104-119

|104|

Kerkrechtelijke aspecten bij echtscheiding

Door ds. W. Silfhout

 

I. Inleiding

De gebrokenheid in deze samenleving manifesteert zich op velerlei terrein, niet het minst op het gebied van de zedelijkheid. Vooral in onze zogenaamde verlichte eeuw trekken veranderde, verruimde opvattingen over zedelijkheid en huwelijk hun diepe sporen in de samenleving, waarvan wij met onze gezinnen deel uitmaken.
Het loslaten van zedelijke normen, die voorheen nog voor een belangrijk deel waren ontleend aan het Woord van God, leidt ook onder ons tot erosie van opvattingen over het huwelijk en het gezinsleven.
Als we ons vandaag beperken tot het huwelijk als een van God gegeven inzetting, dan moeten we helaas constateren dat het traditionele huwelijk steeds meer als ouderwets wordt gezien, niet meer van deze tijd. De seksuele revolutie van de jaren zestig en zeventig legde tradities en verhoudingen binnen huwelijk en gezin onder het vuur van de emancipatiegeest. Was het voordien voor de meesten nog vrij normaal na een verkerings- en verlovingsperiode in het huwelijk te treden en een gezin te stichten, nu werd deze ballast afgeworpen en vrijheid en ongebondenheid vormden het hoogste ideaal. Ongehuwd samenwonen door mannen en vrouwen, maar ook door mensen van hetzelfde geslacht, werd normaal. Voor de vooruitstrevende mens van 1998 herinnert het traditionele gezin aan de spruitjesgeur van vroeger. De geur van spruitjes staat dan voor: bekrompenheid, benepenheid en kleinburgerlijk gedoe.

|105|

Emancipatiedenken

Het huwelijk zelf werd ook door het gif van het emancipatiedenken aangetast. Duurden vroeger praktisch alle huwelijken 'tot de dood scheiding maakte', nu wordt één op de drie huwelijken ontbonden door echtscheiding. De narigheid zit dus bij de buren links. Of bij de buren rechts. Of in eigen huis. Er leven op dit moment zo'n 400.000 gescheiden vrouwen en 300.000 gescheiden mannen in ons land. In 1995 was het nog erger: er werden 75.000 huwelijken gesloten en in datzelfde jaar werden 38.000 huwelijken ontbonden. Dat de getallen nadien een wat positievere verhouding laten zien, is denk ik een direct gevolg van de vermindering van het aantal huwelijkssluitingen en de toename van het aantal samenwoningen.
Ook van andere kant wordt het huwelijk als een inzetting van God, waarin man en vrouw door de Heere worden samengebracht, aangetast. Een meerderheid van de Tweede Kamer vindt dat mensen van hetzelfde geslacht ook in het huwelijk moeten kunnen treden (het zogenaamde ‛homo-huwelijk’).
Hoe is het echter in onze gezinnen? De verruimde opvattingen over zedelijkheid en huwelijk hebben niet alleen in de samenleving hun sporen getrokken, maar ook onze gezinnen niet onberoerd gelaten. Ik zei net: de narigheid zit bij de buren links, of bij de buren rechts of in eigen huis. De geneigdheid om wat men beloofd heeft bij de kerkelijke bevestiging van het huwelijk (om alles wat de echtelieden daarin overkomt met geduld en met dankzegging aan te nemen als van de hand des Heeren) te accepteren en na te leven, neemt kennelijk af. In de pastorale praktijk zien we een toename van het aantal huwelijksproblemen en helaas ook van echtscheidingen. We kunnen dat niet met cijfers onderbouwen. Ik denk dat de hulpverleners van De Vluchtheuvel dit zullen beamen. Wellicht zou het zinvol zijn daarover eens cijfermateriaal in onze gemeenten te verzamelen. Als je, zoals ik drie jaar geleden, in een paar weken tijds met vijf gevallen van huwelijksproblemen, die in vier gevallen tot ontbinding van het huwelijk hebben geleid, te maken krijgt, dan ben je misschien geneigd om de zaken wat somberder voor te stellen dan ze in werkelijkheid zijn. Of zou ook onder ons het emancipatiedenken al zover zijn doorgewoekerd, dat we alleen maar wat achteraan komen in de landelijke ontwikkelingen?

|106|

Inzetting Gods

Wat is het nodig om in de verwarring van de tijd waarin wij leven vooral onze jonge mensen liefde voor de inzettingen des Heeren bij te brengen, in het bijzonder ook aangaande het huwelijk. Wetende dat het niet alleen een Goddelijke inzetting is, en dat in het onderhouden van Gods geboden grote loon is, maar ook dat de Heere beloofd heeft de gehuwden te zegenen, zelfs als zij het allerminst verwachten.
Die zegen betreft niet alleen de gehuwden, maar ook de kinderen die binnen de huwelijksrelatie geboren worden. We zien overal om ons heen welke problemen kinderen krijgen als gevolg van verbroken huwelijken. Ongeveer veertig procent van de kinderen in de eerste twee groepen van het basisonderwijs heeft leer- en opvoedingsproblemen als gevolg van verstoorde verhoudingen thuis.
Wat is het nodig het huwelijk als inzetting Gods hoog te houden in de branding van de tijd, opdat in het daarbinnen gevormde gezin kinderen een veilige haven mogen vinden en Gods Woord heerschappij mag hebben. Niet alleen om naar de normen van dat Woord te leven, maar ook opdat in de middellijke weg de vreze des Heeren mag worden gevonden en in de gezinnen mag worden gesproken over de lof des Heeren, over Zijn sterkte en Zijn wonderen.

