|55|

 

5 Van Schriftuitleg naar Schriftverstaan

 

In het vorige hoofdstuk gingen we uitvoerig in op de uitleg van de Bijbelteksten waarop voor- en tegenstanders van de vrouw in het ambt zich beroepen: 'de exegese in de strikte zin van het woord'. In de bezinning spelen echter tal van andere dan exegetische argumenten een rol, die soms van beslissende betekenis zijn voor de standpuntbepaling.1 In dit hoofdstuk willen we die argumenten in kaart brengen en de eigen aard ervan benoemen. Ook gaan we in op de vraag of, en zo ja in welke mate deze argumenten bespreking behoeven in ons rapport. Om te beginnen willen we concreet aangeven om welke argumenten het gaat.

 

5.1 De hermeneutische bezinning in onze kerken en in de CGK

5.1.1 Het blijvende en tijdelijke in de bijbelse voorschriften

In het rapport van Arnhem lezen we de vraag: “Zijn deze teksten bedoeld als overal en altijd geldende richtlijnen, of gaan ze in op heel specifieke situaties en zijn ze niet algemeen van toepassing voor onze situatie?”2 Het is duidelijk dat het in deze vraag niet zozeer gaat over de juiste uitleg van de teksten, als wel over het juiste gebruik en de juiste toepassing daarvan. Het antwoord op deze vraag veronderstelt daarom niet alleen exegetische bekwaamheid, maar vooral inzicht in de boodschap van de Bijbel als geheel.

Wanneer we nagaan hoe deze vraag door Arnhem en door andere kerken beantwoord wordt, krijgen we het volgende beeld.

Cultuur- en situatiebepaald3
Arnhem zelf heeft vanuit twee invalshoeken naar het vraagstuk gekeken, te weten die van de exegese en die van het verschil in situatie en cultuur tussen de Bijbel en ons. Deze invalshoeken samen leiden tot de volgende gedachtegang:
Exegese wijst uit, dat Paulus’ voorschriften cultuurbepaald zijn.
Aangezien wij in een andere cultuur leven, waarin man en vrouw in principe gelijkwaardig zijn, is er voor ons geen bezwaar om in deze tijd vrouwen toe te staan een ambt te bekleden.4
In het besluit van Heemstede-Haarlem is alleen al het verschil in cultuur en situatie van doorslaggevende betekenis voor de standpuntbepaling. In een brief aan de gemeente schrijft de raad: “... onze tijd, cultuur en situatie zijn zo anders dan die waarin Paulus het ambtelijk functioneren van vrouwen in het ambt van oudste verbood, dat een klakkeloze toepassing van die voorschriften onrecht zou doen aan onze eigen verantwoordelijkheid hier en nu te zoeken naar eigentijdse toepassing van de bijbelse boodschap.”5


1 In het vorige hoofdstuk maakten we hierop reeds attent, zie het slot van paragraaf 4.1.
2 Zie Acta Doorn 1998, 179.
3 In de nu volgende weergave van reacties uit die we uit de kerken ontvingen, worden herhaaldelijk de woorden ‘cultuur’ en ‘situatie’ gebruikt. We vestigen er de aandacht op, dat deze twee onderscheiden dienen te worden. Onder ‘cultuur’ verstaan we de menselijke vormgeving van het leven in de breedste zin van het woord, de ‘beschavingstoestand’. Onder een ‘situatie’ verstaan we de omstandigheden, waarin iemand of iets zich op een bepaald tijdstip bevindt. Cultuurbepaald is daarom niet hetzelfde als situatie-bepaald.
4 Acta Doorn 1998, 198-201, m.n. 201. Zie ook A.2. Idem Culemborg, zie A.5.3 en Eindhoven, zie A.5.5. Het cultuurbepaalde speelt verder een rol bij Dordrecht en Utrecht, zij het niet als zelfstandig argument, maar als gevolgtrekking: Paulus’ voorschriften zijn evident situatie- en cultuurbepaald en daarom hoeven zij in onze heel andere cultuur en situatie niet op dezelfde wijze toegepast te worden. Zie A.5.4 en A.5.9.
5 Zie A.4.

