|19|

Noten

1. Zo J. Hoek. Zie het verslag van Trouw en Ref. Dagblad d.d. 29 maart 1993 terzake.

2. Vgl. het Adres van de Gereformeerde Bond aan de hervormde synode d.d. 21 november 1992.

3. In een reactie op het Ontwerp heeft ook de Confessionele Vereniging aangedrongen op een boedelscheiding in art. I.4. tussen het gereformeerde en lutherse belijdenisbestand, zie Hervormd Weekblad, d.d. 22 april 1993.

4. Met de in het Ontwerp Kerkorde genoemde ‘Catechismus van Luther’ wordt de grote catechismus bedoeld, waarbij de Kleine Catechismus impliciet is inbegrepen.

5. Voor deze wijze van indeling, zie S.E. Hof, in Lutherse Geschriften, belijdenisteksten van een kerk, ’s-Gravenhage 1987, hfdst. 2B: Inleiding op de Grote Catechismus, p. 18-23. De telling van de pagina’s is aan deze uitgave ontleend.

6. R. Seeberg, Lehrbuch der Dogmengeschichte, Leipzig/Erlangen 1920, IV, p.395.

7. C.W. Mönnich, Toegedaan de onveranderde Confessie van Augsburg, Baarn 1980, p.11.

8. Mönnich wijst op de indirecte vorm van belijden in de Augustana: ‘Apud nos docent...’ (bij ons leert men), a.w. p.45.

9. Zie J.P. Boendermaker, over Het Konkordiënbuch in Lutherse Geschriften, p.292. Vgl. ook Mönnich, a.w. p.48.

10. Zie art. V.1.

11. Voor een beschrijving van het gebeurde, zie M. Brecht, Martin Luther, Sein Weg zur Reformation, Stuttgart 1981, p.439.

12. Uit ‘Ein feste Burg ist unser Gott’, Martin Luther, Geistliche Lieder, ed. Evangelische Lehr-und Trostschriften, Heft 2, Fürstenfeldbruck 1950, p.36.

13. Zie A. Ganoczy, Le jeune Calvin, Génèse et évolution de sa vocation réformatrice, Wiesbaden 1966, passim, m.n. p.6-14.

14. Zie W. van ’t Spijker, Luther en Calvijn, De invloed van Luther op Calvijn blijkens de institutie, Kampen 1985, met veel litteratuuropgaven, passim.

15. A. Ganoczy, a.w. p.34. Voor de doorwerking van humanistische bewoordingen in zijn brieven, zie W. Nijenhuis, Calvinus Oecumenicus, ’s-Gravenhage 1958, p.299.

16. W. van ’t Spijker vermeldt met instemming A. Lang, die stelde dat Calvijn in de Institutie van 1536 veel heeft van een Zuidduitse Lutheraan, a.w. p.21. Voor tekstuele analyse van de overeenkomsten met Luther, A. Ganoczy, a.w. p. 139-149.

17. A. Ganoczy, a.w. p.150: ‘Calvin fit encore son choix dans Luther’.

|20|

18. Zie hierover uitvoerig A. Ganoczy, a.w. p. 150-156.

19. Merkwaardig, dat Calvijn nooit een bevestiging in het ambt heeft gezocht. Hij bleef zijn hele leven ‘un simple chrétien’ (Ganoczy, a.w. p.363), evenals trouwens Farel (zie D. Nauta, Guillaume Farel, Amsterdam 1978, p.21). Nog merkwaardiger is het dat Melanchton, de preceptor Germaniae, nooit promoveerde.... (W. Maurer, R.G.G., s.v. Melanchton, col.835).

20. W. Nijenhuis, a.w. p.29. Omdat Melanchton de Augustana als zijn persoonlijk werk beschouwde, veranderde hij voortdurend de tekst. Zie H. Bornkamm, R.G.G. s.v. Augsburger Bekenntnis, col.736. Hoewel de Variata van 1540 de Calvinisten het meest tegemoet kwam, heeft Calvijn bij mijn weten beide edities niet tegen elkaar uitgespeeld.

21. W. Nijenhuis, a.w. p.81. Vgl. ook p.179.

22. Rondom het godsdienstgesprek van Poissy, vgl. W. Nijenhuis, a.w. p.57, zie ook p.65.

23. W. Nijenhuis, a.w. p.144. Door de opname van de Wittenberger Konkordie in de Solida Declaratio van de Formula Concordiae, ging ook dit document tot het lutherse erfgoed behoren. Vgl. W. Maurer, R.G.G. s.v. Wittenberger Konkordie, col. 1784.