Ambtsdragers

Daarin hebben we als ambtsdragers een zeer belangrijke taak, zowel naar jonge mensen toe die in het huwelijk wensen te treden als ten opzichte van de gehuwden. Vooral ook naar hen bij wie de huwelijksband onder spanning komt te staan en de verwijdering tussen man en vrouw dreigt uit te lopen op voortijdige ontbinding van het huwelijk door echtscheiding. Daarin is pastorale begeleiding nodig.
Nu wordt dikwijls onderscheid gemaakt tussen pastoraat en kerkelijke tucht. Het pastoraat functioneert dan in huwelijkszaken en is erop gericht jonge mensen toe te rusten vóór het huwelijk en gehuwden te begeleiden in het huwelijk en bij huwelijksproblemen. Als het pastoraat niet in staat is gebleken de problemen op te lossen, komt de kerkelijke tucht. Deze onderscheiding tussen pastoraat en toepassing van de kerkelijke tucht is echter alleen zinvol, als wordt bedacht dat de toepassing van de kerkelijke tucht ook een vorm van pastoraat is. Kerkelijke tucht moet immers gericht zijn op de eer van God, het welzijn van de gemeente en het behoud van de zondaar. Daarom

|107|

maak ik liever onderscheid tussen preventie (toerusting vóór het huwelijk) en repressie (optreden daar waar huwelijken dreigen te ontsporen en het omgaan met de gevolgen daarvan).
Mijn lezing zal zich voornamelijk bezighouden met de repressie en dan nog voor zover die het kerkrechtelijk handelen betreft. Ik teken daar direct bij aan, dat kerkrechtelijk handelen niet alléén bestaat in het toepassen van kerkelijke censuur. De kerkelijke tucht zal vooral moeten bestaan in het vermanen op grond van Gods Woord, het onderwijzen in Gods Woord, het wijzen op het oordeel Gods bij het afwijken van Gods Woord, maar ook op de mogelijkheid van vergeving in het bloed van Christus.

 

2. Pastoraat en hulpverlener

Als een ambtsdrager kennis krijgt van huwelijksproblemen, is er meestal al veel aan voorafgegaan. Men hangt de vuile was niet graag buiten. Bovendien is er dikwijls nog de hoop dat het wel weer beter zal gaan. Als sprake is van overspel, hoopt de beledigde partij dikwijls nog dat het niet waar is. Onleefbare situaties worden vaak onder de dekmantel gehouden. De gedachte dat het in elk huwelijk wel eens wat is, doet man en vrouw soms jaren doorleven, misschien beter gezegd: doormodderen, zonder dat men probeert met hulp van buiten in de situatie verandering te brengen. De relatie kan al zo lang onder spanning staan, dat, als het tot een uitbarsting komt en hulp wordt ingeroepen, nauwelijks nog herstel mogelijk is.
Wanneer pastorale hulp bij huwelijksproblemen wordt ingeroepen, is het mijns inziens van meet af aan van belang een aantal zaken goed in het oog te houden.
Ten eerste: een pastor is -een psychiater of maatschappelijke hulpverlener. De psychiater of hulpverlener heeft als expliciete taak het uitzetten van een therapiebeleid. Een man en vrouw worden begeleid bij het aanpakken en oplossen van huwelijksmoeilijkheden of het nemen van een beslissing rond het wel of niet voortzetten van hun huwelijk. In een therapie wordt ruimte en gelegenheid geschapen om aan de problemen te werken. De professionele hulpverlener schenkt in het bijzonder aandacht aan de vraag hoe processen tussen man en vrouw zich afspelen, wat daarin steeds weer misgaat en hoe je dan wel de dingen aan elkaar duidelijk moet maken.