|56|

Tegelijk zijn er kerken die benadrukken dat aan het verschil in cultuur geen, of geen grote, betekenis mag worden toegekend.
Langerak: “Tijdens de avond over een aantal teksten concludeerden we, dat een aantal zaken, zoals letterlijk zwijgen, betrekking hebben gehad op een specifieke plaats en tijd (zie ook Ef. 6: 5.) Het hoofdschap is echter gebaseerd op de schepping en derhalve niet aan plaats of tijd geboden.”6
Urk schrijft over de verantwoording van Arnhem: “Wat ons daarin vooralsnog stoort, is de manier waarop de cultuur-wereld van toen vergeleken met die van vandaag, min of meer als hermeneutische sleutel wordt aangewend. In de Bijbel is sprake van een ander cultuurpatroon dan dat in onze dagen en daarom zijn wij niet meer gehouden aan zaken die in de Bijbel cultuur-gebonden zijn. Vraag is dan wel: wie maakt uit wat wel of niet cultuurgebonden is?”7
Zalk en Veecaten schrijft over het rapport van Arnhem: “Exegetisch, maar vooral hermeneutisch is er teveel af te dingen op het rapport. Natuurlijk is de Bijbel in een bepaalde cultuur geschreven. Maar de betreffende voorschriften van Paulus overstijgen nu juist de cultuur, doordat hij ze baseert op de nog ongecultiveerde schepping.”8

Heilshistorisch bepaald?
In de jaren tachtig schreef Eindhoven een rapport dat in de Akta van de LV Dronten is opgenomen.9 Een belangrijke rol speelde daarin de gedachte dat de HERE God in een historisch proces van vele eeuwen, in de weg van de geleidelijkheid, een einde heeft gemaakt aan de scheefgroei die door de zonde in de man-vrouwverhouding is ontstaan. Ook werd gesteld, dat de gemeente van Christus in deze tijd geroepen is Gods heilsplan voor man en vrouw verder tot realisering te brengen. In de stukken die wij uit de kerken ontvingen, treffen we nog slechts enkele sporen aan van een aansluiten bij of een discussie over deze ‘heilshistorische’ invalshoek.10
Urk overigens neemt een precies tegengestelde tendens waar: “Wij zijn echter van mening, dat de voorbeelden van zelfstandig optredende vrouwen in de Bijbel niet veel te zeggen hebben over de onderhavige kwestie. (..) Door algemene gevolgtrekkingen uit bijzondere situaties, wordt het zicht op de voortgaande geschiedenis van God met Zijn Kerk onder Oud en Nieuw Verbond op z'n minst vertroebeld. (..) Paulus zegt op een beslissend moment in de Kerkgeschiedenis: “De vrouwen moeten in de gemeente zwijgen”.”11

5.1.2 Kerk en wereld

Naast deze argumenten die de juiste omgang met en toepassing van de bijbelse gegevens betreffen, worden in de bezinning ook heel andersoortige argumenten ter sprake gebracht.
Te denken valt aan de verhouding waarin kerk en wereld tot elkaar staan. Het rapport van Arnhem stelt: “We mogen de laster van onze samenleving niet onnodig over ons heen halen”12. Waarop Zalk en Veecaten reageert: “Dat wereldgelijkvormigheid een bedreiging voor onze gemeenten kan vormen — een aspect dat absoluut aandacht moet krijgen


6 Zie A.5.7.
7 Zie A.4.
8 Zie A.4.
9 Zie Akta van de Landelijke Vergadering van de Nederlands Gereformeerde Kerken te Dronten 1988, Amsterdam 1989, 39-50.
10 Dit waren een brief van mw. Holwerda-van ’t Veer, die de kerk van Ede ons stuurde, het huidige stuk van Eindhoven en het stuk van Amsterdam.
11 Zie A.4.
12 Zie Acta Doorn 1998, 193. Vergelijk 179. Zie ook A.2.

