te vertragen. Het nieuwe was alleen de invoering van een bepaald formulier, blijkbaar ter bevordering van regelmaat en uniformiteit. Van de classen wordt daarin zeer concreet alleen gesproken over die plaatsen, waar „noch geen Ghereformeerde kerckeraden” waren (D.K.O. 39). Hierbij sluit zich dan ook de navraag op de synode van Gouda aan (429). Het is geen rapport, dat daar wordt gedaan; er was geen sprake van een opdracht geweest: de broeders zijn „gevraegt”. En het gaat daarbij niet alleen over de classen, maar over „de respective classen ende kercken”. Ook de inhoud van het formulier wijst in dezelfde richting (406 v.). Van den predikant heet het daarin, dat hij „door het oordeel des synodi vergadert binnen Leyden, van sijnen dienst is verlaten” d.w.z. afgezet. En dit wordt weder zeer correct „volgens de resolutien des synodi nationalis” en „de approbatie van de H. Mog. heeren Staten Generaal” genoemd. Van de ouderlingen en diakenen staat er alleen in, dat de synode het dienstig en noodig had bevonden, dat zij „sullen”

|35|

worden verlaten, zooals dit dan ook zou geschieden „mitsdesen”, d.w.z. met het voorlezen van het formulier5). De taak, welke daarin speciaal aan de classen wordt opgedragen, is dan ook weer strikt genomen, niet eens om voor de afzetting te zorgen, maar dat zoo spoedig mogelijk „ander ouderlinghen en diaconen volgens de ordre der kercken” zouden worden „vercoren ende gestelt”. Wij komen hier later bij Voetius op terug: evenals in het besluit van 1608 school niet in de afzetting van den ouden, maar in de zorg voor de verkiezing van den nieuwen kerkeraad de speciale taak der classe. En treedt ook hier weder niet het karakter der afzettingen, niet als tucht-, maar als regeeringsdaden, duidelijk aan het licht? Want de reden voor de afzetting is ook hier weder niet een eventueele afwijking bij zulke ouderlingen en diakenen zelf, maar alleen dat zij „mette voorsz. verlaten kerckendienaer tot noch toe in de kerckregieringe gedient” hadden. Het was een soort wetsverzetting, noodig tot waarborg voor den algemeenen welstand der kerken6).

Zoo blijft er dus van al die dusgenaamde synodale afzettingen, in dezen tijd, historisch maar weinig reëels over. Ja eigenlijk, historisch welbewezen, slechts één geval, namelijk dat te Gouda, waarover verder meer.

Doch dan moet tot verdere definieering van de toenmalige afzettingsgevallen ook wel op haar eigenlijk kerkrechtelijk karakter worden gelet.


5) De eenige plaats, waar we van zulk een afzetting vonden gesproken, niet in toekomenden, maar in verleden tijd, is bij Brandt III 811, in de mededeeling der commissie aan den magistraat te Gouda dat „de tegenwoordige kerckeraedt der Gasthuiskerk bij de Synode was bevestigt en d’andere afgeset”. Misschien hebben de gedeputeerden zich daarbij wat bijzonder kras uitgedrukt. Overigens volgt ook Brandt steeds den in den tekst genoemden regel. In het synodale rapport staat: dat zij gezegd hebben „wyert ghautoriseert in den dienst ende de andere gedeporteert”.
6) Men denke aan het bekende woord van Maurits en het antwoord van P.C. Hooft in den raad: „Bestevaer, ’t moet nu voor dees’ tijd soo wesen. De nood en dienst van ’t land vereischen het”; waarop Hooft o.a. erkende „dat ’t wel waer (was) dat het welvaeren van den staat d’ opperste wet moet sijn”. Aan deze „wetsverzettingen”, over welker staatkundige beteekenis natuurlijk heel wat verschil van beoordeeling is, waarbij ook allicht sym- en antipathie een woordje medespreekt (zie o.a. Gosses en Japikse, Handb. tot de staatk. gesch. van Nederl., blz. 127), doet ons ook denken aan de manier waarop men tegenwoordig een vermeerdering van de bevoegdheid der meerdere vergaderingen wel aannemelijk zoekt te maken, dat het dan niet in de bedoeling der meerdere vergaderingen ligt „blijvend de kerkelijke macht aan zich te trekken”, maar als er weer een goede kerkeraad is „het bestuur van de eigen zaken weder aan den kerkeraad” over te laten (dr M. Bouwman: Voetius, blz. 185). Zoo verzekerde ook Maurits te Amsterdam ter geruststelling: „dat dese verandering niet souden strekken tot nadeel van eenige der stadts previlegiën, als sijnde alleenlijk gedaen omme reden boven gemeldt, belastende den secretaris der stadt Jacob de Haen van al ’t geen des aengaende was gepasseert notitie te houden”. Alleen is er dit belangrijk verschil, dat men op grond van deze kerkelijke „wetsverzettingen” den meerderen vergaderingen nu wel daartoe een blijvend recht wil geven, en zulke abnormale maatregelen uit abnormale tijden wil normaliseeren, en daarop zelfs zijn systeem van de autoriteit der meerdere vergaderingen bouwen. Ook dr Van Lonkhuyzen veronderstelt in 1619 invloed van de politieke wetsverzettingen; zie o.a. Debat n. mog. blz. 6.

