|285|

Art. LXIV. De bediening des Avondmaals zal alleen geschieden, waar toezicht is van Ouderlingen, volgens kerkelijke orde, en in eene openlijke samenkomst der gemeente.

 

De plaats der Avondmaalsbediening.

Wij bespreken hier eerst het oude en daarna het nieuwe artikel.

1. Het oude artikel van de Avondgebeden. In de 16e eeuw verstond men die uitdrukking. Die avondgebeden waren avond-samenkomsten in de kerk, uitsluitend voor het gemeenschappelijk gebed. Een soort Gereformeerde vesperdienst. Nog een navolging van de Roomsche gewoonte, om elken avond, ongeveer 3 of 4 uur, de kerk open te zetten en vesperdienst te houden. Bij de reformatie hield men die gewoonte vast. De dienst bestond dan in een korte Bijbellezing met gebed. Maar al spoedig kwam er bezwaar tegen. De synode van Dordrecht, 1574, besloot, dat men ze niet moest invoeren waar ze niet waren, en waar ze wel in gebruik waren, moest men ze maar zoo spoedig mogelijk afschaffen, en wel om drie redenen: 1e opdat men de gewone predikaties des te naarstiger zou bezoeken; 2e opdat de huisgebeden des te naarstiger onderhouden werden; en 3e opdat de algemeene gebeden op de vastendagen des te vuriger en plechtiger gebruikt werden. Zoo oordeelde de synode van Dordrecht, 1578, art. 57. Langzamerhand kregen ze echter eenige vastigheid In de kerken. Vandaar dat de volgende synoden, te beginnen met die van Middelburg, 1581, er wel bij bleven, dat men ze niet moest invoeren, waar ze nog niet waren, maar op plaatsen, waar ze wel waren, mocht men ze niet afschaffen, zonder het oordeel van de classe en van de Gereformeerde overheid te dier plaatse. Een langen tijd bleven ze nog wel in gebruik, maar in de 17e eeuw verdwenen ze toch langzamerhand geheel. Het bleek practisch onmogelijk de geheele gemeente ’s avonds bijeen te krijgen. Eerst schafte men ze in de week af en werden ze alleen op Zondagavond gehouden. Vandaar dat in kerken als Rotterdam en Vlissingen die Zondagavondbeurten nog lang het „Zondagavondgebed” genoemd werden. Maar allengs raakte ook dat in onbruik, zoodat de synode van Utrecht, 1905, het artikel, dat al lang geantiqueerd (verouderd) was, terecht geschrapt en door een nieuw artikel, over de plaats der Avondmaalsbediening, vervangen heeft.

2. De plaats der Avondmaalsbediening. In dit artikel liggen twee beginselen:

|286|

Vooreerst, dat het niet bediend mag worden waar nog geen gemeente en dus geen kerkeraad is, om toezicht te houden. „De bediening des Avondmaals zal alleen geschieden, waar toezicht is van Ouderlingen, volgens kerkelijke orde”. Dit punt kwam al vroeg ter sprake. Het gebeurde, dat op een plaats de reformatie wel doorwerkte, de geloovigen wel vergaderden, maar de groep nog te klein en nog te onvast was, om er een vorm van een kerk in te richten, ambtsdragers te verkiezen, de sacramenten in te stellen en de tucht toe te passen. Calvijn gaf den raad, dat men zich daar moest bepalen tot het lezen en verklaren van het Woord, maar dat men er geen sacramenten moest bedienen vóór er een vorm van een kerk bestond, aangezien er nog geen kerkeraad was, om toe te zien en de tucht uit te oefenen. In gelijken geest besloot de synode van Dordrecht, 1574, dat men geen Avondmaal mocht vieren, waar nog geen kerkeraad was om op de toelating en op de regeering der toegelatenen acht te hebben, art. 68. Alleen voegde de synode van ’s-Gravenhage, 1586, er nog aan toe, dat men op plaatsen, waar nog geen kerkelijke orde was, eerst ouderlingen en diakenen bij provisie zou stellen, d.w.z. dat men aldaar enkele personen als voorloopige ouderlingen en diakenen zou aanwijzen om den dienaar te helpen, en dan met de Avondmaalsbediening aan te vangen, art. 56. Die regel moet blijven gelden.

Voorts, dat het Avondmaal niet bediend mag worden in particuliere huizen, aan zwakken en kranken, die niet ter kerk kunnen komen, maar alleen in eene openlijke samenkomst der gemeente. Een dergelijke vraag werd door de kerken van Overijsel en Gelderland en te Wezel reeds aan de synode van Middelburg, 1581, voorgelegd. Deze antwoordde echter ontkennend: „neen, en dat men de sacramenten niet uit richten zal, dan in de gemeene verzameling, ter plaatse waar de gemeente ordinairlijk samenkomt”. Men oordeelde toen, dat men van den regel, om de Sacramenten alleen te bedienen in de gewone samenkomst der gemeente, niet moest afwijken. Deze regel is dan ook in de door de synode van Utrecht, 1905, veranderde redactie van dit artikel opgenomen. De synode van Leeuwarden, 1920, nam echter het minder strenge standpunt van Calvijn in, en besloot, dat bet Avondmaal ook in Stichtingen, op verzoek, aan verpleegden en verplegers enz., die leden eener Gereformeerde kerk zijn, mag bediend worden. Zie het volledig besluit te voren bij art. 6, blz. 34; en Acta van Leeuwarden, 1920, art. 25, Bijlage III.


Jansen, Joh. (1976)


COMMENTAAR OP
Kerkorde GKN (1905) Art. 64