Hoofdstuk VI.

De analogische excommunicatie.

 

Ook de na-dordtsche periode heeft men wel vlijtig afgezocht om een voorbeeld van een synodale afzetting van kerkeraden te ontdekken. Doch wat men vond, is tot bewijs van een synodale bevoegdheid daartoe in onze nederlandsche gereformeerde kerken al van luttel belang.

Zoo wees men wel op de afzetting van den waalschen kerkeraad met haar predikant J. de Labadie in 1668 door de waalsche synode. Doch afgezien daarvan, dat er reeds destijds tegen deze afzetting ernstige bezwaren werden geopperd, en niet alleen partijgenooten van De Labadie haar wederrechtelijk vonden, zijn we hiermee in een ander kerkverband, dat alleen in de destijds niet meer gehouden nationale synoden met onze nederlandsche kerken samenleefde1). Evenzoo schijnt men voor het bewijs van een dergelijke bevoegdheid weinig te hebben aan het besluit ten aanzien van den kerkeraad van


1) Zie hierover Yp. en Derm. Gesch. der Ned. Herv. kerk III 89; aant. 131, 132 blz. 56v. Ook hierbij was het weder de autoriteit der Staten, welke het besluit bindend maakte. Hoe ook overigens een waalsche synode zich tegenover de plaatselijke kerkeraden nog al eens een vrij intensieve bevoegdheid toeschreef, blijkt uit haar anders niet onverstandig optreden ten aanzien van den kerkeraad van Den Bosch in den strijd over het lidmaatschap van de „Onze Lieve Vrouwe-broederschap”, door dr D. Nauta in zijn instructief proefschrift over Maresius medegedeeld. Het besluit tot afhouding van het avondmaal over een zekeren Zuerus werd eenvoudig door haar geannuleerd, hoewel de kerkeraad zich daardoor niet heeft laten terughouden, maar intusschen appeleerde tot een nationale synode, welke destijds niet werd gehouden (bl. 181, n. 287, bl. 182).

|27|

Schore en Vlake in verband met de afzetting van den hattemistischen predikant Gosewinus Buytendijk, door de classe Goes, waarvan dr Van Lonkhuyzen2) om zijn tegenpartij van „ammunitie” te voorzien met nobel gebaar mededeeling doet. Dit besluit verklaart alleen, dat de leden van dien kerkeraad „den Kkedienst onweerdigh waaren, en moesten gedeporteert sijn, omdat sij de E. Classis volgens de Resolutie des E. coetus in geenen deele hebben willen gerust stellen En dat in haar plaatse Een Nieuwen Kkenraadt sal moeten worden verkooren.” Hoe daaraan de daartoe aangewezen commissie heeft voldaan, is niet te zeggen, omdat de notulen van de volgende classicale vergadering zoek zijn. In ieder geval zal bij de bedoelde verkiezing toch wel art. 19 van de zeeuwsche kerkenorde zijn in acht genomen, en dit besluit wel niet beteekenen, dat deze ook al door de classe zelf zou zijn gehouden. Overigens is het noch volgens de D.K.O. noch die van Zeeland iets vreemds, dat in dit geval de classe zich zoo deed gelden, omdat volgens beide bij ontstentenis van een kerkeraad de classe was aangewezen voor dezen op te treden (D.K.O. 39; Z.K.O. 35). Ook bond de Z.K.O. de afzetting van ouderlingen en diakenen aan het advies der classe (art. 61). En niet de synode is het hier, maar de classe, die naar besluit van de eerste (den „coetus”) de zaak ter hand genomen had.

Toch is deze na-dordtsche periode ook voor ons onderwerp in het bijzonder daarom van zooveel belang, dat zij ons het voorbeeld van nog een andere gedragslijn geeft, welke ook wel naar het oordeel van hen die tegenwoordig voor grootere synodale bevoegdheid ijveren, normatieve beteekenis heeft3).

De weg van accomodatie dient zich aan in zulke gevallen, waarin de kerkeraad in de gemeente zelf de twistappel is geworden, en er als gevolg daarvan in eenzelfde gemeente twee tegenover elkander staande kerkeraden zijn. Doch wat moet nu gedaan worden, wanneer in een kerk zulk een tegenstelling niet bestaat, en er een ernstig conflict tusschen kerkeraad en kerkverband gerezen is? Dit is te zien in de langdurige, zooveel gerucht en beroering makende geschiedenis, in het begin van de 18e eeuw te Zwolle afgespeeld.

