|259|

VI. Conclusie en aanbeveling

 

VI.1. De onderzoeksvraag

In de kerk is een oude vraag of er beroepskrachten mogen zijn naast de predikant. Iemand als Voetius spreekt zich daarover al uit. Hij staat het aanstellen van bijvoorbeeld ziekenbezoekers en catechiseermeesters toe. In de negentiende eeuw ziet de kerk zich bij het aanstellen van evangelisten geconfronteerd met het vraagstuk hoe de bevoegdheden van dit type beroepskracht begrensd dienen te worden. Deze evangelisten zijn voorlopers van de huidige beroepsgroep van kerkelijk werkers. De problematiek spitst zich toe op bevoegdheden die specifiek zijn voor het ambt van predikant.

Na de Tweede Wereldoorlog wil de NHK met de kerkorde van 1951 tot een regeling komen, die een ordelijk functioneren van beroepskrachten naast de predikant mogelijk maakt. Deze regeling wordt veelvuldig bediscussieerd, zij wordt op onderdelen aangepast, maar we vinden haar in essentie ongewijzigd terug in de kerkorde van de PKN. De GKN geeft de kerkelijk werker geen positie in de kerkorde, maar stelt wel een regeling op, die erop neerkomt dat deze beroepskracht in die kerk een vergelijkbare positie heeft als in de NHK. In het overleg en de besluitvorming op synodaal niveau draait het om twee vragen:
— wat zijn in het licht van de gereformeerde ambtsleer de juiste bepalingen;
— hoe kunnen de kerkordelijke bepalingen tot uitvoering worden gebracht in de praktijk.
De ELK, die zich heeft verenigd met de NHK en de GKN in de PKN, kent, hoewel niet behorend tot de gereformeerde traditie, een soortgelijke problematiek.

Niet alleen de PKN heeft te maken met de kerkelijk werkers. We komen ze ook tegen in de CGK, GG, GKV, NGK en RKK, onder uiteenlopende benamingen. In dit onderzoek concentreren we ons op kerken behorend tot de protestantse traditie. De CGK en de GKV hebben evenals de PKN in de kerkorde bepalingen opgenomen over de positie van de kerkelijk werker. De NGK en de GG hebben regelingen getroffen buiten de kerkorde om.

Het aantal kerkelijk werkers is groeiend. Een belangrijke verklarende factor is dat zij goedkoper en flexibeler inzetbaar zijn dan predikanten. Diverse hbo-instellingen beschikken over een kerkelijk erkende opleiding voor kerkelijk werkers, met als gevolg dat er voldoende aanbod is. Binnen de PKN is de

|260|

trend dat het aantal predikanten afneemt en het aantal kerkelijk werkers toeneemt.

De onderzoeksvraag, zoals geformuleerd in hoofdstuk I, is: wat is de geëigende positie van de kerkelijk werker in de kerk?

 

VI.2. De praktijk

De wijze waarop de kerk de positie van de kerkelijk werker in de kerkorde heeft vastgelegd, geeft in de praktijk problemen. Om deze problematiek te kunnen analyseren heb ik in 2003 een landelijk onderzoek uitgevoerd onder de geregistreerde kerkelijk werkers in de PKN. Hieruit blijkt dat de kern ervan wordt gevormd door een oud knelpunt: in gemeenten is behoefte aan iemand met de bevoegdheden die behoren tot het ambt van predikant en die de kerkelijk werker — kerkordelijk — niet heeft. Het onderzoek toont aan dat het beroepsprofiel van de kerkelijk werker in de praktijk grote overeenkomst heeft met dat van de predikant. De kerkorde gaat ervan uit dat de kerkelijk werker een ander profiel heeft. Zij wil onderscheid maken. In de praktijk onderkent en erkent de gemeente — de praktijk — dit verschil niet of waardeert zij de kerkelijk werker lager dan de predikant omdat hij niet in het ambt staat. De gemeente wil een beroepskracht voor de bediening van het Woord — prediking, bediening van de sacramenten, pastoraat en catechese. De bevoegdheid van de kerkelijk werker beperkt zich tot de laatste twee deelgebieden.

Kerkelijk werkers zijn in de praktijk hulpkrachten óf vervangers van predikanten. De kerkorde geeft kerkelijk werkers de ruimte om als hulpkracht te functioneren. Zij hebben een andere opleiding gehad dan predikanten, op HBO- en niet op universitair niveau, en met een deels ander vakkenpakket. Het vakkenpakket legt het accent op een ondersteunende functie in de gemeente. De gemeenten wensen overwegend geen hulpkracht maar een vervanger. Dat is niet de bedoeling van de regeling zoals we die in de kerkorde aantreffen. Dit verschil in beoogde functie van de kerkelijk werker is de bron van onvrede, frustratie en conflict.

