|5|

Hoofdstuk 2

De verhouding tussen kerk en staat in Nederland

 

 

2.1 Inleiding

Ondanks de voortschrijdende secularisatie nemen kerkgenootschappen in Nederland – ook in juridisch opzicht – een geheel eigen plaats in. Dit valt onder meer op te maken uit diverse wetten en regelingen, waarvan ik hier enkele noem:1

— art. 2:2 lid 2 BW, waarin aan kerkgenootschappen een ruime vrijheid inzake hun interne organisatie wordt toegekend;

— art. 2 lid 1 sub c Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen, waarin wordt bepaald dat het besluit niet van toepassing is op personen die een geestelijk ambt bekleden, zodat voor het ontslag van deze personen geen vergunning behoeft te worden aangevraagd bij de directeur van de arbeidsvoorziening;

— de Algemene wet gelijke behandeling, die blijkens art. 3 niet van toepassing is op kerkgenootschappen;

— art. 220 d lid 1 sub c Gemeentewet, waarin de vrijstelling van onroerende-zaakbelasting is geregeld voor “onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard (…)”.

 

De bijzondere positie van kerkgenootschappen is historisch verklaarbaar. Weliswaar heeft de Bataafse omwenteling van 1795 in Nederland geleid tot een scheiding van kerk en staat,2 maar met deze vaststelling is allesbehalve duidelijk gemaakt hoe de verhouding tussen kerk en staat feitelijk is.3 Brengt die scheiding bijvoorbeeld mee dat de staat zich op geen enkele wijze met de kerk heeft te bemoeien?


1. Zie voor meer voorbeelden: Van Bijsterveld (1998), m.n. p. 49 e.v. en p. 82 e.v.
2. De scheiding werd in een decreet op 5 augustus 1796 afgekondigd door de Nationale Vergadering, welke op 1 maart 1796 in plaats van de Staten-Generaal was gekomen. Zie over deze periode Punt, Preadvies 1935, p. 33-35; Rasker (1986), p. 19-20; Van der Pot-Donner (1989), p. 309. Inzake verschillende benaderingen van het begrip ‘scheiding van kerk en staat’ verwijs ik naar Diepenhorst (1946), p. 121-123 en 201-204.
3. Vgl. Diepenhorst (1946), p. 123 en 204: er is altijd nadere uitleg nodig wanneer men over dit beginsel spreekt.

|6|

In dit hoofdstuk zal in grote lijnen worden geschetst hoe de verhouding tussen beide grootheden zich, na de omwenteling van 1795, heeft ontwikkeld.4 Deze schets moet gezien worden als een aanloop naar het volgende hoofdstuk, waar de uitwerking van het beginsel van godsdienstvrijheid en de daarmee samenhangende scheiding van kerk en staat wordt uitgewerkt aan de hand van art. 2:2 BW.

 

2.2 Ontwikkelingen sinds de Bataafse omwenteling

Voorafgaand aan de gebeurtenissen van 1795 was er sprake van een ‘bevoorrechte kerk’, namelijk de Gereformeerde (later genoemd: Hervormde) Kerk. De kerk werd uit publieke middelen bekostigd, de instandhouding ervan werd door de overheid gezien als openbaar belang.5

Met de omwenteling van 1795 werd het beginsel van gelijkheid van de verschillende godsdienstige gezindten aanvaard. De kerkelijke goederen en fondsen werden nationaal verklaard. Het was de bedoeling dat – na een overgangsperiode van drie jaar – de opbrengst zou worden bestemd voor armenzorg en opvoeding.6

 

Op aandringen van Napoleon kwam er op 16 oktober 1801 een nieuwe constitutie. Rasker schrijft over deze periode:

“Het nu in Nederland optredende nieuwe bewind was gematigd en berustte op verzoening van de partijen. Voor de kerk was dit uiteraard gunstig: de fatale termijn van drie jaar voor het ophouden der traktementen verviel. Ieder kerkgenootschap zou onherroepelijk eigenaar blijven van wat het in het begin der eeuw aan bezittingen had. Torens en klokken bleven echter eigendom van de burgerlijke gemeente. Bij de wet werd geregeld dat ieder die veertien jaar of ouder was, zich bij een kerk moest laten inschrijven en daarvoor een jaarlijkse bijdrage moest betalen. Het Uitvoerend Bewind bepaalde op 11 augustus 1803, dat de godsdienst moest worden beschouwd als voor de burgerlijke maatschappij van het uiterste gewicht en dat hij daarom niet aan het oppertoezicht van de staat mocht worden onttrokken. Zondagsrust werd weer regeringszaak, regentenbanken in de kerken werden herplaatst. De beroeping van predikanten werd weer aan de goedkeuring van de vroedschap onderworpen, de provinciale


4. Voor meer uitgebreide werken over dit onderwerp verwijs ik naar: Diepenhorst (1946); Rasker (1986); Den Dekker-van Bijsterveld (diss.).
5. A.Th. van Deursen, Groen van Prinsterer over kerk en staat, Radix, nr. 4, december 1998, p. 166-167.
6. E.e.a. werd bepaald in de additionele artikelen van de staatsregeling van 1798 (Van Hasselt (1987), p. 100-103). Die overgangsperiode heeft overigens langer dan drie jaar geduurd: pas in 1808 kwam er onder Lodewijk Napoleon een regeling tot stand: het rijk trok de geestelijke goederen definitief aan zich, waar tegenover stond dat traktementen en pensioenen die tot dusver aan de hervormde predikanten werden betaald, werden voldaan uit ’s rijks kas. Andere erediensten werden gelijksoortige bedragen toegezegd (Van der Pot-Donner (1989), p. 309-310). Zie hierover voorts: Punt, Preadvies 1935, p. 14-16; Rasker (1986), p. 20-21.

|7|

synoden werden door commissarissen-politiek bijgewoond, de opgeheven theologische faculteiten hersteld.” 7

Toen in 1810 de inlijving bij Frankrijk plaatsvond, had Napoleon plannen om ook op kerkelijk gebied orde op zaken te stellen. Dat is er echter niet van gekomen. De uitbetaling van traktementen – die uit de openbare kassen zou moeten plaatsvinden – bleef achter, onder predikanten bestond grote armoede.8

Op 2 december 1813 aanvaardde Willem Frederik, zoon van stadhouder Willem V, de soevereiniteit uit handen van het volk. Al snel werden ten aanzien van de kerken maatregelen getroffen inzake de financiën en traktementen. Genaaste kerkgoederen bleven onder beheer van de koning. De hervormde predikanten kregen hun traktementen betaald uit de landskassen; voorgangers van andere kerken kregen toelagen.9

In 1814 werd in de Grondwet in art. 133 de volgende bepaling opgenomen:

“De christelijke hervormde Godsdienst is die van den Souvereinen Vorst.”10

‘Den Souvereinen Vorst’ had krachtens art. 139 Grondwet 1814 ook het recht om toezicht uit te oefenen:

“Onverminderd het regt en de gehoudenis van den Souvereinen Vorst, om zoodanig toezigt over alle de godsdienstige gezindheden uit te oefenen, als voor de belangen van den Staat dienstig zal bevonden worden, heeft Dezelve bovendien in het bijzonder het regt van inzage en beschikking omtrent de inrigtingen van die gezindheden, welke, volgens een der voorgaande artikelen, eenige betaling of toelage uit ’s Lands kas genieten.”11

Art. 133 werd, vanwege de vereniging met het overwegend rooms-katholieke België, weer geschrapt in 1815.12

In de Grondwet van 1815 werd vastgesteld:

“190. De volkomen vrijheid van godsdienstige begrippen wordt aan elk gewaarborgd.
191. Aan alle godsdienstige gezindheden, in het Koningrijk bestaande, wordt gelijke bescherming verleend.
192. De belijders der onderscheiden Godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en politieke voorregten, en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen.


