|4|

I. Hoe verhouden zich de oorspronkelijke bedoelingen van het lutherse en het calvinistische belijden tot elkaar?

Gewoon tegenspraak of diepere eenheid?

Wie de confessies doorleest, die in het grondslagartikel (1.4) op een rij genoemd worden, krijgt bepaald niet direct de indruk van ‘elkaar tegensprekende en uitsluitende belijdenissen’. Trouwens, als dat waar was, hoe zou men dan ooit gezamenlijk en ‘ondubbelzinnig’ de herdenking van de reformatie op 31 oktober kunnen vieren?
Er moet in die confessies wel een diepliggende overeenkomst zijn. Tegenover de geestelijke en politieke greep van de machten over de massa in die dagen, stelden de mannen en vrouwen van de Reformatie unaniem de macht van Gods soevereine Woord, dat doet wat Hem behaagt (Jes. 55: 11) en dat niet geboeid is (2 Tim. 2: 10). Daar vonden zij het geheim van Gods genade, de rechtvaardiging door het geloof alleen.

Is er dan geen verschil tussen de Grote Catechismus4 van Luther en de Augsburgse Confessie enerzijds en de Heidelbergse Catechismus en de Nederlandse Geloofsbelijdenis anderzijds? Ongetwijfeld! Al was het alleen al het generatieverschil van ongeveer dertig jaar met alle gevolgen van dien.
Laat mij daar een voorbeeld van mogen geven. Het is opvallend, hoe klein de plaats voor de uitleg van de geloofsartikelen in de Grote Catechismus van Luther is. Deze Catechismus werd samengesteld uit een serie preken, die Luther hield, over het Gebod, het Geloof, het Gebed en het Geschenk van de sacramenten5. Slechts 9 pagina’s van de 110 handelen over het Credo. Ook in de Augsburgse Confessie wordt de geloofsleer zelf betrekkelijk kort samengevat. Het deel tegen de roomse dwalingen is ongeveer tweemaal zo lang!
Hieruit blijkt, dat het Luther in 1529 en Melanchton in 1530 niet zozeer te doen was om het uitdragen van een nieuw dogma6, een 'nije leer’. Daarover ging huns inziens de strijd niet en daarom konden zij in dat opzicht volstaan met wat zij als de bekende kern van het authentieke geloof zagen. Nee, hun belijden was eigenlijk een voortdurend verzet tegen de ontaarding van de kerk. Juist dat moest tegenover keizer en paus beklemtoond worden.

Gevolg hiervan is, dat het bij die lutherse confessies, die in de Ontwerp Kerkorde staan, oorspronkelijk niet om ‘een rijtje geloofsartikelen’ gaat, zoals Mönnich terecht opmerkt7. Zij vormen niet een systematisch afgeronde geloofsleer8, maar één doorlopend pleidooi, dat het Woord aan het woord moet komen. Daarvoor is de belijdenis als het ware een advocaat en een

|5|

pleitbezorger. Zij is veelmeer een ‘zorgvuldige hulp om de Schrift goed te lezen’ dan een regelmeester9 van het geloof. Dit bezig zijn met Woord en Sacrament is het ‘openbare ambt’ waarover tot veler verrassing in de Ontwerp Kerkorde wordt gehandeld10.
Dat openbare van het ambt was in die tijd een heel riskante zaak, want het speelde zich af op het kruispunt van het publieke bestel. Er was grote moed voor nodig om dwars tegen de stroom in het Woord daar aan het woord te laten komen. Om daarvan, zoals Luther moest, zonder dekking van menselijke regels of maatschappelijke kaders te getuigen. Hij kon alleen overeind blijven staan voor de keizer met de bekende woorden ‘God helpe mij, amen’11 bij de gratie van het liedwoord: ‘das Wort, sie sollen lassen stahn’12.

Samenvattend: het ging Luther en de zijnen dus niet om een nieuwe geloofsleer, maar als het ware om een ‘move’, om een beweging naar het Woord toe van schapen die de stem van de Herder horen. Dat was een bevrijdend bewegingspatroon van ‘eureka’: het vinden van de schat der rechtvaardiging in de akker van het Woord. Voor het verkrijgen van die akker had men alles over. Daar lag het geheim van de vreugde in het oorspronkelijk Lutheranisme.

Er is veel discussie over de tijd en wijze van Calvijns (plotselinge?) overgang naar de reformatie13. Het bronnenmateriaal is karig. Wel staat vast dat de geschriften van Luther14 en het bijbels humanisme van Erasmus15 een grotere invloed op de Geneefse hervormer gehad hebben, dan menig Calvinist voor waar wil houden.
Met name toen hij in Basel aan de eerste druk van de Institutie werkte, heeft Calvijn zich bewust in het spoor van Luther voortbewogen zonder hem overigens slaafs te volgen16. Hij maakte een keuze in het werk van Luther17 en gebruikte uiteraard ook de in Frankrijk reeds lang bekende Loei Communes van Melanchton18, zijn latere correspondent en vriend19.

