|64|

 

6 Bezinning op het Schriftverstaan

 

Het vorige hoofdstuk sloot af met het formuleren van een programma voor hermeneutische bezinning. In dit hoofdstuk gaat het achtereenvolgens over de contextbepaaldheid, het beroep op de scheppingsorde en het karakter van de Bijbel in relatie tot de menselijke verantwoordelijkheid.

 

6.1 Bijbelse voorschriften in hun context

In deze eerste paragraaf willen we laten zien dat er een sterke verwevenheid bestaat tussen de bijbelse voorschriften en de context waarbinnen zij gegeven zijn. Dat loopt uit op het op een rij zetten van een aantal consequenties hiervan.

6.1.1 Uitgangspunt

Wij geloven, dat de Bijbel niet is voortgekomen uit de wil van een mens, maar dat mensen, door de Heilige Geest gedreven van Godswege gesproken hebben (2 Pet. 1: 21). Daarom aanvaarden wij “al deze boeken, en deze alleen, als heilig en canoniek om ons geloof daarnaar te richten, daarop te gronden en te bevestigen” (Nederlandse Geloofsbelijdenis, art. 5). En “wij geloven dat de Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat en dat al wat de mens heeft te geloven om behouden te worden, daarin voldoende geleerd wordt” (idem, art. 7). Deze belijdenis beslist over onze houding tegenover heel de Bijbel: ons past slechts een eerbiedige luisterhouding. Zoals de jonge Samuël het zei, op advies van Eli: “Spreek HERE, want Uw knecht hoort”. Diezelfde ontvankelijke houding kenmerkt de Psalmdichter: “Open mijn ogen, opdat ik aanschouw de wonderen van Uw wet” (Ps. 119: 18). Die houding past ook ons, omdat middels de Bijbel “het levende en blijvende woord van God” (1 Pet. 1: 23) tot ons komt.

6.1.2 Context: cultuur en (heilshistorische) situatie

Richten we de aandacht echter op de Bijbel zoals die in alle concreetheid voor ons ligt, dan blijkt de Bijbel onmiskenbaar ook een boek te zijn, dat afkomstig is uit andere werelden en andere tijden, dan die waarin wij leven. Ook de talloze geboden, leefregels en voorschriften in de Bijbel zijn gestempeld door hun context.
Onder de context verstaan we het totaal aan omstandigheden waarin de bijbelse voorschriften gegeven werden. Daaraan zijn verschillende facetten te onderscheiden1, die elk hun stempel op die voorschriften hebben gezet, te weten:
1. de cultuur;
2. de situatie;
3. de specifiek heilshistorische situatie.
Hieronder gaan we op elk van deze drie facetten nader in.

6.1.3 Bijbelse voorschriften in hun culturele context

Het Woord van God komt tot ons in het gewaad van een cultuur die in talloze opzichten anders is dan de onze. Veel in de Bijbel draagt het stempel van de wisselende culturen waarin het oude Israël en de eerste christelijke kerk leefde. Dat geldt ook voor de wijze waarop in de Bijbel de positie van man en vrouw wordt getekend.

De samenleving waarin de Bijbel ontstaan is, kan als patriarchaal getypeerd worden.2 Via de oudtestamentische gegevens, de wetten van Mozes incluis, krijgen we daarvan het


1 Zie hoofdstuk 5, noot 3.

|65|

volgende beeld.3 De samenleving is opgebouwd uit families. Elke familie heeft een hoofd, te weten de (groot)vader. Hij is verantwoordelijk voor de familie, heeft grote bevoegdheden over de overige familieleden en vertegenwoordigt de familie in aangelegenheden die het geheel aangaan. Tot de centrale familiebelangen behoort het instandhouden van de naam, de familie en — in verband hiermee — het familiebezit. De man is de heer van zijn vrouw, hij mag haar — mits met een scheidbrief — wegzenden en haar geloften teniet doen. Zonen blijven na hun huwelijk tot de familie behoren, dochters worden uitgehuwelijkt en gaan — na het betalen van een bruidsschat — over tot de familie van de man. De zorg voor een mannelijke nakomeling is van dusdanig groot belang, dat het uitblijven van de geboorte van een mannelijke erfgenaam de mogelijkheid opent voor ‘alternatieve relatievormen’. Mocht de vrouw geen kinderen krijgen, dan kan een bijvrouw genomen worden. Mocht de man sterven voordat hij een zoon ter wereld heeft gebracht, dan dient zijn vrouw te huwen met zijn broer of een andere mannelijke bloedverwant. Temidden van de mannelijke nakomelingen heeft de eerstgeborene een voorrangspositie. Slechts de mannelijke nakomelingen zijn erfgenaam. De weduwe van de overledene en zijn dochters zijn geen erfgenaam, tenzij er geen mannelijke nakomelingen geboren zijn.
Om misverstanden te voorkomen: het is bepaald niet zo, dat de Bijbel deze samenleving als ideaal afschildert. Uit de bijbelse geschiedenissen blijkt hoeveel spanningen deze polygame samenleving, waarin voortplanting zo'n centrale waarde was, bij de leden daarvan opriep. Ook geven de bijbelse voorschriften het hoofd van de familie geen vrij spel. De wetgeving biedt wel degelijk rechtsbescherming aan dochters en vrouwen en anderen dan eerstgeborenen!
Tenslotte waren vrouwen niet volstrekt passief en afwachtend. De initiatieven van Sara, Ruth en de dochters van Selofchad (Num. 27: 1-11), van Debora en de vrouw uit Spr. 31, en de tekening van het meisje in het Hooglied maken dat duidelijk.
Feit is echter, dat binnen de oudtestamentische samenleving het mannelijke deel van de bevolking een meer vooraanstaande en bevoorrechte positie had dan het vrouwelijke deel. Ter illustratie hiervan valt te wijzen op het feit, dat vrouwen normaal gesproken in geslachtslijsten niet opgenomen worden, bij volkstellingen niet worden meegeteld en in wet en wijsheid niet rechtstreeks worden aangesproken. Zelfs worden er in de wet soms regelingen getroffen, die ons discriminerend aandoen. De wet op de jaloersheid (Num. 5: 11-31), hoewel ongetwijfeld bedoeld om de vrouw rechtsbescherming te bieden, is voor ons besef toch merkwaardig eenzijdig geformuleerd.
Deze gegevens tonen hoe anders de status van man en vrouw in de oudtestamentische samenleving was. Dit heeft ertoe geleid dat de geboorte van een zoon meer gewaardeerd werd dan de geboorte van een dochter. De zoon immers was naamdrager, erfgenaam, zaakwaarnemer etc. In Ps. 127: 3-4 wordt hieraan heel expliciet uitdrukking gegeven: “Zie, zonen zijn een erfdeel des HEREN ...” Onmiskenbaar spreekt hieruit een waardering van zonen boven dochters, zoals dat in sommige culturen nog het geval is. Dat betekent niet, dat ouders met de geboorte van een dochter per definitie ongelukkig waren. Daarvan legt bijvoorbeeld de mooie meisjesnaam ‘Abigail’ getuigenis af: “Mijn vader juicht!”4

In het Nieuwe Testament treedt dit alles minder op de voorgrond. De centrale waarden die de nomadische en later agrarische samenleving droegen, zijn op de achtergrond getreden. Polygamie heeft in Israël, net als in veel omringende volken, afgedaan. Toch vinden we ook in het Nieuwe Testament sporen van de patriarchale samenleving terug. Vrouwen en kinderen worden herhaaldelijk niet meegeteld. Mannen hebben het recht hun vrouwen weg te zenden (van het omgekeerde is geen sprake) en op de vaders rust de plicht hun dochters uit te huwelijken.


2 Zie Vaux, R. de, Hoe het oude Israël leefde. De instellingen van het Oude Testament. Deel 1, Utrecht 19783, 49.
3 Vaux, R. de, Het oude Israël, 47-107. De Vaux geeft hier een uitvoerige beschrijving van het familieleven van het oude Israël, met daarin talloze bijbelse gegevens verwerkt.
4 Aldus de verklaring van deze naam in Reicke, B. en Rost, L., Bijbel-historisch woordenboek I, Utrecht-Antwerpen, 1969.

|66|

6.1.4 Bijbelse voorschriften in hun situatie

Niet alleen de wisselende culturen van het Oude Oosten hebben hun stempel gezet op de concrete bijbelse voorschriften. Die worden in meer of mindere mate ook gekleurd door de mensen aan wie en de situaties waarbinnen zij gegeven werden.

Aan de situatiebepaaldheid van de bijbelse voorschriften zitten verschillende facetten. Om te beginnen kan gewezen worden op de grote situatiegevoeligheid waarvan de wetgeving blijk geeft. De Torah bevat niet alleen geboden als “Gij zult niet doodslaan” en “Gij zult niet stelen, maar behandelt ook allerlei bijzondere gevallen waarin op de een of andere wijze sprake is van een overtreding van die geboden. In Ex. 21: 12-36 bijvoorbeeld vinden we voorschriften die een nadere uitwerking van het gebod “Gij zult niet doodslaan” genoemd kunnen worden. Aangegeven wordt hoe in allerlei situaties gehandeld moet worden met degene die (het leven van) zijn naaste ernstige schade heeft berokkend. Afhankelijk van de intentie van de dader, de omstandigheden, en de ernst van de toegebrachte schade wordt de strafmaat bepaald. Het geheel geeft blijk van een situatiegevoeligheid, die in verband gebracht kan worden met het fenomeen ‘wijsheid’ dat in het Oude Testament zo’n belangrijke plaats heeft. ‘De wijsheid’ immers kenmerkt zich door een genuanceerde benadering van de werkelijkheid; zij heeft een scherp oog voor de verhouding tussen het algemene in elke situatie en het bijzondere van elke situatie.

Ook wordt van nogal wat voorschriften de concrete aanleiding verteld. Zie bijvoorbeeld Lev. 24: 10-23 (aanleiding: een concrete Godslastering), Num. 9 (aanleiding: een verontreiniging voorafgaande aan de Paschaviering), 15: 32-36 (aanleiding: het schenden van de sabbat), 27: 1-11 en 36: 1-13 (het erfrecht van de dochters). Hiermee wil niet gezegd zijn dat dergelijke voorschriften geen blijvende geldigheid zouden hebben, maar wel dat nieuwe situaties vragen om steeds weer nieuwe toepassingen van het bestaande recht en de bestaande regelgeving.

Tenslotte zijn sommige wetten dusdanig nauw met hun ontstaansgeschiedenis en met bepaalde bijzondere omstandigheden verweven, dat ze daarvan niet losgemaakt kunnen worden. We denken hier onder andere aan de tabernakelwetgeving in Exodus en aan andere specifieke voorschriften die het volk ontving in de woestijn (Ex. 13: 13-31; Num. 1-4). In toegespitste zin geldt dit voor het gebod om de gedachtenis aan Amalek uit te roeien (Deut. 25: 17-19), dat onlosmakelijk verbonden is met het goddeloze optreden van Amalek in de woestijn, zie Ex. 17: 8-16. Ook de uiterst radicale en in zekere zin zelfs inhumane maatregelen die Ezra — in Ezra 9 en 10 — neemt tegen de gemengde huwelijken, houden verband met de bijzondere omstandigheden waarin het volk zich op dat moment bevindt. Na en ten gevolge van de ballingschap is er niet alleen sprake van een ‘vrezen voor de HERE’, maar zelfs van een ‘beven voor het woord van de HERE’ (zie Ezra 9: 4 en 10: 3, vergelijk Jes. 66: 2,5). De angst voor de verschrikkelijke gevolgen van nieuwe ongehoorzaamheid aan de HERE (zie het gebed van Ezra in Ezra 9) leidt tot deze radicale toepassing van hetgeen in Ex. 23: 32-33 en Deut. 7: 2-3 geschreven staat.

Evenals in de wetgeving van het Oude Testament is ook in het Nieuwe Testament sprake van het stempel dat de situatie op de voorschriften zet. Dat heeft ook hiermee te maken dat veel voorschriften in brieven te vinden zijn.5 En hoewel de betekenis van die brieven ver uitstijgt boven de situatie waarin zij geschreven zijn, blijven het brieven, die in concrete situaties hun aanleiding vonden. Het gevolg hiervan is, dat tal van kwesties fragmentarisch aan de orde komen en dat aanwijzingen en regelgeving van kleur kunnen verschieten ten gevolge van veranderingen van situatie.

Twee voorbeelden ter onderbouwing van deze stelling.


5 Een evenwichtig betoog over zowel het actuele en situatiebetrokken karakter van de apostolische brieven, als de ver boven de situatie uitgrijpende inhoud daarvan, is te vinden in Schrage, W., Einzelgebote, 37-48.

|67|

Dat voorschriften gekleurd kunnen worden door een situatie blijkt uit een vergelijking van Kol. 4: 5-6 en 1 Pet. 3: 15. In beide verzen gaat het om de wijze waarop de gemeenteleden als getuigen van Christus in de wereld hebben te staan. In het ene geval wordt een actieve houding aanbevolen (“Gedraagt u als wijzen ten opzichte van hen die buiten staan, maakt u de gelegenheid ten nutte”), in het andere geval een afwachtende houding (Weest “altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt..”). Dit accentverschil laat zich verklaren uit de situatie waarin de brieven geschreven zijn. Petrus’ lezers leefden ‘in de vreemdelingschap’, in een situatie waarin de buitenwereld christenen afwijzend en zelfs agressief bejegende. Een actief evangeliserende opstelling zou het de christenen alleen maar moeilijker maken. Uit niets in de brief aan de Kolossenzen echter blijkt dat de lezers bedreigd worden door de buitenwacht. Dit maakt een initiatiefrijker opstelling mogelijk.