|57|

in de onderhavige discussie — laat men volledig buiten beschouwing.”13 En Zaandam schrijft: “Het evangelie verdraagt geen compromis met de samenleving.”14 Te denken valt ook aan de wijze waarop we de emancipatie van vrouwen hebben te beoordelen. Urk vraagt: “Was het wel goed, dat in de samenleving de positie van de vrouw werd, zoals ze geworden is? Zitten er alleen maar positieve kanten aan de emancipatie van de vrouw?”15 Culemborg stelt: “Meer dan eens moesten eerst een cultuur de schellen van de ogen vallen, moest er eerst aandacht voor maatschappelijke nood of een maatschappelijk tekort gevraagd en verworven worden, alvorens de ogen opengingen voor schatten in de Schriften waar eerder overheen gelezen was.”16 Eindhoven tenslotte benoemt beide kanten: Enerzijds worden de vruchten van de emancipatie door christenen dankbaar geplukt, anderzijds zijn de ideologische motieven van de vrouwenemancipatie vreemd aan het evangelie.17

Uit deze citaten blijkt, hoezeer wij als mensen van deze tijd zelf ook meekomen in de beoordeling van 'de vrouw in het ambt'. Hoe komt het dat de balans bij de één doorslaat naar een keuze vóór de vrouw in het ambt en bij een ander tégen? Hoe komt het, dat standpunten gaandeweg bijgesteld kunnen worden? Hoe komt het, dat voorstanders zelfs tegenstanders kunnen worden en omgekeerd? Naar onze overtuiging ontkomen we er niet aan de verklaring hiervoor mede te zoeken in andere dan exegetische factoren. Niet alleen iemands leeservaring, maar ook zijn of haar levenservaring, persoonlijke beleving, beoordeling van maatschappelijke ontwikkelingen en de keuze van het hart spelen een rol. Juist bij een vraagstuk als dat van de vrouw in het ambt doet dit alles evenzeer mee als het lezen van de Schrift ‘op zich’.
Dat wil niet zeggen dat de uitkomst van de bezinning uitsluitend op dergelijke factoren terug te voeren zou zijn; alsof exegese niet meer is dan een verlengstuk van onze menselijke vooronderstellingen. Maar in de accenten die we leggen, juist als we de balans opmaken, spelen factoren als deze wel mee. Het zou zelfs wel eens zo kunnen zijn, dat we elkaar nooit zullen verstaan, als we de bezinning beperken tot het niveau van de exegese alleen.

5.1.3 Hermeneutische argumenten

De bovengenoemde argumenten laten zich typeren als ‘hermeneutisch’.18 Deze aanduiding wordt ook door de kerken gebruikt; en meer dan één kerk spreekt in dat verband de wens uit dat we ons als kerken op deze hermeneutische argumenten zullen bezinnen, vanwege de invloed die zij uitoefenen op de standpuntbepaling.

Barendrecht schrijft: “(..) dat de hermeneutische bezinning wel terdege gevoerd moet worden. Want blijven de blijkbaar veranderde inzichten in de hermeneutiek wel zonder gevolgen voor andere terreinen van ons geloof?”19 Amsterdam grijpt terug op een brief uit 1984 waarin o.a. staat te lezen: “Maar beiden, voor- en tegenstanders van de vrouwelijke ouderling, zijn het erover eens dat we het begrip ‘tijdgebondenheid’ als uitlegkundige sleutel,


13 Zie A.4.
14 Zie A.4.
15 Zie A.4.
16 Zie A.5.3.
17 Zie A.5.5.
18 Het rapport van Arnhem introduceert de term ‘hermeneutiek’. De hermeneutische bezinning vormt ook de kern van dat rapport. Zie Acta Doorn 1998, 188vv. Zie ook A.2.
19 Zie A.3. Amstelveen zegt hetzelfde, zij het meer impliciet, zie A.4.