De hervormde kerkorde kent de mogelijkheid dat de kerkelijk werker toestemming krijgt om te preken. Andere kerkordes kennen het preekconsent eveneens. Het preekconsent houdt in dat een kerkelijk werker mag voorgaan in een kerkdienst door een ‘stichtelijk woord te spreken’ of ‘het Evangelie te prediken’. De kerk gebruikt voor dit preken deze en andere omschrijvingen die moeten duidelijk maken dat er onderscheid is met de predikant die dienaar van het Woord is en op grond van zijn ambt het Woord bedient en

|261|

verkondigt. Het preekconsent voorziet duidelijk in een behoefte, maar heeft door de jaren heen heel wat onenigheid met zich meegebracht.

Het probleem met het preekconsent is dat de gemeente het verschil niet ervaart tussen een kerkelijk werker die preekt en een predikant. Zij heeft er dan ook moeite mee dat de kerkelijk werker wel mag preken maar niet de ‘andere’ ambtelijke bevoegdheden mag uitoefenen, zoals het bedienen van de sacramenten en het inzegenen van huwelijken. In het bijzonder is dit een probleem in gemeenten die geen predikant hebben maar een kerkelijk werker als vervanger. Het preekconsent is gewenst om te kunnen voorzien in het vervullen van de preekbeurten en omdat de gemeente degene die door de week het pastoraat en de catechese verzorgt ’s zondags op de preekstoel wil zien. De kerkorde biedt deze mogelijkheid, maar niet die dat de kerkelijk werker de ambtelijke bevoegdheden van de predikant krijgt. De gemeente stoot zich hieraan.

 

VI.3. De kerkorde

De kerk ziet zich geconfronteerd met een hardnekkig probleem — de positie en de bevoegdheden van de kerkelijk werker. Een voor de hand liggende vraag is: wat heeft zij eraan gedaan dit probleem op te lossen? Om het antwoord op deze vraag te vinden heb ik de besluitvorming van de synodes in de periode na de Tweede Wereldoorlog — te beginnen met de hervormde kerkorde van 1951 — tot op heden volledig geanalyseerd. Wat ten eerste opvalt, is dat de synodes regelingen hebben trachten op te stellen die in overeenstemming met de gereformeerde ambtsleer de praktijk ordenen. Aan de ene kant vraagt men zich af: wat eist de praktijk? Aan de andere kant stelt men de vraag: wat staat de ambtsleer toe? De synode fungeert als een bemiddelaar en de kerkorde geeft zij een brugfunctie. Dat werkt niet goed, met als gevolg dat de synode zich telkens opnieuw over de problematiek moet buigen.

De kerk is er steeds vanuit gegaan dat de gereformeerde ambtsleer alleen een niet-ambtelijke positie van de kerkelijk werker toestaat. De hervormde kerkorde noemt deze positie een ‘bediening’, de kerkorde van de PKN spreekt van ‘andere diensten’. Deze terminologie is niet helder, zij maakt niet duidelijk wat eigen is aan de functie van de kerkelijk werker. Afgezien daarvan vragen de gemeenten om ambtelijke bevoegdheden voor de kerkelijk werker. De kerk is verdeeld over de toekenning ervan. Aan de ene kant beroept men zich op de gereformeerde ambtsleer. Dat betekent dat de kerkelijk werker uitsluitend als hulpkracht mag opereren. Aan de andere kant wil men in de kerk hier niet van weten en heeft men er geen probleem mee de kerkelijk werker de

|262|

bevoegdheden toe te kennen die in de gereformeerde ambtsleer zijn voorbehouden aan de predikant. In de discussie doet men een beroep op het Nieuwe Testament.

De synodes van NHK, GKN en ELK hebben enkele keren gediscussieerd over de mogelijkheid de kerkelijk werker in het ambt van predikant te plaatsen en daarbij binnen dit ambt een onderscheid te maken tussen HBO- en universitair geschoolde predikanten. Zij hebben deze mogelijkheid afgewezen met als argument dat een clerus minor — een lagere geestelijkheid — in strijd met de traditie en daarom ongewenst is. Desondanks functioneert de kerkelijk werker in de praktijk wel als zodanig. Hij neemt feitelijk die positie in.

De problematiek van de bevoegdheden van de kerkelijk werker kan de kerk niet oplossen met zijn huidige kerkordelijke positionering. Deze positionering is een probleem omdat de gemeenten overwegend een vervanger van de predikant wensen, en niet een hulpkracht (dit blijkt uit het profiel van de kerkelijk werker in de praktijk — hoofdstuk II). De enige oplossing is een positionering binnen het ambt van predikant. Die heeft de kerk de kerkelijk werker niet willen geven.

De kerk heeft haar toevlucht genomen tot een beroep op ‘uitzonderingen’ en ‘noodsituaties’ om afwijkingen van de kerkordelijke hoofdlijn toe te staan. Het gevolg is een halfslachtig beleid, waarbij dan weer eens de nadruk wordt gelegd op het handhaven van de kerkordelijke bepalingen, dan weer eens op het treffen van een regeling die tegemoet komt aan de wensen vanuit de gemeenten of van de kerkelijk werkers als beroepsgroep. Om de kerkorde en de praktijk met elkaar te verzoenen heeft de synode nogal eens gekozen voor een gekunstelde redenering of een kunstmatige oplossing. Het preekconsent is bij uitstek het voorbeeld van het maken van een kunstmatig onderscheid in het preken. De redeneringen die ter synode zijn gehouden om het onderscheid tussen preken door de kerkelijk werker en de predikant duidelijk te maken komen gekunsteld over. Zo is betoogd dat de predikant die de Bijbel in de grondtalen kan lezen, het Woord bedient. De kerkelijk werker die deze bekwaamheid mist, bedient derhalve niet het Woord.