7. Rasker (1986), p. 21.
8. Rasker (1986), p. 23-24.
9. Rasker (1986), p. 25.
10. Van Hasselt (1987), p. 190.
11. Van Hasselt (1987), p. 191.
12. Rasker (1986), p. 25.

|8|

193. Geene openbare oefening van Godsdienst kan worden belemmerd, dan ingevalle dezelve de openbare orde of veiligheid zoude kunnen storen.
194. De traktementen, pensioenen en andere inkomsten, van welken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelfde gezindheden verzekerd.
Aan de leeraars, welke tot nog toe uit ’s lands kas geen, of een niet toereikend traktement genieten, kan een traktement worden toegelegd, of het bestaande vermeerderd worden.
195. De Koning zorgt, dat de toegestane penningen, die voor den openbare Godsdienst uit ’s lands kas worden betaald, tot geene andere einden besteed worden, dan waartoe dezelve bestemd zijn.
196. De Koning zorgt, dat geen Godsdienst gestoord worde in de vrijheid van uitoefening, die de grondwet waarborgt.
Hij zorgt tevens dat alle godsdienstige gezindheden zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat.”13

In 1814 werd door Koning Willem I een commissie ingesteld die een ontwerp van kerkinrichting14 voor de Hervormde Kerk diende te beoordelen. Dit nieuwe ‘Algemeen Reglement’ werd met grote voortvarendheid in 1816 ingevoerd. Ook voor de Israëlitische (in 1814) en de Evangelisch Lutherse (in 1818) kerkgenootschappen werd een bestuursreglement uitgevaardigd.15 De kerken hebben op het moment van invoering nauwelijks geprotesteerd.16 Diverse schrijvers hebben betoogd dat de koning niet bevoegd was dit reglement uit te vaardigen,17 doch in de rechtspraak werd de bindende kracht ervan wél aangenomen.18

Voortaan heette de Hervormde Kerk de Nederlandsche Hervormde Kerk. Deze werd bestuurd door een algemene synode.19 De eerste keer benoemde de koning de leden van de synode en de lagere besturen20 rechtstreeks, de volgende keren vonden benoemingen door de koning plaats op grond van ingediende voordrachten. De organisatie was hiërarchisch van opzet, aan het hoofd stond de


13. Van Hasselt (1987), p. 270. Rasker (t.a.p., p. 26) merkt over deze grondwettelijke bepalingen op dat er thans geen staatskerk of bevoorrechte kerk meer bestaat, maar dat er wel sprake is van een intensieve bemoeienis van de vorst met kerkelijke zaken.
14. Het ontwerp was opgesteld op het departement voor hervormde en andere (uitgezonderd de rooms-katholieke) erediensten (Rasker (1986), p. 26. Zie voorts: Tonckens (diss.), p. 4).
15. Van Lennep (diss.), p. 58; Diepenhorst (1946), p. 78-79.
16. Wel hebben de Rooms-Katholieke Kerk en veel Doopsgezinde Gemeenten zich aan de bemoeienissen kunnen onttrekken (Diepenhorst (1946), p. 79).
17. A.F. de Savornin Lohman en F.L. Rutgers, De rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken, Utrecht 1886, p. 40-44; Punt, Preadvies 1935, p. 19 e.v.; Diepenhorst (1946), p. 79.
18. Punt, Preadvies 1935, p. 22 e.v. Zie ook: Diepenhorst (1946), p. 272-273; Oldenhuis, Rechtsvinding, p. 37.
19. Begrippen als ‘synode’ en ‘classis’ zullen in hoofdstuk 4 aan de orde komen.
20. Provinciale en classicale besturen.

|9|

koning. Aan allerlei zaken, bijvoorbeeld de plaatselijke reglementen, diende hij zijn goedkeuring te hechten.21

In 1834 vond vanuit de Nederlandse Hervormde Kerk de ‘Afscheiding’ onder leiding van Hendrik de Cock plaats.22 Door de overheid werd hiertegen opgetreden op grond van art. 291-294 van de Code Pénal van 1811 waarin samenkomsten van meer dan twintig personen zonder toestemming van de overheid strafbaar werden gesteld. Als rechtvaardiging voor het overheidsoptreden tegen de afgescheidenen werd aangevoerd, dat krachtens de Grondwet van 1815 alleen aan de bestaande gezindheden bescherming zou worden geboden.