24. W. Nijenhuis, a.w. p.150.

25. W. Nijenhuis, a.w. p.150.

26. W. Nijenhuis, a.w. p.101.

27. Over de doelgroep, zie O.J. de Jong, De jonge Calvijn dichterbij, n.a.v. Van ’t Spijkers vertaling van de Institutie van 1536, in Reformatica, 4e jrg. nr.2, oktober 1992, p.5.

28. Voor een gereviseerde tekst, zie J.J. van Toorenenbergen, Het oudste nederlandsche verboden boek, inleiding op de uitgave van de Summa der godliker scrifturen van 1523, Leiden 1882.
Deze bijbels-systematische geloofsleer van zo’n tweehonderd pagina's werd — anoniem — vele malen vertaald en herdrukt in Engeland, Spanje, Italië en Frankrijk. Het werd vooral door de adel en de gegoede burgers gelezen en stond bovenaan de Index van de inquisiteurs. Voor de lotgevallen van de Summa zie K. Benrath, Die Summa der Heiligen Schrift, Leipzig 1880. Over het auteurschap, dat lange tijd aan Hendrik van Bommel werd toegeschreven (zie E. Barnikol, R.G.G. s.v. Bommelius, col. 1351), bestaat onzekerheid. Zo J. Trapman, De summa der godliker scrifturen (1523), Leiden 1978, p.41vv.
Enkele citaten uit het boekje bij J.N. Bakhuizen van den Brink in Documenta Reformatoria, Kampen 1960, dl.I, p.39-41 en O.J. de Jong, Nederlandse Kerkgeschiedenis, Nijkerk 1978, p.91.

29. Voor de tekst, zie E.F. Karl Muller, Die Bekenntnisschriften der Reformierten Kirche, Leipzig, 1903, p. 930-936.

30. Voor de transcriptie en bewerking van dit met nogal wat fouten ontsierde boek, zie de uitgave van A.L. Hofer, Guillaume Farel, Sommaire et Breve Déclaration, Neuchatel 1980. Over het jaar van verschijnen is enige onzekerheid. Zie J. Trapman, a.w. p.30.

31. W. Nijenhuis, a.w. p.148.

|21|

32. E. Wolf, R.G.G., s.v. Konkordienformel, col. 1778.

33. J.P. Boendermaker, a.a. in Lutherse Geschriften, p.257.

34. E. Wolf, R.G.G. s.v. Konkordienbuch, col. 1776. Voor de strijd over de ondertekening bij promoties tussen Melanchton en Osiander, vele jaren eerder, zie P. Tschackert, Die Entstehung der lutherischen und reformierten Kirchenlehre, Göttingen 1910 (herdr.1979), p.378 vv.

35. Over deze subtiele situatie, W. Nijenhuis, a.w. p.223.

36. idem, p.298

37. Zoals Bucer en Melanchton probeerden, idem, p.302-303.

38. W. Nijenhuis, a.w. p.298.

39. E. Wolf, a.a. col. 1778.

40. Zie Ursinus, Opera Theologica, ed.1612, De Libro Concordiae, II col.487 vv.

41. Ursinus, a.w. col.539.

42. Ursinus, a.w. col.540.

43. Ursinus, a.w. idem

44. Ursinus, a.w. col.548.

45. Ursinus, a.w. col.542.

46. Ursinus, a.w. idem.

47. ‘Confessiones vero particulares, saepe compertum est, habuisse aliquod erroris aut saltem defectus vel obscuritas, quae emendatione digna fuerit, id quod etiam (curs. HW) de Augustana Confessione ostendere non est difficile’, Ursinus, a.w. col.547.

48. Ursinus, a.w. col.542.

49. In opdracht van de synode van Dordrecht 1971 opgesteld door G.C. Berkouwer en H.N. Ridderbos, gepubliceerd in Kerkinformatie, nr.34, 1974.

50. A. Kuyper gaat in zijn Revisie der revisie-legende, (Amsterdam 1879) niet nader op Ursinus’ benadering in.
Anderzijds valt ook op met hoeveel nadruk zelfs op de eerste gereformeerde synoden gepleit werd voor de ‘libertas profetandi’ (bij de behandeling van de leergeschillen, G.S. Utrecht 1905, zie art. 124vv) èn voor de ondertekening ‘met enig gravamen’ (bij de bezwaren tegen art.36 NGB, G.S. Middelburg 1896, art.41 en G.S. Utrecht 1905, art. 151). Uit de acta blijkt, dat die bezwaren bepaald niet alleen art.36 NGB hoefden te raken.
Zie hierover: H.B. Weijland, Acta Actueel, dl.V uit Register op de acta GKN, Leusden 1993, p.48vv.