De kerkordes van de NHK en de PKN zien de kerkelijk werker als een hulpkracht. In de praktijk is hij vooral een vervanger van of een alternatief voor de predikant. Het beleid van NHK, GKN en PKN is primair gericht (geweest) op het realiseren van de eerste mogelijkheid. Dit is niet effectief geweest vanwege de discrepantie met de praktijk. Een effectief beleid vereist het volledig erkennen van de tweede mogelijkheid.

|263|

Buiten de PKN is het aantal kerkelijk werkers in de protestantse traditie (nog) relatief gering. Hun aantal begint in de CGK en de GKV wel toe te nemen. Dat is de reden dat deze kerken betrekkelijk recent in de kerkorde de positie van de kerkelijk werker hebben vastgelegd. Deze positie komt overeen met die in de kerkorde van de PKN. Voor zover bekend functioneren zij als hulpkracht. Anders dan de PKN heeft de GKV in een kerkordelijk rapport vastgesteld dat een vierde ambt voor de kerkelijk werker niet in strijd is met de gereformeerde traditie. Het is van mening dat de functie van de kerkelijk werker de kenmerken van een ambt heeft. Dit is een opmerkelijk verschil in gezichtspunt met de NHK, de GKN en de PKN.

De kerkorde van de CGK biedt de mogelijkheid dat een op HBO-niveau opgeleide theoloog als evangelist wordt aangesteld binnen het ambt van predikant. Dit betreft daarmee een ambtelijke positie voor de kerkelijk werker. Op basis van een heldere redenering erkent de CGK deze ‘bijzondere dienaar van het Woord’. Met deze vernieuwing in de ambtsstructuur komt de CGK tegemoet aan een behoefte vanuit de praktijk. Dit is een moedige stap.

 

VI.4. Het beroep op het Nieuwe Testament

De positie van de kerkelijk werker is buiten het ambt. De argumenten voor deze positionering ontleent de kerk aan de gereformeerde ambtsleer, waarbij zij een beroep doet op het Nieuwe Testament. Kenmerkend voor deze leer is het drievoudig ambt van predikant, ouderling en diaken. De predikant is de dienaar van het Woord, bevoegd tot de bediening van Woord en Sacrament. Met een beroep op het drievoudig ambt heeft de PKN (NHK, GKN) het aantal ambten niet willen uitbreiden. Het maken van een onderscheid binnen het ambt van predikant heeft de kerk afgewezen met als argument dat dit een hiërarchie tot gevolg heeft, wat strijdig is met de gereformeerde ambtsleer.

Uit mijn analyse van het beroep dat theologen doen op het Nieuwe Testament om een ambtelijke structuur vast te stellen, komt een grote variëteit aan meningen naar voren. De interpretaties lopen uiteen en op allerlei punten spreekt men elkaar tegen. Diverse onderscheidingen zijn mogelijk in ambten, charismata, werkzaamheden, diensten, taken of functies. Dit wekt de indruk dat het een lastige opgave is in het Nieuwe Testament een blauwdruk voor de ambtsstructuur te ontdekken. De theologen die we in hoofdstuk IV bespreken, zijn overwegend van mening dat uit het Nieuwe Testament niet zonder meer de gereformeerde ambtsstructuur is af te leiden.

Een correcte interpretatie van passages uit het Nieuwe Testament vereist, dat

|264|

we ons afvragen met welk doel zij zijn geschreven. Voor de ambtsleer beroept men zich vooral op passages uit brieven van Paulus, inclusief de pastorale brieven, en het boek Handelingen. Nergens blijkt echter dat hij een brief of een bepaalde passage heeft geschreven met het doel een ambtsstructuur te ontwerpen. Wel gaat hij in op vragen, problemen en ontwikkelingen in de gemeenten. Paulus wil bijsturen, corrigeren of stimuleren. Daardoor ontbreken de gegevens voor een concrete ambtsstructuur. Degenen die deze wel uit de nieuwtestamentische gegevens willen afleiden, moeten allerlei veronderstellingen maken. Dit geldt ook voor Calvijn, die dit met zoveel woorden erkent.

In dit hoofdstuk hebben we de verscheidenheid aan meningen onder theologen aangetoond. We hebben niet de discussie die de theologen onderling hebben gevoerd over hun ambtsopvatting, nader geanalyseerd. We hebben bijvoorbeeld niet de verschillen tussen Van Ruler, Berkhof en Graafland aan een onderzoek onderworpen. Dat heeft geen zin gelet op het doel van dit onderzoek: de mogelijke ambtelijke positie van de kerkelijk werker. De kerkelijk werker heeft in de kerkorde een niet-ambtelijke positie niet omdat deze of andere theologen het onderling niet eens, doordat zij de nieuwtestamentische gegevens verschillend interpreteren. De kerkordes behorend tot de gereformeerde traditie beroepen zich alle in eerste instantie op de gereformeerde traditie en in tweede instantie op het Nieuwe Testament. Cruciaal is daarom het onderzoeken van dit beroep op het Nieuwe Testament. Het is niet relevant hoe verscheidene theologen onderling de discussie hierover hebben gevoerd, want dit raakt de niet-ambtelijke positie van de kerkelijk werker niet.

