106. Is er bezwaar tegen het gebruik van het woord „Amen” na den Doop?

 

(1908.)

178. Ik zie geenerlei principieel bezwaar tegen het gebruik van het woordje „Amen”, na ’t uitspreken van de Doopsformule; en ikzelf zou het zeker gebruiken, als ik den Doop moest bedienen in eene gemeente, waar men nu eenmaal daaraan gehecht was (ook al heeft die gehechtheid iets bijgeloovigs of bekrompens).

Immers dat woordje is niet de aanduiding van een wensch, dien men gaarne vervuld ziet of van welks vervulling men zich overtuigd houdt, maar het beteekent, gelijk de Catechismus in zijn laatste antwoord ook zegt, de sterke bevestiging van hetgeen voorafgaat, ’t geen bij de constateering van een feit even goed past. Anders zou het in het Onze Vader ook niet kunnen volgen op de slotwoorden („want U is” enz.), die toch wel geen wensch uitspreken, maar een feit constateeren.

In ons Doopformulier staat het niet. Maar het staat wèl in de oude uitgave van het Doopformulier der Waalsche Gereformeerde kerken hier te lande. En eveneens in zeer oude Formulieren uit den tijd vóór de Midden-eeuwen.

Van strijd daarover is mij uit vroeger tijd niets bekend; dan

|61|

alleen wat Voetius vermeldt, Pol. Eccl. Vol. I p. 677 (in de uitgave der Bibl. Reform., serie II p. 157). Maar daarbij betrof het de vraag, „of het woordje Amen behoorde tot het wezenlijke van den vorm der Doopsbediening”; ’t geen dus onderstelt, dat men toen algemeen dat woordje gebruikte, en zelfs gevraagd werd, of een Doop wel wettig was, als dat woordje werd weggelaten.

Ziedaar iets in antwoord op uw vraag. M.i. kunt ge dus de BB in X wel geruststellen. Het al of niet gebruiken van dat woordje is ook waarlijk geen strijd waard.


Rutgers, F.L. (1922)


KERKELIJK ADVIES BIJ
Kerkorde GKN (1905) Art. 58