|36|

Op één belangrijken trek daarvan wezen we reeds een en ander maal.

Afzettingen, waarbij ook ambtsdragers, die gezond waren in het geloof (Utrecht), of juist om hun beginseltrouw en standvastigheid allen lof hadden verdiend (Hoorn), mede werden aan kant gesteld; of die desniettemin nog voor een poos werden gecontinueerd (Hoorn)7), kunnen geen tuchtoefeningen zijn in den eigenlijken zin van het woord; ook niet die, waarbij de grond alleen lag in een saamwerking met nu afgezette predikanten. Zulke dusgenaamde afzettingen dragen meer het karakter van ontslag, zooals zij dan ook meermalen uitdrukkelijk worden genoemd. Ook een predikant, die tegenwoordig volgens art. 11 K.O. uit den dienst ontslag heeft gekregen, zal toch niemand op één lijn stellen met een, die op grond van de in art. 80 K.O. genoemde redenen is afgezet. Losmakingen (art. 11 K. O.), toestemming tot overgang naar een anderen staat des levens (art. 12 K.O.), emeritaatsverklaringen (art. 13 K.O.), het verleenen van tijdelijk verlof (art. 14 K.O.) zijn geen tuchtoefeningen, maar daden van kerkregeering in engeren zin; dit zijn „questiones regiminis”, niet van discipline. Zoo is het nu ook hier bij de ouderlingen en diakenen. Ook hierbij hebben we niet met eigenlijk gezegde tuchthandelingen te doen, maar met regeeringsdaden, min of meer door de bijzondere omstandigheden van den tijd gebillijkt, of althans er toch door gemotiveerd. En de reden daarvan schuilt niet het minst in de destijds kerkelijk alles beheerschende „publieke-kerk-idee”.

Jaren lang waren uit kracht van dit noch kerkelijk, noch staatkundig te handhaven, hoewel voor den tijd van toen wel te begrijpen, denkbeeld twee stroomingen in ons nationale leven met geheel ongelijke, ja tegenstrijdige overtuigingen, zoowel van kerkrechtelijken, als leerstelligen aard, in ons vaderland in één kerkelijk verband bijeen gehouden, welker onderlinge, steeds in felheid en bitterheid toenemende botsingen, ten slotte op een ook van hooger hand gewettigd compromis waren uitgeloopen, een soort modus vivendi, een handhaving van een status quo, een tusschen-, een overgangstoestand, welke als zoodanig, als een voorloopige maatregel zonder twijfel wel redelijk en billijk was, doch kwalijk als blijvende toestand kerkelijke bevrediging geven kon.

Zoo waren er op vele plaatsen twee, wat men noemde „contrarie-kerkeraden” gekomen, die met elk hun deel der gemeente op afzonderlijke plaatsen in de steden in hun zelfs van overheidswege


7) We zouden ook nog kunnen memoreeren het eigenaardige besluit van de genoemde delftsche commissie-Muysholius, die te Hillegersberg, waar de oude kerkeraad nooit wettig was afgezet, dat de onwettig op het kussen gekomen kerkeraad „tot het einde des nationalen Synodes sal worden getolereert, maer, die tijdt geëxpireert wesende van haeren gepretendeerden dienst daetelijk desisteeren, en daarna de oude als noch wettelijk sijnde, worden gecontinueert, en haer de regeering der Kerke van Hilligersbergh in ’t geheel toebetrout en opgeleit worden” (Br. III 355). Men passe dit eens toe op een eigenlijk gezegd tuchtgeval!

