|1|

 

Collegedictaat Kerkrecht

 

van

 

Prof. Dr. H.H. Kuyper — 1935-1936


 

De groote kerkrechtelijke stelsels.

De Heilige Schrift is norma credendorum et agendorum voor de kerk. Vooral de ordinantiën die Christus en de apostelen gaven voor de kerk en het kerkrecht. De kerk is geen menschelijke vereeniging, maar zij is door Christus in het leven geroepen, wordt door Hem geregeerd en moet Hem gehoorzamen. We moeten echter bij de ordinantiën op dit gebied onderscheiden tusschen exceptioneel en tijdelijk en dat wat universeel is, wat voor de kerk van alle eeuwen is. Maar bij dit onderscheid is en blijft de Heilige Schrift, vooral het Nieuwe Testament, grondwet voor de kerk. De kerk beantwoordt aan haar doel wanneer ze is ingericht naar de voorschriften der Heilige Schrift. Zoo was dus het wezen en de inrichting der kerk gegeven met de instellingen van Christus. Maar de historische ontwikkeling leidde niet tot eenheid van instituut. Byzantijnsche en episcopale stelsels leidden tot een breuk.

Stahl bekeek principieel voor ’t eerst de kerkrechtelijke stelsels. Het opkomen van die stelsels is niet toevallig, maar hangt samen met het karakter der kerken. Elke kerk formeerde een eigen stelsel. Zoo is het ook in de belijdenis. Dat is niet zonder onderling verband. De meeste kerken nemen in de confessie op, wat voor haar het principieele was in de kerkregeering. In de praktijk valt de lijn niet al te scherp te trekken. Binnen den gereformeerden kring zijn er de episcopale (Engeland), territoriale (Zwitserland) en independentistische, congregationalistische stelsels (Engeland en Amerika). Onder invloed van de moderne kerkidee kwam het collegialistische systeem op, dat niet aan eenige confessie is gebonden. Voorts kunnen er van al deze stelsel weer hybridische uitwassen zijn.

De vijf stelsels die van een principe uitgaan, zijn de volgende:
I. ’t papale stelsel.
II. ’t Luthersche of territoriale stelsel.
III. ’t gereformeerde of presbyteriaal-synodale stelsel.
IV. ’t independentistische stelsel.
V. ’t collegialistische stelsel.

 

I. ’t Roomsche of papale stelsel gaat uit van de gedachte dat de kerk een uitwendig instituut is over heel de wereld, om als heilsmiddelares de genade uit te deelen. Ze is even tastbaar als elk ander koninkrijk. Alleen onderscheidt ze zich hierdoor, dat ze niet aan grenzen gebonden is, maar alle volken omvat.

|2|

Voordeelig is hierbij: 1e. het handhaaft in den strengsten zin de eenheid der kerk. Rome kent geen plaatselijke of landskerken, maar alleen ’n wereldkerk. Deze kerk heeft maar één belijdenis, één liturgie, haar eigen kerktaal (Latijn) en één centrale regeering, waardoor de eenheid zichtbaar gepresenteerd wordt.

2e. De Roomschen deelen de kerk in geestelijken en leeken. Alle autoriteit is bij de geestelijken, de leeken zijn daarvan afhankelijk. Eenheid van kerk dus, maar om die te handhaven, handhaaft Rome de autoriteit van het ambt, waartegenover de leek tot blinde gehoorzaamheid verplicht is. Van vrijheid of recht van critiek is geen sprake. Eén plicht is er voor den leek: gehoorzamen! (sacrificium intellectus). Hij is objekt dat geregeerd wordt, en niet subjekt. Om de clerus los te maken van alles, voerde de Roomsche kerk het coelibaat in, ’n afzonderlijke rechtsbedeeling voor de priesters, en kent aan de geestelijken een character indelebilis toe, wat ze bij hun ordening krijgen. Dat zijn bij Rome de middelen om de eenheid te bewaren. Aan de clerus wordt geschonken: 1e. potestas ordinis, om den leek te leeren; 2e. potestas iurisdictionis, vooral aan de episcopen, om de tucht te oefenen.

3e. Het papale stelsel is streng monarchaal, en laat alle macht samenvloeien in den paus. De clerus vormt een pyramide; de basis zijn de leeken, door hiërarchische opeenvolging komt men tot den paus. De plenitudo potestatis berust alleen bij den paus en daalt van hem af. Zeer langen tijd is er in de kerk strijd geweest tusschen het papale en het episcopale stelsel. Het ging daarbij om de vraag wie het hoogste gezag had, ’t concilie of de paus. Eerst beslist is deze quaestie op het Vaticaansch Concilie waar de infallibilitas papae loquentis ex cathedra ten aanzien van geloof en zeden werd uitgesproken. Leopold von Ranke in Die Päpste toonde aan dat daarin de innerlijke idee van de Roomsch-Katholieke kerk zich realiseerde. Wie de eenheid van de wereldkerk wil handhaven, moet een éénhoofdig gezag stellen. Het primatus iurisdictionis et honoris berust bij den paus.

4e. Zeer sterk meent Rome te staan door de suprematie van de kerk over den staat. Indien de kerk identiek is met het koninkrijk Gods en de paus vicarius Christi is, dan moet hij ook alle macht hebben. Intensief moet dan de kerk de wereld overheerschen. Kunst, wetenschap, politiek, alles moet onder de kerk worden gesteld. De kerk realiseert immers het Godsrijk. Ook de staat moet dan worden overheerscht door de kerk. Rome huldigt de leer van de twee zwaarden. Het absolute gezag berust bij Christus, deze schenkt het den paus. De paus geeft het wereldlijk gezag aan de vorsten, ’t geestelijk gezag aan de clerus.

 

II. ’t Territoriale stelsel heeft meer inconsequenties. De Reformatie brak met Rome door twee beginselen op den voorgrond te stellen: 1e. men maakte weer onderscheid tussen onzichtbare (zuiver geestelijke) en zichtbare kerk. De vereenzelviging van deze met het corpus Christi hield op. Niet de onderworpenheid aan den paus besliste, wie in Christus geloofde was lid van de ware kerk. 2e. Tegenover de hiërarchie van Rome stelde de Reformatie het dogma van het algemeene priesterschap. Geen clerus wenschte zij tusschen God en mensch als heilsmiddelaar, zij stelde schriftuurlijk een rechtstreeks verband tusschen God en de geloovigen. Zonder meer leidde dit niet niet tot organisatie; de onzichtbare kerk kan niet

|3|

georganiseerd. Het algemeene priesterschap maakt ambtsdragers onmogelijk. Daarom zocht de Reformatie een correctief. En daarbij gaan Luther en Calvijn uiteen.

Bij Luther domineert de idee van de mystieke, inwendige, onzichtbare kerk. Al heeft hij aanvankelijk aan de Heilige Schrift de gedachte ontleend, dat ze een uitwendige organisatie moest hebben, dus een gemeente van belijdende geloovigen en ambtsdragers moest zijn, met eigen tucht enz., in de praktijk kwam daarvan niets terecht. Oorzaak daarvan was, dat door de Reformatie de geheele bevolking protestantsch werd en het onmogelijk was zulk een massa te organiseeren. Als eenig zichtbaar kenmerk van de ware kerk geldt hem de bediening van Woord en sacrament. Dus ‘waar de prediking is, daar is de kerk’. Ieder gemeentelid had het recht om predikant te zijn. Door de gemeente werden bepaalde personen echter aangewezen. In de kerk kent Luther dus alleen het leerambt. Verdere organisatie acht hij niet noodig. 't Regeerambt ontbreekt bij Luther geheel en al.

’t Ontbreken van het regimen leidde tot overdragen van de kerkelijke macht aan den landsvorst. Dit was aanvankelijk niet principieel bedoeld. De praktijk leidde daar echter toe. Tegenover de macht van den paus en van den keizer moest de kerk wel een steun zoeken en deze vond men bij den landsvorst (patronus ecclesiae). Deze kreeg het recht om over de kerk te heerschen (superintendenten). Later werd deze praktische toestand omgezet in het zgn. territoriale systeem: cujus regio, illius religio. Dat was een weer opleven van de caesaropapie van Constantijn. Keizer zijn was aanvankelijk het sumeeren van alle macht in één persoon.