|58|

vooral in zijn gevolgen, niet kunnen overzien. Immers, hoe voorkomen we dat vitale delen van de Schrift met behulp van deze zelfde sleutel van hun kracht worden beroofd?”20 En Urk schrijft: “Het komt ons toch voor, dat zich een emancipatie-drang aangediend heeft, die de hermeneutiek (uitlegregels) en de exegese (uitleg) onder druk zet. Helaas is de discussie over het functioneel Bijbellezen, de ‘nieuwe’ hermeneutiek, niet voortgezet na de LV van Apeldoorn.”21

5.1.4 De rapporten van de Christelijke Gereformeerde Deputaten (1998)

Ook in het meerderheids- en minderheidsrapport van de CG Deputaten speelt een bezinning op de hermeneutiek een rol, centraler zelfs dan in de meeste rapporten en reacties die we uit onze kerken ontvingen.22 In kleine letters geven we hieronder een korte weergave daarvan. Ten eerste, omdat daaruit blijkt, dat in deze zusterkerken dezelfde bezinning plaatsvindt, en ten tweede omdat die bezinning heel helder maakt hoe ingrijpend de verschillen zijn en vanaf welk punt de meningen uiteen lopen.

Overeenkomsten tussen meerderheids- en minderheidsrapport
Gaan we de beide rapporten langs, dan vallen de volgende overeenkomsten op.23 Beide stellen dat de Schrift meer dan een mensenwoord is, omdat zij Gods Woord is. Beide wijzen in vrijwel gelijke bewoordingen zowel een omgang met de Schrift af, die afbreuk doet aan de Bijbel als Gods Woord, als fundamentalistische en biblicistische Schriftopvattingen, waarbij niet of nauwelijks oog is voor de historisch-culturele setting en de heilshistorische verbanden. Beide stemmen in met de opvatting van H. Bavinck, die met zijn leer van de organische inspiratie aandacht vroeg voor de wijze waarop de Heilige Geest mensen met hun eigen vermogens heeft ingeschakeld bij de totstandkoming van de Schrift. Beide benadrukken, dat de hermeneutiek geen eigen leven mag gaan leiden, maar in het nauwste contact met de exegese groeien moet. Beide hanteren dezelfde uitgangspunten in de omgang met en uitleg van de Schriften24, te weten:
1. dat de Schriften Woord Gods zijn
2. dat wij geheel en al zijn aangewezen op de leiding van Gods Geest
3. dat de Schriften zichzelf uitleggen
4. dat de Schriften een hart hebben en een omtrek
5. dat de boodschap van de Schrift tijdbetrokken is
6. dat de Schriften een heilshistorische interpretatie vragen
7. dat wij te rekenen hebben met de verschillende literaire genres in de Schriften.

Verschillen tussen meerderheids- en minderheidsrapport
Naast deze overeenkomsten zijn er ook verschillen tussen de beide rapporten.
Zo wil het meerderheidsrapport “op een onbevangen en tegelijk voorzichtige wijze” over de scheppingsordeningen spreken. Het benadrukt ook, dat we weliswaar niet voorbij kunnen en mogen gaan aan de cultureel-historische setting van de Bijbel, maar dat Gods Woord niet is opgesloten in die culturele omstandigheden. Met name wordt in dit verband gesteld: “Bij een te grote nadruk op de culturele context van de Bijbel als een hermeneutische


20 Zie A.5.2.
21 ZieA.3.
22 Dit blijkt uit een drietal gegevens. Ten eerste gaat in beide rapporten de bezinning op de hermeneutiek aan de exegese vooraf. Daarin wordt de uitgangshouding bepaald voor de lezing van de Schriften. Ten tweede is die bezinning uitvoerig. Tenslotte — en dat met name onderstreept de betekenis van deze hermeneutische bezinning — gaan het meerder- en minderheidsstandpunt in het hoofdstuk over hermeneutiek uiteen.
23 Zie voor het meerderheidsrapport V&A, 48-57 en voor het minderheidsrapport V&A, 102-108.
24 Zie V&A respectievelijk 54-57 en 107. Beide rapporten sluiten aan bij de leesregels die door H.G.L. Peels zijn opgesteld in het artikel Het Woord is leven — over de Heilige Schrift, in Gegrond geloof, Kernpunten uit de geloofsleer. In bijbels, historisch en belijdend perspectief, red. G. van den Brink, M. van Campen & J. van der Graaf, Zoetermeer 1996, 81-86.