Mijn onderzoek van het beroep op het Nieuwe Testament vat ik als volgt samen:
In het Nieuwe Testament lezen we dat in de gemeenten presbyters worden aangesteld door de apostel Paulus en zijn medewerkers. Uit het geheel van nieuwtestamentische gegevens kunnen we concluderen dat het woord presbyter/oudste in de praktijk betrekking heeft op de functie die we in de gereformeerde traditie kennen als de dienaar van het Woord, de voorganger van de gemeente, de predikant. De ouderling zoals wij die kennen, komen we in het Nieuwe Testament niet tegen. Hij is in de periode van de reformatie in het leven geroepen.
In de periode van het ontstaan van het Nieuwe Testament komen in de gemeente functies en wat wij ambten noemen tot ontwikkeling. In deze fase heeft de kerk zeker nog geen uitgekristalliseerde ambtsstructuur. De ambten, functies, taken en benamingen: de structuur is open, complex en dynamisch. De kerk heeft een roeping, daarop duidt de verscheidenheid aan namen en

|265|

termen primair. Vermoedelijk vindt een evolutie plaats in de richting van een ambtelijke structuur, zoals we die in de vroege kerk aantreffen: het drievoudige ambt van opziener (bisschop)/presbyter (oudste)/diaken. De meeste nieuwtestamentici zijn het erover eens dat we deze structuur in aanleg in het Nieuwe Testament al aantreffen.

 

VI.5. Vernieuwing ambtsstructuur

Uit de kerkordelijke discussie rijst Calvijn op als de oriëntatiefiguur voor de gereformeerde ambtsleer.310 Zijn ambtsleer ontvouwt hij in de Institutie in boek IV, in het bijzonder in hoofdstuk III. Calvijn omschrijft vier ambten. Hij maakt daarbij een onderscheid. Dit blijkt uit de titel van het betreffende hoofdstuk. De titel spreekt van de leraren en dienaren van de kerk. Zij duidt op de twee ambten van doctor (leraar) en predikant, waarbij de doctor een deelfunctie heeft van de functie die de predikant vervult. Het gaat Calvijn, zoals uit het gehele hoofdstuk blijkt, om de bediening van het Woord. In enkele paragrafen omschrijft hij de andere twee ambten, van ouderling en diaken. Deze ambten zijn duidelijk van ondergeschikte betekenis. Calvijn wijst voor zijn ambtsstructuur op een continuïteit met de vroege kerk.311 Tevens zet hij uiteen dat de vroege kerk een ambtsstructuur kent, die is gebaseerd op fasen in de ontwikkeling van de bekwaamheid. Iemand die in de positie van diaken is beproefd, kan worden bevorderd tot presbyter. De bisschop is een ‘senior’-presbyter, een voorzitter van een college van presbyters, plaatselijk of regionaal. De presbyter en de bisschop nemen de dienst van het Woord waar, inclusief de bediening van de sacramenten.312

In de periode van het Nieuwe Testament ontwikkelt zich in de kerk een functionele en ambtelijke structuur in reactie op en in wisselwerking met de omstandigheden waarin de kerk zich bevindt. In de periode van de reformatie zien we hetzelfde gebeuren. Zo ontwikkelt Calvijn een ambtsstructuur die de kerk in staat stelt in zijn tijd aan haar roeping te kunnen voldoen. Hij legitimeert zijn structuur met een beroep op het Nieuwe Testament en op de vroege kerk. Wij hebben de verantwoordelijkheid de kerkstructuur te ontwikkelen


310 Calvijn is niet de eerste die zich bezig houdt met een reformatie van de ambtsstructuur en -leer, met name Luther, Zwingli en Bucer zijn hem hierin voorgegaan, zie bijvoorbeeld: Ed. A.J.G. Van der Borght, Het ambt her-dacht, 79-205; P. van den Heuvel, De Hervormde Kerkorde, 36; G. Heitink, Biografie van de dominee, 26.
311 Zie voor een bespreking hiervan: Ed. A.J.G. Van der Borght, Het ambt her-dacht, 154-5.
312 Calvijn bespreekt dit in de Institutie in boek IV, hoofdstuk IV, par. 1-5,10 en hoofdstuk III, par. 9. In het bijzonder in par. 10 van hoofdstuk IV behandelt hij de relatie tussen diaken- en presbysterschap.

|266|

die we in onze context nodig hebben. Als we in acht nemen het verstaan door Calvijn van de ambten in het Nieuwe Testament en de vroege kerk en de communis opinio onder de nieuwtestamentici, dan hebben wij de ruimte de huidige ambtsstructuur zodanig aan te passen dat de kerkelijk werker daarbinnen een positie kan innemen als voorganger of als hulpkracht. Noch met een beroep op het Nieuwe Testament, noch met een beroep op Calvijn, kan men stellen dat de plaats van een op HBO-niveau opgeleide theologische beroepskracht uitsluitend buiten het ambt is.