Dit systeem had twee grondgedachten: in de eerste plaats splitste het de oecumenische kerk in nationale kerken met eigen belijdenis en liturgie; in de tweede plaats werd de autoriteit in de nationale kerk opgedragen aan den vorst. Het eerste is accidenteel: bij eenheid van regeering [zou er een] wereldkerk [zijn ontstaan]! Maar de historie was anders. Ook Duitschland zelve kwam in twee deelen tegenover elkaar te staan: de protestantsche vorsten tegenover de roomsche en den keizer. De protestanten sloten het Schmalkaldisch Verbond. Zoo kwam het, dat de christelijke gedachte van een oecumenische kerk bij de Lutherschen teloor ging. De kerk was gebonden aan de natie. Kerk werd weer volkskerk. Uit deze verbinding van kerk en natie volgt, dat de overheid de macht over de kerk krijgt.

Luther onderscheidt de status politicus (alleen regeermacht), de status ecclesiasticus (alleen leermacht) en de status oeconomicus (mocht gehoorzamen en werken).

Tweeërlei systeem: 1e. het episcopale systeem. In de oude kerk berustte de regeermacht bij den episcopus en Luther achtte dat juist. Het eenige goddelijke ambt was het predikambt. Terwille van de orde riep de kerk iure ecclesiastico nog andere ambten in het leven. De bisschoppen bleven roomsch. De vacante posten namen de protestantsche vorsten waar (religie-vrede van 1555). Door de juristen werd nu de theorie opgesteld (ius devolutum), dat de episcopale macht concessione imperatoris op de vorsten overging. De theologen keerden de zaak om. Volgens goddelijke ordinantie was de overheid ook geroepen om de ware religie te handhaven. Christus had alle macht in hemel en op aarde. Hij nu had de vorsten aangesteld. Dus hadden ze een potestas politica en een potestas ecclesiastica. De laatste macht kwam alleen toe aan een christelijken vorst (praecipuum membrum ecclesiae et custos duarum tabularum legis). Door den vrede van 1555 was de macht weer gerestitueerd aan de vorsten (ius

|4|

restitutionis). Iure suo hadden ze dat recht. Er moet nog wel onderscheid gemaakt worden tusschen potestas politica en de potestas ecclesiastica. Beide zijn uit God en door Hem aan den vorst als plaatsbekleder van God verleend. Maar ze werden onderscheiden als twee rechtsgebieden: de persoon van den vorst is staats- en kerk-regent. Voor de uitoefening van beide functies is hij gebonden aan de ministers voor den staat, als kerkregent oefent hij de potestas uit door de consistoria, staatsorganen bestaand uit theologen en juristen: consistoriaal-stelsel. [De consistoriën waren] geen kerkelijke organen, maar benoemd door den landsvorst. Onder de consistoriën staan de superintendenten en intendenten. Het doel van deze potestas ecclesiastica was, om de zuivere leer te handhaven. Aan de overheid komt daarom toe het ius discretionis inter doctrinam veram et falsam en het ius reformandi. In leergeschillen nam de overheid de beslissing.

Deze potestas ecclesiastica is onderscheiden in potestas externa: de vorst stelde vast, wat de ware leer was, zorgde voor de confessie enz., en de potestas interna: wat de ware leer van het evangelie was moest gebonden worden aan de leerstand. De vorst riep synodes samen, beheerde de kerkelijke goederen, en had de zorg voor de jurisdictie. Maar bij de potestas interna moest hij rekenen met het leerambt. Veranderingen in de confessie zijn gebonden aan de consensus van den leerstand. Bekende Luthersche schrijvers hierover zijn Carpsovius, ’n jurist, en Gerhardt, ’n dogmaticus.

Daarna ontstond er onder de Lutherschen een nieuwe theorie, die een geheel ander karakter draagt. Pufendorff, Thomasius en vooral Böhmer (Ius ecclesiasticum) zijn er de voornaamste voorstanders van. Deze theorie gaat van andere principes uit. De macht over de kerk kent ze toe aan de overheid. Haar grondslagen zijn gelegd door Hugo de Groot, en wortelen in de leer van het natuurrecht, dat de overheid laat opkomen uit het onderling verdrag van de enkelingen. Van een potestas ecclesiastica van de overheid wil het niet weten. De ware kerk is zaak van het hart en kent geen regimen. Het instituut is een menschelijke vereeniging en staat daarom onder het ius commune. De leer van den dubbelen persoon (kerk- en staats-regent) in een vorst, wordt door hem verworpen. De vorst regeert over de kerk omdat de kerk een deel is van den staat. Vandaar dat de vorst, voorzoover lid van de kerk, gewoon lid is. Het doel van ’s vorsten regiment is niet de leer te handhaven, maar om te zorgen voor het staatsbelang. De vorst moet geen synode samenroepen, maar door tolerantie aan de twisten het zwijgen opleggen. Stelregel in deze theorie is: salus reipublicae summa lex. De vorst heeft geen organen noodig voor de kerkregeering, maar hij regeert haar door zijn gewone dienaren (vergelijk het collegiale stelsel).

Met modificaties wordt dit niet alleen bij Lutherschen gevonden, maar ook bij sommige Gereformeerden. In Zwitserland, Zürich en Bern, was het zoo. Het Luthersche stelsel was aristocratisch-monarchaal, Zwingli was democraat. Ook bij hem worden kerk en volk vereenzelvigd, en zijn het de vertegenwoordigers van het volk, de magistraten, die ook over de kerk het regimen voeren, leergeschillen oplossen, predikanten benoemen etc. In de Zwingliaansche kerken vindt men geen kerkeraden. Van kerkelijke tucht wilde men niet weten, omdat de (christelijke) overheid misdrijven moest straffen. Vooral de vrees voor het weer insluipen van de hiërarchie deed Zwingli bevreesd zijn om het ouderlingenambt weer te herstellen. De Zwingliaansche kerken hebben dit echter nooit, zooals de Luthersche kerken, principieel verdedigd. Ze erkenden dat

|5|

oorspronkelijk de kerk zelfregeering gehad had. Maar in Zürich was dat niet noodig omdat de overheid christelijk was. Maar invoering van christelijke tucht in Genève achtte men goed, omdat daar de overheid nog niet christelijk was.

Principieel werd de scheidslijn tusschen Zwinglianen en Lutheranen getrokken door Thomas Erastus van Heidelberg. Hij had veel invloed bij den keurvorst, omdat hij van het Lutheranisme niet weten wilde. Hij was Zwingliaan. Toen Olevianus en Ursinus de kerk van de Paltz reformeerden, verzette hij zich, omdat hij vreesde onder de kerkelijke tucht te komen. Hij schreef Explicatio gravissimae quaestionis utrum excommunicatio mandato nititur divino an excogitata sit ab hominibus. Beza schreef daar tegenin: De presbyteriis en De excommunicatione. De kerk moest, volgens Erastus, wel vermanen, maar niet straffen. Dat moest de overheid doen. Dat wilde vooral in Engeland er in. Men noemt dat het Erastiaansche stelsel.

Het Remonstrantsche kerkrecht is vooral verdedigd door Uyttenbogaert en [Hugo] de Groot. De libertijnen namen het over. De regeermacht berustte bij de overheid. De overheid was huns inziens niet geroepen om de leer te handhaven, maar om zoveel mogelijk tolerant te zijn. Van een macht der ambtsdragers wilde men niet weten. Synoden hadden een adviseerende bevoegdheid. Een vast belijdenis mocht de kerk niet hebben. In tegenstelling daarmee ontwikkelden de Gereformeerden de zelfstandige rechten van de kerk.

Afgezien van deze extremen kan geconcludeerd, dat het territoriale stelsel ingaat tegen de Heilige Schrift. Het erkent wel goddelijk gezag in de kerk, dat aan Christus is opgedragen, maar de fout is, dat Christus deze macht uitoefent door de persoon van den wereldlijken vorst. Juridisch kan het territoriale stelsel niet worden gehandhaafd. De overheid krijgt doordat zij christelijk is geen andere macht. Het woord ‘christelijk’ duidt de methode aan en niet meer of minder macht. Bovendien, indien de potestas ecclesiastica inhaerent is aan den magistraat, dan bezit een heidensche overheid deze evenzeer. Terecht merkt Voetius op, dat de overheidspersonen de macht nooit hebben als membra praecipua der kerk, omdat dat juist de geloovigen zijn.