|108|

Vinnig huisgekijf

De pastor daarentegen moet in de gesprekken duidelijk maken wat de Bijbel zegt over het huwelijk en hoe een man zich ten opzichte van zijn vrouw en de vrouw ten opzichte van haar man heeft te gedragen op grond van Gods Woord. Daarbij behoeft hij zich niet te beperken tot algemeenheden. Om maar een paar zaken te noemen: Ik denk dat een pastor ook liet gedrag van de mannelijke echtgenoot ten opzichte van het andere geslacht aan de orde mag stellen, als dat door de echtgenote aan de orde wordt gesteld. Er zijn mannen die het maar nauwelijks bij hun eigen vrouw kunnen vinden, maar zodra ze in gezelschap van andere vrouwen verkeren, zo lief en voorkomend voor die andere vrouw of vrouwen zijn als ze voor hun eigen vrouw nooit zijn geweest. Dat dat de onderlinge relatie tussen man en vrouw niet ten goede komt, zal duidelijk zijn.
Ook kan het zijn dat de echtgenoot erover klaagt dat zijn vrouw altijd ruziet als hij thuiskomt. Er is nooit een vriendelijk woord. Hij ziet er tegenop om na zijn werk naar huis te gaan. Dan mag en moet de vrouw daarover onderhouden worden. De Spreukendichter heeft het immers gezegd: „Het is beter te wonen in een woest land, dan bij een zeer kijfachtige en toornige huisvrouw” (Spr. 21:19). En Jacob Cats dichtte: „Een kwellig wijf stoot vaak alle blijdschap om door vinnig huisgekijf”. Ook Salomo wist dat door ruzie en tweedracht op den duur zelfs de hardste steen wordt uitgehold. Dat blijkt als hij in Spreuken 27 vers 15 zegt: „Een gedurige druiping ten dage des slagregens en een kijfachtige huisvrouw zijn even gelijk”.
De pastor mag en moet wijzen op de heiligheid en onverbreekbaarheid van het huwelijk als een inzetting van God en - behalve in geval van overspel - de echtgenoten met de staf van het Woord trachten te overtuigen van het verkeerde van hun handelwijze of dat van één van hen.

Duidelijkheid

Ten tweede: de rol van de predikant, ook van de ouderling, moet duidelijk zijn. Maar al te veel wordt de pastor beschouwd als een maatschappelijk werker, die je overal voor kunt inschakelen, zelfs als het gaat over de hoogte van de alimentatie. De echtelieden die hulp vragen moeten weten wat zij van de predikant kunnen verwachten en waar zijn grenzen liggen. Duidelijkheid op dit punt kan in het verdere

|109|

traject voor veel misverstanden bewaren. Wanneer een ambtsdrager zich laat verleiden om zich te diep met de inhoudelijke problemen te bemoeien, staat zijn onafhankelijkheid als ambtsdrager op voorhand ter discussie als het tot feitelijke tuchtmaatregelen moet komen.

Ten derde zal het uitgangspunt in de gesprekken altijd moeten zijn: ,,...alles wat u daarin overkomt met geduld en dankzegging aannemen, als van de hand des Heeren". Voor het overige moet gewezen worden op de onontbindbaarheid van het huwelijk, tenzij sprake is van bijbelse echtscheidingsgronden. In de ADZ-uitgave van de ambtsdragersconferenties van 1989 worden twee bijbelse gronden voor echtscheiding besproken, namelijk buitenechtelijk geslachtsverkeer met inbegrip van de overspelige verhouding en redenen van godsdienstige aard (religionis causa). Ik kom daar nog op terug.

 

3. Huidige echtscheidingsregels

Artikel 151 van ons Burgerlijk Wetboek zegt dat echtscheiding wordt uitgesproken op verzoek van één der echtgenoten of op hun gemeenschappelijk verzoek. Op gemeenschappelijk verzoek wordt de echtscheiding uitgesproken, indien zij beiden van oordeel zijn dat het huwelijk duurzaam ontwricht is. Als één van de partijen echtscheiding verzoekt, wordt die echtscheiding ook uitgesproken als het huwelijk duurzaam ontwricht is. Het verschil is dat in het eerste geval uiteraard geen verweer van één van de partijen mogelijk is en de rechter van het gemeenschappelijk oordeel van de echtelieden uitgaat en geheel conform dat verzoek zal beslissen. In het andere geval is verweer mogelijk. De verzoeningspogingen, waartoe de rechter verplicht is, blijken in de praktijk niet veel voor te stellen.
Echtscheidingsprocedures kunnen lang duren. Dit houdt verband met het feit dat de wet bepaalde termijnen noemt die in acht moeten worden genomen voor het indienen van een verweerschrift. Ook kan om uitstel worden gevraagd als de partijen het nog niet met elkaar eens kunnen worden over de gevolgen van de echtscheiding.
Aan de rechter kan worden gevraagd voorlopige voorzieningen te treffen in een lopende echtscheidingsprocedure. Deze voorzieningen kunnen betrekking hebben op het tijdelijk gebruik van de echtelijke woning door één van de partijen, alimentatie, een tijdelijke voorziening in het gezag over de kinderen en de voor hun opvoeding door de

|110|

andere ouder te betalen bijdrage. Die voorlopige voorzieningen houden op op het moment dat het huwelijk door inschrijving van het echtscheidingsvonnis in de registers van de burgerlijke stand wordt ontbonden. Aangaande de toewijzing van de kinderen en de voor hen te betalen bijdrage blijft die voorlopige voorziening echter gelden totdat de rechter daarover heeft beslist in een afzonderlijke beschikking.