 

VI.6. Een organisatiekundige analyse en aanbeveling

VI.6.1. Analyse

Volgens de kerkorde is de kerkelijk werker bevoegd deeltaken uit te voeren in de gemeente. Het is niet ongebruikelijk de kerkelijk werker te zien als een specialist en het toedelen van taken aan hem als een vorm van specialisatie. Dit woordgebruik is niet juist. Organisatiekundig gezien is geen sprake van specialisatie maar van differentiatie. De kerkorde van de PKN staat de kerkelijk werker niet toe te functioneren als een specialist. Een specialist is niet iemand die een of meer deeltaken uitvoert maar die een specifiek dienstverleningsproces uitvoert. Hij levert een specifieke dienstkolom. Een dienstkolom moet, om volwaardig te zijn, tenminste alle essentiële diensten omvatten. Het voorgaan in erediensten behoort hiertoe, alsmede de bevoegdheid om de sacramenten te bedienen.

De bediening van het Woord omvat prediking, bediening van de sacramenten, pastoraat én catechese. De predikant is bevoegd dit gehele proces uit te voeren en is een specialist. De kerkelijk werker heeft een aanstelling voor bijvoorbeeld pastoraat of evangelisatie. Als evangelist is de kerkelijk werker geen specialist als zijn bevoegdheid is beperkt tot het betrekken van buitenkerkelijken bij het gemeenteleven. Dan heeft hij ten opzichte van de predikant een deeltaak en vervult hij een hulpfunctie. Hij is wel een specialist als hij de volledige dienstverlening richting buitenkerkelijken verzorgt, dat is de bediening van het Woord, inclusief onder meer de bediening van het sacrament van de Doop en het laten afleggen van belijdenis. Deze mogelijkheid om te functioneren als specialist biedt de kerkorde van de PKN niet, maar die van de CGK wel, in het ambt van dienaar van het Woord.

De kerk is een professionele organisatie. Dit houdt in dat standaardisatie van de bekwaamheid — de professionaliteit — het coördinatiemechanisme is. De predikanten zijn de professionals die gedurende een langdurig opleidings- en

|267|

vormingstraject worden bekwaam gemaakt om te functioneren als dienaar van het Woord. In afwijking van andere professionele organisaties kennen de kerken in de protestantse of gereformeerde traditie geen formele fasering in de ontwikkeling van de bekwaamheid van de beroepskrachten vanaf het moment dat zij in de praktijk gaan werken. De vroege kerk kent wel een fasering in de professionele bekwaamheid binnen de ambtelijke structuur: diaken-presbyter-bisschop.

De kerkelijk werkers participeren als gevolg van hun niet-ambtelijke positie niet in de ambtelijke vergaderingen. Zij zijn geen lid van de professionele structuur van de kerk. Hoewel zij beroepskrachten zijn, erkent de professionele structuur hen niet als collega-professionals. Dit geeft wrijving en bevordert het functioneren van de kerk als professionele organisatie niet.

VI.6.2. Aanbeveling

Ik ben van mening dat een geleding binnen het ambt van predikant noodzakelijk is, zowel om de problematiek rond de kerkelijk werker op te lossen als voor de kerk om als professionele organisatie te kunnen functioneren. De geleding die ik voorstel, is deze:
a. junior-predikant;
b. predikant;
c. senior-predikant.
Het onderscheid in drie categorieën is gebaseerd op een verschil in professionele bekwaamheid. De professionele geleding maakt het mogelijk de professionaliteit van de beroepskrachten gericht en doelmatig te bevorderen.

Thans wordt de predikantsopleiding uitsluitend aangeboden op universitair niveau. Mijn voorstel houdt in dat deze wordt aangeboden zowel op HBO- als WO-niveau. In de praktijk zal dan blijken welk type opleiding het beste voldoet. Voor beide typen opleiding — beroepsopleiding dan wel academische opleiding — valt iets te zeggen. Het verschil in opleiding houdt in dit voorstel geen verschil in beloning in. Dit geldt wel voor het onderscheid junior-predikant/-predikant, en eventueel voor de rang van senior-predikant.

Elke afgestudeerde begint in een kleine (wijk-)gemeente als junior-predikant. De junior-predikant heeft de volledige bevoegdheid tot het dienstwerk van predikanten. Hij werkt onder toezicht van een senior-predikant. Na een aantal jaren waarin hij door in de praktijk werkzaam te zijn en door bij- en nascholing een bepaald niveau van bekwaamheid heeft bereikt, kan hij de rang van predikant verkrijgen. In deze rang werkt hij volledig zelfstandig. Deze

|268|

rang geeft de bevoegdheid zich te laten beroepen door een grote gemeente.313 Uit de groep van de predikanten vindt de selectie plaats van senior-predikanten die op regionaal niveau een verantwoordelijkheid krijgen voor begeleiding, supervisering en coaching van (junior-) predikanten. De concrete invulling van deze structuur dient het professionaliseringsproces mogelijk te maken en te bevorderen.