In de praktijk heeft deze theorie tot de droefste gevolgen geleid. Heele landen moesten met den landsvorst van religie veranderen. De predikanten, als de ecclesia docens, kregen de potestas interna in handen. Zoo kwam men toch weer tot hiërarchie. Dit stelsel is uit nood geboren, en als zoodanig niet blijvend van aard, maar door de juristen is het tot principe verheven.

 

III. Het gereformeerde of presbyteriaal-synodale stelsel. Dit stelsel is in hoofdzaak aan Calvijn te danken. Het eerste paste hij het toe te Straatsburg, daarna te Genève; vandaar verbreidde het zich over Frankrijk, Nederland, Engeland en Schotland. Dit komt het meest overeen met de Heilige Schrift en is voor de kerk de beste organisatie gebleken. Zelfs in de tegenwoordige Luthersche kerken vertoont zich meer neiging om zich daaraan te conformeeren (door ’t instellen van presbyteries enz.).

|6|

Is Calvijn er de vader van, de canonicus Voetius (Politica Ecclesiastica) systematiseerde het.

Het gereformeerde stelsel van kerkrecht is niet het resultaat van historisch geworden toestanden, maar is het stelsel dat door Calvijn opgebouwd is uit de Heilige Schrift. Het is niet de vrucht van politieke constellaties, maar door Calvijn in zijn Institutie ontwikkeld en daarna te Straatsburg en Genève gerealiseerd. Aanvankelijk noemde Luther het ’t meest apostolisch. Maar met het oog op de volkskerk durfde hij het niet uitvoeren. Calvijn vertrouwde op het Woord en bepaalde zijn kerkrecht door de eisch van het Woord en noopte de gemeente zich daaraan te conformeeren.

Calvijn was niet aanstonds volkomen zuiver daarin. Te Genève heeft hij steeds te worstelen gehad met den tegenstand der overheid en moest daarom belangrijke concessies doen aan zijn principia. De actueele toestand te Genève is niet de zuivere uitvoering van zijn kerkrecht, zoo b.v. krankencommunie en handoplegging. Maar al is dat zoo, toch heeft Calvijn het beginsel niet prijsgegeven en het regimen ecclesiasticum nooit aan de overheid overgedragen. Al heeft hij zelf de consequentie niet geheel doorzien, en al is de verhouding van staat en kerk nu een andere, zoodat repristinatie dwaasheid zou zijn — de innerlijke organisatie van de kerk van Calvijn is de meest zuivere.

De kenmerken van deze gereformeerde organisatie zijn [de volgende. I]n de eerste plaats, de hoeksteen van dit stelsel is niet de wereld- of de landskerk, maar de plaatselijke gemeente als vergadering der christelijke geloovigen, om zichtbaar het lichaam van Christus te representeeren. Ecclesia est libera confoederatio fidelium (Voetius). Ook in de Heilige Schrift wordt overal gesproken van plaatselijke kerken. Wel is naar de Heilige Schrift de onzichtbare kerk één (corpus mysticum), niet alleen op de aarde, maar ook met de kerk in de hemel. Maar de zichtbaarwording geschiedt doordat op een bepaalde plaats de geloovigen zich samenvoegen. Bij Rome en bij Luther is de kerk heilsinstituut, dat wil zeggen de ambtsdragers staan tusschen God en de geloovigen in. De zichtbare kerk hangt dus aan het ambt en de generale kerk stelt de ambtsdragers aan. De gemeenteleden zijn niet subjekt maar objekt van het kerkrecht. De gereformeerde kerk gaat uit van de gedachte der electie. Naar haar wezen is de kerk communio electorum. Waar deze zich openbaart bestaat de kerk niet in de ambtsdragers maar in de geloovigen, die vrijwillig een communio vormen (ecclesia localis).

De kerk omvat niet een heel volk, maar alleen die als geloovigen zich openbaren door belijdenis. Hier ligt het groote verschil tusschen Luther en Calvijn. Luther neemt uit de Roomsche kerk de volkskerk over. Calvijn daarentegen begint met de gemeente saam te roepen en erkent geen lid der kerk, dan door eed op de confessie. Bij deze geloovigen komen dan daarna, door het genadeverbond, hun kinderen. Dat deze ecclesia visibilis nu localis is volgt hieruit vanzelf. De mystieke eenheid van Christus’ lichaam omvat alle geloovigen en is nooit zichtbaar voor te stellen. De onderlinge gemeenschap (congregatio fidelium) is alleen mogelijk op een plaats waar de geloovigen één instituut kunnen vormen voor den dienst des Woords en der sacramenten. Het werk van den Zoon sluit aan bij het werk van den Vader (recreatio rust op creatio). Ieder mensch heeft zijn woonplaats en daarom is er tusschen de inwoners van een plaats een natuurlijke eenheid. Daarop bouwt de kerk voort. Door het onderling verband ontstaat geen volkskerk, maar een confoederatie.

|7|

Hieruit volgt niet, dat op één plaats maar één kerk mag zijn. Het gereformeerde kerkrecht rekent met plaatselijke toestanden. Drie of vier gehuchten worden vaak gecombineerd tot één ecclesia localis. Maar dan is het ook geoorloofd om in groote steden de ecclesia localis in meerdere kerken te splitsen. Een stad als Londen kan niet bestuurd worden door één kerkeraad. Bovendien neigen de groote steden er toe om zich steeds meer uit te breiden. De vroeger zelfstandige kerken zouden dan op moeten gaan in de eene groote. Zulke massale kerken brengen ernstige gevaren mee voor het kerkelijke leven. Vandaar, dat men ijvert voor het parochiale stelsel, wat niet in strijd is met het gereformeerde kerkrecht. [Het is] ook geen congregationalisme, want dat heft de grenzen op en heeft geen kerkbegrip. Parochie-indeeling is niet verkeerd, dat blijkt wel hieruit dat het parochie-stelsel o.a. ten tijde van Calvijn te Bazel en te Genève bestond. In ons land is wel degelijk op één plaats meer dan één kerkelijke formatie geweest: Waalsche, Engelsche en Duitsche gereformeerde kerken.

Het tweede kenmerk is, dat alleen in het gereformeerde kerkrecht naast den predikant als ambtsdragers optreden ouderlingen en diakenen (presbyteriaal). Het kent geen hiërarchische ambten. Het ambt staat in de plaatselijke kerk, omdat deze eigenlijk pas een kerk is. Classes en synoden zijn vergaderingen van kerken en kunnen dus geen ambtsdragers in het leven roepen. Eén bisschop is er, namelijk Christus, en onder Hem pastores, presbyters en diakenen. Vandaar dat een algemeen ambt als zendeling met het gereformeerde kerkrecht strijdt indien de synode het geeft. Zoo ook professoren aan kerkelijke kweekscholen. En evenmin kent het daarom classicale of synodale besturen, die een permanent bestuur vormen. De afkeer van de hiërarchie is één van de trekken van het gereformeerde kerkrecht. In Duitschland nam men wel superintendenten, maar [die] waren meer kerkvisitatoren. a Lasco, die superintendent te Londen was, sprak uit dat hij geen hooger ambt had dan ieder ander predikant.

Het gereformeerde kerkrecht stelt naast den predikant presbyters en diakenen, die in geen andere kerk voorkomen. Rome en Lutherschen geven alle macht aan den pastor, die als clerus boven de leeken staat. De gemeenteleden zijn tegenover hen passief. De gereformeerde kerk kent die idee niet. De potestas ecclesiastica is aan de geheele gemeente geschonken. Deze gemeente is een organisme, [dat] deze postestas nu uitoefent door organen. De besturende macht die Christus aan het ambt schenkt, wordt niet ontleend aan de gemeente (independenten). Maar wij erkennen dat de gemeenteleden rechten hebben tegenover het ambt. Dat geeft aanleiding tot het stelsel van evenwicht, zooals we dat thans kennen.