Advocaat

In een echtscheidingszaak kan men niet om een advocaat, of liever gezegd een procureur, heen. Een gemeenschappelijk verzoek kan men wel doen zonder een advocaat, maar de ingewikkeldheid van de regels is er de oorzaak van dat men meestal een advocaat inhuurt.
Meestal kiezen partijen ieder voor zich een advocaat. In geval van bewezen overspel zou overwogen kunnen worden gemeenschappelijk een advocaat te nemen. Er zijn tegenwoordig in Nederland zogenaamde advocaten-scheidingsbemiddelaars. Die gaan er vanuit dat partijen bij hun scheiding een gemeenschappelijk belang hebben, namelijk de relatie te beëindigen op een wijze die door beiden als het juiste resultaat van rechtstreeks met de andere partij gevoerde onderhandelingen wordt beschouwd.
Het is van belang dat een partij die zich verweert tegen een eis tot echtscheiding, een advocaat zoekt die tot onze gezindte behoort. Want wordt de eis tot echtscheiding gesteld op grond van een onbijbelse echtscheidingsgrond, dan is het belangrijk dat de bijbelse visie in het verweer doorklinkt. Iemand die tot onze gezindte behoort, zal niet alleen degene die verweer voert begrijpen, maar diens argumenten ook het beste kunnen verwoorden.
Wie krijgt de kinderen? Een belangrijke vraag. Een vaste regel daarvoor bestaat niet. Indien de beide ouders na de scheiding gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast willen blijven, dienen zij daartoe een eensluidend verzoek te doen. Een dergelijk verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. In andere gevallen zal de rechter één van de ouders met het gezag belasten. Dit zal doorgaans de ouder zijn die de dagelijkse zorg voor het kind heeft.
Ook zal de rechter een regeling vaststellen voor de omgang van het kind met de niet met het gezag belaste ouder. Deze ouder heeft ook recht op informatie over belangrijke aangelegenheden met betrekking

|111|

tot het kind. Ook moet de met gezag belaste ouder de ander raadplegen over belangrijke beslissingen voor het kind, zoals een schoolkeuze. De niet verzorgende ouder dient doorgaans financieel bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind.

Tijdens het huwelijk zijn echtgenoten verplicht elkaar het nodige te verschaffen. Na ontbinding van het huwelijk treedt daarvoor in de plaats de verplichting tot het betalen van alimentatie. Alimentatie moet betaald worden indien de ex-man of vrouw voldoende middelen heeft om te kunnen betalen (draagkrachtig is) en de ander het geld nodig heeft (behoeftig is). Stof voor langdurig kibbelen.

 

4. Kerkelijke tucht

Wij hebben gelukkig geen kerkelijke rechtbanken, zoals de Rooms-katholieke Kerk, om te oordelen of een huwelijk rechtsgeldig, naar de regels van het canonieke recht, ontbonden kan worden. Gelukkig hebben we ook niet te maken met rapporten van psychiaters die een oordeel geven over één van de bij een echtscheidingsprocedure betrokken partijen, zonder zelfs maar met de persoon in kwestie te hebben gesproken. Toch zullen ook de kerkenraden in voorkomende gevallen kerkelijke tucht moeten toepassen.
Zoals ik al zei, begint de kerkelijke tucht niet met de censuur of de ban, maar met vermaning. Aangezien dat aspect door de vorige spreker is behandeld, zal ik mij echter tot de tucht in enge zin in echtscheidingsgevallen beperken.

Kerkelijke tucht moet altijd gericht zijn op de eer van God, het welzijn van de gemeente en het behoud van de zondaar. Omdat het de bedoeling is om op deze ambtsdragersconferentie vooral praktische zaken aan te reiken, wil ik in alle bescheidenheid proberen aan te geven hoe de kerkelijke tucht in echtscheidingsgevallen zou kunnen verlopen. Steeds zal ik proberen daarbij ook het genoemde doel voor ogen te houden. Dat valt niet altijd mee. Zeker in dit soort gevallen zal het de betrokkene(n) niet altijd duidelijk zijn dat kerkelijke maatregelen genomen (moeten) worden tot hun welzijn. Als een man of vrouw onder de stille censuur wordt geplaatst, ziet bij of zij dat al gauw als een kerkelijke strafmaatregel, die erop gericht is een echtscheidingszaak op een formele wijze ook ten opzichte van het

|112|

kerkrecht af te wikkelen. We moeten er in ons ambtelijk bezig zijn voor oppassen dat we die indruk ook maar enigszins zouden oproepen.