|59|

belemmering voor het verstaan van de openbaring van God, dreigt het gevaar van een onkritisch omgaan met het eigen culturele klimaat.”25
Het minderheidsrapport spreekt uit, dat de blijvende relevantie van de Schriften niet in de scheppingsordeningen gelegen is, maar in het grote continuüm van de Schriften, dat is de trouw van God, die schepping, verzoening en voltooiing verbindt. Het concentratie- en zwaartepunt van de bijbelse boodschap is de Here Jezus Christus en het in Hem gekomen heil. Hij is de weg en de waarheid en het leven. Zijn kruis en opstanding zijn de dragende grond van de werkelijkheid. Ja, zij zijn de nieuwe werkelijkheid.27

Overzien we de bezinning die binnen de CGK heeft plaatsgevonden, dan blijkt ook die te gaan over de (hermeneutische) vraag die Arnhem stelde: wat is het blijvende en wat is het tijdelijke in de bijbelse voorschriften?28

Omdat hermeneutische argumenten in de bezinning op de vrouw in het ambt zo’n belangrijke rol spelen en omdat verschillende kerken de wens uitspreken daaraan goede aandacht te geven, gaan we hieronder in op de vraag of en zo ja in welke mate in dit rapport een bezinning op de hermeneutische argumenten gewenst is. Met het oog op lezers die zelden of nooit in aanraking gekomen zijn met ‘hermeneutiek’ willen we echter eerst wat dieper ingaan op het verschijnsel ‘hermeneutiek’ als zodanig.

 

5.2 Hermeneutiek als Schriftverstaan

5.2.1 Begripsbepaling

Het woord ‘hermeneutiek’ stamt af van een Grieks werkwoord hermeneuein, dat onder andere uitleggen en verklaren, vertalen en vertolken betekent.29 De Van Dale omschrijft het woord ‘hermeneutiek’ onder meer30 als de theorie van de exegese.31 Deze omschrijving wordt door het rapport van Arnhem overgenomen en aangevuld. Arnhem verstaat onder hermeneutiek “twee dingen: de regels van de exegese (de theorie van de exegese) en de vraag naar de horizon van een tekst. Dat laatste wil zeggen: elke tekst klinkt in een bepaalde situatie, zowel bij de schrijver als bij de hoorders.”32 Afgezien van de vraag of de wijze waarop Arnhem zich uitdrukt helemaal adequaat is, kan gezegd worden


25V&A, 54.
26V&A, 105.
27V&A, 106.
28 Het meerderheidsrapport, V&A, 51, stelt: “Ondanks de wisselende bedelingen en veranderende culturele omstandigheden zijn er zaken in de Schrift die hun geldigheid temidden van alle wijzigingen behouden.' Het minderheidsrapport stelt in hetzelfde verband de vraag: 'Wat is de constante?”, V&A, 104.
29 H.W. de Knijff schrijft: “Hermes — wiens naam met het woord hermeneutiek samenhangt — is de naam van de bode, die de boodschap der goden aan de mensen overbrengt. Hij deelt niet een onbegrijpelijk orakel mee, maar is de uitlegger van de goddelijke bevelen en wel op zodanige wijze, dat mensen op menselijke manier, in taal en aards begrip, de boodschap verstaan”, Zie Sleutel en slot. Beknopte geschiedenis van de bijbelse hermeneutiek, Kampen 19852, pag. 11.
30Van Dale, Groot woordenboek der Nederlandse taal, Utrecht/Antwerpen12 definieert ‘hermeneutiek’ als ‘leer van de regels en hulpmiddelen die bij de uitlegkunde gebruikt worden, de theorie van de exegese, m.n. van de bijbeluitlegging’.
31 Vermeldenswaard is in dit verband een verwijzing van ds. H. de Jong naar hetgeen H.J. Schilder opmerkte, die het op zijn beurt weer van S. Greijdanus had, namelijk “dat dit te theoretisch geformuleerd was. De indruk zou gewekt kunnen worden dat het mogelijk is hermeneutiek te kunnen bestuderen zonder te exegetiseren. In feite is het juist zo dat hermeneutiek alleen in de nauwste samenhang met de daadwerkelijke exegese geleerd kan worden.” Zie Hermeneutiek, 18.
32Acta Doorn 1998, 188-189.