Naast de predikant staat dus de presbyter. ’t Is niet juist wanneer Lechner e.a. beweren, dat Calvijn dit bedoelde om naast den predikant als geestelijke gedelegeerden te laten optreden, zooals in den gemeenteraad. Volgens het gereformeerde kerkrecht zijn de ambten niet door de gemeente, maar door Christus ingesteld. En dan ook: ze zijn onderling gelijk. De predikant wordt evengoed door een gemeente gekozen als ouderlingen en diakenen. Het regeerambt deelen de ouderlingen met de predikanten. De laatsten te beschouwen als leeken naast den clerus deugt niet. Ze vormen met den predikant den raad der kerk, die de gemeente representeert. Calvijn stelde het presbyteraat in, omdat ’t Woord van God het zoo wilde; de apostelen hadden het ingesteld. Daarom herstelde hij dit ambt in eere.

Daarbij kwam nog: ten eerste, dat Calvijn den nadruk legde op de invoering van de kerkelijke tucht. Het was onmogelijk dat de predikanten

|8|

toezicht oefenden. Vandaar, dat hij er zoo sterk op aandrong om ouderlingen te benoemen, om het genadeverbond te bewaren. Ten tweede, dat de hiërarchie lichter insluipt wanneer de regeering bij één, dan wanneer ze bij meer personen berust. Op politiek gebied gaf hij dan ook de voorkeur aan de Republiek. Zoo wilde hij ook, dat de kerk zou worden geregeerd door een raad van gemeenteleden. In het presbyter-ambt komt het gemeente-leven meer tot uiting. De predikant komt van buiten, blijft levenslang en vertegenwoordigt meer het stabiele element. De ouderlingen kennen het gemeente-leven beter. Zoo bepaalde Calvijn, dat de ouderlingen op vaste tijden moesten aftreden. Zijn sterkste motief was daarbij het voorkomen van hiërarchie en contact houden met de gemeente. In zooverre is het gereformeerde kerkrecht democratisch. Maar nooit is het zoo, dat de demos de gemeente regeert. De regeering der kerk is Christocratisch.

Het derde kenmerk van het gereformeerde kerkrecht is dat de ecclesiae locales samenkomen in en zich verbinden tot meerdere vergaderingen: classes, particuliere, provinciale, generale en oecumenische synoden. Daarom wordt het ook wel het synodaal stelsel genoemd. Maar het bijeenkomen in synoden is geen wezenstrek. Het wezen der kerk schuilt in de ecclesia localis. Het verband met andere kerken behoort tot het bene esse. Te Genève vond men dat verband niet en toch was daar het gereformeerde stelsel van kerkrecht. In Nederland is er sinds 1619 geen generale synode meer geweest, maar daarom vormden hier toch de gereformeerde kerken wel een eenheid. Een oecumenische synode werd nooit gehouden. Thans worden er stappen in deze richting gedaan. Deze saamsmelting is dan ook niet het eigenlijke kenmerk der gereformeerde kerken. Niet alleen de Gereformeerden, maar ook de Roomschen, Episcopaalschen, Lutherschen, independentisten en congregationalisten hebben synodes.

Maar het typeerende van het gereformeerde stelsel is, ten eerste, dat de Gereformeerden plaatselijk geen ambtsdragers erkennen dan de presbyters [bedoeld?]. De synode oefent in haar geheel deze regeermacht. Bij de hiërarchische kerken zijn de synoden vergaderingen van hoogere ambtsdragers qualitate qua. De paus praesideert. Het oecumenisch concilie bestaat bij Rome uit alle bisschoppen. De independenten willen van gezaghebbende synodes niet weten. Wel vindt men bij hen conferenties van afgevaardigden van plaatselijke kerken, maar ze hebben geen beslissende macht; deze behoudt alleen de plaatselijke kerk. Het gereformeerde stelsel vormt den middenweg.

In de ecclesia localis is de openbaring van Christus’ lichaam. Deze heeft dan ook de volle potestas ecclesiastica. Maar de eenheid eischt dat deze kerken in verband leven. Zij vormen samen één lichaam. Deze natuurlijke gemeenschap treedt in het Nieuwe Testament scherp op den voorgrond. De kerken buiten Palestina helpen het verarmde Jeruzalem, Paulus waarschuwt tegen misstanden voornamelijk te Corinthe, hoewel hij niet behoort tot de ecclesia localis. Dit verband neemt concreten vorm aan bij het apostelconvent te Jeruzalem (Handelingen 15). De quaestie die daar aan de orde wordt gesteld, wordt beslist door een samenkomst waarbij de moederkerken gerepresenteerd worden door afgevaardigden. Het daar genomen besluit was geen advies, maar bindend dogma. Deze synode had dus autoritatieve macht.

De plaatselijke kerken treden confoederatief, vrijwillig met elkaar in verband. Ze vormen nu een confoederatieve eenheid. De bedoeling is niet, dat nu een landskerk ontstaat ([zoals de] Hervormde kerk), maar de kerken vormen tesaam een kerkenbond: Gereformeerde Kerken in Nederland.

|9|

Ecclesia nationalis, provincialis, en classicalis komt wel voor, maar niet sensu praegnanti. Dit verband wordt niet willekeurig gelegd, maar houdt rekening met de ordeningen van het burgerlijke leven. Daar de landen waar dit stelsel opkwam bestonden uit provinciën, had men een provinciaal en een nationaal verband. De classis heeft geen burgerlijke grens. Hieruit volgt, dat op de synoden niet saamkomen ambtsdragers om iure suo de kerk te besturen, maar dat het de kerken zijn, die door deputaten met mandaat hier samenkomen. Het zuiverst zou dit zijn wanneer alle kerkeraden samenkwamen. Maar dat kan niet. En daarom zenden de kerkeraden een paar afgezondenen slechts, en op de synodes komen alleen de afgevaardigden van de classes. De macht der afgevaardigden is een potestas derivata, geen hoogere maar een meerdere macht, die de kerken opdragen. De vergadering die de meeste kerken omvat, heeft meer macht dan de classis. Zoo zijn in het gereformeerd systeem beide vereenigd: alle kerken zijn gelijk en er is onderling toch verband. Aan de vergadering waar ze samenkomen wordt autoritatieve macht toegekend.

Een belangrijke vraag is, hoe hier de verhouding tusschen kerk en staat is. Het gereformeerde kerkrecht kiest ook hier partij tegen het Roomsche en het Luthersche stelsel. De kerk heeft geen suprematie over den staat, maar evenmin de staat over de kerk. Vooral Calvijn heeft uiteengezet (zie Institutie boek IV) dat staat en kerk zelfstandige sferen zijn, en dat daarom beide autonoom zijn. Hij wilde van geen ius in sacra weten, maar ook niet van een door de kerk gebonden overheid. Men noemt dit wel eens het collaterale stelsel (vooral verdedigd door Dante in z’n Divina Comedia), maar dit werkt verwarrend.

De overheid bepaalt natuurlijk de rechtspositie der kerk. Overheid en kerk komen toch in aanraking met elkaar. Het verband wisselt met de tijdsomstandigheden, of de overheid vijandig is, enz. De overheid kan ook neutraal zijn en de verschillende kerken beschermen, gelijkelijk. Dan moet rekening gehouden worden daarmee, dat de gereformeerde kerken terwille van de praktijk vaak aan den magistraat een ius circa sacra toekenden. Zoo in Genève in [de] Ordonnances ecclésiastiques: bij de verkiezing van ambtsdragers had de overheid als concessie grooten invloed. Maar dat zijn concessies. Libertijnen en Remonstranten beriepen zich daarop ten onrechte. Dat moest wel om existentie in den staat te hebben. Maar nooit is dat het principe van Calvijn geweest.

