|127|

§ 54. Van reformatie door geleidelijk kerkherstel.

Het kerkbederf blijft, helaas, zelden tot de verachtering in genade van haar leeraren en leden bepaald, en bijna altoos sleept de verkoeling in liefde en godzaligheid tevens vervalsching der leerenontreddering van de kerkregeering na zich. Er dient dus in de tweede plaats onderzocht, wat te oordeelen zij van het tweede soort reformatie, door ons als „geleidelijk kerkherstel” aangeduid.

„Uitzieken” is hiermeê in het minst niet bedoeld.

Van door- of uitzieken kan noch mag in de kerk van Christus ooit sprake zijn, en de medische weg dien men tegen de juridische heeft overgesteld, staat niet tegenover dezen, maar tegenover de chirurgische.

De zaak ligt aldus.

Indien men het kerkbederf vergelijken wil met het bederf in ons lichaam, dan laat de medische behandeling het organisme ongestoord, terwijl de chirurgische behandeling ter redding van het geheele organisme een deel er van door het ontleedmes verstoort.

Laat men nu van de chirurgische behandeling af, om zich voorshands te bepalen tot de medische, dan is daarom die medische behandeling nog op verre na niet altoos van dezelfde soort. Dit hangt af van den aard der te genezen krankheid. Die krankheid kan namelijk of één der organen hebben aangetast, of wel, zonder eenig orgaan te hebben aangetast, in verzwakking of kwaadsappigheid van de algemeene levenskrachten bestaan. In het laatste geval poogt de geneeskunde door voeding die verzwakking of door uitzuivering die kwaadsappigheid te genezen. Is daarentegen n der organen aangetast, dan richt zich de geneeskunde er op, om de overige organen tegen medeaandoening te vrijwaren en zoo mogelijk, door uitdrijving of oplossing van verkeerde bestanddeelen, het aangetaste orgaan te herstellen in oorspronkelijke zuiverheid.

Brengt men deze beeldspraak nu op de kerke Gods over, dan is ook bij die kerk een krankheid door verachtering in genade denkbaar, die slechts in de personen openbaar, het organisme der kerk onaangetast laat. Tegen dit kwaad mag en kan dan niet anders aangewend dan zuivere prediking des Woords, zoo op den kansel als in de huisgezinnen. — Is daarentegen het bederf van zulk een aard, dat niet slechts de leden, maar ook het organisme zelf der kerk is aangetast, dan is deze methode ongenoegzaam, en behoort goede geneeskunde er op bedacht te zijn, om door uitdrijving, oplossing of

|128|

absorbeering van de kwade bestanddeelen, het aangetaste organisme in zijn oorspronkelijke zuiverheid te herstellen.

Hoe men dit doen moet, hangt natuurlijk af van de geaardheid van het organisme. Op de longen werkt een verstandig arts anders dan op de lever, op de nieren anders dan op het hart. Ook bij de Kerk dient derhalve, zoodra er bederf in haar organisme insloop, gevraagd: wat zijn de kanalen, de wegen, de gangen, die het organisme oplevert ter uitdrijving, betering of oplossing van schadelijke bestanddeelen? En luidt hierop nu het antwoord: Deze kanalen zijn tweeërlei, t.w. de uitoefening van de Kerkelijke tucht en de verbetering der Kerkelijke ordonnantiën, — zoo is het klaar als de dag, dat beteugeling van het kwaad door berisping, schorsing of afzetting van ontrouwe dienaren, of ook door berisping, censuur en desnoods banning van ontrouwe leden der Kerk, hoe juridisch ook, nog even goed tot de medische wijze van kerkherstel behoort, als de sterking van levenskracht door de prediking des Woords.