Hoe sterk de situatie van invloed kan zijn op de regelgeving, blijkt uit een vergelijking tussen de adviezen die Paulus in 1 Kor. 7 geeft en de richtlijnen die te vinden zijn in 1 Tim. 5. In 1 Kor. 7 adviseert Paulus om ongehuwd te blijven respectievelijk niet te hertrouwen. Immers, de tijd is kort, de HERE is nabij, laat een ieder die de gave heeft om ongehuwd te blijven of niet te hertrouwen zich daarom wijden aan de zaak van de Here (1 Kor. 7: 26-33). Ten gevolge van de ongunstige ervaringen die hij met een bepaalde groep jonge weduwen heeft opgedaan (1 Tim. 5: 11-14) legt hij in zijn brief aan Timoteüs een ander accent: “Ik wil daarom, dat de jonge weduwen huwen, kinderen krijgen, haar huis bestieren, en niet door lasterpraat aan de tegenpartij vat op zich geven. Uit deze vergelijking blijkt dat voorschriften ten gevolge van de omstandigheden zelfs een zekere tegenstrijdigheid kunnen gaan vertonen.

6.1.5 Bijbelse voorschriften in hun heilshistorische situatie

De voorschriften van het Oude Testament zijn gegeven in het kader van de bijzondere verhouding die de HERE met zijn volk Israël is aangegaan. Deze bijzondere verhouding heeft in sterke mate zijn stempel gezet op het geheel van de voorschriften en op tal van voorschriften afzonderlijk. In Christus echter is “de genade Gods ... verschenen, heilbrengend voor alle mensen” (Tit. 2: 11). Hij “is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft” (Ef. 2: 14-15). Dit betekent dat alle voorschriften, waardoor Israël als volk van God afgezonderd werd gehouden van de volken, in een ander perspectief zijn komen te staan en in Christus moeten worden toegepast. Het betekent ook dat wij niet meer onder de wet zijn, maar onder de genade. Het betekent kortom, dat wij leven in een nieuwe werkelijkheid, die van Christus is (Kol. 2: 17).

Aangezien de neerslag van het bovenstaande op vrijwel elke bladzijde van het Nieuwe Testament te vinden is, menen we dat een onderbouwing van deze stelling met behulp van voorbeelden overbodig is.

6.1.6 Consequenties van de contextbepaaldheid van bijbelse voorschriften

De contextbepaaldheid van de bijbelse voorschriften heeft verschillende consequenties. Drie daarvan willen we noemen.
1. Allereerst dient bij de lezing van de Schrift elk voorschrift uitgelegd te worden binnen de culturele en (heilshistorische) situatie waarin het gegeven is.

Hoewel dit vandaag voor ons vanzelfsprekend is, is het nuttig hierbij steeds weer de vinger te leggen. Uit de kerkelijke kunst van alle tijden blijkt, dat de interpretatie van de bijbelse gegevens onontkoombaar gekleurd wordt door het referentiekader van de kunstenaar. Op vergelijkbare wijze wordt op een doorsnee bijbelkring de lezing van de Bijbel gekleurd door het eigentijdse referentiekader. Dit willen we op geen enkele wijze diskwalificeren.

|68|

Het rechte zicht op de bijbelse voorschriften krijgen we echter alleen als we ze allereerst uitleggen binnen de context waarin zij gegeven werden.

2. Ten tweede is er zo’n nauwe verwevenheid tussen tal van voorschriften en de context waarin zij gegeven werden, dat rechtstreekse toepassing daarvan onmogelijk of ongewenst is.

Ter illustratie en om aan te duiden dat hier een reële moeilijkheid ligt, geven we een voorbeeld uit zowel het Oude als Nieuwe Testament.
Het oude Israël kende het zogenaamde ‘zwagerhuwelijk’. We komen het gebruik tegen in Gen. 38 en in het bijbelboek Ruth (1: 11,13; 2: 20; 3 en 4). Hoewel het gebruik in sommige Afrikaanse culturen nog steeds in praktijk wordt gebracht6, druist het geheel in tegen de opvattingen die wij, in onze Westerse samenleving, over het huwelijk hebben. Toch staat het zwagerhuwelijk uitdrukkelijk in de oudtestamentische wetgeving voorgeschreven: Deut. 25: 6-10. Uit dat Schriftgedeelte blijkt, dat het als een ereplicht werd beschouwd. Weigerde iemand het zwagerhuwelijk, dan had het stadsbestuur de plicht hem op andere gedachten te brengen. Volhardde hij in zijn afwijzing dan had de weduwe van de overledene het recht haar zwager publiek te vernederen. Zelfs tot in lengte van jaren werd de schande van zijn harteloosheid hem en zijn huis nagedragen.
Binnen onze gereformeerde traditie is wel getracht het zwagerhuwelijk meer aanvaardbaar te maken door het in Messiaans licht te zien: vanuit de hoop een bijdrage te mogen leveren aan de komst van de Messias zou het zwagerhuwelijk geboren of geannexeerd zijn. De exegese biedt voor deze opvatting echter geen enkel aanknopingspunt. In Deut. 25 blijkt het instituut van het zwagerhuwelijk gedragen te worden door de gedachte dat op deze manier iemands naam onder Israël niet wordt uitgewist. Het gaat om het instandhouden van de naam, het bouwen van het huis van een gestorven broer. Het zwagerhuwelijk werd gezien als een daad van naastenliefde, die God in bepaalde omstandigheden van een mens vraagt. Daarmee lijkt het voor de hand te liggen om ook vandaag nog het zwagerhuwelijk als norm te beschouwen. Toch voert werkelijk niemand daarvoor een pleidooi. En dat niet alleen omdat wij in Christus een eeuwige naam hebben - hoewel ook dat gaandeweg gegroeide en diepere inzicht in de heilgeheimen van God zeker meespeelt. Veel zwaarder weegt het feit dat hier sprake is van een onoverkomelijk cultuurverschil. Het zwagerhuwelijk veronderstelt een andere samenleving, met andere waarden, andere belangen en andere familieverhoudingen. We moeten vaststellen dat de hele sociaal-culturele basis onder het zwagerhuwelijk is weggevallen.

Een voorbeeld uit het Nieuwe Testament ontlenen we aan de hierboven ook al genoemde voorschriften van Paulus met betrekking tot de weduwen. Jonge weduwen, zo zegt de apostel in 1 Tim. 5, mogen de bijzondere diaconale functie van 'weduwe' niet bekleden, maar zij dienen te huwen, kinderen te krijgen, enz. Dit voorschrift is zeer concreet en volstrekt helder geformuleerd en gemotiveerd. Toch zal in onze tijd een kerkenraad van een jonge weduwe niet vragen dat zij hertrouwt. En dat niet alleen omdat jonge weduwen in onze samenleving — gelukkig — minder vaak voorkomen dan in Paulus’ tijd, of omdat onze ervaringen met jonge weduwen minder ongunstig zijn dan die van Paulus. Hoewel ook die factoren zeker meespelen, is het toch bovenal zo, dat de hele cultuur rond het huwelijk dusdanig is veranderd, dat alleen daardoor al rechtstreekse toepassing onmogelijk is geworden. Daar komt dan nog eens bij dat ambtsdragers in onze tijd niet meer in de positie zijn om weduwen te kunnen voorschrijven dat ze moeten hertrouwen.
Opnieuw moeten we vaststellen, dat de sociaal-culturele basis om dit voorschrift rechtstreeks toe te passen ontbreekt.

3. Ten derde is uit het voorgaande één ding wel heel duidelijk geworden: de nauwe band tussen de bijbelse voorschriften en hun context vraagt om een hermeneutiek. Dat wil zeggen dat een antwoord gevonden moet worden op de vragen hoe deze


6 Zie Radcliffe-Brown, A.R. and Forde, Daryll (ed.), African Systems of kinship and marriage, London/New York/Toronto, 197010, 12, 26, 64, 97, 109, enz.

|69|

contextbepaaldheid in het licht van de Schrift zelf moet worden geduid en wat de richtlijnen kunnen zijn voor het juiste verstaan van deze voorschriften.

 

6.2 Hermeneutische verwerking van de contextbepaaldheid

Tallozen voor ons hebben hun gedachten laten gaan over de contextbepaaldheid van de bijbelse geboden en voorschriften en hoe daarmee om te gaan. Het is zinvol om een paar kernpunten uit die lange en veelzijdige bezinning naar voren te brengen. Dat helpt de gedachten te oriënteren en het biedt handvatten voor het vormen van onze eigen mening. Belangrijker nog is, dat we ons er zo van bewust worden dat onze bezinning op de actuele betekenis van met name Paulus’ voorschriften betreffende de plaats van de vrouw in de gemeente niet op zichzelf staat, maar onderdeel is van een veel bredere bezinning, die al eeuwen gaande is.

6.2.1 Voorschrift en beginsel

Om te beginnen willen we herinneren aan de wijze waarop onze vaderen — al ver voor de Reformatie — met de wetten en voorschriften uit de Torah omgingen. Zij brachten die onder in drie categorieën7:
• de morele wet (dat zijn de tien geboden)
• de burgerlijke wetten (alle voorschriften die het samenleven van het volk Israël betroffen)
• en de ceremoniële wetten.
De morele wet (zedenwet) gold als Gods blijvende en eeuwige wil.
De burgerlijke wetten golden in hun totaliteit als tijdelijk; zij bevatten de wil van God voor het oude Israël, toegepast in die specifieke culturele en historische situatie.
De ceremoniële wetten tenslotte werden gezien als vervuld in Christus.

Uit het reliëf dat op deze wijze in de oudtestamentische geboden en voorschriften werd aangebracht blijkt:
• dat ook onze vaderen voor de vraag stonden welke bijbelse voorschriften van blijvende en welke van voorbijgaande betekenis waren;
• dat zij deze vraag beantwoordden door bij de voorschriften een bepaalde hermeneutiek te leveren8 en
• dat zij onderscheid maakten tussen de principes die aan de geboden en voorschriften ten grondslag liggen — Gods blijvende bedoelingen — en de cultuur- en situatiebepaalde realiseringen daarvan.

Het verdient in dit verband de aandacht, dat Calvijn expliciet onderscheid maakt tussen de inhoud en de vorm. Hij stelt, dat het beginsel (de ‘ratio’) van alle wetten ‘de eeuwige


7 Zie Aquino, Thomas van, Summa der Theologie. Zusammengefasst, eingeleitet und erlautert von Joseph Bernhart. Zweiter Band. Die Sittliche Weltordnung, Stuttgart 19853, 425-510 (= Summa Theologiae I/II 90-108); Calvijn, Johannes, Harmonie van de laatste vier boeken van Mozes. Eerste deel. Uit het Latijn vertaald door ds. J. van den Heuvel, Goudriaan/Kampen, 1984, 5-8; Idem, Institutie of onderwijzing in den christelijken godsdienst. Uit het Latijn vertaald door Dr. A. Sizoo, Delft 1931, IV, 20, 14-16; Polyander, Johannes (e.a), Synopsis purioris theologiae, Leiden 1881 (editio sexta), 155-161; Douma, J., Verantwoord handelen. Inleiding in de christelijke ethiek, Kampen 199710, 57vv; Idem, Grondslagen. Christelijke ethiek deel 1, Kampen 1999, 109vv.
8 Zie Velema, W.H., Wet en Evangelie, Kampen 1987: “Duidelijk is dat de verschillende schrijvers gezocht hebben naar een hermeneutische sleutel, met behulp waarvan zij verantwoording proberen af te leggen van wat zij nog wel en wat zij niet meer van kracht achten in het oudtestamentische gebod”, 76.

|70|

regel der liefde’ moet zijn, ook als de vorm (de ‘forma’) per volk varieert.9 Dat doet hij in een discussie met degenen die menen dat de wetten van Mozes onverkort gehandhaafd moeten blijven. Calvijn vindt deze opvatting onjuist en dwaas. Alleen de morele wet (de tien geboden) is voorgeschreven aan alle volkeren en voor alle tijden. In de burgerlijke wetten echter zit niet alleen iets van de liefde, die door Gods eeuwige wet geboden wordt, maar ook iets dat onderscheiden is van dat gebod der liefde. Calvijn onderscheidt tussen het concrete voorschrift en het beginsel dat daaraan ten grondslag ligt: “Alle wetten, die naar die regel (commissie: te weten van de morele wet) gemaakt, op dat doel gericht en door die grens afgebakend zijn, bieden geen reden dat wij ze zouden afkeuren, ook al verschillen zij van de Joodse wet of van elkander.”10

Tot op de dag van vandaag wordt gebruik gemaakt van het onderscheid dat Calvijn hier — in navolging van anderen — maakt. Een recent voorbeeld daarvan is te vinden in het rapport van de deputaten van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt over echtscheiding. Naar aanleiding van de Bergrede van onze Heiland schrijven zij: “De echtscheidingspraktijk, de hantering van de eed, en de beperking van de naastenliefde, zoals deze in Israël bestonden, geven Hem materiaal om iets van de morele consequenties van het evangelie van het koninkrijk te laten zien. Wij moeten deze contextualiteit van zijn woorden niet vergeten door vervolgens de ethiek geheel te bouwen op concretiseringen, die illustratief bedoeld zijn. Het is belangrijk om daarachter terug te vragen naar het onderliggende beginsel en zo zelf in lijn met de richting die Jezus wijst, op alle terreinen van het leven morele gevolgen te verbinden aan het evangelie van het koninkrijk.”11

Het bovenstaande geeft de richting aan waarin de gedachten zich in verleden en heden hebben bewogen. We constateren dat er gezocht werd en wordt naar die geboden en voorschriften die binnen het geheel een spilfunctie vervullen. Geboden die als concentratiepunten zijn van waaruit lijnen naar het heden getrokken kunnen worden, of beginselen, principes, die aan al die contextbepaalde voorschriften ten grondslag liggen. Veelal worden in dit verband het dubbelgebod van de liefde en de tien geboden genoemd.
Deze zoektocht naar ‘beginselen’ die aan de concrete voorschriften ten grondslag liggen, was onvermijdelijk12 en volstrekt legitiem. Ze is gegeven met het historische karakter van de Godsopenbaring en begint al in de Bijbel zelf.