Heilig Avondmaal

Zodra een ambtsdrager een signaal ontvangt dat een echtpaar wil scheiden - ik laat nu maar even buiten beschouwing van wie de eis tot echtscheiding uitgaat - lijkt het mij voor de hand te liggen om, hangende het onderzoek van de kerkenraad naar de schuldvraag, beide echtelieden voorlopig af te houden van het Heilig Avondmaal. Dit is geen afhouding in de eigenlijke zin van een tuchtmaatregel, maar meer een middel om de heiligheid en waardigheid van het Heilig Avondmaal hoog te houden. In de toelichting op de Dordtse Kerkorde zegt ds. De Gier dat dit bijvoorbeeld kan gebeuren tijdens het onderzoek en de behandeling van een ernstig en ingewikkeld tuchtgeval.
Een echtscheidingsgeval is uit de aard van de zaak in veel gevallen ingewikkeld. Het is nodig de noodzaak van deze ordemaatregel aan betrokkenen mondeling duidelijk te maken en de maatregel zelf schriftelijk te bevestigen. Ook moet niet vergeten worden de maatregel in te trekken zodra de noodzaak daarvoor niet meer aanwezig is.
Deze ordemaatregel kan dus wel een tijdje duren. In theorie zou die zich zelfs over een paar jaar kunnen uitstrekken, want ook gedurende de tijd dat een scheiding van tafel en bed loopt, kan het met het oog op de heiligheid van de Tafel des Heeren nodig zijn de echtelieden af te houden.

Scheiding van tafel en bed

Scheiding van tafel en bed wordt in de Acta van de Generale Synode van de Gereformeerde Gemeenten van 1977 genoemd als een mogelijkheid in gevallen van zeer ernstige mishandeling binnen het huwelijk, waarbij geen sprake is van overspel, maar waar toch samenleven in huwelijksverband onmogelijk wordt, omdat er bijvoorbeeld sprake is van levensgevaar. In dat geval kan de betrokkenen worden geadviseerd tijdelijk uiteen te gaan, of de mogelijkheid worden geopperd dat de niet-schuldige partij een scheiding van tafel en bed vordert.
In de praktijk wordt van die mogelijkheid - naar het mij voorkomt - weinig gebruik gemaakt. In de gevallen waarin ik daartoe heb geadviseerd, werd het advies niet opgevolgd. De ene keer met het argument dat het toch niets zou oplossen, een andere keer omdat bij de betrokkene

|113|

een grote achterdocht bestond over wat er in zijn afwezigheid thuis zou gebeuren. Overigens kan de scheiding van tafel en bed na verloop van drie jaar door een eenzijdig verzoek van één der partijen leiden tot definitieve ontbinding van het huwelijk. Bij wangedrag van één van de partijen zelfs, naar ik meen, na twee jaar.
Indien deze tijdelijke maatregel wordt toegepast, is het wel zaak het echtpaar, zowel de man als de vrouw, in pastoraal opzicht te begeleiden. Door pastorale gesprekken kan wellicht mede de weg worden gebaand tot herstel van verbroken verhoudingen. Die begeleiding kan bestaan in periodieke gesprekken, bijvoorbeeld eens in de twee maanden. Het liefst door dezelfde ambtsdrager. Het kan erg belastend zijn je verhaal telkens weer aan een ander te moeten vertellen. Vergeet ook de kinderen niet!

Religionis causa

Wanneer komt nu de eigenlijke tuchtuitoefening ter sprake? Tussendoor: het gaat nog steeds om het behoud van de zondaar, dus liefdevolle vermaningen mogen niet ontbreken. Eigenlijke tuchtoefening begint met de kerkelijke vermaning of de stille censuur, ook wel de kleine ban of ‛minor excommunicatie’ genoemd. Ik zal hierna spreken over de stille censuur. Dat is dus die censuur, die de gecensureerde niet zijn rechten van het lidmaatschap ontneemt, maar wel het voornaamste gebruik daarvan, zoals het deelnemen aan de sacramenten en het passief en actief kerkelijk stemrecht. De grote ban of de kerkelijke afsnijding leidt uiteindelijk wel tot het verlies van de rechten van het lidmaatschap. Wanneer moet in echtscheidingsgevallen de stille censuur worden toegepast?

Een ongeoorloofde echtscheiding is een echtscheiding die niet gefundeerd is op Gods Woord. Of om het anders te zeggen: een ongeoorloofde echtscheiding is een echtscheiding die om andere redenen dan overspel en religionis causa wordt uitgesproken. Echtscheiding na overspel is overigens niet geboden, wel geoorloofd. Man en vrouw kunnen binnen het huwelijk verder als er schuldbelijdenis plaatsvindt en vergeving wordt geschonken. Door deze beide daden wordt wat kapot gemaakt is, weer hersteld.
In 1 Korinthe 7 vers 15 gaat Paulus in op de situatie dat er in zijn dagen heidense mannen zijn die hun vrouwen wegsturen, omdat ze christin zijn geworden. Die mannen willen het huwelijk met de