In den loop der eeuwen onderging de theorie een wijziging. Werd vroeger de overheid beschouwd als een patriarchale macht, thans treedt de idee van de rechtsstaat naar voren, die den individu eerbiedigt en alleen zorgt voor de onderlinge rechtsverhoudingen. De overheid is echter geroepen ook de tweede tafel der wet te bewaren. Daartoe moest ze uitmaken welke de ware religie is, daarvan confessie doen, en deze religie tot de publieke verklaren. Consciëntiedwang wordt hierbij niet uitgeoefend. Deze publieke kerk mocht alleen publieke godsdienstoefeningen houden (zie Geloofsbelijdenis art. 36). Men zou niet straffen, indien men zich niet aansloot bij de publieke kerk. Maar wel mocht alleen de publieke kerk publieke godsdienstoefeningen houden. De overheid had wel de afgoderij en valschen godsdienst tegen te gaan. Dit laatste laat speling toe. In Zwitserland werd niemand als burger geduld die niet de staatsreligie omhelsde. Wie als Roomsche de mis bijwoonde werd gestraft. In Nederland kon men dat niet doorzetten; de anderen werden getolereerd, mochten samenkomsten houden, maar niet publiek.

|10|

Onder deze protectie behoorde ook, dat de overheid de publieke gebouwen, scholen enz., in dienst moest stellen van de publieke religie. Daarom werden ze alle toegewezen aan de Gereformeerden. Ook uitwendige macht werd aan de overheid toegekend. Ze moest de kerkenorden approbeeren, synodes saamroepen, zooals gebeurde te Dordt en te ’s-Gravenhage, ze mocht politieke commissarissen benoemen. Predikanten mochten niet benoemd zonder approbatie der overheid. Bij tucht verleende de overheid vaak steun aan de kerk. De overheid had beslissingen te nemen inzake zondagswetten, huwelijksrecht, theologische faculteiten, enz., waarbij ze advies moest vragen aan de kerk.

Van beide zijden is dus het probleem zeer ingewikkeld. Het neo-Calvinisme voerde de gescheidenheid van kerk en staat sterk door, onder invloed van het Puritanisme. Daarbij kwam, dat het Calvinisme ook wortel schoot in landen met een gemengde bevolking. Nederland, Engeland, Noord-Amerika, waar de gedachte van één kerk niet viel vol te houden. De idee van ééne publieke kerk in den staat leidde altoos tot overheersching van de kerk door de staat. De protestantsche kerken kunnen dit huwelijk niet aangaan zonder eigen autonomie in te boeten.

De nieuwe staatsidee, dat de overheid alle christelijke kerken gelijke voorrechten moet schenken, is door de neo-Calvinisten erkend als de juiste. Het liberale stelsel heeft met dat neo-calvinistische principe slechts formeele overeenkomst: het gevoelt voor de kerk niets, schuift haar weg van den staat en is religieus indifferent. De staat moet vrij zijn van de religie. Het neo-Calvinisme gaat uit van een christelijken staat en eischt dat de overheid zooveel mogelijk de kerk zal erkennen. Het kent aan de overheid niet de macht toe om uit te maken wat de ware kerk is, en meent dat de overheid de kerken gelijk moet beschermen. De beste bescherming van de ware kerk bestaat in vrijlating. Deze beginselen zijn door de meest besliste Calvinisten in alle landen voorgestaan en hebben er overal toe geleid, dat de vroegere uitdrukkingen in de confessies zijn veranderd. Ten onrechte beweren dus velen in Nederland, dat alleen in ons land het neo-Calvinisme deze conclusies en consequenties heeft aangedurfd.

 

IV. Het independentistische of congregationalistische stelsel. Dit is het nauwst verwant met het gereformeerde en staat ook principieel tegenover de Roomsch-Katholieke hiërarchie en tegenover de Luthersche caesaropapie. Het uitgangspunt is de electie als cor ecclesiae. De kerk is congregatio fidelium. Christus is alleen Koning in zijn kerk en regeert door Woord en Geest. De potestas ecclesiastica is niet alleen bij de ambtsdragers, maar wordt door de gemeente als geheel uitgeoefend. Het foutieve in dit stelsel is de overdrijving van het gereformeerde kerkrecht. Uit angst voor hiërarchie ontneemt het aan het ambt de autoriteit en komt zoo tot volkssouvereiniteit. Elke congregatie is autonoom. Van kerkverband met bindend gezag is er geen sprake.

De oorsprongen liggen binnen den kring der gereformeerde kerk, hoewel er in dit stelsel een sterke anabaptistische tendenz is. Historisch ontstond het in Engeland. In Amerika had het zijn grootste uitbreiding. Maar de origines reiken nog verder terug en zijn te zoeken in Frankrijk. Het eerst kwam het daar tot openbaring

|11|

bij François Lambert. Deze ging naar Duitschland en werd in Hessen de reformator. Dogmatisch was hij zuiver gereformeerd. Maar kerkrechtelijk koos hij een eigen weg. 1526 ontwierp hij voor de Hessische kerk een eigen kerkenorde, die echter nooit is doorgevoerd. In deze kerkenorde is de democratische trek zeer sterk. De hoofdgedachte is, dat de gemeenten geïnstitueerd moeten door de separatio verorum fratrum a falsis fratribus. Dus niet — zooals Luther dat wilde — een bewerking van de massa. Eerst moest men beginnen met ergens het evangelie te prediken; die dan gewonnen werden moesten gesepareerd. Ze konden eerst als lid worden aanvaard wanneer ze hun instemming met het Evangelie betuigden en ook zich onderwierpen aan de kerkelijke tucht. Wanneer zoo de electio geschied was kon de ecclesia geïnstitueerd.

Deze vergadering oefent nu zelf de potestas ecclesiastica uit. Elken zondag, na het Avondmaal, moesten de geloovigen daartoe samenkomen. De gemeente koos rechtstreeksch haar predikanten. Deze waren dan voorzitter van de kerkelijke vergaderingen. Voorts koos men diakenen, terwijl de ouderlingen ontbraken. De gemeente had naast dit ius eligendi ook het ius excommunicandi et regendi: non solius episcipi est, sed totius ecclesiae excommunicare et absolvere quinquam. Wel werd in deze kerkenorde ook opgenomen dat er synodes zouden gehouden worden, maar de afgevaardigden werden door de gemeente rechtstreeksch gekozen. De Homberger synode keurde het concept goed. De kerkenorde werd niet ingevoerd door de tegenstand van Luther. De grondtrekken zijn zuiver congregationalistisch.

Jean de Moreli te Parijs [schreef een] Traité de la Discipline et Police chrétienne. Hij verdedigde de stelling, dat de regeermacht toekwam aan de gemeente. Tegenover de coöptatie in Frankrijk stelde hij zijn independentistisch principe: zijns inziens moest de gemeente dat doen. De tucht moest door de gemeente worden beslist. Een synode van 1561 veroordeelde zijn werk. De Moreli, uit Genève afkomstig, vluchtte toen naar Genève en beriep zich op Calvijn en Farel. Maar dezen verklaarden het niet met hem eens te zijn. De kerkeraad te Genève verbande hem eveneens.

In Engeland is de eigenlijke oorsprong van dit stelsel. Hier leidde het ’t eerst tot eigen kerkstichting. Robert Brown (1557-1637) is de eerste woordvoerder ervoor geweest. Robinson werd later de verdediger. Browns denkbeelden ontstonden uit tegenzin tegen de Engelsche staatskerk. Het is het Puritanisme dat zich hier voordoet. Hij was in aanraking gekomen met een kolonie van Hollandsche doopsgezinden. Ook de anabaptisten kenden geen ambt in den eigenlijken zin en geen kerkverband. Het onderscheid tusschen de anabaptisten en de independenten ligt in den kinderdoop. Brown stichtte een eigen kerk, maar moest naar Middelburg vluchten. Een ernstige grief tegen hem was dat hij in Holland zich afzijdig hield van de gereformeerde kerk, hoewel onze gereformeerde kerk toch niet hiërarchisch was. Hij ging aparte conventikels houden. In zijn gemeente ontstonden al spoedig quaesties. Brown ging naar Engeland terug en werd weer lid van de episcopale kerk.