Terecht worden de tien geboden wel als een ‘grondwet’ getypeerd. Gelet op de vooraanstaande plaats die de tien geboden tot twee keer toe in de Torah ontvangen, gelet op de vorm waarin ze gegoten zijn en gelet op het feit dat de HERE ze in steen gegrift heeft, is hier alles voor te zeggen. Gelet op meerdere schriftplaatsen waarin Gods volkomenheden


9Institutie, IV, 20, 15. Het onderscheid dat Calvijn hier maakt tussen ‘beginsel’ en ‘vorm’ staat niet op zichzelf. Het speelt zowel in de Institutie als in zijn commentaren een belangrijke rol in met name zijn bezinning op de verhouding tussen het Oude en Nieuwe Testament. Op tal van plaatsen schrijft Calvijn, dat de ‘substantia’, het wezen, de zaak van het Oude en Nieuwe Testament dezelfde is, te weten Christus, maar dat de ‘administratio’, de bediening en de vorm van de dienst verschillen.
10Institutie, IV, 20, 16.
11 Zie Rapport Deputaten Echtscheiding, 39.
12 Zelfs degenen die met kracht opkomen voor de normativiteit van de oudtestamentische geboden maken gebruik van dit onderscheid. W.H. Velema spreekt van ‘gehalte en gestalte’, ‘norm en vorm’. Hoewel hij het probleem van een dergelijke wijze van spreken onderkent (Wet, 91vv), omdat vorm en inhoud, gehalte en gestalte niet los van elkaar kunnen worden gezien, wil hij op deze wijze “het blijvend normatieve onderscheiden van de vormgeving, die door een bepaalde tijd noodzakelijk wordt gemaakt” (Wet, 93).
13 Zie Velema, W.H., Wet, 77; Douma, J., Grondslagen, 114; Houtman, C, Exodus. Deel III, Exodus 20-40 (Commentaar op het Oude Testament), Kampen 1996, 19.

|71|

het uitgangspunt voor de regelgeving zijn (zie bijv. Lev. 19: 2 en 1 Kor. 14: 33) is het verantwoord om achter de regels terug te gaan tot de kern, die aan de regels ten grondslag ligt. En terecht wordt dan — gelet op bijbelgedeelten als Mat. 22: 34-40, Rom. 13: 8-10, 1 Kor. 13 en 1 Joh. 4: 7vv — het dubbelgebod van de liefde als de blijvende kern van alle geboden gezien.

Geen probleemloze weg
Wel willen we er de vinger bij leggen dat deze benadering — hoe redelijk en bruikbaar ze in theorie ook klinkt — in de praktijk niet zonder problemen is. Hoe verhouden zich het beginsel en de concrete uitwerking, de ‘norm’ en de ‘vorm’ tot elkaar?14 Laten die zich altijd onderscheiden? Kan uit een concreet voorschrift altijd een werkbaar beginsel gedestilleerd worden? En gesteld dat dit mogelijk is, hoe moet zo’n ‘beginsel’ in onze tijd dan worden toegepast op een zodanige wijze dat we ermee in de lijn blijven van het concrete voorschrift? Vragen als deze bepalen ons bij moeilijke en ten dele zelfs onoplosbare problemen.

We willen dit met twee voorbeelden illustreren.
We wezen op de instelling van het zwagerhuwelijk in het oude Israël, en we typeerden die als een daad van naastenliefde. ‘Het eeuwige beginsel van de liefde’, maar dan toegepast op die situatie, in die cultuur, binnen de verhouding van de familiesfeer. Het principe is duidelijk. Maar tegelijk is dit principe zo algemeen, dat het nauwelijks ‘werkbaar’ te noemen valt; voor vergelijkbare situaties in een heel andere cultuur zijn op basis van dit principe niet direct concrete alternatieven te bedenken. En als zo’n alternatief wel valt te bedenken, zal het — als actualisering van het zwagerhuwelijk — niet boven discussie verheven zijn. Om dichtbij huis te blijven: hoe bijvoorbeeld zou het principe achter het zwagerhuwelijk geactualiseerd kunnen worden binnen onze cultuur, op zo’n wijze dat we in de lijn blijven van het voorschrift? Misschien zou iemand de lijn zo willen doortrekken dat — in de situatie waarin een echtpaar ongewild kinderloos is en ook hulpmiddelen als IVF (in-vitro-fertilisatie = reageerbuisbevruchting) niet tot zwangerschap leiden — KID (= kunstmatige inseminatie met behulp van een zaaddonor) te rechtvaardigen valt, of zelfs de medewerking daaraan door familie- of vriendenkring als een ereplicht beschouwd zou moeten worden. De kans is echter groot dat een ander van mening is, dat zo'n overstap van het zwagerhuwelijk naar KID een metabasis eis allo genos is, ofwel het vergelijken van appels met peren. Kortom, zelfs al lijkt het beginsel volstrekt duidelijk, dan nog zal het concreet doortrekken van de lijn aanleiding geven tot veel discussie.

Soms echter laat het beginsel, dat men gevonden meent te hebben zich — uit zowel praktisch als ethisch oogpunt — onmogelijk toepassen in de lijn van het voorschrift. In Deut. 21: 10-14 wordt tot in detail beschreven hoe de Israëlitische man zich in oorlogstijd jegens een krijgsgevangen vrouw heeft te gedragen. Het uitgangspunt is dat hij haar tot de zijne mag maken; maar de wijze waarop dit zal gebeuren dient tot in detail te getuigen van respect voor het lot dat haar overkomt. Gelet op de gruwelen die vrouwen in oorlogstijd overkomen, is dit ‘protocol’ zonder meer als rechtsbescherming op te vatten; ‘Gerechtigheid jegens vrouwen, zelfs in oorlogstijd’, zou hier het beginsel genoemd kunnen worden. Dat laat zich ook in onze tijd toepassen, en het is dringend gewenst dat dit gebeurt. Echter: hoe pas je dit toe in de lijn van het voorschrift? In de ‘Universele verklaring van de rechten van de mens’, vastgesteld in de algemene vergadering van de Verenigde Naties op 10 december 1948, lezen we in artikel 16b dat een huwelijk slechts gesloten kan worden met de vrije en volledige toestemming van de aanstaande echtgenoten. Naar de huidige maatstaf is toepassing van het bovengenoemd beginsel in de lijn van het voorschrift dus onaanvaardbaar. Dat geldt te meer daar ‘de huidige maatstaf’ ook de onze is geworden: een toepassing in de lijn van Deut. 21: 10-14 gaat tegen ons rechtvaardigheidsgevoel in!


14 Voor de hier gebruikte termen zijn tal van varianten beschikbaar. In de reformatorische wijsbegeerte wordt gesproken van ‘normen’ en ‘positiveringen’. Tegenwoordig wordt bij voorkeur gesproken over ‘waarden’ (dat zijn de vastliggende uitgangspunten, de beginselen) en de daarvan afgeleide ‘normen’ (de gedragsregels die daaruit voortvloeien).

|72|

Conclusie: hoewel het onvermijdelijk is om te onderscheiden tussen het beginsel en de concrete uitwerking daarvan, is er geen enkele reden om te menen dat met behulp van dit onderscheid alle problemen met de toepassing van de bijbelse voorschriften zijn opgelost. Het Woord van God komt tot ons in het gewaad van de oudoosterse cultuur, maar die cultuur is geen jasje dat zomaar uitgedaan kan worden. Het eeuwige Woord van God en de menselijke cultuur vormen één weefsel en er bestaat uiteindelijk geen procédé waardoor we die twee van elkaar los kunnen tornen.

6.2.2 God daalt neer tot de mens

Een andere — niet onbelangrijke — gedachte die heeft meegedaan en nog steeds meedoet in de bezinning op de omgang met en toepassing van de bijbelse geboden en voorschriften, is de overtuiging dat de HERE zich in zijn openbaring heeft aangepast aan het begrip, het bevattingsvermogen van zijn kinderen. Juist om Zijn eigen Woord — dat niet ‘naar het vlees’ is! — te spreken, heeft God de taal van de mens gesproken. De klassieke term hiervoor is ‘accommodatio Dei’.

De bezinning op de ‘accommodatio Dei’ heeft een hele geschiedenis doorlopen. Iets daarvan willen wij in het onderstaande zichtbaar maken. Het verdient echter de aandacht dat het toepassingsbereik van de ‘accommodatio Dei’ niet bij iedere auteur gelijk is. Tevens verdient het goede aandacht, dat het spreken over de ‘accommodatio Dei’ soms teruggaat op een beeld van God, dat meer aristotelisch — God als ‘onbewogen Beweger’ — dan bijbels is.15 Echter, ook degenen die heel kritisch staan tegenover de term en de zaak waarvoor die staat, ontkomen zelf niet aan het gebruik daarvan.16

Al vanaf de eerste eeuw na Christus hebben christenen zich beziggehouden met het spanningsveld tussen enerzijds het onmiskenbaar ‘menselijke’ karakter van de Bijbel en anderzijds de belijdenis dat de eeuwige God Zichzelf middels de Bijbel aan ons openbaart. Sommigen namen aanstoot aan deze verwevenheid van het Woord van God en het menselijke. De gedachte dat de eeuwige God werkelijk zou zijn ingegaan in deze tijdelijke, beperkte, wereld werd volstrekt strijdig met Zijn verhevenheid en heiligheid geacht. Maar anderen — om te beginnen Irenaeüs — spraken van accommodatie, aanpassing.17 De HERE God heeft zich in Zijn openbaring vaak aangepast aan het menselijke bevattingsvermogen en aan de menselijke draagkracht. Hij heeft, omwille van de omgang en het contact met de mens, de taal van de mens willen spreken. Niet om daarin te blijven hangen, maar uit pedagogische motieven, om op te voeden en verder te komen.18 God heeft zich in de geschiedenis geopenbaard, niet bij wijze van spreken (zoals het docetisme leert), maar werkelijk, reëel, totaal. Hij heeft onder ons mensen willen wonen, Zijn heerlijkheid afgelegd en is uiteindelijk vlees geworden.

Deze gedachte speelt in Calvijns uitleg van en omgang met de Bijbel een belangrijke rol. Op tal van plaatsen spreekt hij ervan dat God tot de mens is neergedaald. Hij heeft over


15 Hierover o.a. Visee, G., Over het ‘anthropomorfe’ spreken Gods in de Heilige Schrift, in Onderwezen in het koninkrijk der hemelen. Keuze uit de persarbeid van ds. G. Visee, Kampen 1979, 1-51, in het bijzonder 19vv.
16 Visee, G., Het ‘anthropomorfe’ spreken, 37: “Men kan inderdaad zinvol van een aanpassing Gods spreken. (..) Hij schikt zich tot wat wij op een bepaald moment kunnen ‘dragen’.”
17 Een dogmahistorisch overzicht van het principe van accommodatie in de openbaringstheologie is te vinden in Jong, J. de, Accommodatio Dei. A theme in K. Schilder’s theology of revelation, Kampen 1990, 16-62. Vergelijk ook Kuitert, H.M., De mensvormigheid Gods. Een dogmatisch-hermeneutische studie over de anthropomorfismen van de Heilige Schrift, Kampen 19693, 88-99. Over m.n. Calvijn, zie Battles, Ford Lewis, God was accommodating Himself to human capacity, in Interpretation 31 (1977), 19-38.
18 Zie Jong, J. de, Accommodatio, 17.

|73|

Zichzelf tot de mens gesproken, zoals een voedster met een klein kind spreekt: stamelend, babbelend.19 Overigens, niet alleen het spreken over Zichzelf, heel de omgang van God met de mens kenmerkt zich door een aanpassing aan de menselijke mogelijkheden. Herhaaldelijk noemt Calvijn in dit verband heel de wijze waarop in het Oude Testament ‘de ceremoniën’ gestalte hebben gekregen.