|114|

christenvrouw niet voortzetten. Uit deze tekst heeft men in de tijd van de Reformatie afgeleid, dat zo’n vrouw vrij was om een nieuw huwelijk aan te gaan. Om der wille van de godsdienst (religionis causa) heeft de man metterdaad zijn huwelijk met zijn vrouw ontbonden. Zij is weggestuurd. Hij wil niet langer met haar samenleven, noch voor haarzorgen. Het is niet zo dat Paulus hiermee de Heere Jezus, Die overspel als de enige grond voor huwelijksontbinding heeft aangewezen, wil corrigeren. (Ik formuleer het uitdrukkelijk zo, want door overspel wordt het huwelijk feitelijk ontbonden; de officiële echtscheiding is de bezegeling daarvan.) Paulus geeft een aanvulling.
Deze tekst wordt algemeen aangehaald als een motief voor de stelling dat wanneer een man zijn vrouw verlaat of een vrouw haar man om godsdienstige redenen, echtscheiding geoorloofd is. En daarmee mijns inziens dus ook een tweede huwelijk van de verlatene. Prof. Van Bruggen tekent hierbij aan: „We moeten hier denken aan de gevallen waarin een ongelovige weigert om een huwelijk met een christen voort te zetten: de gelovige wordt voor de keus gesteld om het geloof de deur uit te zetten of zelf de deur uit te gaan... Christenen verlaten hun echtgenoten niet, maar zullen het soms wel te dragen krijgen, dat deze hen verlaten”. Als iemand voortdurend voor de keus wordt geplaatst tussen God en de eigen man of vrouw, kan dat de verwoesting en ontbinding van het huwelijk ten gevolge hebben.

Kwaadwillige verlating

Of we onder het geval van 1 Korinthe 7 vers 15 ook de kwaadwillige verlating om andere redenen dan godsdienstige mogen vatten, is tijdens de ambtsdragersconferentie van 1989 uitvoerig aan de orde geweest. Ik verwijs daarnaar en merk slechts op dat de Generale Synode in 1977 zich aansluit bij de opvatting zoals we die vinden in de kanttekening van de Statenvertaling, die spreekt over het breken van de band des huwelijks „uit haat alleen van het geloof”. In dat geval is de gelovige, aldus de kanttekening, niet verplicht van zijn of haar zijde de band van het huwelijk verder in stand te houden of ongetrouwd te blijven.
We moeten, ondanks de pijn die het met zich meebrengt voor iemand die door haar man of zijn vrouw is verlaten en die later wil hertrouwen, maar dat op bijbelse gronden niet kan, de echtscheidingsgronden niet proberen steeds verder op te rekken. In het Reformatorisch Dagblad van 23 juni 1995 stelt prof. Velema dat wie door zijn

|115|

echtgenoot/echtgenote definitief in de steek wordt gelaten, voor de feitelijke ontbinding van het huwelijk staat. Het huwelijk is er niet meer. Het functioneert niet meer. Alles wat tot het huwelijk behoort, en datgene waarvoor het huwelijk is ingesteld, is weggevallen.
Ik kan hem daarin niet volgen. Het huwelijk is op bijbelse gronden niet ontbonden, tenzij degene die als de verlater moet worden aangemerkt is overleden, hertrouwd is of met een andere vrouw/man in een overspelige verhouding leeft. Dat het huwelijk niet meer functioneert, is duidelijk. Maar er zijn huwelijken die niet ontbonden zijn, die evenmin functioneren, althans niet zoals de Heere dat van ons vraagt.

Censuurwaardig

Nu corresponderen de bijbelse echtscheidingsgronden in veel gevallen niet met de burgerlijke wetgeving. Een echtscheiding die door de rechter is uitgesproken, kan een echtscheiding zijn die naar de Heilige Schrift ontoelaatbaar moet worden beschouwd. Wie de burgerlijke wetgeving gebruikt om een scheiding aan te gaan op andere gronden dan Gods Woord toelaat, blijft naar goddelijk recht schuldig staan aan echtbreuk. Voor de kerk geldt dat hier gezondigd is en derhalve is het de roeping van de kerkenraad betrokkene(n) hiervan te overtuigen, opdat deze zich schuldig zal/zullen gevoelen.
Met het wijzen daarop moet niet worden gewacht totdat de echtscheiding door de burgerlijke rechter is uitgesproken. Reeds tijdens het echtscheidingsproces moet de echtelieden worden gewezen op het ingrijpende van de kerkelijke tucht. Hoewel de tucht medicijn behoort te zijn, en geen dreigmiddel om in te stemmen met een - op zichzelf goedbedoelde - kerkelijke lijn, mag er geen onduidelijkheid over bestaan wat de kerkrechtelijke positie van partijen is of kan zijn, wanneer een echtscheidingsprocedure wordt voortgezet.

Indien leden van de gemeente, die beloofd hebben dat zij, wanneer zij zich in leer of leven kwamen te misgaan, zich aan de kerkelijke tucht willen onderwerpen, inderdaad misgaan, dan heeft de kerk de taak om die tucht ook toe te passen.
Echtscheiding, anders dan om reden van overspel of religionis causa, maakt beide partijen in beginsel censuurwaardig. Niet alleen degene die de eis tot echtscheiding indient, maar ook de andere partij, die wellicht ook schuld heeft. In de praktijk wordt er meestal maar van uitgegaan dat de eisende partij alleen de schuldige is. Dat is wel te

|116|

begrijpen, maar het kan ook anders. Dat het onder de stille censuur zetten van de niet-eisende partij hem of haar in een onmogelijke positie plaatst, want hij of zij wil juist niet scheiden, zal bij de overwegingen of kerkelijke maatregelen die worden getroffen mee moeten wegen.