Laten uitzieken of doorzieken is gansch geen methode, maar of plichtverzuim of het nietsdoen der machtelooze wanhoop. De arts die door laat zieken neemt als arts zijn ontslag. En de vraag of, als men eenmaal medisch handelen wil, prediking van boete en bekeering volstaat, dan wel tot oefening van tucht en herziening der kerkorde moet worden voortgeschreden, hangt volstrekt niet van uw goedvinden af, maar uitsluitend van de geaardheid die het kerkbederf vertoont. Schuilt het kwaad nog alleen in verachtering in genade, dan alleen de boetbazuin; maar drong het verder door en wierd het organisme zelf aangetast, dan moogt ge daarbij niet stilstaan blijven, maar dient evenzoo de hand gelegd aan de tucht en de kerkorde.

De dienaren in Jezus kerk zijn volstrekt niet alleen predikers des Woords, die zich voor God verantwoord kunnen rekenen, indien ze slechts het Woord op den kansel en in een deel der huisgezinnen prediken. Ze zijn krachtens hun ambt evenzeer kerkregeerders, en als zoodanig tot oefening der tucht en het stellen van goede order op de zaken der kerke gehouden. Zich in te beelden, dat prediking van het Woord genoegzaam zou zijn, en de taak der kerkregeering wel ongedaan kan gelaten, komt dus op niets minder neer, dan op een prediken van dat Woord aan anderen, terwijl men zelf zonder verwijt der conscientie, in eigen ambt aan dat Woord ongehoorzaam is.

Toch dient evenzeer gewaarschuwd tegen een andere eenzijdigheid, t.w. tegen het pogen en woelen derzulken, die zonder oog voor de verachtering in genade en onder kennelijke minachting van de

|129|

krachten die in het Woord liggen, zich in Farizeeuwsche hoogheid en hoogst ongeestelijke oppervlakkigheid inbeelden, dat de diep kranke als met een tooverslag te genezen zou zijn, indien men de kettersche bestandeelen slechts afsneed en de reglementen doortastend herzag.

Wie aldus oordeelt kent noch zijn eigen hart, noch de nooden der gemeente, noch de krachten des koningrijks. Wat in het organisme uitkomt, schuilt als nog dieper bederf in de harten en huisgezinnen, en nooit zal een kerkherstel iets anders dan een schijn voor het oog zijn, indien de genezing niet met bestraffing der zonde en vernieuwing des Verbonds begint. En dat wel met dien verstande, dat de bestraffing der zonde niet aanvange bij de wereld, noch ook bij de onbeslisten, maar haar aanvang neme bij het volk des Heeren zelf en onder dat volk voor een iegelijk bij zijn eigen hart.

Zonder dien geestelijken achtergrond blijft elke poging tot kerkherstel met onvruchtbaarheid geslagen. Dan kan men wel vernissen, maar nooit levensglans te voorschijn roepen. Zonder personeele toevluchtneming tot genade, moge er veel geknutseld en beduimeld worden, maar tot wasdom der kerke brengt men het niet.

Bureaucratische wetsgeleerden die in koude onverschilligheid sam plannen beramen om de bestaande misstanden weg te nemen, mogen stapels van keurig ineengezette reglementen afleveren, maar zullen nooit door den Heiligen Geest verwaardigd worden, om te bouwen aan ’s Heeren geestelijk huis.

Dat ziet men aan de Haagsche Synode in overdroef exempel!

Wat hebben deze heeren niet geploeterd en gewurmd, om, door altoos nieuwe bepalingen en door altijd keuriger reglementen en immer beter doeltreffende maatregelen, de breuke der kerk te heelen en haar oneffenheden glad te strijken. En toch wat hebben ze anders als vrucht van hun noeste vlijt en onmiskenbare talenten en verre van geringe inspanning zien rijpen, dan toenemende ontevredenheid, voortgaande krachtsinzinking en een steeds verder voortvreten van den knagenden kanker?

En lag dit nu aan hun min goeden wil of mindere bekwaamheid of gemis aan wijs beleid?

Wie dat waant, vergist zich.