De afgescheidenen wilden zich bij koning Willem I niet als nieuw kerkgenootschap aandienen, doch wensten te worden beschouwd als de voortzetting van de Hervormde Kerk van vóór de invoering van het Algemeen Reglement. Veel afgescheiden gemeenten zonden in 1835 adressen aan de koning met het verzoek om vrijheid van godsdienstuitoefening. De koning wees deze verzoeken echter af. De afgescheiden gemeenten zouden, zonder aanspraak te kunnen maken op eigendommen of inkomsten van de Nederlandse Hervormde Kerk, om erkenning dienen te vragen als nieuwe godsdienstige genootschappen.23 Na een aanvankelijke weigering gingen veel – maar niet alle – afgescheiden gemeenten hier uiteindelijk op in.24

In de loop van de 19e eeuw – vanaf 184225 – heeft de overheid zich langzamerhand teruggetrokken van het hervormde kerkelijke erf. In 1851 is het Algemeen Reglement door de synode van de Nederlandse Hervormde Kerk herzien.26 In dit reglement werd, weliswaar onder enkele voorbehouden die tot 1870 hebben gegolden, bepaald dat de kerk volledige vrijheid van beweging ten opzichte van de overheid kreeg.27

In 1870 kwam er aan de directe overheidsbemoeienis met het kerkelijk bestuur van de Nederlandse Hervormde Kerk een eind.28

Intussen hadden ook de rooms-katholieken geen reden tot tevredenheid over hun relatie met de overheid. In 1814 waren de noordelijke katholieken al bevreesd


21. Van Lennep (diss.), p. 57; Rasker (1986), p. 28; Van den Heuvel, De Hervormde Kerkorde, p. 37-38.
22. Diepenhorst (1946), p. 80; Rasker (1986), p. 56. Later, in 1886, scheidden de ‘dolerenden’ zich af van de Nederlandse Hervormde Kerk. In 1892 zijn de kerken van de Doleantie en (een groot deel van) de Afscheiding samen verder gegaan als de ‘Gereformeerde Kerken in Nederland’.
23. Men diende de reglementen en statuten ter beoordeling mee te zenden, zie ook KB 5 juli 1836 (Stb. 42).
24. Rasker (1986), p. 68.
25. Van Lennep (diss.), p. 58; Punt, Preadvies 1935, p. 27; Van den Heuvel, De Hervormde Kerkorde, p. 38.
26. Tot dan toe was alleen de koning bevoegd het Algemeen Reglement – op voorstel of met advies van kerkelijke colleges – te wijzigen (art. 15) (A.J. Bronkhorst, De Nederlandse Hervormde Kerk en het Algemeen Reglement van 1816, in: Inleiding tot de studie van het kerkrecht, red. W. van ’t Spijker en L.C. van Drimmelen, Kampen 1992, p. 122).
27. Diepenhorst (1946), p. 82. De koning hechtte zijn goedkeuring aan dit herziene reglement, hetgeen overigens volgens Punt (t.a.p., p. 28) niet nodig was geweest.
28. Van Lennep (diss.), p. 58; Diepenhorst (1946), p. 85; Van den Heuvel, De Hervormde Kerkorde, p. 38. Voor een rechtspraakoverzicht (van de periode 1846-1890) verwijs ik naar Oldenhuis, Rechtsvinding, p. 41-49.

|10|

voor een al te grote overheidsbemoeienis, vandaar dat men in sommige delen van het land tot 1833 geen financiële bijdragen van de overheid aannam.29

In 1827 werd door de overheid een concordaat met de paus gesloten. In één van de drie artikelen daarvan werd bepaald, dat de koning de bevoegdheid had om, wanneer er (aarts)bisschoppen werden benoemd, namen van de lijst met potentiële kandidaten te schrappen.30 In de praktijk is er van de uitvoering van dit concordaat niet veel terecht gekomen.31

 

In 1848 werd bij herziening van de Grondwet in art. 164 vastgelegd:

“Ieder belijdt zijn godsdienstige meeningen met volkomen vrijheid, behoudens de bescherming der maatschappij en harer leden tegen de overtreding der strafwet.”