Beide categorieën theologen — HBO en WO — Kunnen zich naar behoefte specialiseren op een gebied als evangelisatie/missionair werk, zending, opbouwwerk, jeugd- en jongerenwerk of ouderenpastoraat. Het gaat daarbij om een volwaardige specialisatie voor het leveren van een dienstkolom — een geheel van diensten voor een specifiek type dienstverlening. Naast de predikant als specialist voor het gemeentewerk zijn mogelijke ambtelijke specialisten: evangelist, zendeling, opbouwwerker, jeugd- en jongerenwerker, ouderen-werker. Deze specialisaties dienen eveneens een professionele geleding te hebben. Wellicht zijn twee fasen — in plaats van drie — voldoende: een juniorniveau en een niveau met volledige bevoegdheid. Dit vereist nadere invulling. Een doorgroeien naar de positie die is aangeduid met ‘senior-predikant’ mag niet worden uitgesloten, en wellicht is een andere term voor deze positie beter. De term ‘bisschop’ ligt in de Nederlandse gereformeerde traditie gevoelig, maar is wel een voluit nieuwtestamentische aanduiding voor een leidinggevend ambt.

Dit voorstel beoogt alleen de principiële lijn aan te geven. Het gaat erom dat de kerk een ambtsstructuur krijgt, die past bij haar aard als professionele organisatie. Binnen de groep van de professionals dient een geleding te komen gebaseerd op bekwaamheid. Het opleidingsniveau is daarbij een van de criteria. Dit voorstel sluit niet uit dat er naast de professionals nog hulpkrachten zijn en andere ambtsdragers. Het functioneren van deze twee categorieën vergt wel nadere doordenking, opdat hun bijdrage het functioneren van de professionele organisatie niet zal frustreren maar zal ondersteunen.

De kerk is niet alleen een professionele organisatie maar ook een zendingsorganisatie. Dat geeft een spanningsveld. De professionals in de professionele organisatie hebben de neiging hun status van deskundige te beschermen en hun positie af te schermen. Het past bij de aard van de professionele organisatie afstand te scheppen tussen de professionals en de hulptroepen. In de zendingsorganisatie gaat het juist om de gelijkwaardige inzet van iedereen.


313 Wat een ‘kleine’ en een ‘grote’ gemeente is, dient nader te worden bepaald.

|269|

Mijn voorstel impliceert dat de kerk zowel het goede van de professionele organisatie accepteert — de professionele geleding — als van de zendingsorganisatie — door de strikte scheiding binnen de categorie van de beroepskrachten tussen predikant in het ambt en kerkelijk werker in een andere dienst op te heffen.

In het Nieuwe Testament kunnen we lezen dat Paulus wenst dat in elke gemeente tenminste een presbyter wordt aangesteld. Voor Calvijn heeft de presbyter de kernfunctie: de bediening van het Woord. De presbyter is herder en leraar en dienaar van het Woord. Hij staat in het ambt. Als we ons realiseren welk groot belang onder anderen Paulus en Calvijn hechten aan de functie van de dienaar van het Woord in de gemeente, dan moet de kerk er vandaag alles aan gelegen zijn elke gemeente te voorzien van zo'n dienaar. Mijn voorstel biedt hiervoor de professionele structuur.

Calvijn presenteert in de Institutie een viervoudige ambtsstructuur: leraar-herder-ouderling-diaken. In de gereformeerde traditie is het eerstgenoemde ambt niet tot ontwikkeling gekomen, zodat zij drie ambten kent. Calvijn ontwikkelt zijn structuur door op een vrije wijze schriftgegevens te interpreteren. De ouderling en de diaken zijn bij hem hulpambten. Gelet op de behoefte in de kerk aan een hulpkracht voor de predikant en op de door velen gewenste mogelijkheid dat deze beroepskracht een ambtelijke positie heeft, stellen wij een vierde ambt voor: gemeentewerker. Deze beroepskracht is werkzaam op een of meer van de gebieden pastoraat, catechese, evangelisatie, of een andere vorm van gemeentewerk. Hij vervangt de predikant niet, maar hij assisteert. Aan de aanstelling in dit ambt kunnen bepaalde eisen worden gesteld. Te denken valt aan een minimum-termijn voor het dienstverband van — in principe — vier jaar en aan het woonachtig zijn in de betreffende gemeente.

De huidige mogelijkheid dat kerkelijk werkers als beroepskracht en met deze beroepsnaam niet-ambtelijk worden aangesteld om op parttime-basis predikanten bij te staan in hun ambtswerk, blijft in dit voorstel bestaan. Waar sprake is van een structurele behoefte aan bijstand, zal het de voorkeur verdienen een (parttime-)predikant aan te stellen, omdat deze over de ambtelijke bevoegdheid en bekwaamheid beschikt voor de bediening van het Woord. Dit kan impliceren dat een predikantsplaats dient te worden gecreëerd.