De meeste heeren die aan dit ijdel en doelloos werk hun kracht beproefden, waren mannen van zeer goeden wille; in bekwaamheid overtroffen ze zeer stellig de meesten onzer; en in overleg waren ze zeer slimme meesters.

Neen, wat hun ontbrak was alleen de kennisse der kwaal en der

|130|

geneesmiddelen. Ze zochten in de huid wat diep in de wrongen der nieren school. Ze gingen buiten hun eigen hart om. Van het vallen in de schuld voor een God, wiens naam in en door zijn kerk onteerd was, hadden ze zelfs het besef niet. Het Woord des Heeren was bij hen in geen aanzien. Van genade spraken ze soms, maar verstonden ze proefondervindelijk het ware niet. Het gebed was hun een vorm geworden, en de Heilige Geest zat in hun vergaderingen niet voor.

En natuurlijk, dan moet men wel op rotsen ploegen.

Kerkverval is een straffe Gods, een plage, die Hij over ons brengt, en op zijn volk legt ter oorzake van hunne zonden, en juist daarom kan de Heere die plage niet van ons nemen, tenzij vooraf die schuld gevoeld, beleden en in het bloed des kruises verzoend zij. Zonder die overtuiging van zonde kan er dus ook geen oprechte boete en bekeering komen. En waar deze vernieuwing des verbonds ontbreekt, hoe wil men daar op beteren kerkstaat hoopen?

Maar dan ook omgekeerd, is die overtuiging van schuld bij ’s Heeren volk levendig, en drijft de Geest des Heeren tot verwakkering de zielen uit, zoodat de wet en het getuigenis weer worden opgenomen, en het verbond met den Almachtige weer in hart en huis en land wordt opgericht, hoe zou dan de gehoorzaamheid der getrouwe Dienaren uitblijven?

Dat kan niet, want de waarheid Gods is als een geurende olie, die door alle poriën heentrekt. Richt de naam des Heeren zich in het hart zijns volks weer op, dan keert niet alleen de godzaligheid, maar ook de waarheid terug, en alle ketterij gaat zich beklemd en bedreigd voelen. Ongemerkt en zonder iemands toedoen komen de fundamenten dan weer bloot liggen voor ieders oog, dat ze gezien en bewandeld worden. En waar eenmaal de grondvesten van Gods verborgenheden der ziele weer vastigheid bieden, daar werkt vanzelf de kracht dier waarheid ook in de denkwijze over de inrichting der kerke door. Het eerst gehalveerde ambt begint dan weer in zijn schoonheid te blinken. Die eerst eigen opiniën in pikante volzinnen op den kansel bracht, komt er toe, om zich zelf en zijn eigen woord te verloochenen, en weer de macht te openbaren van het Woord van zijn God. Wie eenmaal aan dat Woord zijn dienst weer verpandde, dringt met dat Woord tijdig en ontijdig om zonden te bestraffen en godzaligheid in den lande te bevorderen. En waar de macht van dat Woord hem ten leste licht ook op zijn eigen ambt gaat werpen, daar moet in zijn besef ook de plicht der kerkregeering weer leven gaan, en kan de Dienaar des Woords geen ruste vinden eer ’s Heeren huis weer gebouwd is.

|131|

De vraag van wie dit kerkherstel in den geleidelijken weg uit moet gaan, is niet moeilijk te beantwoorden. Dan alleen toch komt het, indien de Heilige Geest de kerkelijke besturen of beter gezegd de kerkelijke vergaderingen daartoe aandrijft.

Één man alleen of ook enkelen saâm kunnen nooit op afdoende en geleidelijke wijze kerkherstel tot stand brengen, en de leden der kerk kunnen ten deze nog veel minder hulp aanbrengen.

Immers ziet men eenmaal wel in, dat geleidelijk kerkherstel in oefening van den kerkelijken tucht en in betering van de kerkorde bestaat, en weet men dat alleen wettige kerkeraden, classes en synoden tot deze beide bevoegd zijn, dan is het hiermeê ook uitgemaakt, dat geleidelijk herstel alleen door kerkeraden, door classes, en door synoden tot stand kan worden gebracht.