Binnen onze kerken heeft C. Vonk, bij zijn bespreking van de Mozaïsche wetgeving in ‘De Voorzeide Leer’, ook op deze aanpassing van God gewezen. Kenmerkend zijn de volgende zinsneden: “Niemand verwachte in het verbondsboek allerlei opzienbarende nieuwigheden te zullen lezen. Juist niet. God heeft Israël ‘gevonden’ als Oosters volk, levend naar zeden en gewoonten, recht en regels, die het van z’n voorvaderen geërfd en veelszins met zijn naburen gemeen had”20 en “Hij ‘vond’ Israël in die dagen nu eenmaal in het bezit van zekere vormen en manieren, taal, kleding, gewoonten enz. en paste Zich daarbij aan.”21

Het goed recht om in deze richting te denken laat zich met één enkel voorbeeld onderbouwen. De HERE heeft omgang met het volk Israël gezocht in een cultuur waarin polygamie algemeen aanvaard was. De HERE sprak zijn Woord in die cultuur en Hij heeft die zelfs gebruikt om Zichzelf aan Zijn volk te openbaren en Zijn plan door de tijd te trekken. Uit polygamie (inclusief het gebruik van bijvrouwen) immers zijn de twaalf stamvaders van Israël geboren. En de profeet Ezechiël gebruikt het gegeven van de polygamie om in Ez. 23 Gods bijzondere verhouding tot zowel Samaria als Jeruzalem te tekenen. Dat de polygamie zelf echter geen goddelijke norm is voor alle plaatsen en eeuwen, blijkt onder andere uit Gen. 2: 24, Mat. 19: 4vv en 1 Tim. 3: 2.

Hoever deze aanpassing van God aan zeden en gewoonten van de oudoosterse cultuur kon gaan, blijkt uit 2 Sam. 12: 8. Nadat David zich vergrepen heeft aan Batseba en Uria, geeft de Here, bij monde van de profeet Natan, een opsomming van alles wat Hij voor David had gedaan. We lezen onder andere: “Ik heb u gegeven het huis van uw heer, en de vrouwen van uw heer in uw schoot.” Het voor ons besef aanstootgevende feit dat David de vrouwen van Saul heeft opgenomen in zijn eigen harem wordt hier rechtstreeks teruggevoerd op God zelf! Zowel de wijze waarop God David heeft gezegend, als de wijze waarop Hij David vervolgens straft (vers 11), zijn geheel in overeenstemming met de ‘taal’ van die tijd.

We zouden het zo kunnen samenvatten: Gods openbaring en het menselijke gaan in de Schriften geheel samen, maar zij vallen niet samen. Dit inzicht is zowel klassiek christelijk als oergereformeerd. Dankzij dit hulplijntje kan enerzijds met grote kracht worden beklemtoond de volle betekenis van de Bijbel als onmisbare, onschatbare en blijvende bron van kennis van God en zijn wil voor ons leven, terwijl anderzijds binnen de Bijbel onderscheiden kan worden waarop het aankomt.

Als commissie menen we dat het zicht op deze verwevenheid van het Goddelijke en het menselijke in de Bijbel van betekenis is voor het gewicht dat zowel voor- als tegenstanders van de vrouw in het ambt aan deze kwestie kunnen hechten. Een enkele keer wordt de indruk gewekt dat niets minder dan het doorkomen van Gods Woord in onze tijd afhangt van de wijze waarop deze kwestie beslist wordt. Het besef dat God steeds weer wil afdalen tot en ingaan in de wereld van de mens brengt dan een heilzame ontspanning te weeg. Gods Woord is doorgekomen in een patriarchale samenleving. Het is doorgekomen in een antieke samenleving. Dan zal het ook kunnen doorkomen in onze


19 Zie Institutie 1.13.1. Overigens sprak Philo (een uiterst invloedrijke Joodse filosoof die leefde aan het begin van onze jaartelling) al op een vergelijkbare wijze. Zie Kuitert, H.M., Mensvormigheid, 89vv.
20Genesis-Exodus, 325.
21Genesis-Exodus, 313.

|74|

samenleving, ook al zou die voluit geëmancipeerd zijn. Daarmee doen we niets af van de noodzaak om ten aanzien van de vrouw in het ambt een grondige bezinning te voeren. Het kan ons echter wel helpen om die bezinning binnen de juiste proporties te blijven zien.

6.2.3 Leven uit de volheid van Gods openbaring

In de bovenstaande hermeneutische overwegingen ging de aandacht met name uit naar de vraag of en zo ja hoe de bijbelse wetten en voorschriften in het heden toegepast kunnen worden. Hiervan kan de verkeerde suggestie uitgaan, dat het bijbels gehalte van de ethiek vooral afhankelijk is van de beantwoording van deze vraag. Scherp dienen we echter te zien dat een leven in bijbels licht door zoveel meer gevormd wordt dan door een leven bij voorschriften alleen. Heel de openbaring van de levende God doet mee bij de inrichting van het leven. Een openbaring die uit veel meer bestaat dan uit wet- en regelgeving alleen.

In onze kring is dit de afgelopen decennia meer dan eens benadrukt.
Zo sprak K. Schilder in zijn omschrijving van het vak ethiek over de ‘constante rationes’, de vaste gronden.22 Daarmee bedoelde hij dat er in de Schrift fundamentele zaken genoemd worden die hun geldigheid behouden te midden van alle veranderingen. De mens is schepsel, in het verbond met God opgenomen. Hij is beeld van God, dat wil zeggen hij representeert God in deze wereld die hij moet beheren. God is Koning, de mens is onderkoning.
Het meerderheidsrapport van de CG Deputaten spreekt op vergelijkbare wijze.23 Van belang voor ons rapport is, dat het meerderheidsrapport ook ‘de scheppingsordeningen’ rekent tot “de door God ingestelde patronen die blijvend zijn”.24

Een mooie opmerking vinden we in het rapport van de Deputaten Echtscheiding van de GKV. Naar aanleiding van Rom. 12: 1vv schrijven zij: “Maar christelijke keuzen komen niet tot stand door in te zetten bij de Tien Geboden, die geacht worden het hele veld in kaart te brengen en waaruit ons handelen dus kan worden afgeleid. Die afleiding neemt daarbij dan de vorm aan van een verstandelijke redenering. Christelijke keuzen ontstaan doordat Gods werken in Christus ons stempelen en wij daarop met een vernieuwd denken antwoord leren geven in het onderscheiden van goed en kwaad.”25
Ook noemt dit rapport een hele reeks factoren die morele keuzen behoren te sturen, waaronder het inzicht in Gods scheppingsbedoeling.26 Daaraan wordt toegevoegd: “Van groot


22 Schilders definitie van ethiek luidt: “Ethiek is de wetenschap van de constante rationes, de wisselende oeconomieën en de actueel concrete bepaaldheid der obligatie van de wil des mensen tot gehoorzaamheid aan Gods geopenbaarde wil.” Zie Dictaten kompendium der ethiek I-VI. Samengevat door G.J. Bruijn, Kampen 1980, 16. Zie hierover Douma, J., Verantwoord handelen, 59vv en Grondslagen, 102vv.
Douma: “Juist de kennis van de constante factoren zoals de Schrift daarover spreekt, verhindert ons te denken dat we in allerlei nieuwe ontwikkelingen als christen verlegen zouden staan.”, Grondslagen, 103.
23 “Ondanks de wisselende bedelingen en veranderende culturen zijn er zaken in de Schrift, die hun geldigheid temidden van alle wijzigingen behouden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de verzoening (in Oude en Nieuwe Testament in een verschillende gestalte, maar met gelijke inhoud) en het bestaan van de kerk ...”, V&A, 51.
24V&A, 52.
25Rapport Deputaten Echtscheiding, 38.
26Rapport Deputaten Echtscheiding, 41: inzicht in Gods scheppingsbedoeling (Mat. 19: 4-8 over het huwelijk), inzicht in de betekenis van Jezus’ werk (Rom. 12: 1-2), wegwijzende woorden van Jezus (1 Kor. 7: 10v), wat de Geest aan de kerk heeft duidelijk gemaakt (Hand. 15: 28v), het onderwijs van de apostelen (1 Tess. 4: 1-6), de Tien geboden (1 Tim. 1: 8-11), burgerlijke en ceremoniële wetten uit het Oude Testament (1 Kor. 9: 9v), geschiedenissen of personen uit het Oude Testament die een lerend of waarschuwend voorbeeld geven (1 Kor. 10: 6), de gangbare zede en maatschappelijke verhoudingen (1 Kor. 11: 13-15; ➝

|75|

belang is ook het gebed (persoonlijk, samen, voor elkaar). Daarbij gaat het niet alleen om gebed als begeleidend verschijnsel waarin wij bidden om kracht voor het doen van het goede dat wij al kennen. Gebed vormt een centraal instrument om inhoudelijk te ontdekken wat dat goede in onze situatie is (Fïl. 1: 9; Kol. 1: 9v, Jak. 1: 5).”27

Opnieuw is het ons erom te doen de richting aan te geven die binnen het gereformeerde protestantisme wordt aangehouden in de bezinning op de inrichting van het leven. Duidelijk mag zijn dat het gereformeerd protestantisme het uitgangspunt niet alleen in de geboden heeft genomen, maar — terecht — in de volle breedte en diepte van de openbaring van God. Slechts binnen het kader van de volheid van de Godsopenbaring kunnen wij komen tot het rechte zicht op de toepassing van de (afzonderlijke) geboden en voorschriften.

Te wijzen valt in dit verband onder andere op het kader waarbinnen de bijbelse geboden en voorschriften gegeven worden. De inleiding op de tien geboden luidt: “Ik ben de HERE, uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis geleid heb.” Deze zinsnede is van grote betekenis voor de manier waarop de Decaloog begrepen wordt.28 Deze heilsopenbaring van God werkt ook door in de concrete voorschriften zelf. Een voorbeeld daarvan lezen we in Lev. 19: 33-34: “En wanneer een vreemdeling bij u in uw land vertoeft, zult gij hem niet onderdrukken. Als een onder u geboren Israëliet zal u de vreemdeling gelden die bij u vertoeft; gij zult hem liefhebben als uzelf, want gij zijt vreemdeling geweest in het land Egypte.
Ook de voorschriften van het Nieuwe Testament staan in het kader van Gods heilsopenbaring. Men lette er slechts op dat Paulus' vermaningen veelal volgen op zijn Christusprediking! Zie heel sprekend Rom. 12vv; Ef. 4vv; Kol. 3v. Hoezeer die heilsopenbaring doorwerkt in de regelgeving als zodanig blijkt uit Ef. 4:32-5:1: “Weest dan navolgers Gods! ...”

 

6.3 Het beroep op de schepping

In de bovenstaande paragraaf hebben we een beeld gegeven van de wijze waarop in met name de Gereformeerde traditie omgegaan wordt met de contextbepaaldheid van de bijbelse voorschriften. Uit dit beeld blijkt, dat de volheid van Gods openbaring in de Schriften meedoet in de wijze waarop die voorschriften uitgelegd en toegepast worden. Op dit punt komen we echter wel opeens midden in de problematiek terecht die ons in dit rapport bezig houdt. Immers in het bovenstaande werd meer dan eens gesteld dat ‘de scheppingsordeningen’ van blijvende betekenis voor ons zijn. Vanwege de grote betekenis die de scheppingsorde voor man en vrouw voor sommigen heeft29, willen we daaraan in deze paragraaf aandacht besteden.
Hoewel het in dit rapport gaat om de betekenis van Paulus’ beroep op Gen. 1-3, menen we dat het voor het juiste perspectief goed is om hier eerst enkele algemene opmerkingen


➝ 14: 35; Fil. 4: 8v), de praktijk in andere kerken (1 Kor. 11: 16; 14: 36), ethische inzichten uit de cultuur (‘huistafels’ in Ef. 5: 22-6: 9; Kol. 3: 18-4: 1), ‘burgerlijke deugden’ (Rom. 13: 3; 1 Pet. 2: 11v).
27 Vergelijk Douma, J., Grondslagen, 116vv.
28 Zie, als één van de velen, Houtman, C., Exodus III, 27vv, die n.a.v. de aanhef schrijft: “De context bepaalt het karakter van JHWH’s voorschriften” en “De verordeningen worden erdoor gekwalificeerd. Ze zijn afkomstig van de God, aan wie Israël zijn vrijheid te danken heeft. Van de voorschriften van zo’n God mag men verwachten dat het regels ten leven zijn. De zelfpresentatie is tevens een krachtige uitnodiging de verordeningen van harte na te leven.”
29 Zie voor een overzicht van wat er onder de scheppingsorde voor man en vrouw verstaan dient te worden, van de wijze waarop daarover de afgelopen honderd jaar in het Nederlandse gereformeerde protestantisme gesproken is en van de betekenis daarvan voor de bezinning op de verhouding tussen man en vrouw, Mudde, J.M., ‘Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt ...’ De betekenis van de spreukenwijsheid voor de bezinning op de man-vrouwverhouding, in Vrouwen op een zij-spoor? Emancipatie van de vrouw en het verstaan van de Schrift in gereformeerd perspectief Amsterdam 1998, 137-173.

|76|

te maken over het veel gehanteerde begrip ‘scheppingsordeningen’. In hoofdstuk 7 zal dan speciaal worden ingegaan op de betekenis van het beroep dat Paulus doet op Gen. 1-3.