|60|

dat bovengenoemde aanvulling kenmerkend is voor de ontwikkeling die de bijbelse hermeneutiek heeft doorgemaakt.

Gesteld kan worden dat niet iedereen onder ‘hermeneutiek’ hetzelfde verstaat. In het algemeen kunnen we zeggen dat ‘hermeneutiek’ zich bezig houdt met de methoden en vooronderstellingen met behulp waarvan wij proberen een tekst te verstaan. Als het gaat om het verstaan van de Bijbel, komen daarbij de volgende aandachtsvelden aan de orde:
• In de eerste plaats maakt de bezinning op de exegese, de uitleg van de Bijbeltekst deel uit van de hermeneutiek; waarbij onder exegese wordt verstaan: 'het handwerk van de exegese', het met behulp van grammatica, concordantie, lexica, commentaren en kennis van de historische, sociale en culturele achtergronden ophelderen van de betekenis van een tekst voor de tijd waarin deze geschreven werd.
• In de tweede plaats maakt de bezinning op de theologische vooronderstellingen waarmee de Bijbel gelezen wordt deel uit van de hermeneutiek. Vooronderstellingen, die binnen de gereformeerde hermeneutiek op lezing en herlezing van de Bijbel zelf gebaseerd zijn. Deze zijn onder andere de overtuiging dat de hele Bijbel het Woord van de levende God is. Verder ook, dat de Bijbel een eenheid is, waarvan de delen verstaan dienen te worden binnen het geheel. Een centraal aspect van deze overtuiging is, dat alles in de Heilige Schrift in verband met Christus gezien en verstaan moet worden.33
• Tenslotte richt de aandacht binnen de hermeneutiek zich ook op de ontvangst van de Bijbeltekst door de lezer. Hoe kan de Schrift door mensen uit een geheel andere tijd en wereld verstaan en in het leven geïntegreerd worden?34

Als commissie zien we er vanaf om met een eigen omschrijving van hermeneutiek te komen. Het is niet nodig in het kader van ons rapport en het zal ook niet meevallen een omschrijving te bieden die alle theologen en filosofen bevredigen zal. Wel hebben we terwille van de werkbaarheid een onderscheid gemaakt tussen wat wij noemen Schriftuitleg (exegese) en Schriftverstaan (hermeneutiek). Aan dit onderscheid ligt de gedachte ten grondslag dat er na de Schriftuitleg nog een weg te gaan is alvorens het komt tot Schriftverstaan. In de Schriftuitleg richt de aandacht zich op het Schriftdeel zoals dat begrepen dient te worden binnen zijn eigen context. In het Schriftverstaan richt de aandacht zich op het uitgelegde Schriftdeel zoals dat begrepen dient te worden in onze context, en wel op een dusdanige wijze, dat recht gedaan wordt aan het geheel van de Schriften.
Deze twee, Schriftuitleg en Schriftverstaan, kunnen onderscheiden worden, omdat elk van beide andere vragen aan (de tekst van) de Schrift stelt. In het eerste geval luidt de vraag “Wat staat er?”, in het tweede geval “Wat betekent datgene wat er staat voor ons en onze tijd?” Deze twee vragen hebben elk een eigen blikrichting. Tegelijk willen we ook de nauwe samenhang tussen Schriftuitleg en Schriftverstaan beklemtonen. Zoals er bij de uitleg van de Bijbel een voortdurende wisselwerking moet zijn tussen de kleinste eenheid en het grootste geheel binnen een tekst, zo dient er ook een zelfde wisselwerking te zijn tussen Schriftuitleg en Schriftverstaan. Hierdoor wordt enerzijds voorkomen