Al wat enkele dienaren of ook leden der kerk ten deze willen doorzetten, heft juist het geleidelijk karakter van het kerkherstel op, en brengt die op de chirurgische lijn, die later ter sprake komt. Al wat de enkele dienaar, of ook de leden der kerk ten deze vermogen, bestaat hierin, dat ze van den Heere deze begeerlijke zaak afsmeeken; de verplichting er toe betoogen en aandringen; en dat ze als leden der kerk door verzoekschrift of protest, of ook als dienaren door advies en stem in de kerkelijke vergaderingen, tot de kwijting van dezen plicht manen.

Is eene kerk, gelijk veelal het geval is, met andere kerken genootschappelijk in vaste correspondentie getreden, dan is geleidelijk kerkherstel zelfs ng moeilijker. Dan toch hangt de vraag, of men tot oefening der tucht in staat is en tot betering van de kerkorde kan overgaan, niet enkel van de goede gezindheid van den kerkeraad af, maar is de medewerking van de andere kerken in classes en synoden hiertoe onmisbaar.

Niet, men versta ons wel, als zouden we meenen, dat leden, dienaren of ook kerkeraden zich door deze belemmeringen van den plicht tot kerkherstel duurzaam mochten laten afhouden. Slechts dit is bedoeld, dat zoodra leden, dienaren of kerkeraden eigener beweging hebben op te treden, de medische weg verlaten wordt en eo ipso tot kunstbewerking, d.i. tot de chirurgische methode wordt overgegaan.

In deze paragraaf, die uitsluitend het medische of geleidelijke proces bespreekt, moet dit buitengewone dus ter zijdegelaten, en het is met het oog daarop, dat we den regel opstellen: Geleidelijk kerkherstel kan in op zichzelfstaande kerken van de kerkeraden alleen uitgaan, maar voor kerken in vaste correspondentie niet anders dan van den kerkeraad onder medewerking van classis en synode.

|132|

Over den weg hierbij te volgen kunnen wij slechts wenken geven, want zoo ooit dan geldt hier het variis modis bene fit, d.w.z. men kan, het doel treffen op meer dan ne goede manier.

De wenken van meer algemeenen aard bepalen zich tot deze vijf:

 

1º. de oefening van kerkelijke tucht ga gelijkelijk over leer en wandel.

Een weêropnemen van de kerkelijke tucht tegen de ketters, sectariërs en scheurmakers, dat niet tegelijk een weêropnemen van de tucht tegen den hoereerder en dronkaard en lasteraar was, zou geoordeeld staan voor de conscientiën.

 

2º. bij de weêropneming van de kerkelijke tucht zitte het oordeel des onderscheids voor.

Een dienaar die slecht leert of slecht leeft is schuldiger dan een afgewekene of afgedoolde onder de leden der kerk. Alle tucht beginne dus met tucht over hen die het ambt dragen. Alleen zulke ambtenaren die op elkander acht hebben, bezitten het recht om anderen te oordeelen.

Evenzoo, bij weêropneming der tucht na lange verwaarloozing, zij men te overvloediger in ernstig vermaan, in teedere barmhartigheid, in zucht om door de macht der liefde te winnen, en ga men niet dan bij gebleken onboetvaardigheid of verharding tot censuur of afsnijding over.

In het stuk der leer vooral pare gestrengheid tegenover de dienaren zich aan het uiterste der lankmoedigheid tegenover de gewone leden der kerk.

Bij de dienaren mag niet worden geaarzeld. Wie anderen leeren zal, moet het Woord der kerk spreken. Wie dat weigert, of niet kan, mag niet gespaard. Hem te sparen ware de kerk opofferen. Schijnliefde voor één enkele met gemis aan liefde voor de duizenden tot achtergrond.