Tenslotte trad als de nobele leider op John Robinson (1576-1625). Deze vestigde zich in Leiden met een groote gemeente. Hij stond op goeden voet met de gereformeerde leiders en was zuiver calvinistisch. Hij stierf te Leiden en werd begraven in de Pieterskerk. Zijn laatste wensch was, dat men niet tevreden zijn moest met het hier in Holland goed te hebben, maar zijn volgelingen moesten een roeping vervullen tegenover het Engelsche volk. Daarom trok men naar Amerika.

|12|

2 Juli 1620 vertrokken de Speedwell en de Mayflower met de Pelgrimfathers van Delfshaven. De Mayflower alleen kwam te Massachusetts aan. Daar werd een democratische republiek gesticht. Ook in Engeland echter oefenden ze invloed, trots de vervolgingen. Cromwell was zuiver independent. Na zijn dood kwam opnieuw de vervolging. In het tolerantie-edict kreeg het independentisme weer vrijheid. Maar toen was het zijn bezielende kracht kwijt. In de vorige eeuw huwde het zich met het methodisme. Toen gaf het den stoot tot de groote zendingsbeweging, vooral in Engeland. In Amerika onderging het in zooverre wijziging, dat het daar meer overnam van de gereformeerde kerken: synodes, symbolen, enz., het onderscheid tusschen de non-communicandi (de nog niet bekeerden) en de communicandi.

Voorop moet gesteld, dat niet al wat de independentisten leeren als ongereformeerd mag worden beschouwd. Hun stellingen zijn niet alle te veroordeelen. Voetius in zijn Politica Ecclesiastica en Hoornbeek in zijn Summa controversiarum geven op menig punt den independenten recht. Hun hoofdbezwaar is het schismatische in deze beweging. Het independentisme ontwikkelt overigens menige gereformeerde gedachte. Het gaat anderzijds echter niet aan om het neo-Calvinisme independentistisch te noemen. Men moet onderscheiden tusschen het goede en het kwade. Het independentisme als stelsel genomen zijn de doorgetrokken excessen.

Het is opgekomen als reactie tegen de Engelsche episcopale kerk. De grieven waren in hoofdzaak dat de episcopale kerk was een volkskerk zonder tucht, door den staat ingesteld en niet een gemeente van Christgeloovigen die zich aansloten bij de gemeente. Op zichzelf is deze grief juist. De grondfout zat in de wijze waarop in Engeland de Reformatie tot stand kwam. Eerst moet het Woord gepredikt, dan belijdenis des geloofs en dan vereeniging tot een gemeente. Zie boven Lambert en vergelijk ook Calvijn en a Lasco. In Engeland was men de Luthersche methode gevolgd: de koning had de Reformatie gedecreteerd. Op straffe van boete en gevangenis moest men de religie van den vorst aannemen. Zoo waren in de episcopale kerk in Engeland veel zuivere Roomschen en later kwamen daar velen bij op wie heel wat viel aan te merken. Zij werden allen toegelaten tot doop en avondmaal. Dientengevolge was nu de kerk een gemengde hoop en niet een congregatio fidelium. Dat deze kerk nog een zuivere belijdenis had deed niets ter zake, want ze was een bloot ornament; ze drukte niet uit wat de gemeente geloofde. Het verzet ging dus tegen de tuchtelooze volkskerk, die door den staat werd gehandhaafd.

De independenten wilden dan ook in de eerste plaats de band tusschen kerk en staat verbreken. Christus is Koning in de kerk. Daaruit leidden ze ten tweede af, dat de overheid ook niet een bepaalde kerk als publieke kerk kon handhaven. In het geweten moest ieder vrij zijn om God te dienen. Uit de libertas conscientiae volgt de libertas exercitii religionis. Deze consequentie durfden de Calvinisten niet aan! Het groote beginsel van scheiding tusschen kerk en staat komt niet van de liberalen maar van de independenten. De kerk moest in haar openbaring worden wat ze in haar wezen was, de vergadering der geloovigen. Publieke zondaars mogen niet getolereerd. Zoo trokken ze de consequentie van Calvijns optreden. Zelfs de financieele band tusschen kerk en staat sneden ze door.

Ze wilden er niet van weten, dat de ambtsdragers qualitate

|13|

qua in het Hoogerhuis zitting namen, en dus politieke macht uitoefenden. Ook dit is juist. Staat en kerk zijn twee zelfstandige terreinen. Op dien grond wilden ze het huwelijk door de overheid laten sluiten. Zij hebben het eerst de burgerlijke huwelijkssluiting verdedigd. Toegepast werd die burgerlijke huwelijkssluiting echter het eerst in Holland. Ook in dit opzicht waren de Calvinisten niet consequent geweest. Ze sloten het huwelijk nog steeds in de kerk. De protestanten ontkenden wel het sacramenteel karakter van het huwelijk, maar de kerk bleef het dan toch sluiten, daarna erkende de staat het. De Roomschen moesten b.v. getrouwd in de episcopale kerk.

De fout van de independenten is, dat ze dit alles per excessum overdreven. Ten eerste het lidmaatschap van de kerk. Wat dit aangaat stond Robinson nog op het standpunt dat de kerk alleen mocht aannemen die oprecht beleden en wandelden. Maar Robinson voegde er aan toe: ecclesia non iudicat de intimis. Zijn volgelingen gingen verder. Ze kwamen op de lijn van Donatisme en Labadisme. De kerk oordeelde ook over het hart. In Amerika werd niemand toegelaten, of de gemeente moest uitmaken of de man bekeerd was of niet.

Ten tweede zoo ook met de doop. Het gereformeerde beginsel, dat de geloovigen met hun kinderen in het verbond zijn, is door de independenten overgenomen. Maar ook hier gingen ze te ver. De doop mocht alleen toegestaan worden aan belijdende ouders, die niet onder censuur staan. Zoo nog in Groningen en Friesland. De Gereformeerden zeiden, dat het genadeverbond ook de kinderen van de gedoopten omvat. Deze waren immers ook lid van de kerk. Maar daarvan wilden zij niet weten.

De fout van de independenten ligt dus in hun opvatting van de ecclesia localis. Zij wilden niets weten van de massale kerken van de groote steden. Nu had ook Calvijn het bezwaar der groote steden ingezien. Daarom deelt hij de kerken in in parochies, elk met een eigen predikant en ouderlingen. Daarmee heeft men in Nederland helaas weinig rekening gehouden. In de Engelsche kerk had men het oude parochiestelsel gehouden. Maar de overheid zorgde voor de indeeling. In een bepaald stadsgedeelte waren de gemeenteleden onder het gezag van een bepaalden priester gesteld (Pfarrzwang). De overheid dwong nu de parochianen bij dien bepaalden priester de sacramenten te gebruiken.

De independenten nu gingen uit van dien regel, dat een gemeente niet grooter mocht zijn dan het aantal dat in één kerk onder één predikant kon samenkomen. De gemeente moest zijn zichtbare openbaring van het lichaam van Christus. Bedenkelijker nog was, dat de gemeenten niet door historische grenzen werden ingedeeld, maar ieder gemeente[lid?] zich kon aansluiten bij die congregation waarbij zij zelf wilde. Een ecclesia localis met omschreven grenzen werd vervangen door de congregatie die tot stand kwam door de willekeur der leden. Deze was dan toch een perfecta ecclesia, die de potestas ecclesiastica volkomen bezat. Zoo opgevat kwam de kerk los te staan van natuurlijke bindingen, door God in het historisch gewordene gelegd. De continuïteit ontbrak en elk groepje geloovigen werd beschouwd als ecclesia localis. De grondfout hierin is het individualisme, dat de zichtbare kerk teveel adaequaat wil maken met de onzichtbare.

Verder hadden de independenten een ernstige grief tegen de Anglikaansche kerkhiërarchie. Wel had de Anglikaansche kerk met de paus gebroken, maar de hiërarchie bleef. De bisschoppen benoemden

|14|

plaatselijke priesters, die zij weer konden afzetten en bovendien behielden zij het recht van excommunicatie. De plaatselijke kerk was subjekt aan de hiërarchische macht. Ouderlingen en diakenen ontbraken, waren althans niet zooals de Heilige Schrift dat wil in hun ambt. Van de hoofdtaak die het Woord Gods aan de dienaren opdraagt, namelijk de prediking van het Evangelie, was eigenlijk geen sprake. De priesters mochten niet preeken zonder speciale vergunning van den bisschop. De dienst was zuiver liturgisch.