6.3.1 Scheppingsorde

Wij belijden dat God de Schepper is van hemel en aarde. De hele Schrift spreekt en zingt daarvan. Wij geloven ook, dat Hij de wereld niet als een baaierd heeft geschapen, maar ter bewoning (Jes. 45: 18). Daartoe heeft Hij in de wereld een orde aangebracht, die getekend wordt in Gen. 1 en 2, maar ook in bijvoorbeeld Ps. 104. God heeft deze orde in zijn wijsheid aangebracht (Ps. 104: 24; Spr. 8: 22-31), zodat er leven op aarde mogelijk zou zijn. In dankbare verwondering spreken en zingen de Schriften hierover op de verhoogde toon van de lofprijzing.
Een enkele keer wordt er rechtstreeks gesproken van ‘ordeningen’ die God de schepping heeft meegegeven. Zo lezen we in Spr. 8: 29, dat God aan de zee haar perk stelde, “opdat de wateren zijn gebod niet zouden overtreden”. En in Jer. 31: 35 en 33: 25v wordt in verband met het ritme van dag en nacht gesproken van de “verordeningen van hemel en aarde”. Aanknopend bij deze terminologie zijn sommigen op een gegeven moment van scheppingsordeningen gaan spreken.
Toch heeft het woord ‘scheppingsorde’ ook een meer toegespitste betekenis. Binnen de gereformeerde traditie wordt daarmee met name gedoeld op bepaalde inzettingen, die God de mens bij de schepping heeft meegegeven: de vruchtbaarheid, de arbeid, de sabbat, het huwelijk. En ook de gedachte dat de man het hoofd is van de/zijn vrouw wordt onder de scheppingsordeningen gerekend.

In Gen. 1: 28 lezen we: “Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels ...” In Gen. 2: 3: “En God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht.” In Gen. 2: 15: “En de HERE God nam de mens en plaatste hem in de hof van Eden om die te bewerken en te bewaren.” En in Gen. 2: 24: “Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en zij zullen tot één vlees zijn.” De voortplanting, de sabbat, het huwelijk, en de arbeid worden daarom scheppingsordeningen genoemd.

Van belang is dat in deze gedachtegang het negeren van de scheppingsordeningen schadelijk is voor de mens. Zij zijn, als alle inzettingen van de HERE, voor het welzijn van de mens geschapen. Verder wordt binnen de gereformeerde traditie gesteld, dat de scheppingsordeningen Gods norm voor het menselijke samenleven van alle tijden bevatten, omdat zij teruggaan op zijn goede schepping.30
De vraag is echter of en zo ja in welke zin ‘de scheppingsordeningen’ norm zijn voor ons.

6.3.2 Is ‘de schepping’ normatief?

Om een antwoord op deze vraag te formuleren verdedigen we hier twee stellingen.31


30 Zie de definitie die J. van den Berg geeft in de Christelijke Encyclopedie VI, Kampen 19612, 61: het zijn die structuren en verbanden “die door God met de Schepping gegeven zijn in het kader van een door Hem gestelde vaste, zedelijke wereldorde en die ook na de zondeval door Hem gehandhaafd zijn en die door ons dienen te worden geëerbiedigd als uitdrukkingen van zijn wil.” Met name die laatste woorden verdienen in dit verband de aandacht: zij dienen door ons “te worden geëerbiedigd als uitdrukkingen van zijn wil.” Vergelijk Mudde, J. M., Gij hebt, 137-138.
31 Deze tweeheid is terug te vinden zowel bij Douma, J., Grondslagen, 139, als bij Loonstra, Bert, Zo goed en zo kwaad. Naar een ethiek van de christelijke gemeente, Zoetermeer 2000, 75-99, als bij Mudde, J.M., Gij hebt, 152vv.

|77|

Stelling 1: Een wijs mens verheugt zich in de door God geschapen orde, wil daaraan recht doen en houdt daarmee volop rekening bij de inrichting van het leven.

Een wijs mens verheugt zich in al Gods werken, zijn scheppingswerken voorop. De psalmen loven Gods macht en wijsheid in de schepping, niet in algemene, maar in hoogst concrete termen. Geroemd worden de degelijkheid van het geheel, de grootsheid, de variatie, de bijzondere plaats die elk levend wezen in het door God geschapen bestel inneemt (Ps. 8; 19: 1-7; 104; 147 en 148). Al Gods werken zingen zijn lof. Een wijs mens houdt dan ook 'feeling' met de schepping. Met name het Spreukenboek gaat hierin voor en gebruikt de wetmatigheden in de schepping als argumenten in de opvoeding. Het houdt rekening met de werking van de seizoenen, de zwaartekracht, de wetten van oorzaak en gevolg.32

Van belang is ook dat in de Schrift, ter onderbouwing van een bepaald gebod, meer dan eens wordt teruggegrepen op het begin, de schepping. In het bijzonder valt te denken aan de motivering van het sabbatsgebod in de Decaloog in Ex. 20: 11. En Jezus grijpt in zijn gesprek met de Farizeeën over de echtscheiding in Mat. 19: 1-12 terug op de schepping van man en vrouw en het woord uit Gen. 2: 24 om daarmee beslissend het verbod op echtscheiding te onderbouwen. God bracht man en vrouw tot elkaar, en wat God samengevoegd heeft scheide de mens niet! Eens en voor altijd is dit in het begin duidelijk gemaakt.

Concluderend kunnen we daarom zeggen, dat ‘de schepping’ volop dient mee te doen in de bezinning op de inrichting van het leven. En onder schepping verstaan wij — in de lijn van de bijbelse gegevens — zowel de schepping waarvan wij lezen in Gen. 1 en 2, als de geschapen werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet.

Stelling 2: De door God geschapen orde kan niet normatief genoemd worden, in dezelfde zin als bijvoorbeeld de tien geboden of het dubbelgebod van de liefde normatief zijn.

De volgende argumenten willen we voor deze stelling naar voren brengen:
1. In de Schrift zelf vinden we vele malen een andere prioriteit dan die van het handhaven van ‘scheppingsordeningen’33. Dit punt met name is in een hermeneutische bezinning van groot belang.
Om dit te onderbouwen komen we hier eerst nog eens terug op enige opmerkingen die we naar aanleiding van de schepping van Adam en Eva maakten over het ‘eerste-zijn’, zie 4.3.3.5. In het oude Israël was dit ‘eerste-zijn’ een scheppingsmatig gegeven. Zo deed de geschapen werkelijkheid zich aan de mensen voor en zo duidden zij dit eerste-zijn als een prioriteit die de HERE zelf stelde. Overzien we echter Gods openbaring in haar totaliteit, dan geldt juist van dit gegeven hoezeer het keer


32 Eén van de belangrijkste wetmatigheden is “Wat eens mensen handen volbrengen, keert weder tot hem” (Spr. 12: 14). Dit is een diepe levenswijsheid waarvan de speukendichters talloze illustraties geven. Het is de hoeksteen van de opvoeding. Wie zijn naaste goed doet zal zegen beërven (Spr. 11: 18b; 12: 14), wie zijn naaste kwaad doet zal de rotte vruchten daarvan plukken. Deze ‘wetmatigheid’ is niet alleen gebouwd op levenservaring, maar vooral op de diepe overtuiging dat God de Schepper ook rechter is over hemel en aarde. We vinden haar nog terug in het Nieuwe Testament waar Paulus schrijft: “Wat een mens zaait, zal hij ook oogsten” (Gal. 6: 7vv).
33 Zie Mudde, J.M, Gij hebt, 152vv en 162vv en Loonstra, B., Zo goed, 94vv.

|78|

op keer in de omgang van God met zijn volk gerelativeerd wordt. Het als eerste ter wereld komen bevat geen norm voor alle plaatsen en alle eeuwen. Ook willen we wijzen op de manier waarop Jezus Christus met de sabbat omging. Die omgang was principieel verschillend van die van zijn Farizeese tijdgenoten. Hij genas, geheel tegen de voorschriften in, op de sabbat patiënten waarvan de genezing gerust een dag uitgesteld had kunnen worden. Ook stond Hij het zijn leerlingen toe om aren te plukken op de sabbat. Toen Hij daarop werd aangevallen, verweerde Hij zich: “De sabbat is gemaakt om de mens en niet de mens om de sabbat. Alzo is de Zoon des mensen heer ook over de sabbat” (Mc. 2: 27,28). Hieruit blijkt dat de sabbat geen doel in zichzelf is; het is middel tot het bereiken van een doel, te weten het heil, de heling van de mens.
We kunnen deze lijn doortrekken naar de wijze waarop Paulus met ‘de scheppingsordeningen’ omgaat. Paulus zelf was ongehuwd en adviseerde anderen ongehuwd te blijven (1 Kor. 7), hoewel God op de zesde scheppingsdag sprak: “Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar....
Een ander voorbeeld. Ps. 104: 22-23 bezingt het heilzame ritme dat de HERE God ook voor de mens in de schepping gelegd heeft: “Gaat de zon op, dan (trekken de nachtdieren zich terug in hun holen, maar) de mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot de avond toe. Paulus stemde zich hierop echter niet af, maar werkte dag en nacht (1 Tess. 2: 9; 2 Tess. 3: 8). Zelfs het huwelijk heeft bij Paulus — maar ook verder in de Bijbel (zie Ezra 9 en 10) — niet die onaantastbaarheid die het krachtens de schepping zou moeten hebben; zie 1 Kor. 7: 12-16. De vraag rijst waarom Paulus adviseerde ongehuwd te blijven en waarom hij dag en nacht werkte. Het antwoord luidt, dat er voor hem hogere belangen op het spel staan dan het handhaven van de scheppingsorde. Christus’ heil is verschenen, en zijn dag is nabij. De tijd is kort! (1 Kor. 7: 26-31)

2. Wij zijn niet in staat om de gevolgen van de zondeval zodanig in kaart te brengen dat wij op grond daarvan kunnen zeggen wat God na de zondeval heeft gehandhaafd en wat niet.34 We denken aan een in dit verband fundamenteel woord van de apostel Paulus, als hij zegt “dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is” (Rom. 8: 22). Er is alle reden om dat woord in z’n volle zwaarte te nemen. De zonde is, bijbels gesproken, meer dan een laagje vuil op iets dat daaronder nog gaaf bleef. Vanuit de (gevallen) wereld waarin wij leven hebben wij geen rechtstreekse toegang meer tot de schepping. Dat maakt dat we ernstig beperkt worden in onze mogelijkheden om uit de geschapen werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet, normatieve scheppingsbedoelingen af te leiden.

3. Tenslotte is de hele geschiedenis door het beroep op de schepping problematisch en zelfs hachelijk geweest. Het is meer dan eens voorgekomen dat vooraanstaande theologen uit bepaalde natuurlijke gegevens Goddelijke normen of voorschriften afleidden. Zo concludeerde A. Kuyper uit het feit dat er ongeveer evenveel mannen als vrouwen geboren worden, dat het Gods bedoeling is, dat in principe iedereen trouwt. En H. Bavinck meende dat vrouwen ongeschikt waren voor een universitaire opleiding, omdat menstruatieproblemen haar te veel zouden ophouden. Hoe redelijk deze argumenten de beide mannen ook in de oren geklonken mogen hebben, inmiddels zullen ze slechts weinigen nog overtuigen. Het afleiden van normen uit de


34 Douma, J., Grondslagen, 135 en 139; Loonstra, B., Zo goed, 78.

|79|

natuur blijft iets van willekeur houden. Dat geldt ook voor het afleiden van een norm uit de scheppingsordeningen van Gen 1 en 2. Zo gebiedt God in Gen. 1: 28 zijn zegen over de mens: “Vermenigvuldigt u en wordt talrijk. In het verleden zijn deze woorden naar voren gebracht als argument tegen geboorteregeling en het gebruik van voorbehoedmiddelen. Aangezien slechts weinigen dit tegenwoordig nog voor hun rekening zullen nemen, kunnen we ook dit naar voren brengen als een bevestiging van onze mening dat het beroep op de schepping in veel gevallen problematisch en discutabel is.

6.3.3 Conclusie

Onze conclusie is dat het beroep op de schepping volop mee heeft te doen in de bezinning op de verhouding tussen man en vrouw, maar dat dit beroep nooit als het eind van alle discussie naar voren gebracht mag worden. De prioriteit in de Schrift ligt daarvoor te zeer bij de voortgang van het heil in Christus. Kern van de bijbelse boodschap is niet het handhaven van ‘scheppingsordeningen’, maar het vestigen van Gods heerschappij in het leven van de mens. En stellig kunnen de van God gegeven ordeningen van het leven (huwelijk, ouderschap, etc) daaraan dienstbaar zijn en heel dikwijls zijn ze dat ook, maar doel in zichzelf zijn ze niet.
Terzijde: de betekenis van deze conclusie voor de interpretatie van Paulus’ beroep op Gen. 1 tot 3 zal in hoofdstuk 7 aan de orde komen.