Wij behoeven daar niet een uitvoerig, omstandig verhaal van te doen, omdat zij kan geacht worden algemeen bekend te zijn na de rol, welke het verhaal gespeeld heeft in de reformatorische beweging van 1886 door het bekende geschrift van Lohman en Rutgers over de „Rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken”, en de zich destijds daarbij zich aansluitende discussie, alsmede de uitvoerige bestudeering er van in de bronnen, in 1936 door dr D.J. de Groot daaraan in het Geref. Theol. Tijdschrift gewijd. De predikant van Zwol, Fr. van Leenhof, werd algemeen van spinozistische gevoelens beticht. De kerkeraad, hierin gesteund, en geïnstigeerd door den


2) Zie de door hem aan de notulen der classe van 7 en 15 Maart 1712 ontleende mededeeling in zijn „Een belangrijk boek” blz. 12-15.
3) Zoo Jansen „De Beginselen enz.”, blz. 39.

|28|

stedelijken magistraat, handhaafde Van Leenhof, ook toen hij daarvoor reeds door classe en synode was afgezet. En hoe is men toen van de zijde van het kerkverband tegen dezen halstarrigen, recalcitranten kerkeraad opgetreden? Heeft men, zich aan die zijde bewust van zijn macht, den kerkeraad afgezet, of althans een poging daartoe gedaan?

Het behoorde tot de kracht van het genoemde dubbel professorale betoog, er op te kunnen wijzen: dat „dit niet alleen nooit (was) voorgesteld, maar ook nooit ter sprake gebracht, zelfs niet met een enkel woord”. „Is zulks denkbaar,” zoo wordt dan gevraagd, „wanneer het middel destijds evenzeer voor de hand gelegen had, als thans in het Hervormd Kerkgenootschap het geval is ? Vooral omdat dit zooveel eenvoudiger zou geweest zijn dan al die besluiten omtrent tijdelijke buiten werking stelling van het kerkverband.” Men zocht het destijds veeleer in den weg van wat door Voetius een „analogische excommunicatie” wordt genoemd: de opzegging van de broederlijke gemeenschap, van „ban of censuur” over den kerkeraad, zooals ook Ypey en Dermout4) daarvan spreken; althans in een begin er van, door de uitoefening van allerlei rechten van kerkverband (wisseling van attestaties, toelating der predikanten tot den kansel en op de meerdere vergaderingen) te bemoeilijken, of buiten werking te stellen, en zoo den kerkeraad van Zwolle te laten gevoelen, waarop het uit zou loopen, wanneer hij zelf voortging door zijn houding zich buiten het kerkverband te stellen5).

Nu heeft men in dit opzicht den klem van het betoog dier beide hooggeleerden wel zoeken te breken, door op historische onjuistheden te wijzen, met name wat betreft den belemmerenden invloed, welke in classe en synode daarbij inzonderheid van den zwolschen magistraat is uitgegaan. En dat in dit opzicht het professorale betoog zeker niet onaanvechtbaar is, behoeft ook niet te verwonderen, wanneer men bedenkt, dat destijds de geschiedenis nog niet in de bronnen was nageplozen, en mede wel ten gevolge van het verbod van de zijde der overheid tot notuleering, er een algemeene klacht was over de onzekerheid der gebeurlijkheden toen6). Doch door dit alles, hoe interessant en belangrijk, uit een historisch, wetenschappelijk oogpunt bezien, in dit opzicht de uitvoerige bronnenstudie van dr De Groot moge zijn, is desniettemin de eigenlijke kern van het professorale


4) A.w. III 24. Volgens deze schrijvers had dit optreden ook effect, en „leed onder dat alles de gemeente derwijze, dat hij”, d. w. z. Van Leenhof, „ten jare 1710 zich geneigd of in den gemoede verplicht gevoelde, om bij den magistraat ontslag van zijn post te verzoeken”; hoewel toch de „slapheid en flauheid” der overijselsche meerdere vergadering de kracht er van wel zeer vaak brak; zie De Groot, t.a.pl. V.
5) Ook in den arminiaanschen tijd had men in gelijken geest ten aanzien van de remonstrantsche kerkeraden gehandeld. Met zulk een tuchtoefening bleven de meerdere vergaderingen dan ook geheel op haar eigen terrein.
6) Zie o.a. Y. & D. a.w. III aant. 368 blz. 115, die ook al klaagt over „gebrek aan echte oorkonden”, en van de „bronnen”, „waaruit het licht over deze zaak moest komen”.