Dat bij gebleken overspel of religionis causa degene die zich daaraan heeft schuldig gemaakt onder censuur moet worden geplaatst, zal duidelijk zijn. Overigens verdient het aanbeveling van allerlei factoren die bij een echtscheiding een rol spelen, aantekening te maken. Dat kan zeer wel van pas komen als één van de partijen later weer wenst te hertrouwen en kerkelijke huwelijksbevestiging aanvraagt. Het rechterlijk echtscheidingsvonnis geeft geen uitsluitsel over de werkelijke echtscheidingsgrond. Duurzame ontwrichting is zo rekbaar als elastiek.

Opheffing van de censuur

Hoe lang moet de stille censuur duren? Uitgaande van het doel van de kerkelijke tucht: ze is medisch, moet werken om de zondaar terug te brengen van zijn zondige weg. Zij vraagt naar oprecht berouw, naar schuldgevoel en boetvaardige terugkeer tot de Heere en Zijn inzettingen. Indien iemand niet van zijn zondige weg terugkeert, zal de stille censuur een vervolg moeten krijgen in de kerkelijke afsnijding of ban. Dat het in de praktijk daartoe nauwelijks komt, omdat men zich dan maar gauw onttrekt aan de gemeente, doet daar niet aan af.
Dat geeft mij overigens aanleiding tot de opmerking dat we met de kerkelijke censuur voorzichtig moeten omgaan. Zolang er nog enige hoop is dat de betrokkene weerkeert van zijn zondige weg, kunnen we beter wachten met maatregelen te treffen die onomkeerbaar zijn. Ook uit de benadering van betrokkene door de kerkenraad zal moeten blijken dat de intentie is om behoudend bezig te zijn. Die intentie kan blijken uit het regelmatig in liefde vermanen van betrokkene en het betonen van meeleven in zijn persoonlijke omstandigheden.
Bij gebleken boetvaardigheid zitten we in de praktijk dikwijls met de moeilijkheid dat het niet altijd (veelal niet) mogelijk is, het vorige kwaad ongedaan te maken. Maar wanneer gebleken is dat de eis tot terugkeer naar de vorige echtgenoot(ote) niet meer gesteld kan worden, heeft het handhaven van de censuur geen goede zin. Dan kan na

|117|

een vastgestelde tijd, waarin de oprechtheid van het berouw getoetst kan worden, tot opheffing van de censuur worden overgegaan.

 

5. Hertrouwen

In het Synoderapport van 1977 lees ik: „De voorwaarde voor een huwelijksbevestiging door de kerk moet zijn, dat het een ‛huwelijk is in de Heere’ (2 Kor. 6: 14 en 15). Deze woorden betekenen dat er een basis moet zijn voor een christelijke huwelijksgemeenschap en voor het opvoeden van de kinderen bij Schrift en belijdenis”.
Dat deze voorwaarde zowel geldt voor een eerste als tweede huwelijk, zal duidelijk zijn. Ook bij een eerste huwelijk is het noodzakelijk na te gaan of de omstandigheden zo zijn dat deze voorwaarde vervuld kan worden, uiteraard met alle gebrek en tekort, maar toch. Vergis ik me als ik zeg dat in de praktijk al snel wordt geconcludeerd dat een huwelijk kerkelijk bevestigd kan worden, als het maar geen gedwongen huwelijk is?
Tot de praktische kant van de huwelijksproblematiek behoort ook het met een stel dat wil gaan trouwen doorspreken van het huwelijksformulier, waarin genoemde voorwaarde handen en voeten krijgt. Ook voor een tweede huwelijk moet deze eis gesteld worden. Alleen wanneer een huwelijk ontbonden is overeenkomstig de Heilige Schrift, kan een kerkelijke huwelijksbevestiging plaatsvinden.

Wanneer na een volgens Gods Woord ongeoorloofde scheiding een huwelijk wordt voltrokken, moet de kerk dit als een zondige daad veroordelen en daaraan op geen enkele wijze medewerking verlenen. Het lijkt me dan ook niet juist als een predikant die op bijbelse gronden een tweede huwelijk niet kan bevestigen, vervolgens op een receptie een Bijbel overhandigt namens de kerkenraad.
Het is mijns inziens een eis van zorgvuldigheid dat, wanneer een kerkenraad hoort dat twee personen zodanig contact hebben dat het wel eens op een tweede huwelijk zou kunnen uitdraaien, in een vroeg stadium in alle voorzichtigheid en met liefde wordt gewezen op de mogelijkheid of de onmogelijkheid van dit tweede huwelijk. Als mensen dat pas horen als ze al een afspraak gemaakt hebben met het gemeentehuis, en vervolgens de kerkenraad bellen voor een afspraak voor een kerkelijke huwelijksbevestiging, is dat te laat.
Overigens wijs ik erop dat de Generale Synode van de Gereformeerde Gemeenten in 1956 heeft uitgesproken, dat degenen die een