 

6.4 Tussenbalans

Na deze lange gedachteketen vatten we de grote lijn van het voorgaande samen. Vervolgens willen we die aan een korte evaluatie onderwerpen.

6.4.1 Samenvatting

Uit het vorige hoofdstuk bleek, dat een centraal punt van bezinning binnen de gereformeerde gezindte de vraag is wat het blijvende en wat het tijdelijke is in de bijbelse voorschriften betreffende de man-vrouwverhouding. Van de in 5.3 genoemde thema’s kwamen in dit hoofdstuk tot nu toe met name de eerste twee aan de orde, te weten:
• de contextbepaaldheid van de bijbelse voorschriften en
• de betekenis van de scheppingsorde in de Bijbel.
De vraag rijst wat de bovenstaande behandeling van deze twee thema’s aan gezichtspunten heeft opgeleverd. We zetten een aantal zaken op een rij:
1. Het staat vast, dat in de Bijbel een nauwe verwevenheid bestaat tussen concrete voorschriften en de context waarbinnen zij gegeven werden.
2. Deze verwevenheid hangt samen met het karakter van de openbaring van God. God is met zijn openbaring ingegaan in het bestaan van mensen, Hij heeft hen opgezocht waar ze zitten, en heeft Zich aangesloten bij de cultuur waarin zij leefden.
3. Deze verwevenheid heeft tot gevolg dat een rechtstreekse toepassing van concrete bijbelse voorschriften in deze tijd veelal niet mogelijk en niet gewenst is.
4. Deze verwevenheid heeft niet tot gevolg, dat al die contextbepaalde voorschriften geen betekenis meer voor ons hebben. Een Schriftwoord kan in soms geheel andere omstandigheden een verrassend licht over het leven laten opgaan.
5. Deze verwevenheid heeft ook niet tot gevolg, dat wij daardoor in het onzekere verkeren omtrent Gods bedoeling met ons leven. Gods wil voor de mens van alle tijden en plaatsen is overal in de Bijbel met de handen te tasten. God Zelf, Zijn liefde en gerechtigheid en Zijn trouw en goedheid die Hij geopenbaard heeft in Zijn Zoon, vormen het kloppende hart van heel de Schrift.

|80|

6. Hoewel ook de schepping en de daarin gelegde ordeningen richtinggevend zijn voor de inrichting van het (sociale) leven van de mens, staat het vast, dat in de bezinning op de inrichting van het leven met het beroep op de schepping en de daarin gelegde ordeningen niet het laatste woord gesproken is.

6.4.2 Nieuwe overwegingen

Met de bovenstaande algemene gezichtspunten hebben we stellig een aantal wezenlijke zaken geformuleerd. Daarmee zouden we nu de overstap kunnen maken naar de voor dit rapport zeer wezenlijke vraag wat deze punten opleveren voor de bezinning op Paulus’ voorschriften betreffende de plaats van de vrouw in de gemeente. Wij zijn echter van mening dat nog steeds niet al het materiaal naar voren is gebracht dat nodig is om deze bezinning tot een bevredigend einde te brengen. We wijzen op enkele aspecten die door de bovenstaande hermeneutische uitgangspunten niet gedekt worden:
1. De bovenstaande uitgangspunten helpen ons in onvoldoende mate om de uitkomst van het exegesehoofdstuk een plaats te geven. We hebben wel gezien dat in de Bijbel op veel plaatsen Gods wil wordt bekendgemaakt op een wijze die sterk gestempeld is door de toenmalige cultuur, situatie en heilshistorische context. Maar hoe duiden we het gegeven, dat vanuit de exegese op verschillende manieren naar de kwestie gekeken kan worden?
2. Ook missen we nog een bezinning op de rol van het menselijke beoordelings- en onderscheidingsvermogen in de hele bezinning. Want — dat is inmiddels duidelijk — in heel het traject waarop we ons bevinden zijn wij mensen nadrukkelijk aanwezig. Biddend en werkend, lezend en luisterend, interpreterend en beslissingen nemend zijn wij mensen met de Schrift bezig. Onze rol is al met al heel groot. Te groot in bijbels licht?
3. Dit punt valt toe te spitsen op een heel ander aspect dat naar onze mening in de bezinning een rol moet spelen: de doorwerking van de emancipatie in het leven van veel christenen. Te denken valt allereerst aan het huwelijk. Het blijkt, dat de meeste christenen in onze samenleving daarin als gelijkwaardige partners met elkaar omgaan. De nieuwtestamentische ‘grondwet’ van de houding die een vrouw ten opzichte van haar man heeft in te nemen (“Vrouwen, weest uw man onderdanig”, Ef. 5: 22; Kol. 4: 18; Tit. 2: 5 en 1 Pet. 3: 1) speelt in de praktijk (vrijwel) geen rol meer. Ook zien zowel mannen als vrouwen niet waarom en hoe zij deze woorden gestalte zouden moeten geven. Binnen deze gelijkwaardige verhouding hebben ze een harmonie gevonden waarvoor ze God dankbaar zijn. Om het op de wijze van Rom. 14: 6 te zeggen: “Wie in het huwelijk gelijkwaardig met elkaar omgaan doen het om de Here, want zij danken God. En wie dat niet doen laten het na om de Here en ook zij danken God.” Te denken valt ook aan de wijze waarop mannen en vrouwen binnen onze kerken met elkaar omgaan in de (kerkelijke) vergaderzaal en op de bijbelkring. In de volle breedte van vrijwel het gehele kerkelijke leven doen zowel mannen als vrouwen volop mee in de gezamenlijke bezinning op de Schrift, op het beleid en op de uitvoering daarvan, zonder dat het geweten knaagt.


35 Ter illustratie hiervan een citaat uit het rapport van Rapport Deputaten Echtscheiding: “Zelfs de meest klassiek denkende vrouwen binnen de kerk zijn vandaag zelfstandiger en mondiger dan zij vroeger geweest zouden zijn” (20). Te wijzen valt ook op de uitkomst van de enquête, die in 1997 onder de achterban van de Evangelische Omroep gehouden is; zie Stoffels, H.C., Standvastig, maar niet onbewogen, in: De boodschap en de kloof. Communicatie van het Evangelie in een postmoderne tijd (samenstelling A.G. Knevel), EO 1997, 29-50.

|81|

In deze context is het begrijpelijk dat verschillende vrouwen ook hun gaven willen gebruiken in het ambtswerk van Christus’ kerk. Sommige vrouwen hebben gaven op diaconaal gebied, anderen vallen op door hun pastorale capaciteiten en weer anderen hebben gaven van inzicht en onderscheid der geesten, gebed en voorbede, bijbelkennis en -onderricht, wijsheid en profetie, bestuur en bemoediging. De veranderde verhouding tussen mannen en vrouwen nodigt ertoe uit om deze gaven op elk niveau voor de gemeente in te zetten.
De vraag is hoe we deze positieve beleving door christenen van een geëmancipeerde man-vrouwverhouding en de gevolgen daarvan moeten beoordelen. Moeten we die op het conto schrijven van de vervreemding van God en de ongehoorzaamheid, of mogen we deze veranderingen in de verhouding tussen man en vrouw nemen zoals we ze beleven, te weten als een zegen van God?

De positieve waardering geldt niet alleen de man-vrouwverhouding, maar ook de veranderde positie van de vrouw in de maatschappij.
In de laatste eeuw is ook aan meisjes de mogelijkheid geboden tot het volgen van beter en hoger onderwijs. Veel talenten en capaciteiten, door God aan vrouwen gegeven, konden vroeger niet tot ontwikkeling komen en bleven daardoor verborgen. Door de grote vlucht van het onderwijs in de laatste decennia aan meisjes en vrouwen zijn veel gaven tot ontwikkeling en ontplooiing zijn gekomen.
Daarbij kwamen nog enkele andere ontwikkelingen, waardoor vrouwen meer tijd kregen voor zaken die buiten de zorg voor gezin en kinderen liggen. De verbeteringen en uitvindingen op medisch gebied zorgden voor minder ziekte en gehandicapten in de gezinnen. De uitvinding van de pil en andere voorbehoedsmiddelen hadden als gevolg minder zwangerschappen en kleinere gezinnen. De mechanisatie van de huishoudens verminderde de tijd, die nodig was voor voorziening en bereiding van voedsel en zorg voor kleding en het schoonhouden van de woning. Door al deze ontwikkelingen heeft de vrouw meer tijd om buitenshuis te werken in de sector waarvoor zij is opgeleid en waar haar interesse ligt. Afgezien van het feit dat de verhouding tussen de zorg voor het gezin en het werk buitenshuis nog niet in alle gevallen ideaal te noemen is, voelen veel vrouwen zich gelukkiger nu zij haar gaven en specifieke capaciteiten in breder verband, ook buitenshuis kunnen inzetten.

Niets wijst er op, dat we in de hierboven genoemde ontwikkelingen met een voorbijgaand verschijnsel te maken hebben. Herman Bavinck heeft al aan het begin van de 20ste eeuw ingezien, dat met de opkomst van de vrouwenbeweging een onomkeerbaar proces op gang is gekomen.36 Hij schrijft: “De ziel der vrouw is ontwaakt, en geen macht ter wereld brengt haar terug tot de onbewustheid van weleer.”37 Met die ontwaking tot zelfbewustzijn is een proces begonnen, “dat zich doorzet en niet te keren is.”38 Van belang is, dat hij dit gegeven in een wijd historisch verband plaatst: “Wordt in de Schrift de verhouding van overheid en onderdanen, meesters en slaven, ouders en kinderen, man en vrouw nog op één lijn gesteld, in de loop van de tijd zijn al deze verhoudingen gewijzigd.”39 En: “Gezag en onderwerping... staan toch lang niet zoo scherp tegenover elkaar als in vorige tijden; ze naderen elkaar en komen tot zeker vergelijk.” En: “Overal en op elk gebied wordt de waarde en het recht der persoonlijkheid beter dan vroeger erkend.”40 Als de zaak er een kleine eeuw geleden al zo voorstond, hoeveel te meer is dat nu het geval.


36 In De vrouw in de hedendaagsche maatschappij, Kampen 1918.
37De vrouw, 74.
38De vrouw, 74.
39De vrouw, 76.
40De vrouw, 77.

|82|

Met de algemene gezichtspunten die we in dit hoofdstuk op het spoor zijn gekomen, zijn we wel enigermate, maar niet geheel in staat de bovenstaande vragen te beantwoorden. Daarom zetten we de bezinning op het Schriftverstaan nog verder voort.

 

6.5 De mens en zijn verantwoordelijkheid

In het voorgaande hebben we laten zien dat de bijbelse voorschriften nauw verweven zijn met de context waarbinnen zij gegeven werden. In de lijn van de christelijke traditie hebben we dit gegeven onder meer geduid vanuit de ‘accommodatio Dei’. We menen echter dat er nog een invalshoek is van waaruit we naar de contextbepaald van de Schriftgegevens kunnen kijken. Op basis van de bijbelse gegevens mag gesteld worden, dat er van Godswege niet alleen sprake is van een aanpassing aan de mens, maar ook van een ernstig nemen van de mens. De Almachtige past Zich aan ter wille van het verstaan, maar Hij houdt ook rekening met de positie die Hij de mens op aarde gegeven heeft. Hij heeft de mens naar Zijn beeld en gelijkenis geschapen, hem een koninklijke positie gegeven binnen zijn schepping. Daarmee heeft Hij aan de mens ook een eigen verantwoordelijkheid gegeven, en in het verlengde hiervan een bepaalde mate van vrijheid om zelf beslissingen te nemen, keuzes te maken en vorm aan het leven te geven. En daarop komt Hij, ondanks de diepe val van de mens, niet terug.
Hier loopt een lijn door de Bijbel, die begint op de eerste bladzijde van het Oude Testament en voltooid wordt op de laatste bladzijde van het Nieuwe Testament.

6.5.1 Het Oude Testament

In Ps. 115: 16 vinden we een woord, dat kenmerkend is voor de verhouding waarin de HERE God en de mens, de hemel en de aarde vanaf het begin van de schepping tot elkaar staan: “De hemel is de hemel van de HERE, maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven. Dat is nogal wat: de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven! Dat betekent niet, dat hemel en aarde los van elkaar staan. God, de Schepper en Onderhouder van de aarde, is juist ten zeerste betrokken op mens en wereld:
De HERE schouwt uit de hemel,
Hij slaat alle mensenkinderen gade;
uit zijn woonplaats ziet Hij
naar alle bewoners der aarde,
Hij, die hun aller harten vormt,
die al hun werken doorgrondt
” (Ps. 33: 13-15).
Hij zoekt de mens op, sluit verbonden, wil temidden van zijn volk wonen, zelfs Zelf Mens onder de mensen zijn, om uiteindelijk in de mens te komen, totdat de nieuwe hemel en de nieuwe aarde komt, waar de tent van God is bij de mensen en waarop zijn dienstknechten als koningen mogen heersen tot in alle eeuwigheden. Toch, ondanks deze intense verbondenheid van de hemel met de aarde en de volstrekte afhankelijkheid van de aarde van de hemel, geeft God de mens een bepaalde mate van zelfstandigheid ten opzichte van de hemel. Dat heeft te maken met de eigen plaats die God de mens op aarde heeft toebedeeld. De mens is door God geschapen als degene die in beperkte zin en heel in het klein mag doen wat de eeuwige God soeverein en in het groot doet: regeren over de schepping.