Aangaande de kerkgenootschappen werd in art. 165 bepaald:

“Aan alle kerkgenootschappen in het Rijk wordt gelijke bescherming verleend.”

Het woord ‘bestaande’, zoals dat in art. 191 van de Grondwet van 1815 stond vermeld, was derhalve vervallen.32

In 1853 werd door de Rooms-Katholieke Kerk de hiërarchie in Nederland hersteld. Er werden vier bisdommen en een aartsbisdom – in het protestantse bolwerk Utrecht – gevestigd.33 Dit riep bij een groot deel van de niet-katholieke bevolking onrust op. Gevolg van de onrust was onder meer dat er een nieuwe wet tot stand kwam, die veelal wordt aangeduid als de Wet op de kerkgenootschappen van 1853.34

 

Art. 1 van deze wet luidde:

“Aan alle kerkgenootschappen is en blijft de volkomen vrijheid verzekerd alles wat hunnen godsdienst en de uitoefening daarvan in hunnen eigen boezem betreft, te regelen.
De bepalingen betreffende de inrigting en het bestuur worden, voor zooveel zij niet reeds aan Ons bekend zijn gemaakt, binnen eene maand na de afkondiging dezer wet, door de bestuurders of hoofden der kerkgenootschappen aan Ons medegedeeld. Nieuw te maken bepalingen worden


29. Diepenhorst (1946), p. 81.
30. Den Dekker-van Bijsterveld (diss.), p. 29.
31. Van Lennep (diss), p. 58; L. Hardenberg, Het eigen recht van de kerken, WPNR 5518 (1980), p. 343; Rasker (1986), p. 158; Walf (1988), p. 124.
32. Tot 1983 zijn deze bepalingen in de Grondwet gehandhaafd. (Later waren dit de artikelen 181 en 182 Grondwet.)
33. Zie Diepenhorst (1946), p. 85; O.J. de Jong, Nederlandse kerkgeschiedenis, Nijkerk 1985, p. 335.
34. Wet van 10 september 1853, tot regeling van het toezigt op de onderscheidene kerkgenootschappen (Stb. 102). De wet is op 20 april 1988 ingetrokken (Stb. 157). Zie voorts: Van der Pot-Donner, (2001), p. 127 en 321.

|11|

mede vóór of bij het in werking brengen daarvan, op gelijke wijze ter Onzer kennis gebragt.
Voor zooveel er zich onder de bepalingen, bij dit artikel bedoeld, eenige bevindt, welke de medewerking van het staatsgezag vereischt, wordt die medewerking niet verleend, tenzij de bepaling door Ons is goedgekeurd.”

Vervolgens worden er in deze wet enkele bepalingen gegeven die niet al te ingrijpend lijken te zijn. Ze handelen bijvoorbeeld over het hanteren van titulatuur door de voorgangers, de plaats van vestiging van synodale vergaderingen, het dragen van het ‘gewaad voor kerkelijke plegtigheden’ door de ‘bedienaren der openbare godsdienst’ en klokgelui.35

Toen kort daarna, in 1855, een nieuwe wet – ook wel aangeduid als de Wet vereniging en vergadering36 – van kracht werd, ontstond er onduidelijkheid of deze van toepassing was op kerkgenootschappen. In deze wet werd voorgeschreven dat nieuwe verenigingen goedkeuring van hun statuten dienden aan te vragen bij het departement van Justitie. De regering had al aangegeven dat de wet niet voor kerkgenootschappen gold, doch genoemd departement heeft toch gepoogd om nieuwe kerkgenootschappen aan de desbetreffende voorschriften te binden.37 In 1927 heeft het departement uiteindelijk ook zelf verklaard dat de wet niet van toepassing was op de kerkgenootschappen.38

 