Deze invloed van Luther had dan ook belangrijke gevolgen voor Calvijns waardering van de lutherse confessies. Tegen de Augsburgse Confessie had hij op zichzelf geen bezwaar, al vond hij verduidelijkende aanvullingen wel nodig20. Ook later was hij van mening, dat de bestaande verschillen geen ‘hatelijke strijd’ waard waren21. Wel verzette Calvijn zich tegen de pogingen van de Rooms Katholieken om met behulp van de Augsburgse Confessie twist te zaaien in de Franse kerken22.
Ook de onderhandelingen om te komen tot de Wittenberger Konkordie, waar Bucer nauw bij betrokken was, werden door Calvijn gerespecteerd. Hij

|6|

beloofde dit verzoeningsdocument over het avondmaal ‘nauwkeurig in acht te nemen’23.
Nijenhuis wijst mijns inziens dan ook terecht op het feit, dat de eenheid met de Lutheranen in die tijd voor Calvijn ‘een vaststaande en vanzelfsprekende zaak’ was24.

Wij zullen dus goed moeten bedenken, dat de gereformeerde confessies, die voortkwamen uit het werk van Calvijn, zeker niet als zodanig tegen het oorspronkelijke lutherse gedachtengoed in zijn geschreven. Er waren wel controversen, zoals bijvoorbeeld over de tucht, de ceremoniën en de avondmaalsleer, en met Melanchton over de verkiezingsleer25. Maar die waren niet zo wezenlijk, dat zij door Calvijn als kerkscheidend werden beschouwd.

De echte tegenstellingen lagen niet zozeer tussen Calvijn en de Lutheranen, maar veelmeer tussen de Lutheranen en de Zwinglianen. Daar ook begint het proces van de confessionalistische verstarring over en weer26.

Hoe komt het dan, dat de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus toch zo’n andere geest ademen dan de lutherse confessies? Men stond toch samen voor het principe van de vrijheid van het soevereine Woord? Voor zover ik kan zien was het vooral een verschil in blikrichting.
Wij zagen, dat met het lutherse belijden geen ‘rijtje geloofsartikelen’ werd bedoeld, maar veelmeer een beweging naar de Schrift toe, om tegenover paus en keizer het Woord aan het woord te laten.
Hoezeer de calvinisten daar ook achter stonden, toch lag hun accent meer op het onder woorden brengen van het geloof der vervolgden27. Het Woord moet aan het woord komen, door dat geloof helder voor ieder samen te vatten in Summa en Institutio (samenvatting en onderwijs), in artikelen en ‘zondagen’. Voor Calvijn c.s. stond centraal de vraag: Wat staat er? Wat zijn de ‘stukken’ die wij weten moeten? De catechismus zegt in antwoord 2 dat het er drie zijn...

Wat grof en generaliserend samengevat: in de oorspronkelijke lutherse traditie gaat het vooral om het ‘vinden’ van het Woord, terwijl de Calvinisten het — later — meer trachtten te ‘vatten’. Zo zien wij in het luthers belijden in de Ontwerp Kerkorde het Woord oprijzen als de sterke toren, waar de rechtvaardige heenvlucht (Spr. 18: 10): de ‘burchtgedachte’.
In het calvinistische belijden van het Ontwerp gaat het meer om een Schrift-samenvattende en systematisch opgebouwde geloofsleer. Men zou kunnen zeggen, de ‘Summa-methode’.

|7|

Deze meer doorzichtige aanpak van belijden, die als een soort ‘kort begrip’ kan worden aangeduid, vinden wij met name bij vroege Nederlandse documenten, zoals de ‘Summa der godliker scrifturen’28 van 1523 en de ‘Summa unde Bekenninghe Christliker leer’ van de Oost-Friese predikanten29 uit 1528. Overigens verscheen ook de eerste Franse geloofsleer van Farel onder de titel ‘Sommaire et briefve déclaration’30 in 1525.
Tegen die achtergrond is niet alleen verklaarbaar, dat Calvijn de Augsburgse Confessie tamelijk onduidelijk vond, maar ook dat de door hem geïnitieerde confessies meer systematisch van opzet werden.

Wij zullen er echter wel voor moeten oppassen, die twee bewegingen van ‘vinden’ en ‘vatten’, van ‘burchtgedachte’ en ‘summa-methode’ niet tegen elkaar uit te spelen. Er lopen tussen beide benaderingen tal van dwarsverbindingen. Het gaat om accenten. In plaats van deze confessies tegen elkaar uit te spelen, zullen wij ze stevig bij elkaar moeten houden. Want juist in het samengaan van beide bewegingen — naar het Woord toe en van het Woord uit — kan de vrijheid van het Woord tegenover menselijke bedenksels haar soevereine functie vervullen. In de samenhang van die dubbele beweging komt het Woord tot zijn recht en de mens op zijn plaats.

Concluderend zou ik willen stellen, dat de vraag naar de verhouding tussen het oorspronkelijke lutherse en calvinistische belijden — achteraf bezien! — positief moet worden beantwoord. Ondanks — ja misschien wel dankzij — het generatieverschil, complementeren zij elkaar als het er om gaat de vrijheid van het Woord tot zijn recht te laten komen. Het was dan ook correct om ze in artikel 1.4 van de Ontwerp Kerkorde naast elkaar op te nemen. Wie deze belijdenisgeschriften (anders dan Calvijn bedoeld heeft) exclusief tegenover elkaar zet, raakt aan de wezenlijke bedoeling van het reformatorisch gebeuren zelf, waardoor het ‘semper reformanda’ van de Kerk op het spel komt te staan. Ik wil deze stelling in een volgende paragraaf nader onderbouwen.