De independenten kwamen dus op voor de independentie van de plaatselijke kerk. Elke congregatie was in zichzelf een ecclesia completa, niet dependent van eenige bestuursmacht van de kerk. Volgens hen berustte de potestas ecclesiastica bij de ecclesia localis. Op zichzelf is dit juist. Tegenover een volkomen rechtelooze gemeente onder een priester, verdedigde het independentisme het gereformeerde beginsel, dat de potestas berust apud totum corpus ecclesiae. Maar huns inziens hadden de leden als gemeente-leden en niet als organisme de regeermacht. De leden stelden ambtsdragers aan en gaven hun bevoegdheid om zekere bestuursdaden te verrichten. Zij voerden dus alleen de besluiten der gemeente uit. Bij aanneming van nieuwe leden, bij tucht en bij excommunicatie beslisten de leden bij stemming. Het ambt wordt op die manier geheel opzij gezet.

Iure divino zijn er maar twee erkende ambten: dat van diaken en dat van ouderling. Het verschil tusschen leer- en regeer-ouderlingschap wordt op die manier opgeheven. Alle presbyters moesten huns inziens didaktikoi, dat is geschikt om te leeren zijn, om te preeken. Typeerend is ook dat de eens gekozen ambtsdragers altijd moeten aanblijven. En voorts dat elke kerkeraadsvergadering publiek moet zijn, dat wil zeggen elk gemeentelid mocht b.v. ook bij tuchtzaken de behandeling meemaken. De Gereformeerden maakten onderscheid tusschen potestas directiva en potestas regiminis en de algemeene potestas van alle leden. Bij hen berustte het ambt op goddelijke macht, ’t was dus een potestas divina. Wel moet de kerkeraad bij gewichtige beslissingen de medewerking van de gemeenteleden verkrijgen, maar nooit erkenden de Gereformeerden een zelfstandige gemeentevergadering. De Heilige Schrift onderscheidt verder tusschen predikanten en regeer-ouderlingen. De eersten zijn levenslang in het ambt, van de laatstgenoemden blijkt dat nergens in de Heilige Schrift. Wisseling is voor een gezond kerkelijk leven bovendien steeds wenschelijk.

Rest ons nu alleen nog kerkrechtelijk de vraag naar het independentistisch kerkverband. De Anglikaansche kerk was ook na de Reformatie hiërarchisch. In plaats van de paus was de koning caput ecclesiae geworden en Hendrik VIII liet de geheele hiërarchie bestaan, zooals blijkt uit het: penes quos est auctoritas et potestas ecclesiae. Daartegenover stelden de independenten hun principe dat de ecclesia localis de eigenlijke kerk is, dat zij completa is en geregeerd wordt door Christus en niet door hoogwaardigheidsbekleeders. Zij overdreven echter de potestas van de plaatselijke kerk in dien zin, dat het kerkverband geen macht had bij hen.

De declaratie daaromtrent is geschied [in] 1658 in de Savoy Declaration (tegenover Westminster 1647). Artikel 46 handelt over de meerdere vergaderingen. De kerken mogen samenkomen in gevallen van verschillen, hetzij in betrekking tot de leer, of de administratie,

|15|

waarbij of de kerk in het algemeen, of één kerk betrokken is, of wanneer daarbij eenige leden van een kerk betrokken zijn die door censuur niet overeenstemmend met de waarheid getroffen zijn, dan is het naar den Geest van Christus, dat vele kerken door hun afgevaardigden samenkomen om de zaak te overwegen, of hun advies te geven, hetzij over de aanhangige zaak, om dat aan alle kerken ter kennis te brengen. Maar deze synodes bezitten geen kerkelijke macht, hebben geen jurisdictie over de kerken om censuur te oefenen of hun beslissingen op te leggen aan ambtsdragers of kerken. En Artikel 27: er mogen wel synodes zijn naar aanleiding van een bepaalde quaestie, maar Christus heeft geen vaste synodes ingesteld. Deze synodes zijn niet door Christus in een subordinatie [..] tot elkaar gebracht. Een generale synode heeft niets te zeggen over een provinciale synode. Aan deze independentia dankt het stelsel zijn naam. De synodes kunnen dan ook geen kerkenorde en belijdenis vaststellen. Iedere plaatselijke kerk kan haar kerkenorde en confessie opstellen.

Hiertegen kwamen de Gereformeerden op. De synodes behoorden wel tot het bene esse van de kerk en niet tot het esse. Maar toch was het niet alleen naar den Geest van Christus, maar naar zijn Woord, dat de kerken zich onderling verbonden. Kerken die dat niet doen gaan tegen zijn gebod in. Deze confoederatio is niet zóó libera dat iedere kerk nu maar kan toetreden of niet. Voetius gebruikt het heldere beeld van het huwelijk. Wanneer nu deze confoederatie door Christus is gewild, dan moet dat uitkomen in meerdere vergaderingen, bestaande uit afgevaardigden van de plaatselijke kerk. De synodes hebben dus een potestas derivata. De onderwerping aan de synodes is vrijwillig, maar een synode heeft potestas ecclesiastica. Haar besluiten zijn geen adviezen. Voetius verklaarde dan ook dat de potestas dogmatica, regiminis en iurisdictionis toekomt aan de synodes.

De derde grief van de independentisten tegen de Anglikaansche kerk raakte haar ritualisme. De liturgie vormde eigenlijk de geheele eeredienst. Zelfs was er ’s zondags nauwelijks praedicatio Evangelii. Ieder die de liturgie kon lezen, kon priester worden. Deze liturgie was voor een groot gedeelte nog Roomsch, en verder herinnerden vele ceremoniën aan de Roomsche eeredienst. Ook hierin hadden de independenten grootendeels gelijk. Maar hun overdrijving was, dat ze nu tegen alle liturgie waren. Ze wilden geen formulieren. Alle christelijke feestdagen werden afgeschaft, men wilde geen berijmde psalmen zingen, enz. Het anti-ritualisme deed hen prooi worden van individualisme. Het beginsel ‘Gods Woord alleen’ mag niet zoo overdreven worden.

Voorts hadden ze bezwaar tegen de apocriefe boeken, die de Anglikaansche kerk nog handhaafde. Bij tucht wilden ze van geen suspensie van het Avondmaal weten; zij kenden alleen excommunicatie. Voorts streefden ze naar afschaffing van alle academische graden. Dagen- en maanden-namen wilden ze veranderen. Op gymnasia mochten geen klassieken gelezen worden.

Voor zoover sprake [is] van een stelsel bij het independentisme kunnen we resumeeren: 1. Het gaat niet uit van de ecclesia localis, maar van de congregatio fidelium. 2. De besturende macht berust bij de leden.

|16|

3. Het onderscheid tusschen de leer- en regeer-orde is weg. 4. Het gezag der meerdere vergaderingen wordt ontkend. 5. Van confessie, kerkenorde of liturgie voor alle kerken wilde het niets weten.

 

V. Het collegialistische stelsel is eigenlijk geen stelsel van kerkregeering, omdat het de kerk degradeert tot een menschelijke vereeniging. Historisch is het van groote beteekenis; de juristen en rechtbanken beoordeelen de kerk naar dat stelsel nog steeds, en daarom behandelen wij het.

Toch stellen we het niet naast de andere stelsels. Hoezeer die principieel ook uiteenloopen, ze zien toch alle de kerk als een goddelijk instituut dat een geestelijke qualiteit draagt. En zij erkennen alle, dat Christus door zijn Woord haar regeert. En voorts dat deze kerk uit geloovigen als leden bestaat. Zelfs bij de independenten, die neigen naar volkssouvereiniteit, wordt gehandhaafd dat de macht door Christus aan de gemeente is verleend, en gebonden is aan het Woord Gods, en dat als dragers van die macht alleen de geloovigen optreden. In thesi wordt het regimen Christocraticum door alle kerken gehandhaafd, ook door Rome en de Lutherschen: de paus en de landsvorst zijn vicarii Christi. Het kan niet anders: zoolang men geloovig is moet men buigen voor Christus en zijn Woord.