2.3 De huidige situatie

In 1972 vond er een grondwetswijziging plaats die betrekking had op de afhandeling van de financiële steun die de overheid tot dan toe aan kerkgenootschappen verleende. Het oude art. 185 (Grondwet 1963) regelde de rijkstraktementen en rijkspensioenen van kerkelijke ambtsdragers. In 1972 verhuisde het artikel – in afwachting van een definitieve regeling – naar een additioneel artikel van de Grondwet. In 1981 kwam, na overleg tussen het Interkerkelijk Contact Overheidszaken (CIO) en de staat, een overeenkomst inzake een afkoopregeling tot stand, welke in 1983 werd goedgekeurd. Hierdoor kwam er een eind aan de directe subsidieverlening door de staat aan de kerk.39

De artikelen onder het kopje ‘Van de Godsdienst’ vervielen in 1983. Hiervoor in de plaats kwam art. 6 in de Grondwet:


35. Zie voor een korte bespreking van de artikelen Diepenhorst (1946), p. 172-174.
36. Wet van 22 april 1855 (Stb. 32).
37. Diepenhorst (1946), p. 86-87.
38. Zie hierover bijv. WPNR 3000 (1927), p. 454 waarin inzake deze kwestie een schrijven van minister Donner is gepubliceerd; Duynstee, Preadvies 1935, p. 22; Diepenhorst (1946), p. 87.
39. Van der Pot-Donner (2001), p. 322-323; Den Dekker-van Bijsterveld (diss.), p. 279. Zie voor de financiële verhouding tussen kerk en staat ook Van Bijsterveld (1998), p. 77 e.v.
Voor de ‘nieuwe’ godsdiensten in Nederland betekent dit, vergeleken met de traditioneel gevestigde kerken hier te lande, dat er feitelijk een achterstand bestaat. Zie o.m. Landman (diss.), p. 277-285; L. Mulder, Minderheden als nieuwe bevolkingsgroepen, diss. UvA Amsterdam, Nijmegen 1993, p. 270-271; Rath (1996), p. 26-40 en p. 118-122; Shadid en Van Koningsveld, Moslims in Nederland, p. 47-48.

|12|

“1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.”

Ook in internationale verdragen is de vrijheid van godsdienst – waarop ook kerkgenootschappen een beroep kunnen doen40 – op soortgelijke wijze vastgelegd.41

Nu steekt art. 6 Grondwet op het eerste gezicht wat mager af vergeleken bij de vorige grondwettelijke bepalingen op dit terrein. De gelijke bescherming voor alle kerkgenootschappen wordt niet meer met zoveel woorden genoemd. Door de anti-discriminatiebepaling van art. 1 van de Grondwet wordt dit gemis evenwel ondervangen.42 Op grond van dit artikel mag verwacht worden dat de overheid de verschillende godsdiensten gelijk(waardig) behandelt.43

Witteveen44 gaat in zijn rapport over nieuwe religieuze bewegingen in Nederland nader in op het begrip ‘de neutrale overheid’. De schrijver merkt op, dat het hebben van een godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging tot de meest wezenlijke kenmerken van de menselijke persoonlijkheid behoort. Wanneer geestelijke integriteit van groot belang wordt geacht, dienen overheid en medeburgers zich zoveel mogelijk te onthouden van inbreuken op die overtuiging. Op basis van de Grondwet zou men een dergelijke opstelling ook mogen verwachten.

Er valt met betrekking tot de verhouding tussen kerk en staat overigens nog een andere lijn waar te nemen. De overheid heeft zich niet alleen zoveel mogelijk terughoudend opgesteld, doch heeft ook vaak een positieve houding tegenover de godsdienst aangenomen. Hierbij valt onder meer te denken aan bepalingen inzake godsdienstdelicten en gebruiken als de zinsneden ‘bij de gratie Gods’ en ‘hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming’ bij wetsvoorstellen. Deze zaken zijn historisch zo gegroeid vanwege de positie die christelijke en joodse kerkgenootschappen in het verleden in onze maatschappij innamen.45