De bespreking van het voorstel rond ik af met een viertal opmerkingen:

De huidige groep kerkelijk werkers zal een bijscholingstraject dienen te volgen om zich te kwalificeren voor toelating tot de beroepsgroep van junior-predikant,

|270|

indien dit voorstel wordt overgenomen. Inhoudelijk zal het in het bijzonder die vakken betreffen, die zich richten op het voorgaan in kerkdiensten en op de prediking.

De mogelijkheid van aanstelling van een parttime-bijstand in het gemeentewerk — al dan niet in het vierde ambt van gemeentewerker — dient in omvang te worden gemaximeerd om het optreden als pseudo-predikant te voorkomen. Als maximum denk ik aan vier dagdelen per gemeente.

Het scheppen van duidelijkheid rond de positie van de kerkelijk werker vereist dat de huidige mogelijkheid van het in een bediening stellen in de eredienst komt te vervallen. Hij heeft óf een ambtelijke óf een niet-ambtelijke positie, maar niet een semi-ambtelijke, in dit voorstel.

De kerkelijk werker als hulpkracht in de gemeente is geen specialist. Hij kan dat niet zijn, omdat hij één of enkele deeltaken uitvoert in een ondergeschikte positie. Dit laatste hoeft geen bezwaar te zijn. De gedachte dat men in deze functie een specialist is, resulteert echter in frustratie en onvrede.

 

VI.7. Ontwikkelingen in het profiel van de kerkelijk werker

VI.7.1. Competentieprofiel

De opleidingen voor het beroep van kerkelijk werker vormen gezamenlijk het Landelijk Overleg Opleidingen Theologie. Dit heeft in mei 2006 een publicatie uitgebracht met het competentieprofiel van, zoals het dit noemt, het Domein Bachelor of Theology. Dit betreft het competentieprofiel van de GPW-er (godsdienst-pastoraal werker) of, in onze terminologie, de kerkelijk werker. In de Inleiding wordt gesteld dat om aan de brede roep om professionalisering gehoor te geven, het nodig is een gezamenlijk beroeps- en competentieprofiel te formuleren voor de opleidingen. De brochure presenteert het competentieprofiel waarover de opleidingen het eens zijn geworden en heeft als titel Een professional met diepgang.314 De brochure definieert negen competenties. Een competentie is een specifieke bekwaamheid. Deze beroepscompetenties kunnen in meer of mindere mate van belang zijn in een specifieke functie of aanstelling. Ik noem ze zonder nadere omschrijving:


314 De brochure Een professional met diepgangDomeincompetenties voor de Bachelor of Theology is een uitgave van het Landelijk Overleg Opleidingen Theologie, Ede 2006. Het besteladres is: LOO-GPW, Postbus 80, 6710 BB Ede.

|271|

1. hermeneutische competentie;
2. pastorale competentie;
3. liturgische competentie;
4. missionaire competentie;
5. educatieve competentie;
6. agogische competentie;
7. leiderschap;
8. communicatie;
9. persoonlijke competentie.
De hermeneutische competentie heeft betrekking op het vertolken van wat leeft in de eigen religieuze traditie. De liturgische competentie houdt in: het vermogen om religieuze vieringen en rituelen van verschillende aard en doelstelling gestalte te geven en daarin (mede) voor te gaan.

Dit competentieprofiel past bij de positionering van de kerkelijk werker in de kerkorde van de PKN. Als zodanig is het een goed doordacht profiel, dat de professionalisering van de kerkelijk werker zeker ten goede kan komen. Terwijl de Inleiding vermeldt dat het nodig is een gezamenlijk beroeps- en competentieprofiel te ontwikkelen, beperkt de brochure zich tot het competentieprofiel. Dit is een zwakte. Een competentieprofiel dient afhankelijk te zijn van een beroepsprofiel. Pas als duidelijk is wat het beroep inhoudt, is het mogelijk goed te bepalen wat de competenties dienen te zijn. Om een voorbeeld te geven, in het beroep van evangelist zal het ten dele gaan om andere competenties dan in het beroep van geestelijk verzorger in een verzorgingshuis, of zullen dezelfde competenties een verschillend gewicht hebben. In de huidige opzet heeft men gekozen voor een generiek competentieprofiel. Voor de aansluiting van de opleiding met de praktijk is dit nog niet voldoende. Als beroepsopleiding leidt men immers op voor een specifiek beroep, of voor specifieke beroepsprofielen. Met het competentieprofiel is een waardevolle stap gezet.