51. A.D.R. Polman, Onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis, Franeker z.j. dl.I, p.72-73.

|22|

52. Aldus de classis Walcheren, 1574. Zie J. Borsius, Overzicht van het trapsgewijze toegenomen en bekrachtigde gezag der Geloofsbelijdenis en van den Catechismus als formulieren van enigheid, Archief K.G. IX, 1834, in Leiden 1838 apart uitgegeven, p.293. Over de geleidelijke overgang van mondelinge instemming naar ondertekening, zie p.291-302.

53. Voor de verhandelingen van ds. Corneli te Delft c.s. in 1605 over deze zaak, zie J.J. van Toorenenbergen, Werken der Marnix-Vereeniging, serie III, dl. V, Utrecht 1882, p.358-359.

54. Voor de tekst van het formulier, zie de Post-acta van de Nationale Synode te Dordrecht 1618/19, 164e sessie, ed. Donner en van den Hoorn, p.941.

55. ‘... met name (curs. HW) ook die in de voorzeide Synode zijn veroordeeld, verwerpen...’ id.

56. Zie A. Kuyper, a.w. p.122. Deze dordtse belofte heeft een belangrijke rol gespeeld bij de discussie over de wijziging van art.36 NGB op de synode van 1905. De vraag was niet of het gravamen juist was, maar de wijze waarop dit gravamen tekstueel vertaald moest worden: óf een nadere verklaring van de synode, óf een ondertekening met gravamen, óf het ‘blote schrappen’? Zie Acta g.s. Utrecht 1905, art. 151, vgl. ook met name p.319.

57. Zie H.B. Weijland, a.w. p.14 (acta A’dam, 1892 art.6).

58. Bij Kuyper wordt het haast een formeel proces, met de indiener van het gravamen als aanklager, de confessie als beklaagde, de synode als rechter en de Schrift als wet...
A. Kuyper, a.w. p.118. Na de wijziging van art.36 NGB werd de betekenis van dat besluit dan ook als een gewonnen proces voorgesteld, G.S. Utrecht 1905, art. 178.

59. Zie Verslag van de gezamenlijke vergaderingen van de generale synoden van de Nederlandse Hervormde kerk, De Gereformeerde kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden, op 25, 26 en 27 oktober 1990, p. 19-20.

60. idem, p.19.

61. Art. I.1. van de Concept Kerkorde van de Verenigde Reformatorische Kerk in Nederland, Leidschendam-Leusden, 1993. Voor de betekenis van deze inzet, zie Th.L. Haitjema, Nederlands Hervormd Kerkrecht, Nijkerk 1951, p.112vv.

62. Heidelb. Catechismus, v.a. 54.

63. W. Nijenhuis, a.w. p.29.
Dat zovelen onder ons moeite hebben met dit meer globale omgaan met confessies, zou wellicht veroorzaakt kunnen zijn door de verschuiving, die het begrip ‘zuiver’ in uitdrukkingen als ‘zuivere prediking’ en ‘zuivere leer’ heeft ondergaan. In de Oostfriese belijdenis van 1528 zien we hoe het oorspronkelijk is bedoeld: ‘die reyne onvermengede gelove’ (gezuiverd van roomse dwalingen, zie K. Muller, a.w. p.932). Deze betekenis klinkt ook door in art.29 NGB (reine prediking en reine bediening van sacramenten). Maar later duidde het woord ‘zuiver’ (pura) steeds meer op een puristisch beginsel. Deze koerswending ‘naar binnen’ van het begrip ‘zuiver’ heeft in ons land kerkversplinterend gewerkt.

64. Acts of the Reformed Ecumenical Synod, Harare, 1988. Voor de tekst van de Constitution, zie p.463.

|23|

65. Zie H.B. Weijland, a.w., p.245.

66. Acta G.S. Groningen, art.52 punt 10. Lindeboom adviseerde tegen dit besluit.

67. Voor een analyse van deze zaak, zie het rapport Binding Belijdenis aan de g.s. Dordrecht 1971, uitg. Kerkinformatie sept.1971, nr.6.
Over de betekenis van wat wel de ‘dynamische binding’ aan de belijdenis wordt genoemd, zie H.B. Weijland, ‘Belijdend samen op weg’, art. in: Elkaar Verstaan, ’s-Gravenhage 1991, p.35-44.