40. Witteveen (diss.), p. 26; Van Bijsterveld (1998), p. 157; Vermeulen, De Grondwet, p. 94.
41. EVRM art. 9; IVBPR art. 18. Zie hierover ook: Van Bijsterveld (1998), m.n. p. 150 e.v.
42. Art. 1 van de Grondwet luidt: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”
43. Vermeulen, De Grondwet, p. 104; Den Dekker-van Bijsterveld (diss.), p. 94. (Op een eventuele horizontale werking van art. 6 Gw. wordt hier niet verder ingegaan. Ik verwijs voor de behandeling daarvan naar Van der Pot-Donner (2001), p. 325-326 en het in deze noot aangehaalde werk van Vermeulen, p. 106-108.)
44. Witteveen (diss.), p. 50.
45. Witteveen (diss.), p. 50-51.

|13|

Met de komst van de ‘nieuwe godsdiensten’ naar Nederland werd de noodzaak gevoeld op diverse terreinen de wet- en regelgeving aan te passen.46 Voorbeelden die in dat kader genoemd kunnen worden, zijn onder meer art. 10 van de Wet openbare manifestaties waarin de lokale overheid bevoegdheid wordt toegekend zelf regels op te stellen over klokgelui en gebedsoproep,47 ritueel slachten48 en lijkbezorging.49

 

Terugkomend op de inleiding van dit hoofdstuk, waar op de onduidelijkheid omtrent de invulling van het beginsel van scheiding van kerk en staat werd gewezen: ook thans blijkt dat er ten aanzien van dit beginsel enige nuanceringen moeten worden aangebracht.

Er kunnen in dit verband verschillende visies worden onderscheiden.50 Het beginsel kan aldus worden ingevuld dat de staat zich geheel afzijdig houdt van de kerk (hetgeen in Nederland niet aan de orde is), maar ook als een gelijkstelling van de verschillende kerkgenootschappen (hetgeen in Nederland wél aan de orde is: wij kennen geen staatskerk of een bevoorrechte kerk).51

De volgende stap is, dat die kerkgenootschappen vrij zijn om hun eigen interne organisatie te regelen, zonder dat de overheid zich daarmee bemoeit.52

Wanneer het uitgangspunt is dat de overheid zich terughoudend dient op te stellen inzake kerkelijke aangelegenheden, valt er met name ten aanzien van de ‘nieuwe godsdiensten’ in Nederland een complicerende factor te signaleren. Met betrekking tot de islam merkt Landman op dat – hoewel het organiseren van het religieuze leven van burgers noch tot de taken noch tot de bevoegdheden van de overheid behoort – deze zich niet afzijdig kan houden, aangezien de institutionalisering


46. Zie ook Slomp (2000), p. 343-344.
47. Zie hierover Labuschagne (diss.), p. 160-167; Rath (1996), p. 42.
48. Zie de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren art. 44 lid 9 en de uitwerking daarvan in het Besluit ritueel slachten, Stb. 1996, 573. Zie voorts: Labuschagne (diss.), p.155-160; Rath (1996), p. 45-47; Van Bijsterveld (1998), p. 118.
49. Wet op de lijkbezorging art. 32 en 57 en het Besluit op de lijkbezorging art. 3 lid 2; zie voorts: Labuschagne (diss.), p. 167-170; Rath (1996), p. 48; Van Bijsterveld (1998), p. 118-119.
50. Diepenhorst (1946), p. 204.
51. Vgl. Shadid en Van Koningsveld, Moslims in Nederland, p. 26, die bij de scheiding van kerk en staat denken aan een neutrale opstelling van de staat, hetgeen moet blijken uit gelijkberechtiging van de verschillende godsdiensten en levensovertuigingen. Vgl. ook Witteveen (diss., p. 18), die opmerkt dat het begrip ‘scheiding’ verschillend kan worden uitgelegd: “Vat men scheiding op in de zin van het naast elkaar bestaan van twee instituties zonder bindingen en raakvlakken, dan kan scheiding van kerk en staat hier te lande noch als werkelijk noch als wenselijk worden beschouwd. Daarover zal geen verschil van mening bestaan. Maar wordt scheiding uitgelegd als zelfstandigheid en onafhankelijkheid van twee instituties onder erkenning van de onvermijdelijkheid van bepaalde onderlinge banden, dan zullen velen zich kunnen vinden in de opvatting dat scheiding van kerk en staat wenselijk is en feitelijk ook bestaat.”
52. Diepenhorst (t.a.p., p. 204) noemt hier nog, dat de scheiding niet zover gaat dat geldelijke steun van de overheid aan kerken wordt uitgesloten. Zoals reeds opgemerkt, vindt thans echter geen directe subsidiëring van kerkgenootschappen meer plaats. Shadid en Van Koningsveld (t.a.p., p. 35) zien het opzetten van de eigen organisatiestructuur door islamitische groeperingen eveneens als een uitvloeisel van de scheiding tussen kerk en staat, waarbij door hen wordt opgemerkt dat de groeperingen vanzelfsprekend te werk moeten gaan binnen de kaders die de Nederlandse wetgeving daartoe biedt.