|37|

toegewezen kerkgebouwen vergaderden. In de hollandsche provincies ook veelszins twee „contrarie-classen”. In Utrecht zelfs „contrarie-synoden”. Dat hierin verandering moest komen, nu eenmaal op de nationale synode de verdeeldheid brengende kwesties waren beslist, moet voor een ieder duidelijk zijn. De bedoelde maatregelen werden dan ook destijds expressis verbis in verband met zulke overwegingen genomen. „Alsoo het gantsch niet en dient tot ruste der kercken en der landen”, zoo heet het in het leidsche besluit bij de opstelling van het genoemde formulier, „dat nu nae het gestreecken oordeel over de vijff artijkelen door den sijnoden twee contrarie kerckenraden in een plaetse onder de Gereformeerde kercken souden getolereert worden.” Tot hiertoe was het getolereerd, geduld, nu ja, met het oog op de beslissing, welke men van de nationale synode verwachtte. Doch op zichzelf was het ongerijmd: twee kerkeraden op één plaats in één kerk. Dit moest nu ophouden, nu de kwestie eenmaal was uitgemaakt. En van zulke „contrarie-kerkeraden” uit werd de maatregel, dan vanzelf ook over die plaatsen uitgebreid, waar nog geen gereformeerde kerkeraad was. Want zoo er zulk een werd verkozen, dan waren er toch ook weder twee, waarvan de eene voor de andere wijken moest.

Men voelt, zoo krijgen de afzettingen van kerkeraden destijds meer het karakter van een keuze door het kerkverband, welke van die beide in het verband der gereformeerde kerken als gereformeerde kerkeraad zou worden erkend; van wettiging dus van den eenen en de uitsluiting van den anderen. Ook in het genoemde formulier komt het uit: dat „voor wettige ouderlingen ende diaconen der Gereformeerde kercken hier ter plaetse voortaan alleen gehouden sullen worden.” Wij zullen niet zeggen, dat men daarbij zich altijd bewust van een bepaalde terminologie heeft bediend, zoo volstrekt constant is het gebruik zeker niet. Doch er werkt toch o.i. een zuiver kerkrechtelijk besef in, wanneer men sprak van „casseeren”, hier in den zin niet van vernietigen, maar van „ontslaan uit den dienst”8); of ook van „licentieeren”, „verlof geven” n.l. om heen te gaan, of vooral „exauthoriseeren”, en voor de handhaving van den kerkeraad „authoriseeren”; waarmede natuurlijk niet kan zijn bedoeld gezag verleenen, want dit kan volgens ons gereformeerde kerkrecht niet, waarnaar de kerkeraden niet van eenig kerkelijk lichaam of een kerkelijken persoon, maar onmiddellijk van Christus hun gezag afleiden; — maar in zijn gezag erkennen, en daarin handhaven, en wat „exauthoriseeren” betreft, m.n. in het kerkverband gezag ontzeggen.

Nu zou men het tegenwoordig wel bij zulk een uitspraak hebben gelaten. De partijen zouden uit elkander gaan, en behoudens dan de uitspraak van den burgerlijken rechter over het bezit der kerkelijke goederen, zou daarmede het geschil zijn beslecht. In den tijd der


8) Zie Wbk van Koenen s.v.

|38|

Republiek was dit echter anders. De „publieke-kerk-idee” liet zich weder gelden. Konden er geen twee „contrarie-kerkeraden” in eenzelfde kerk zijn, ook geen twee kerken in eenzelfde land, en dus ook geen twee kerkeraden in eenzelfde plaats. Daarom kon ook met de autorisatie en exautorisatie der kerkeraden niet worden volstaan. De afgewezen kerkeraad moest ook worden opgeheven, ter zijde gezet, afgesteld.

En hiermede komen we vanzelf tot een volgende overweging: wie het is, althans op wiens gezag de afzettingen hebben plaats gehad. Natuurlijk van de kerken, meent men. Doch alleen? Waarom dan die zoo sterk op den voorgrond tredende bemoeiing van de overheid? De zaken der kerken, als „publieke-kerk”, waren ook publieke, politieke belangen. Het geheele politieke samenstel van de Republiek was destijds door de kerkelijke geschillen geschokt en in beroering gebracht. Alle destijds door de kerken genomen maatregelen dragen daar den stempel van. Doch vooral komt een en ander duidelijk uit in de eenige bepaald synodale afzetting van een kerkeraad in die dagen, welke historisch kan worden gelegitimeerd, die te Gouda.