Het collegialistische stelsel is in wezen rationalistisch. Het negeert dat er een door Christus gestichte en geregeerde kerk is. De kerk is een religieuze vereeniging, die door de meerderheid wordt geregeerd. De naam van dit stelsel is ontleend aan het collegium in den juristischen zin. In de Romeinse staat had men rechtsbevoegde collegia licita, vereenigingen. Burgers mochten zulke vereenigingen stichten. Wanneer ze geduld werden, hadden die collegia rechtspersoonlijkheid. Onder de vervolgingen werden de christenen natuurlijk niet geduld. Onder Constantijn den Groote werd de kerk iure publico staatsorganisatie. Tusschen deze twee perioden ligt een tijd, waarin de christenen toch rechtspersoonlijkheid kregen, vooral gegrond op het ius collegii liciti (met het oog op begrafenissen vooral). Men trad zoo dus op en verkreeg als vereeniging rechtspersoonlijkheid. Iure privato is dus de kerk een menschelijke vereeniging, en dat werkt nog steeds door.

De gedachte zelf wortelt veelmeer in de staatkundige denkbeelden van Hugo de Groot, de vader van het natuurrecht. De hoofdzaak is, dat dit lijnrecht staat tegenover de historische school: het gaat uit van den individu als van nature volkomen autonoom. De staat is niet ontstaan door organische ontwikkeling, maar de autonome individuen hebben zich verbonden om een staat (societas) op te richten. De meerderheid beslist over de regeering. Later is het door Rousseau gesystematiseerd en in de Fransche Revolutie uitgevoerd. Op dit standpunt nu ten opzichte van de staat volgt vanzelf, dat het volk vrij is om dan als heerschers te kiezen een parlement, of een constitutioneelen koning, of een fascistisch dictator. Elke vorm van regeering is mogelijk, mits vaststaat dat de regeering is naar den geest des volks. Een hoogere sanctie dan die der volkssouvereiniteit kent het gezag niet.

Het collegialisme is nu niet anders dan toepassing van dit

|17|

individualisme op de kerk. Schijnbaar heeft het overeenkomst met het independentisme. Maar de kerk ontstaat door confoederatie van leden en de regeering wordt bepaald door de meerderheid. En bij de independenten is dat op last van Christus, omvat de confoederatie alleen de geloovigen, zijn de ambten door Christus ingesteld en wordt het gezag der ambtsdragers afgeleid omdat Christus dat aan de gemeente schonk. De kerk is een levende gemeente die niet dan gehoorzaamheid wil. Maar, erkent men dit alles niet meer, worden de gemeenteleden souverein, dan heeft men het collegiale stelsel in levenden lijve. Materieel staan beide stelsels tegenover elkaar.

Het collegiale stelsel ontstond dan ook niet als consequentie van het independentisme in Engeland, maar het ontstond in Duitschland als uitlooper van het territoriale stelsel. De overheid als persona ecclesiastica heeft volgens de Lutherschen over de kerk te zeggen. Men maakte dus onderscheid tusschen potestas ecclesiastica en potestas politica. Latere juristen als Thomasius echter, verwierpen deze dubbele potestas. De overheid als overheid had te zeggen over de kerk als integreerend deel van den staat en moet zorgen dat door de kerk de rust van den staat niet wordt gestoord. Daartoe moet er overheids-toezicht zijn op de kerk. De macht van den vorst over de kerk grondde zich op zijn souverein gezag in den staat. Gaat dat territoriale stelsel nog uit van de souvereiniteit van den vorst, het collegiale gaat uit van de autonomie der kerk als collegium licitum. Dit collegium licitum wordt souverein bestuurd door haar leden. Het heilig karakter der kerk wordt geloochend op deze wijze.

Voor ’t eerst is dit stelsel voorgedragen door Pufendorff. Later is het ontwikkeld door Von Mosheim en Böhmer en daarna nog door Schleiermacher. Dat wil niet zeggen, dat de aanhangers van deze theorie begonnen met de loochening van Christus’ heerschappij over de kerk. Ze erkenden dat er een regimen Christocraticum is, maar dit was geestelijk. Het regimen Christi bestaat in de invloed die er van zijn Woord en Geest uitgaat op de zielen, maar heeft niets te maken met de uitwendige kerk. Hij kwam om het inwendige rijk Gods te stichten; de zichtbare kerk was een menschelijk instituut, ontstaan door vrijwillige aaneensluiting tot cultusoefening. Het motief lag in de sociale Trieb: homo est animal sociale. Die Trieb was er ook op religieus gebied; vooral Schleiermacher. Bij alle groote religies ziet men kerkstichting. Men sprak van een Boeddhistische, Mahomedaansche, Joodsche en christelijke kerk. Dat de christelijke kerk univoca is, dat zij door Christus is ingesteld en door zijn Woord moet geregeerd, wordt geloochend. De kerk is een religieuze vereeniging, ontstaan door onderling verdrag door den wil des menschen.

Wel leerden Voetius c.s. dat de institutaire kerk is inita libere confoederatio, maar zij gaan uit van het corpus mysticum, dat zich naar Gods ordinanties openbaart in de zichtbare kerk en niet uit willekeur of sociale drang, maar uit gehoorzaamheid. Libere inita duidt aan, dat een kerk niet wordt gesticht door een uitwendige dwang, maar door vrijwillige keuze. Ieder is op collegialistisch standpunt vrij zich te voegen bij de kerk, maar ook om weer te bedanken. Alles hangt af van individueele willekeur.

Het ni Dieu ni maître past men zoo toe op de kerk. Bij het lidmaatschap wordt niet gevraagd naar de qualiteit van den geloovige. Wel kan men b.v. geloof bindend stellen, maar noodzakelijk is dat niet. Evengoed kan de kerk de belijdenis opzij zetten. Er is voor het lidmaatschap maar één eisch: dat ieder de reglementen

|18|

moet nakomen. Terwijl de ware kerk onderwerping eischt aan Gods Woord, eischt het collegialisme slechts onderwerping aan de reglementen der meerderheid. De eenige macht in de kerk is dan ook de macht der meerderheid. De ambtsdragers zijn altijd gebonden aan de reglementen, al gaan ze in tegen Gods Woord. De ambtsdrager die tegen het reglement ingaat, moet ontzet. Of een ambtsdrager Christus verloochent doet er niet toe. Zelfs aan atheïst kan predikant zijn. Dit is geen overdrijving. Pufendorff zegt: “die sichtbare Kirche ist eine freie Gesellschaft, die unter keine Macht steht als unter dem Willen der einzelnen freiverbundenen Glieder”. Zij, de leden, hebben het recht om te beslissen of er een confessie zal zijn. Ze richten de godsdienstoefening in naar hun wil. Ze maken leges conventionales en werpen de ongehoorzamen uit.

[De verhouding] kerk-staat: de staat moet de kerk beschouwen als collegium licitum. De kerk heeft geen eigen positie in den staat. De kerk is een gewone vereeniging. [Er zijn] iura maiestatica (rechten over de kerk) en iura collegialia (rechten der kerk zelf: vaststellen van belijdenis, ordening van liturgie, benoeming van ambtsdragers, excommunicatie, d.i. royement).

Dit stelsel is een passe partout. Het kan dienst doen voor elke kerk en kerkregeering. Het is een kameleon. Alles berust op het onderling verdrag der leden. Het kan een confessioneele kerk worden, maar ook niet, aangezien de meerderheid beslist. De meerderheid zou b.v. kunnen beslissen Roomsch te worden. De helft plus één is souverein. Het collegiale parlement kan alles doen, behalve een christelijke kerk worden. Zoo ook het regimet ecclesiae. Wat de meerderheid is, zoo is ook het bestuur. De bestuursmacht wordt bij verdrag door de meerderheid vastgesteld. Evengoed als ’t revolutionaire staatsrecht of een dictator of een koning of een republiek kan eischen.

Men onderscheidt dan tusschen ius ecclesiae naturale en positivum. Het eerste is wat afgeleid wordt uit het wezen: de kerk is vrije vereeniging voor onderlinge Godsvereering. Dat geldt voor de Joodsche, Mohammedaansche en andere kerken ook. Het positieve is wat op grond van het eerste door een bepaalde kerk als ius is aangenomen en dan als zoodanig geldt. Stahl karakteriseert het collegiale stelsel aldus: “Es ist die äusserste Verkehrung des Wesens der Kirche. An die Stelle der Ordnung Gottes setzt es den Beschlusz der Kopfzahl.”


Kuyper, H.H. (1936)