|29|

betoog ook zelfs niet met den vinger aangeraakt. Wat hierbij aan wetenswaardigs ook uit de kerkelijke en stedelijke archieven is opgediept, nooit heeft men daaruit ook maar één enkel bewijs kunnen bijbrengen, dat er destijds toch wel van kerkelijke zijde aan afzetting van den kerkeraad van Zwolle is gedacht of er over is gesproken. Het feit van het tegendeel, waarin toch eigenlijk de kern van het betoog der beide hoogleeraren schuilt, is niettegenstaande het nauwkeurigst onderzoek als een paal boven water blijven staan. Men is na het meest minutieuze onderzoek niet verder gekomen dan tot het in dit opzicht vrij poover negatief resultaat, dat de verklaring, welke de beide hoogleeraren daaraan geven niet de eenig mogelijke zou zijn, en zoo „aan de troostelooze geschiedenis der procedure tegen Frederik van Leenhof geen enkel deugdelijk wapen kan worden ontleend om het recht der meerdere vergaderingen om tegen den Raad eener plaatselijke kerk met schorsing en afzetting op te treden, te bestrijden”7). Doch ook zelfs dit sober resultaat rust o.i. nog op geheel onvoldoende gronden. Natuurlijk komt men dan met den in dit opzicht bekenden „deus ex machina” voor den dag, dat de magistraat te Zwolle dit toch zou verhinderd hebben, of dat men toch wel begreep, dat dit onder de gegeven omstandigheden praktisch niet uitvoerbaar zou zijn geweest. Doch indien ergens, dan schiet deze overweging hier ten eenenmale te kort. Want al kwam men tot zulk een daad hier niet, men had er toch wel van kunnen spreken; en dit zou men toch ook wel hebben verwacht, wanneer zulk een bevoegdheid der meerdere vergaderingen zou hebben vastgestaan. En hoe classe en synode destijds de macht der plaatselijke en provinciale overheid moesten ontzien, en hoe angstvallig zij daarom meermalen optraden, dit heeft haar toch niet verhinderd, den man, om wien het eigenlijk ging, wel te schorsen en af te zetten. Ook behoefden de kerkelijke vergaderingen buiten Overijsel toch voor de magistraten daar niet bang te zijn, zooals ook wordt erkend8). En als het dan zoo is, zooals dr De Groot in een noot (130 blz. 562) mededeelt, dat de noordhollandsche synode wel op andere middelen gezonnen heeft, dan blijft het toch wel uiterst vreemd, dat zij in het geheel niet schijnt te hebben gedacht, aan een den meerderen vergaderingen toekomend afzettingsrecht. Ook, dat de classis Haarlem dan nog komt met een voorstel, om zich tot de Staten-Generaal te wenden met de vraag, hoe men tegen zulk een weigerachtige kerk optreden moest. Dit zou dan toch weer een vragen zijn geweest naar den bekenden weg. Hoeveel eenvoudiger en plausibeler is dan de voorstelling der beide genoemde hoogleeraren, dat men destijds er niet van heeft gesproken, noch aan gedacht om de eenvoudige reden, dat zulk een bevoegdheid voor het kerkelijk bewustzijn destijds nog in het geheel niet bestond; en dit te meer, waar zij geheel overeenkomt, met de D.K.O.,


7) T.a.pl. blz. 563.
8) De Groot t.a.p. blz. 560.

|30|

die ook in Overijsel was aanvaard, en de destijds gevolgde kerkelijke praktijk9).

Ook in de periode na Dordt is dus geen bruikbaar spoor van een bevoegdheid van meerdere vergaderingen in onze nederlandsche kerken tot het afzetten van kerkeraden te ontdekken.

*


9) Hoeveel waardeering we gevoelen voor de keurige wijze, waarop dr De Groot de geschiedenis in de bronnen heeft nagespoord, kunnen we ons toch nauwelijks genoeg verbazen over de vraag waarmede hij aan het einde, als zijn slotsom, komt: „er is geen twijfel dat de classis Zwolle en de synode van Overijsel zich volkomen bevoegd beschouwden om Van Leenhof te suspendeeren en te deporteeren, en dat alle provinciale synoden in de zeven provinciën er zoo over dachten. Is het nu denkbaar, dat vergaderingen, die geen enkel bezwaar hadden om met de scherpste tuchtmiddelen tegen een dienaar des Woords op te treden, zich door principieele bezwaren zouden laten weerhouden om tegenover een dezen tolereerenden en zich daardoor dezelfde zonden deelachtig makenden kerkeraad hetzelfde te doen?” Acht Dr De Gr. het werkelijk zoo ondenkbaar, dat classes en synoden zich door principieele bezwaren zouden laten weerhouden om te doen, wat dus tegen hun principe zou zijn? Ons dunkt, dit spreekt toch wel vanzelf. Doch in het onderhavige geval behoefden zij zich ook niet door „principieele” overwegingen te laten weerhouden, want hun principe eischte volstrekt de afzetting van kerkeraden niet; verbood die veeleer, en deed zelfs de gedachte daaraan niet bij haar opkomen. Wanneer hij daar dan de alinea besluit met de opmerking, dat „de afzetting van Van Leenhof als consequentie om die van den kerkeraad riep”, dan gaat deze opmerking weer uit van een gelijkstelling ten aanzien van de bevoegdheid der meerdere vergaderingen bij de tucht van predikanten en van ouderlingen en diakenen — laat staan nog „kerkeraad” —, welke ten eenenmale in strijd ook reeds met de K.O. en haar geschiedenis is.