33 Zie Greijdanus, S., Schriftbeginselen ter Schriftverklaring, Kampen 1946, 121vv. De inhoudsopgave van dit nog altijd lezenswaardige boek op pag. 222 en 223 biedt een goed overzicht van de uitgangspunten die nog steeds kenmerkend zijn voor de gereformeerde hermeneutiek.
34 Juist dit aspect van de hermeneutiek is de afgelopen anderhalve eeuw in het centrum van de belangstelling komen te staan. Een goed overzicht van deze ontwikkeling biedt het — in noot 29 genoemde — boek van Knijff, H.W. de, Sleutel, 73-81 en 104-115.

|61|

dat exegese een techniek wordt, en anderzijds dat hermeneutiek een eigen leven gaat leiden.

We zijn ons er als commissie overigens van bewust, dat een mens de Bijbel nooit zo kan lezen, dat hij zichzelf geheel losmaakt van de eigen tijd, kennis en levenservaring. Hoewel we met dit inzicht in dit rapport niet veel zullen doen, kunnen we er wel van leren dat we de Schriften steeds weer biddend dienen te lezen, bewust zowel van onze mogelijkheden als van onze beperkingen en in gemeenschap met de kerk van alle plaatsen en alle tijden.

5.2.2 Schriftverstaan in Bijbel en kerkgeschiedenis

De aandacht voor het Schriftverstaan is geen vinding van de 20ste eeuw. Die is al zo oud als de Bijbel zelf en heeft door heel de kerkgeschiedenis heen de lezing, uitleg en toepassing van de Bijbel beïnvloed.

Voor wat betreft de Bijbel zelf willen we ten eerste wijzen op Mc. 12: 28-31. Een schriftgeleerde vraagt Jezus: “Welk gebod is het eerste van alle?” Hierop antwoordde Jezus: “Het eerste is: Hoor, Israël, de Here, onze God, de Here is één, en gij zult de Here, uw God liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht. Het tweede is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.” Jezus beantwoordt deze vraag met een verwijzing naar Deut. 6: 4,5 en Lev. 19: 18. Dit is niet allereerst een staaltje van exegetische bekwaamheid. Nee, wie uit de veelheid het ene weet aan te wijzen waar alles om draait, léést niet alleen intens, maar lééft ook heel intens, en vooral met de HERE.
Boeiend in dit verband is lezing van de parallelle passages in Mat. 22: 34-40 en Luc. 10: 25-28.
In Mat. 22: 40 voegt Jezus aan het gezegde toe: “Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten”. Jezus brengt hier het totaal van de bijbelse geboden onder de koepel van de liefde. De liefde is de bron waaruit alle voorschriften voortvloeien, de liefde is het zuurdesem dat alle geboden doortrekt, de liefde is de maatstaf waaraan God heel het leven meet. Daardoor verliezen de afzonderlijke geboden hun relevantie niet, zij worden echter wel in een dienende relatie tot het liefdegebod geplaatst. Van belang is hier dat de sleutel tot het verstaan binnen de Schrift zelf gevonden wordt. Door het naar voren halen van het dubbelgebod van de liefde wordt de Schrift geen vreemde leesregel opgelegd.
In Luc. 10:25vv is het een wetgeleerde die het dubbelgebod van de liefde noemt als antwoord op de vraag van Jezus: “Wat staat in uw wet geschreven? Hoe leest gij?” Hoe leest gij, dat is de grondvraag van het Schriftverstaan.