Reeds in 1618 waren de gedeputeerden van de delftsche synode, de commissie Muysholius er op uitgegaan, om zoo veel het kon hier en daar orde op zaken te stellen; en een enkele maal waren ook toen reeds, doch dan buiten het hun gegeven mandaat om, daarbij mede kerkeraden afgezet9). En ook toen reeds gingen zij in gezelschap van gecommitteerden der Staten van Holland; deden zij rapport van hun werkzaamheden bij deze Staten, die ook de afzettingsbesluiten approbeerden, en beloofden in handen van ’t College der „Gecommitteerde Raeden” te stellen, „om die met alle discretie ter executie te leggen” (Brandt III, 389). Ook de „reis- en teerkosten” der kerkelijke deputaten werden door de Staten gedragen, waarbij deze overigens zeer wel het verschil tusschen politieke en kerkelijke heeren, ook finantieel wisten in acht te nemen: de predikanten moesten zich met twee gulden vacatie per dag tevredenstellen, terwijl den politieken heeren er drie werden toegewezen. Ook stelde men zich toen met de stedelijke magistraten in verbinding, zooals trouwens ook uitdrukkelijk door de Staten was bepaald, dat bij afzettingen, althans in de steden, de goedkeuring van den prins en de stedelijke magistraten zou noodig zijn. En zoo is er meer. Doch in het bijzonder was het te Gouda, dat de Hooge Overheid zich deed gelden. Aanleiding voor bemoeienissen der leidsche synode daar, was ook volgens haar eigen acta een brief van hare E. Ho. aan den politieken commissaris ter synode, waarin „den synodo ghelast” werd daar orde op zaken te stellen, hoewel „het beleid dezer saecke”, zegt Brandt, de synode bleef bevolen. En toen dit de eerste maal wegens den tegenstand der bevolking mislukte, spreekt Brandt ook nog van een nieuw aanschrijven, niet alleen van de gecommitteerde


9) Zie aant. 4.

|39|

Raden, maar ook van den prins; terwijl de prins na de mededeeling van hetgeen er de eerste maal was geschied, nu ook voor bescherming door krijgsvolk had gezorgd. Er wordt zelfs van twee groote compagnieën voetknechten gesproken (Br. III 809-816).

Dit alles zal, naar wij veronderstellen, wel voldoende zijn om te doen zien, van welk een zeer bijzonder karakter destijds de bedoelde afzettingen van kerkeraden waren, en wel vooral die van den kerkeraad te Gouda, en hoe ten eenenmale ongeschikt zij zijn om als exempel te dienen voor onzen tegenwoordigen tijd, die onder vigeur van zulk een geheel ander kerkbegrip leeft, en waarin de verhouding tusschen de kerk en de overheid zoo radicaal veranderd is.

En toch lieten zelfs in zulk een geheel abnormale en informeele geschiedenis de echte kerkrechtelijke beginselen zich niet geheel onbetuigd, maar, als we het zoo mogen zeggen, glinsteren deze nog als tusschen de vingers van die sterke, gewapende overheidshand door. Het besef van de zelfstandigheid der plaatselijke kerk was destijds nog wel zoo krachtig en levendig, dat men begreep, dat hoezeer dan ook op initiatief van de Hooge Overheid en de synode, de afzetting van een kerkeraad zelf een plaatselijke, interne aangelegenheid was, welke in ieder geval ook plaatselijk en in het midden der gemeente moest worden uitgevoerd. De synode had zich dan ook heel wat last en zorg kunnen besparen, door eenvoudig gelijk van zijn predikant zoo ook van den kerkeraad van Gouda de afzetting in haar eigen vergadering te effectueeren. Zij begreep echter blijkbaar zeer wel, dat dit niet kon, en vaardigde daarom een commissie af om na aanvankelijke mislukking zelfs voor de tweede maal het gevaar van een oproer te gaan trotseeren, terwijl ook uitdrukkelijk volgens Brandt van de Staten was bepaald, dat de kerkeraad der contra-remonstranten, die in de Gasthuiskerk vergaderden, hoewel deze in Gouda de minderheid vormden, den zondag, waarop de afzetting zou plaats hebben, „in de groote kerk” zouden zijn. Al vormden zij de minderheid, toch waren zij de wettige vertegenwoordigers van de gereformeerde kerk te Gouda en de afzetting van den valschen kerkeraad moest daarom in ieder geval plaats hebben in hun tegenwoordigheid; zooals dan ook volgens het rapport in de synode is geschied (R.V. III 365). Dit zijn beginselen, die voor ons van blijvende waarde zijn. Al het andere kan als abnormaal en uit-den-tijd, zeer wel door ons buiten beschouwing worden gelaten. Daarin is ook niemand minder dan Voetius zelf ons blijkbaar voorgegaan. Want wel wordt er dan soms heel wat ophef van gemaakt, dat Voetius altijd met zooveel eer van de synode van Delft, zoowel als van die van Leiden heeft gesproken, en van den „ijver” welke hij ook zelf als lid van de goudsche commissie heeft betoond. Doch het zou meer indruk maken, zoo dit ook eens wat nader wordt gepreciseerd.