Verre van triomfalistisch, eerder verbijsterd, maakt Ps. 8 er notitie van dat God de mens met luister en heerlijkheid heeft gekroond. Alle misbruik van deze grote woorden wordt voorkomen door het refrein dat deze psalm omsluit: “O HERE, onze HERE, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde. Tot meerdere eer en glorie van God is de mens naar Gods beeld geschapen.

|83|

De relatieve zelfstandigheid van de mens binnen de schepping wordt in Gen. 2 nader uitgewerkt en geconcretiseerd. Te wijzen valt op Gen. 2: 5 (“er was nog geen mens om de aardbodem te bewerken”) en het bekende Gen. 2: 15 (“om die te bewerken en te bewaren”), maar sprekender nog is Gen. 2: 19: “En de HERE God formeerde uit de aardbodem al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels. Ook bracht Hij het tot de mens, om te zien hoe deze het noemen zou. De HERE God spelt de mens niet voor hoe hij de dieren noemen moet, maar geeft de ruimte om zelf een stempel op het geheel te zetten. Opvallend is het vervolg van deze zin: “... en zoals de mens elk leven wezen noemen zou, zo zou het heten. Dat God onze taal wil spreken is zijnerzijds geen concessie, maar ligt besloten in de plaats die Hij ons gegeven heeft.
Dit ernstig nemen van de mens spreekt verder uit tal van Schriftgegevens. Te denken valt bijvoorbeeld aan de gesprekken die Hij voert met Mozes (Ex. 3: 4-4: 17; 32 en 33; Num. 11: 10-17), enzovoort, enzovoort.
Kroongetuige voor de gedachte dat de HERE de mens ernstig neemt en volop laat meedoen bij de inrichting van het leven, is de wijsheidsliteratuur van het Oude Testament. In met name het Spreukenboek doen de menselijke levenservaring en oordeelsvorming volop mee in de bezinning op wat heilzaam is en wat niet.41 De mens die de HERE vreest wordt niet uitgeschakeld, maar met al zijn verstandelijke vermogens en met elk zintuig ingeschakeld bij het vinden van heilzame wegen door het leven.

6.5.2 Het Nieuwe Testament

Het Nieuwe Testament is de voortzetting en vervulling van het Oude. God zoekt zijn volk op. Hij zoekt de gevallen wereld op en brengt in Zijn Zoon verzoening tot stand. Vanuit de verzoening in Christus komt het echter ook tot vernieuwing. De mens wordt weer gezet op het spoor van de roeping waartoe hij door God geschapen is. Ook dit is in geen enkel opzicht cultuuroptimistisch bedoeld, noch triomfalistisch. Hoe zou dat kunnen, nu de weg tot deze vernieuwing loopt via het kruis van Jezus Christus! En toch zien we dat de gevallen mens die met Christus mocht opstaan uit het zondegraf door de Heilige Geest gebracht wordt tot een nieuw leven waarin hij de drager wordt van nieuwe en grote verantwoordelijkheden.

Om te beginnen wijzen we op Joh. 20: 21vv. Christus zendt zijn leerlingen de wereld in, zoals de Vader Hem zond. Hij geeft daartoe Zijn Geest, want zonder Zijn Geest kunnen zij niets doen. En dan geeft Christus een bevoegdheid die tekenend is voor de enorme verantwoordelijkheid die Hij Zijn kerk toevertrouwt: “Wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend” (vergelijk Mat. 16: 19 en 18: 18: “Wat gij op aarde binden zult, zal gebonden zijn in de hemelen, en wat gij op aarde ontbinden zult, zal ontbonden zijn in de hemelen”). Hierin proeven we iets van een op het allerhoogste niveau doortrekken van Gen. 2: 19 (“en zoals de mens elk levend wezen noemen zou, zo zou het heten”). De mens die in Christus is wordt hier tot medearbeider (1 Kor. 3: 9) van God gemaakt. In de uitvoering van deze taak ligt een enorme verantwoordelijkheid besloten. Een verantwoordelijkheid die slechts gedragen kan worden door mensen die leven uit Christus’ Geest.

Te denken valt hier zeker ook aan de centrale gedachten van Paulus in zijn brief aan de Galaten. Hij schrijft, dat wij door het geloof in Christus geen onmondige kinderen meer zijn (4: 1vv), geen slaven, maar zonen (4: 7). “Gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus” (3: 26). Het zoonschap wordt hier afgezet tegen de slavernij, die het gevolg is van de aanklagende functie van de wet; de wet, die de mens bepaalt bij zijn zonde (3: 10-13). Maar dat zoonschap, dat ons dankzij Christus ten deel is gevallen en dat wij dankzij de uitstorting van de Heilige Geest beleven (4: 6), behelst niet alleen een vrij zijn van de vloek van de wet, maar ook een vrij zijn van de wet zelf! Tenminste, van de wet als stelsel van regels en voorschriften, de “wet der geboden, in inzettingen bestaande” (zo interpreteren


41 Zie Mudde, J.M., Gij hebt, 148-151.

|84|

wij overeenkomstig Ef. 2: 15). Richtsnoer voor de christen blijft wel datgene waarvan “de gehele wet” (Gal. 5: 14) getuigt: de liefde, Gods liefde. Toch wordt het zoonschap in Christus nadrukkelijk niet getypeerd als een leven naar de wet, maar als een “wandelen door de Geest”. “Indien gij u echter door de Geest laat leiden, dan zijt gij niet onder de wet” (5: 18). Dit impliceert dat een mens niet doet “wat hij maar wenst” (5: 17), want dat is een werk van ‘het vlees’. Maar iemand die Christus Jezus toebehoort, heeft juist het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd (5: 24). “De vrucht van de Geest echter is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing” (5: 22). Tegen zodanige mensen is de wet niet (5: 23).

In dit verband willen we er met name de vinger bij leggen, hoe serieus in dat nieuwe leven het eigen ken- en beoordelingsvermogen van Christus’ volgelingen genomen worden. In Rom. 14: 1-15: 6 wordt de mens die leeft en sterft voor de Here (14: 7-8) zo volstrekt ernstig genomen, dat Paulus kan stellen: “Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd” (14: 5), en: “Zalig is hij die zich geen verwijten maakt bij hetgeen hij goed acht” (14: 22), en: “al wat niet uit geloof is, is zonde” (14: 23). En zelfs schrijft hij: “Ik weet en ben overtuigd in de Here Jezus, dat niets uit zichzelf onrein is; alleen voor hem die iets onrein acht is het onrein” (14: 14).

Terzijde: mochten we ons van de mate waarin we hier op aarde als mensen tot ontplooiing komen een al te optimistische voorstelling maken, dan houdt het gebed dat de Heer ons doet bidden ons wel met beide benen op de grond: “Vergeef ons onze schulden” en “Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. En de vaderen leren ons “dat zelfs de allerheiligsten in dit leven niet meer dan een klein beginsel van gehoorzaamheid hebben” (Heidelbergse Catechismus, Zondag 44, antw. 114). Een pijnlijke waarheid is hiermee onder woorden gebracht. Maar hoewel we in zekere zin steeds weer terug naar af moeten, naar het kruis van Christus namelijk, blijft tegelijk staan dat we zijn beelddragers zijn, geschapen in waarachtige gerechtigheid en heiligheid.

6.5.3 De bredere actualiteit van de bezinning op de menselijke verantwoordelijkheid

De bovenstaande gedachten zijn niet nieuw. Het thema van de menselijke verantwoordelijkheid heeft de laatste decennia ook binnen de kerken wel een bijzondere aandacht gekregen. Blijkbaar dringt het zich op, wordt het als vanzelf opgeroepen door de vragen waarvoor we staan.

Blijven we binnen de traditie waarbinnen wij zelf staan, dan kan gewezen worden op het gedachtegoed van K. Schilder, waarbinnen de eigen verantwoordelijkheid van de mens als beelddrager van God een heel centrale plaats heeft.42 Ook J. Douma benadrukt in zijn ethiek de mondigheid van de christen en de leiding door de Heilige Geest.43 Een mondigheid die niet individualistisch, maar binnen de gemeenschap der heiligen over tijd en plaats heen beleefd wordt.
Te wijzen valt op het werk van H.G. Geertsema, die in zijn beschouwingen een grote nadruk legt op de mens die door God geschapen is om antwoordend en verantwoordelijk te leven. A. van der Dussen heeft in het kader van de bezinning op de vrouw in het ambt


42 Zie Veldhuizen, P., God en mens onderweg. Hoofdmomenten uit de theologische geschiedbeschouwing van Klaas Schilder, Leiden 1995, 161-165, in het bijzonder 164.
43Verantwoord handelen, 60-61. Zie ook Grondslagen, 115-119. Passages uit dit boek werken ook door in Rapport Deputaten Echtscheiding, 48.
44 Zie o.a. Geertsema, H.G., Homo respondens. Het historische karakter van de menselijke kennis, in Het menselijk karakter van ons kennen, Amsterdam 1992, 102-156, m.n. 131vv; Idem, Achtergronden van en uitweg uit de impasse van de gereformeerde theologie, in Brink, G. van den, Geertsema, H.G., Hoogland, J. e.a., Filosofie en theologie, een gesprek tussen christenfilosofen en theologen, Amsterdam 1997, 82-105. Maarten J. Verkerk heeft in Sekse als antwoord, Amsterdam 1997, 209-234 de gedachten van Geertsema vruchtbaar gemaakt voor zijn bezinning op het man en vrouw-zijn.

|85|

gepleit voor de erkenning van ‘de christelijke autonomie’.45 Deze christelijke autonomie mag niet verward worden met die van de natuurlijke mens. Ze ligt in de lijn van Rom. 8: 1546 en is vrucht van een leven van omgang met de HERE.47 Ook bij J.M. Mudde staat de aandacht voor de eigen menselijke verantwoordelijkheid en de wijze waarop die gedragen dient te worden, centraal. Hij typeert die als een verantwoordelijkheid in afhankelijkheid.48 Tenslotte stelt ook B. Loonstra in Zo goed en zo kwaad voortdurend de menselijke verantwoordelijkheid en de mondigheid van de mens aan de orde.49 De wijze waarop hij hierover spreekt ligt in de lijn van het bovenstaande.50
Waar het om gaat, is dat de gedachten gestuwd lijken te worden in de richting van mondigheid en verantwoordelijkheid. Maar dan wel een verantwoordelijkheid, die door de mens gedragen wordt op een wijze die God behaagt.

 

6.6 Relevantie van de bezinning op de menselijke verantwoordelijkheid

De vraag rijst welke winst deze bezinning op het bijbelse mensbeeld en in het bijzonder die op de eigen menselijke verantwoordelijkheid oplevert.
We herinneren hier aan paragraaf 6.4.2, waar we vaststelden dat er drie voor onze bezinning relevante vragen overbleven die met behulp van de daarvóór geformuleerde hermeneutische uitgangspunten nog niet beantwoord konden worden:
1. Hoe moeten we het in het licht van de Bijbel duiden dat vanuit de exegese op verschillende manieren naar de kwestie van de vrouw in het ambt gekeken kan worden?
2. Is de menselijke inbreng niet veel te groot?
3. Wat te doen met het gegeven dat de geëmancipeerde wijze waarop mannen en vrouwen in onze samenleving met elkaar omgaan in huwelijk en kerk door talloze christenen als een zegen ervaren wordt?
We menen dat zicht op de eigen verantwoordelijkheid, die de mens van God gekregen heeft, kan helpen om deze vragen te beantwoorden.

6.6.1 Het open karakter van de Bijbel

Hoofdstuk 4 mondde uit in de conclusie dat het — naar de mening van de commissie — noch voor- noch tegenstanders van de vrouw in het ambt gelukt is om alle Schriftgegevens betreffende de plaats van de vrouw in de gemeente in één overtuigend totaalplaatje onder te brengen. Voordat we aan deze conclusie consequenties verbinden, willen we er met nadruk op wijzen dat zij niet op zichzelf staat. Zou dat wél het geval zijn en zouden we hier dus met een incident te maken hebben, dan ligt het voor de hand om over te gaan tot een nog grondiger en intensiever bestudering van de Schriftgegevens. In


45 Zie Apostolisch gezag. Een pleidooi voor christelijke autonomie, in Kontekstueel 13/5 (1999)5, 11-15.
46 Dussen, A. van der, Apostolisch gezag, 15.
47 Dussen, A. van der, Apostolisch gezag, 16.
48 Mudde, J.M., Verantwoordelijkheid in afhankelijkheid, in Opbouw 41 (1997) nr. 10-13.
49 Loonstra, B., Zo goed, 76vv, 91-96; 161-165 en in de samenvatting van de belangrijkste resultaten van het boek op 216.
50 “De schepping van de mens naar Gods beeld blijkt het toekennen van verantwoordelijkheid in te houden, in de eerste plaats ten opzichte van God, om zijn vertegenwoordiger te zijn in het beheer over de schepping, en vervolgens ten opzichte van elkaar. Het dragen van verantwoordelijkheid brengt met zich mee: rekenschap geven van je daden, of je hebt beantwoord aan je opdracht.” (Zo goed, 76). “Uit de woorden van Jezus is af te leiden dat iedere gelovige een eigen verantwoordelijkheid heeft tegenover Hem. ... Het ouderlijke gezag en het ambtelijke gezag hebben deze eigen verantwoordelijkheid te respecteren. Uit de benadering door Paulus van kwestieuze zaken in de gemeente blijkt dat ook hij die eigen verantwoordelijkheid respecteert.” (Zo goed, 161)

|86|

werkelijkheid echter staat deze conclusie niet op zichzelf. Wie in alle ernst z’n leven wil inrichten op basis van de Bijbel, Gods Woord, stuit op het feit dat het dikwijls niet meevalt om precies te bepalen wat in tal van aangelegenheden in de meest rechtstreekse zin van het woord ‘bijbels’ is.