|14|

zich niet binnenskamers afspeelt. Hierbij spelen bijvoorbeeld aspecten met betrekking tot de ruimtelijke ordening een rol. Voorts wenden islamitische groeperingen zich voor het ontplooien van activiteiten tot de overheid om financiële steun. Ten slotte dient in aanmerking te worden genomen, dat de meeste moslims in Nederland behoren tot de doelgroepen van het minderhedenbeleid van de overheid. Hierdoor ontstaan er bepaalde betrekkingen tussen overheid en migrantenorganisaties, waardoor overheidsbemoeienis met islamitische organisaties tot de mogelijkheden behoort.53

We zien hier dat een geheel afzijdige houding van de overheid zeker niet in het voordeel van deze ‘nieuwe’ godsdienstige groeperingen zou werken. Om de vrijheid van godsdienst te kunnen waarborgen, dienen er bepaalde randvoorwaarden te worden geschapen, waarbij een actieve opstelling van de overheid noodzakelijk is.

 

Tot zover de schets over de verhouding tussen kerk en staat. Bewust zijn hier slechts de grote lijnen weergegeven. Uiteindelijk gaat het in deze studie immers om de vraag hoe de overheidsrechter, in het bijzonder de burgerlijke rechter, met kerkelijke geschillen omgaat. Deze vraag dient echter gezien te worden tegen de achtergrond van de scheiding tussen kerk en staat, als aspect van de vrijheid van godsdienst. Ondanks deze beginselen wordt soms tóch de hulp van de overheidsrechter ingeroepen voor de beslechting van een kerkelijk geschil. Vooralsnog zullen die geschillen niet zo nadrukkelijk aan de orde komen. Er zal namelijk eerst worden ingegaan op art. 2:2 BW dat, zoals eerder opgemerkt, als een nadere uitwerking van de vrijheid van godsdienst en de scheiding van kerk en staat kan worden gezien. Met de behandeling van de daarin genoemde begrippen zal verder gezocht worden naar de reikwijdte van genoemde beginselen.

 

2.4 Conclusie

In de loop van de tijd valt een terugtrekking door de overheid op het kerkelijk terrein te constateren. Er bestaan evenwel thans nog diverse regelingen die de speciale positie van kerkgenootschappen in Nederland markeren.

Van een absolute scheiding tussen kerk en staat is in Nederland geen sprake. Dit is naar mijn mening ook niet wenselijk: de overheid kan zich niet geheel afzijdig houden, doch dient er voor te zorgen dat de vrijheid van godsdienst ook daadwerkelijk kan worden gerealiseerd.


53. Landman (diss.), p. 8-9. Zie (onder meer over de toekenning van subsidies) ook: K. Noordam en R. van Oordt, Godsdienstvrijheid en islam in Nederland: binnenlandse drempels, buitenlandse inmenging, in: Mensen, rechten en islam. Beschouwingen over grondrechten, red. K. Noordam e.a., Amsterdam 1998, p. 104-110.