129. Moet de kerkeraad iemand, die nooit aan het Heilig Avondmaal komt, den toegang tot het Avondmaal ontzeggen?

 

(1894.)

211. Met uwe beschouwingen over de tegenstrijdigheid, die erin gelegen is, wanneer iemand belijdenis doet en dan daarna toch niet aan de Avondmaalsviering deelneemt, ben ik het geheel eens.

Intusschen, gelijk ge zelf ook opmerkt, dit hangt samen met eene ziekelijke beschouwing van het Heilig Avondmaal, die in

|159|

vele gemeenten sinds lang gevonden wordt. En de vraag is dus, hoe men daartegenover het beste optreedt.

Mij dunkt, volhardend onderwijs, door de prediking, door de catechisatie en door het huisbezoek, is dan het eenige middel. En ook dit onderwijs met voorzichtigheid, opdat niet de indruk ontsta, alsof men het vrij onverschillig acht, hoe iemand aan het Avondmaal komt.

Weigering om tot het Avondmaal toe te laten schijnt mij daarentegen een minder goed middel. Eerder wordt de conscientie der alzoo geweigerden dan min of meer ontlast. De kerkeraad zelf houdt den toegang dan gesloten. Ook ontbreekt dan eigenlijk de voldoende reden om de toelating te weigeren. Immers, belijdenis en wandel was voldoende.

Waar die twee voldoende zijn, moet men beschouwd worden als tot Avondmaalsviering geroepen, en de kerkeraad moet het dan voor de conscientie leggen der alzoo geroepenen, of zij durven ongehoorzaam zijn. Hij late ze dus toe, en noodige ze zijnerzijds uit, in den naam des Heeren. Weigering is dan geheel voor hunne verantwoording. Bij de belijdenis wordt dan natuurlijk ook herinnerd, dat die niet anders is dan het kerkelijk onderzoek van degenen, die tot het Avondmaal wenschen te worden toegelaten en voorts den toegang daartoe geeft.