De hoofdpersoon in de commissie is om zijn canonieke verdiensten voor ons allicht de toekomstige utrechtsche professor.

Doch destijds was dit aldus in de commissie zelf nog niet. Daar

|40|

was het de predikant van Woudrichem, Gedeon Soonevelt, die ook door de Staten was aangewezen om de predikatie te doen, dus de eigenlijke afzetting tot stand te brengen. Swalmius en Voetius hadden volgens Brandt meer speciaal de opdracht om met den magistraat over het leenen van een „bequaem en haer aengenaem leeraar” in overleg te treden (810). En de groote canonicus moge dan, zooals wordt gezegd, nog met zooveel lof van de beide zuidhollandsche synoden hebben gewaagd, van een lof voor de goudsche affaire hooren wij daarbij geen woord, zooals hij dan ook, in de veel besproken, en ook door ons in het volgende hoofdstuk te bespreken 23ste quaestio, geheel van zulk een synodale- en overheidsbemoeiing, ja ook van de geheele goudsche affaire geen woord rept. De verklaring daarvan ligt o.i. ook voor de hand. Want wel bedoelen wij hiermede nog niet, dat nu de groote canonicus geheel deze affaire ook beslist zou hebben afgekeurd. Ook Voetius was een kind van zijn tijd. Doch wel moet er toch voor hem in geheel het verloop van de zaak iets zijn geweest, en dan denken we in het bijzonder aan de hulp van dat krijgsvolk, waarvan hij toch heimelijk zal hebben gevoeld, dat het niet klopte met zijn eigen beschouwingen, waar hij altijd gewoon was, en dit geheel in overeenkomst met het woord van den Koning der kerk zelf (Matth. 20: 25), juist op dat „ongewapend” (inermis) zijn, het niet uitwendig dwingend (non coactiva externe), niet met overheidsgezag toegerust (non habet jurisdictionem cum imperio), geestelijk karakter der kerkelijke jurisdictie, voor zoover hij dan dit woord hierbij nog bruikbaar achtte10), den vollen nadruk legt. Het is dan ook zeker niet zonder beteekenis, dat men ook van de zijde van degenen, die hierbij van een grootere bevoegdheid der meerdere vergaderingen ijveren, moet erkennen, dat er van een bevoegdheid van meerdere vergaderingen om een geheelen kerkeraad af te zetten, in de geschriften van Voetius niets te ontdekken is11).

Zoo is dan ook hier weder het resultaat van ons onderzoek voor het pleit van een grootere synodale macht geheel negatief. Van een bevoegdheid der meerdere vergaderingen om kerkeraden af te zetten, weet ook onze eeuwenlange, gereformeerde kerkrechtelijke jurisprudentie niets, behalve dan in één geval, dat zoo abnormaal is, en ook in strijd met onze tegenwoordige begrippen van kerk, en van de verhouding tusschen kerk en overheid, dat men het best doet daarvan maar te zwijgen, en het te beschouwen als de uitzondering, waardoor de regel bevestigd wordt.

*


10) „si ita loqui liceat”; Pol. Eccl. ed. R. p. 103.
11) Zie Bouwman a. w. blz. 318.