Evenwel, en hier worde wel en scherp op gelet, dit mag volstrekt niet opgelost in een zin, alsof bij ernstige poging tot kerkherstel, de eerste stap b.v. ten onzent zou moeten bestaan in een onverbiddelijk afzetten van alle predikanten, ouderlingen en diakenen, die weigerden de drie formulieren te onderteekenen, of, ook van dezulken die, na onderteekening, van bestrijding dezer formulieren overtuigd werden. Zoo zou wel het fanatisme te werk gaan, dat verderven wil, maar niet de kerk van Christus, die bidt voor haar vijanden en zichzelven verloochent om te behouden.

Veeleer zou dan op de kerkelijke vergaderingen de moeielijke taak rusten, om geestelijk te onderscheiden tusschen hen die uit

|133|

boosheid des harten de waarheid tegenstaan en degenen die uit onwetendheid dwalen. Er zou onuitputtelijk geduld, er zou veel kracht der overreding, er zou veel gave der wijsheid noodig zijn, om te winnen, wie nog kon gewonnen, eer men den draad doorsneed.

Natuurlijk, ten slotte zou het tot dit uiterste bij allen moeten komen, die in hun opzet volhardden; maar wie durft niet hopen, dat dit bij zeer velen anders zou zijn.

Voor leden kan men zelfs nog verder gaan, en ter eerste instantie slechts diegenen met tucht aangrijpen, die door woord of geschrifte openlijk de leer der kerk bestreden, om voorts eerst door onderwijzing voor te lichten, en langs dien weg allengs tot schifting te komen tusschen hen die met opgezetten wille de waarheid verwerpen, en hen, wier ziele nog in de bedding der waarheid medrijft.

 

3º. bij het beteren der kerkorde worde niet het glad schuiven van een kunstig mechanisme, maar de gezonde bloei van het organisme der kerk in het oog gevat.

Niet op maatregelen van orde, maar op beginselen van kerkregeering komt het aan. Doel moet zijn om de souvereine genade Gods in zijn kerk te laten heerschen. Daartoe moet verwijderd al wat aan die betwiste souvereiniteit in den weg staat of haar volle doorwerking belemmert. Al het overige is bijzaak en des noods onverschillig. Maar wat met onverbiddelijke gestrengheid moet doorgezet, is het zwichten van alle menschenwoord voor het Woord van God en het rechtstreeks afvloeien van alle menschelijk gezag uit Koning Jezus.

 

4º. Om dit doel te bereiken, moet op de samenstelling der reformeerende vergaderingen nauwkeurig toegezien.

De meerderheid moet eigenlijk niet beslissen. Veel beter is het zóólang in den geest der gebeden elkander te overtuigen, tot er eenheid van inzicht geboren worde. Maar, overmits ten slotte toch beslissing met meerderheid tegen ons zou kunnen genomen worden, mag de samenstelling van deze collegiën ons niet onverschillig zijn.

 

En 5º. In deze vergadering verloochene men zelf het beginsel niet waarvoor men strijdt.

Dit kan op velerlei manier gebeuren, en daartegen dientgewaakt.

Vooreerst zie men wel toe, dat geen besluit van zulk een vergadering uitga, of de wil moet ook achter het besluit zitten, om voor

|134|

zijn raadslag in te staan. Overrompelen baat niet. Er moet geestelijke, helder bewuste overtuiging gewekt; zij het ook bij ieder naar zijn mate.

Ten tweede, men ga niet zitten, indien dat zittingnemen zelf tegen den eisch van Gods Woord of tegen de souvereiniteit van Koning Jezus indruischt.

En ten derde, wie tot een besluit heeft medegewerkt, trede niet terug als het op uitvoeren aankomt. Wie zijn hand aan de ploeg slaat en achterwaarts ziet, is onbekwaam voor het Koningrijk Gods.


Kuyper, A. (1883)