Dat heeft een aantal oorzaken:
1. De reeds uitvoerig besproken contextbepaaldheid van de bijbelse regels en voorschriften, zie hoofdstuk 6.1.
2. De moeite die er bestaat, om in de weg van de exegese de bijbelse gegevens met elkaar sporend te krijgen. Naar onze mening is dat niet alleen het geval ten aanzien van de vrouw in het ambt, maar ook van andere niet onbelangrijke kwesties. Te denken valt bijvoorbeeld aan de manier waarop de sabbat en de zondag zich tot elkaar verhouden; de posities die binnen de kerken ingenomen worden, vertonen opmerkelijke parallellen met die welke verdedigd worden ten aanzien van de vrouw in de gemeente. Sommigen menen op grond van met name Gen. 1 en Ex. 20: 8-11, dat het onderhouden van de sabbat een scheppingsordening is. Anderen ontkennen dit, met name op grond van Ex. 31: 12-17, de vergelijking van Ex. 20: 11 met Deut. 5: 14b-15, Ez. 20: 10-24 en Kol. 2: 16-17. Uit deze Schriftplaatsen maakt men op, dat de sabbat het verbondsteken was voor het volk van het oude verbond, dat niet meer geldig is voor het volk onder het nieuwe verbond. Een scheppingslijn en een heilshistorische lijn, zo blijkt. Onze neiging zal zijn te gaan kiezen en — net als bij de kwestie van de vrouw in het ambt — de gegevens van de ene lijn te gaan inpassen binnen het raamwerk van de ander. Maar lukt dat ooit geheel? Ook andere niet onbelangrijke onderwerpen zijn er, waarvan het de kerk van Christus niet wil lukken om op basis van gezamenlijke en grondige exegese tot een eensgezind standpunt te komen. Te denken valt onder andere aan de Schriftgegevens betreffende de eed, de doop, de visie op Israël, het spreken in tongen, en de ambten.
3. Dan zijn er tal van niet-onbelangrijke zaken waarin ons onvoldoende Schriftgegevens ter beschikking staan om tot een precieze bepaling te komen van wat bijbels is. Te denken valt bijvoorbeeld aan de vraag of kinderen deel mogen nemen aan het avondmaal. Sommigen menen dat de kinderen van de gemeente, om dezelfde reden als waarom zij gedoopt worden, ook deel moeten nemen aan de viering van het avondmaal. Anderen echter menen op grond van 1 Kor. 11: 28vv dat kinderen dat niet mogen, omdat zij een gebrek aan onderscheidingsvermogen hebben. Feitelijk echter zijn er dusdanig weinig Schriftgegevens die rechtstreeks op deze aangelegenheid betrekking hebben, dat het onmogelijk is op basis van exegese alleen een standpunt in deze kwestie te bepalen. Een ander punt is de vraag hoe de gemeente van Christus aan ambtsdragers komt. Wie de Bijbelse gegevens hierover op een rijtje zet komt tot de conclusie dat er niet één manier is waarop dit kan of dient te gebeuren. Men leze respectievelijk Hand. 1: 21-26 (het lot werpen), 6: 3-6 (door de gemeente laten kiezen), 9: 15 (door de Heer laten aanwijzen), 13: 2 (door de Heilige Geest aangewezen); 1 Tim. 3: 1 (zelf naar ‘solliciteren’) en Tit. 1: 5 (door een andere ambtsdrager laten aanstellen).
4. Tenslotte staan we voor het feit, dat in onze tijd tal van ethische kwesties aan de orde zijn, die onmogelijk met een direct beroep op de Schrift beslecht kunnen worden, om de eenvoudige reden dat die zaken toen niet speelden. Te denken valt bijvoorbeeld aan het gebruik van massavernietigingswapens — een kwestie die ook de orthodoxe christenheid een 20-tal jaren geleden ernstig verdeelde. We denken ook aan de ethische vragen rond geboorteregeling, IVF, KID, homofilie en dergelijke.

Inzicht in Gods bedoeling met de mens helpt ons om dit fragmentarische en tegelijk open karakter van de Schrift te plaatsen en op zijn waarde te schatten. Bij Gods bedoeling met de mens past geen Bijbel, die ons zin voor zin voorschrijft hoe te leven. Dat is — boud gesproken — beneden de stand, beneden het niveau waarop God met ons wil omgaan. J. Douma schrijft: “Dat we over veel dingen moeten nadenken en niet overal een antwoord op hebben, is geen schande, maar juist onze eer.”51


51 Verantwoord handelen, 70.

|87|

Dat betekent niet — we voegen het er ten overvloede aan toe — dat de Bijbel ons in het ongewisse zou laten over Gods bedoeling met ons leven. De Bijbel verschaft de mens een basis en bevat meer dan genoeg oriëntatiepunten om ons te helpen het leven te leven op het niveau van Gods diepste bedoelingen, zie 6.2.3. En het machtige van de Bijbel is dat juist de talloze (contextbepaalde) details van dit Boek ons voortdurend op nieuwe gedachten brengen en verassende perspectieven openen.

6.6.2 De menselijke inbreng

Het laat zich indenken, dat er christenen zijn die de neiging voelen afstand te nemen van het voorgaande. Immers: wat is de rol van het menselijke beoordelings- en onderscheidingsvermogen in deze hele bezinning groot. Karikaturaal gesproken leidt dat tot het volgende: ‘Neem een bijbels voorschrift, trek daar de cultuur van af, bepaal vervolgens de invloed van de (heilshistorische) situatie, houdt daarbij rekening met de andere bijbelse grondlijnen en de eigen situatie waarin wij leven en wat je dan overhoudt is de wil van God voor ons leven ...’ Mogen we zo met de Bijbel, met Gods Woord, bezig zijn? Kan het niet geestelijker, profetischer, rechtstreekser en daardoor krachtiger?
Dit gevoel zal door velen herkend worden. Toch, gegeven de evidente contextbepaaldheid van de bijbelse voorschriften en het open karakter van de Bijbel, is het onmogelijk de menselijke inbreng in de omgang met de Bijbel en de bijbelse voorschriften uit te schakelen. Niemand kan daar omheen. Wij benadrukken echter dat vanuit de Bijbel zelf een heilzaam licht over ons bezig-zijn valt. De menselijke inbreng ligt in het verlengde van de verantwoordelijkheid die de HERE de mens heeft gegeven, en het zweten en zwoegen zijn de ‘dorens en distels’ waarmee hij of zij in elke arbeid te maken heeft.52 Maar elke arbeid kan op een gegeven moment vrucht dragen. Naar we hopen ook deze.
Hierover ook nog het volgende. In het bovenstaande schetsten we een karikatuur van hoe ons rapport opgevat zou kunnen worden. Alsof de bezinning op het Schriftverstaan en in het bijzonder de toepassing van de bijbelse voorschriften in ons leven niet meer dan de toepassing van een technisch procédé zou zijn. Er is echter geen sprake van dat de inbreng en inzet van de mens losgedacht mag worden van een voortdurende overdenking van het geheel van de Schriften zelf en een voortdurend gebed om en ontvankelijkheid voor de leiding van de Heilige Geest. Die liggen ook aan de basis van dit rapport.

6.6.3 Ruimte voor beproefde ervaringen

De derde vraag luidde hoe de positieve beleving van de geëmancipeerde man-vrouwverhouding beoordeeld moet worden. Veel christenen ervaren het als een geschenk van God, dat vrouwen in deze tijd in staat gesteld worden hun gaven en talenten, die zij bij hun geboorte van hun Schepper hebben meegekregen, kunnen ontwikkelen en die naast de man breed kunnen inzetten voor kerk en maatschappij. Is dit een teken van vervreemding van de Schrift en ongehoorzaamheid aan God? Wij denken van niet. Als we letten op wat de Bijbel ons leert over de mens en de eigen verantwoordelijkheid die de HERE God hem geschonken heeft, menen wij als commissie dat deze positieve beleving in de bezinning juist een rol mag spelen. Het feit dat vrome christenen, die geleerd hebben de zonde te haten en de gerechtigheid lief te hebben, de veranderde man-vrouwverhouding als een weldaad ervaren, mogen we laten meewegen. Van belang is,


52 Ds. G. Visee schreef hierover een waardevol artikel waarin op treffende wijze zowel de moeite van de menselijke kennisverwerving als de betekenis daarvan onder woorden wordt gebracht. Zie ‘Enkele vragen betreffende de Goddelijke en de menselijke factor in de Heilige Schrift’, in de bundel Onderwezen in het Koninkrijk, Kampen 1979, 307-331.

|88|

dat deze positieve beleving niet het gevolg is van de waan van de dag. We hebben met beproefde ervaringen te maken. En beproefde ervaringen, die verwerkt zijn in de ‘vreze des HEREN’, mogen — zo blijkt uit de wijsheid van het Spreukenboek — volop meedoen bij de inrichting van het leven. Het is één van de manieren waarop een mens ‘feeling’ houdt met de schepping (zie in 6.3.2 onder stelling 1).

Aandacht verdient in dit verband wat J. Douma heeft geschreven over allerlei veranderingen die door christenen als evidente verbeteringen worden ervaren, hoewel ze niet rechtstreeks op de Schrift terug te voeren zijn. “Mannen en vrouwen, ouders en kinderen, overheid en onderdanen gaan nu anders met elkaar om dan in bijbelse tijden.”53 Ten gevolge van de verandering in familieverhoudingen, de ontwikkeling en verfijning van de juridische wetgeving, de opkomst van de mensenrechten, de doorwerking van de democratie is het ook onmogelijk geworden om nog terug te keren naar omstandigheden die we in de bijbelse tijd aantreffen. Douma: “In het aan ons ‘opdringen’ van ontwikkelingen die wij evident goed vinden, mogen we het werk van God en zijn Geest bespeuren. Wij kennen God uit de bijzondere openbaring in de Heilige Schriften; maar wij kennen Hem ook zoals Hij zich in de schepping en in de geschiedenis van de wereld openbaart.” Nadrukkelijk stelt Douma overigens dat dit geen kwestie is van wat ‘men’ goed vindt. "Maar er zijn ook zaken die zich aan anderen en aan ons als goed opdringen, terwijl wij ze tegelijk in verband kunnen brengen met Gods leiding van de geschiedenis, tot beteugeling van het kwaad en tot ontplooiing van het goede.”54 Hoewel Douma de beleving van de geëmancipeerde man-vrouwverhouding in dit verband niet expliciet noemt, sluiten wij niet uit dat hij ook hieraan denkt, gegeven zijn opmerking dat ook mannen en vrouwen anders met elkaar omgaan dan in bijbelse tijden.55

 

6.7 Conclusie

In het bovenstaande hebben we uiteengezet dat wij, mensen, die naar het beeld van God geschapen zijn, een verantwoordelijke positie hebben gekregen binnen Gods schepping. We mogen — voorbij het kruis van Jezus Christus — deelnemen aan Gods werk met inzet van alle aan ons geschonken gaven. We mogen meedoen, luisterend naar Gods Woord en elkaar, dicht bij de schepping levend, biddend en zwoegend en ons open stellend voor Gods Geest, die ons steeds weer wegen wijst door de tijd.
Deze conclusie helpt ons het in menig opzicht zowel fragmentarische als open karakter van de bijbelse regelgeving te plaatsen en op zijn waarde te schatten. De Bijbel is geen spoorboekje, omdat bij Gods bedoeling met de mens geen Bijbel past, die de mens zin voor zin voorschrijft hoe te leven.
Deze conclusie is ook van betekenis voor onze omgang met de bijbelse voorschriften en de wijze waarop wij die toepassen in ons leven. ‘Bijbels’ is niet gelijk aan het — met uitschakeling van de eigen kennis, gevoelens en ervaring — zo rechtstreeks mogelijk toepassen van de bijbelse voorschriften. ‘Bijbels’ is het om te leven met Gods Woord en uit de volheid van de Godsopenbaring, met inschakeling van alle door de HERE God ons gegeven mogelijkheden.

Laten we nu zien welke winst de bezinning op het schriftverstaan in dit en in het voorafgaande hoofdstuk oplevert voor de kwestie van de vrouw in het ambt.


53Grondslagen, 99vv.
54Grondslagen, 100.
55Grondslagen, 99.