|118|

tweede huwelijk kerkelijk wensen te laten bevestigen, zelf het bewijs moeten leveren van de schriftuurlijke toelaatbaarheid. Dus dat een vorig huwelijk op schriftuurlijke gronden ontbonden is. Dat neemt natuurlijk niet weg, dat we hen bij het leveren van dat bewijs kunnen begeleiden.
Indien de bewijzen ondeugdelijk zijn en het huwelijk toch gesloten wordt voor de overheid, zal de kerkelijke bevestiging niet mogen geschieden. Tevens zal er dan een kerkrechtelijke behandeling op moeten volgen. Indien er echter oprecht schuldbelijdenis wordt uitgesproken, zal de kerkelijke tucht een einde nemen. Men dient namelijk onderscheid te maken tussen de daad van de zonde en de gevolgen van de zonde, die onafwendbaar zijn. De tucht is immers geen vergelding voor gepleegd onrecht.

Samenvatting

Als we proberen het voorgaande voor de praktijk samen te vatten, kunnen we het volgende opmerken. Kerkelijke bevestiging van een tweede huwelijk is mogelijk
- wanneer het gaat om personen van wie het eerste huwelijk ontbonden is door overlijden. Paulus zegt duidelijk dat een vrouw verbonden is aan haar man zolang deze leeft. Als haar man overleden is, is zij vrij om met een andere man te trouwen (Romeinen 7:3). Datzelfde geldt uiteraard ook voor een man.
- wanneer het eerste huwelijk ontbonden is als gevolg van overspel van de man of vrouw van hem of haar die wil hertrouwen. Overeenkomstig hetgeen daarover tijdens de ambtsdragersconferentie van 1989 is gezegd, moeten we daarbij letten op de strekking van de woorden van Christus. Die strekking is, dat in het huwelijk nooit een derde in het spel mag komen. Daarom is het hebben van een homoseksuele, lesbische of pedofiele relatie een bijbelse echtscheidingsgrond. Het zal eveneens duidelijk zijn, dat dit bij incest het geval is.
- wanneer het eerste huwelijk ontbonden is als gevolg van religionis causa door de man of vrouw van hem of haar die wil hertrouwen.

Wanneer dus iemand die zelf geheel vrij is om te trouwen, een ander trouwt die op ongeoorloofde wijze is gescheiden, doet ook de eerste een zondige daad, ook als de overheid een nieuw huwelijk toestaat. De kerk moet deze betrokkenen kerkelijk behandelen.

|119|

Blijft nog over het geval waarin iemand een huwelijk aangaat met iemand die ongeoorloofd is gescheiden, maar van wie de vorige echtgenoot of echtgenote is hertrouwd of gestorven. Dan kan men dit aangaan van een nieuw huwelijk niet als een zondige daad aanmerken, omdat degene die ongeoorloofd is gescheiden, aan zijn/haar vorige echtgenoot/echtgenote niet meer verbonden is. Het is dus niet als een zondige daad aan te merken. Dat wil dus zeggen dat geen kerkelijke maatregelen getroffen kunnen worden. Maar de vraag of zo'n huwelijk kerkelijk bevestigd kan worden, meen ik ontkennend te moeten beantwoorden. Het ongeoorloofde van de vroegere scheiding kan hiermee niet worden opgeheven.

 

6. Tenslotte

Er wordt wat een pijn geleden binnen en buiten huwelijken. Er wordt wat een pijn geleden door verbroken huwelijken. Laten we bij het nadenken over deze problematiek beseffen, dat mensen die vol verwachting en vol goede voornemens aan hun huwelijk begonnen zijn, er niet zo maar toe komen definitief uit elkaar te gaan. Daar gaat heel wat aan vooraf. Het leed begint niet met de scheiding.
Voor echtparen die in de kerk zijn getrouwd, komt daar nog een extra dimensie bij. Man en vrouw hebben voor Gods aangezicht verklaard elkaar te willen helpen en bijstaan in alle dingen die tot het tijdelijke en eeuwige leven behoren. Zij hebben elkaar voor het leven trouw beloofd. Het verbreken van deze belofte, om welke oorzaak ook, wijst op een falen. Een mislukking, die des te harder aankomt, omdat het echtpaar als bruidspaar om Gods zegen had gevraagd. Is Gods Genade voor hen dan niet genoeg geweest? Het verbreken van de trouwbelofte raakt niet alleen de huwelijkspartners, het raakt ook de Heere. In Zijn hand hebben zij hun huwelijk en hun toekomst gelegd. Er is geen beter vertrekpunt voor een pastoraal gesprek bij huwelijksproblemen dan dit.