Het competentieprofiel dat is ontwikkeld, is niet het competentieprofiel voor een predikant. Bepaalde competenties ontbreken, zoals het maken van een preek en het preken. Meer aansluiting op het beroepsprofiel van een predikant treffen we aan in een document van de programmacommissie van de GPW-opleiding te Ede.315


315 Het document met als titel Overzicht van de functies en kerntaken binnen het GPW-werkveld is gedateerd 31-01-2005 en is mij verstrekt door de opleidingsmanager van de GPW-opleiding te Ede.

|272|

VI.7.2. Functieprofiel

De GPW-opleiding te Ede is de gezamenlijke opleiding voor kerkelijk werkers van de Christelijke Hogeschool Ede (CHE) en de Evangelische Theologische Hogeschool (ETH). Zij werkt aan de vernieuwing van haar programma. Daarbij maakt zij een onderscheid tussen functies en kerntaken. In de praktijk zullen de meeste GPW-ers een combinatie van functies vervullen. Deze functies zijn:
— voorganger. De persoon met deze functie geeft leiding aan het geheel van een plaatselijke geloofsgemeenschap, met als kerntaken onder meer: leiden van de erediensten, prediking, leiden van de geloofsgemeenschap als geestelijke eenheid, onderwijzen van leden van de geloofsgemeenschap;
— gemeenteopbouwwerker. De persoon met deze functie zet zich onder leiding van de eindverantwoordelijke(n) in voor de organisatie van een geloofsgemeenschap, met als kerntaak onder meer: toerusten van leden van de geloofsgemeenschap;
— pastoraal werker. De persoon met deze functie begeleidt individuele gelovigen, gezinnen of kleine groepen, met als kerntaak onder meer: inventariseren van hulpvragen en het opstellen van pastorale trajecten;
— jeugdwerker. De persoon met deze functie houdt zich specifiek bezig met de geestelijke volwassenwording van jongeren, met als kerntaken onder meer: overdragen van geloofsinhoud aan kinderen en jongeren, pastorale zorg verlenen aan kinderen en jongeren, leiden van diensten en bijeenkomsten gericht op kinderen en jongeren;
— catecheet. De persoon met deze functie zet zich specifiek in voor de overdracht van de geloofsinhoud aan j onderen, met als kerntaken onder meer: overdragen/onderwijzen van geloofsinhoud aan kinderen en jongeren, pastorale zorg verlenen aan kinderen en jongeren;
— missionair werker. De persoon met deze functie richt zich op het bereiken van specifieke doelgroepen met het evangelie, met als kerntaken onder meer: contact leggen met mensen binnen een geografische of sociale doelgroep, het evangelie uitdragen (als evangelist, zendeling, moslimwerker), vormen van een geloofsgemeenschap (gemeentestichter);
— diaconaal werker. De persoon met deze functie richt zich namens de geloofsgemeenschap op praktische vormen van dienstbetoon, met als kerntaak onder meer: leden van de geloofsgemeenschap en mensen daarbuiten helpen in hun bijzondere nood.

De eerstgenoemde functie komt overeen met die van een predikant. De voorganger is volledig professioneel bekwaam en kan zelfstandig functioneren. In mijn aanbeveling (VI.6.2.) doe ik het voorstel een vierde ambt van gemeentewerker

|273|

werker in te stellen. Dit is een algemene term, die verscheidene specialisaties mogelijk maakt. De functies gemeenteopbouwwerker, pastoraal werker, jeugdwerker, catecheet, missionair werker en diaconaal werker kunnen binnen dit ambt afzonderlijk of in combinatie worden vervuld. In hoeverre deze functies afzonderlijk of in combinatie als specialisatie binnen het ambt van gemeentewerker levensvatbaar zijn, is op voorhand moeilijk uit te maken. In de praktijk zal moeten blijken welke behoefte eraan is. We volstaan daarom met enkele suggesties. Het lijkt mij aanbevelingswaardig de functie missionair werker, zoals bovenstaand omschreven, uit te breiden met de kerntaken leiden van de (ere-)diensten en de prediking. De functie van jeugdwerker kan worden uitgebreid met de kerntaken die betrekking hebben op het in principe wekelijks voorgaan in (ere-)diensten en de prediking, en kan worden gecombineerd met de functie van catecheet. Op deze wijze ontstaan volwaardige specialisaties naast het ambt van predikant.

VI.7.3. Conclusie

Het Landelijk Overleg Opleidingen Theologie acht een beroepsprofiel en een competentieprofiel voor de kerkelijk werker gewenst. Het beperkt zich tot op heden tot een competentieprofiel. Dit is nuttig maar niet voldoende om de problematiek rond het functioneren van de kerkelijk werker op te lossen.

De GPW-opleiding te Ede richt zich op een zevental functies die gecombineerd kunnen worden. Voor deze opleiding is de huidige indeling in functies misschien niet te vermijden gezien de fase van ontwikkeling waarin de positie en functie van de kerkelijk werker zich bevindt. Voor de aansluiting van de beroepsopleiding bij de praktijk is het echter wenselijk dat beroepsprofielen worden gecreëerd, zoals we dat ook kennen voor een predikant. Naar de toekomst toe is mijn aanbeveling enkele specifieke beroepsprofielen te ontwikkelen, die het mogelijk maken dat de kerkelijk werker als een volwaardig specialist binnen het ambt van gemeentewerker kan functioneren. Afhankelijk van de behoeften in de praktijk, de kerkelijke wet- en regelgeving en de bekwaamheid van de opleidingen zullen specialisaties naast het ambt van predikant tot ontwikkeling kunnen komen.