In de tweede plaats wijzen we op het veel gebruikte, maar altijd weer treffende Bijbelgedeelte Hand. 8: 26-40. De Ethiopische eunuch is op de weg terug naar zijn vaderland verdiept in de profetieën van Jesaja. De lettertekens en de woorden kan hij lezen, maar verder doolt hij rond in de tekst. Dan stuurt de Here hem een gids, Filippus. Uitgaande van dat Schriftwoord predikt die hem Jezus. Vraagtekens worden tot uitroeptekens dankzij het inzicht dat baan breekt. Dit heeft als consequentie dat de eunuch zich laat dopen en zijn weg met vreugde vervolgt.

Uit de kerkgeschiedenis brengen we het volgende naar voren.
Van de hand van de kerkvader Augustinus stamt één van de oudste en meest invloedrijke boeken over het lezen en begrijpen van de Bijbel.35 Het verdient de aandacht, dat Augustinus aan deze verhandeling over het lezen van de Bijbel een schets van de centrale inhoud van het christelijk geloof vooraf laat gaan. Waarover gaat het in de Bijbel? Augustinus’ antwoord luidt: om het dubbelgebod van de liefde. En dan schrijft hij: “Iedereen die dus denkt de Schrift of een willekeurig gedeelte daarvan te hebben begrepen, maar ondanks dat begrip de tweevoudige liefde, voor God en de naaste, niet heeft opgebouwd, heeft de Schrift nog niet begrepen. Iedereen die er een idee aan ontleent dat nuttig is voor de


35De doctrina christiana, recentelijk voor het eerst in een Nederlandse vertaling verschenen onder de titel Wat betekent de bijbel? Christelijke scholing in tekstbegrip en presentatie, De doctrina christiana, ingeleid, vertaald en toegelicht door Jan den Boeft en Ineke Sluiter, Amsterdam 1999.

|62|

opbouw van deze liefde, maar die niet onder woorden brengt wat de auteur van de bewuste passage kennelijk bedoeld heeft, maakt geen fatale vergissing en liegt absoluut niet.”36 En: “De conclusie is deze: wanneer men tot het inzicht is gekomen dat ‘het doel van de vermaning liefde is, uit een rein hart, uit een goed geweten en een ongeveinsd geloof’, zal men heel zijn begrip van de Schrift op die drie factoren oriënteren en zich vol vertrouwen gaan wijden aan de studie van de Bijbel.”37

Het hanteren van een hermeneutiek gaat dus op de Bijbel zelf terug. En het kan niet anders — zo blijkt uit de kerkgeschiedenis — dat iedereen die de Heilige Schrift leest voor zichzelf bezig is met de vraag hoe die verstaan moet worden. Dat is met het op schrift stellen van Gods Woord gegeven. In een bepaalde tijd, op een bepaalde plaats, hebben bepaalde mensen, in een bepaalde cultuur en situatie, in een bepaalde heilshistorische bedeling, de woorden van God opgeschreven, vastgelegd. Dit historische karakter van de Godsopenbaring maakt een bezinning op het Schriftverstaan onontkoombaar. Een bezinning die steeds weer vrucht draagt als die zich voltrekt in het nauwste en meest persoonlijke gesprek met de HERE, Zijn Woord, de verwerking van dat Woord door de kerk van alle plaatsen en eeuwen en de tijd waarin wij geplaatst zijn. Zo kan de hermeneutiek een sleutel worden die de deur naar het Schriftverstaan opent, hoezeer we er steeds ook op bedacht dienen te zijn dat juist in de hermeneutiek de deur naar het Schriftverstaan ook dichtgedaan kan worden.38

 

5.3 Programma van een gerichte hermeneutische bezinning

Paragraaf 5.1 sloten we af met de vraag of en, zo ja, in welke mate, een bezinning op de hermeneutische argumenten gewenst is.
Gelet op de rol die hermeneutische argumenten in de discussie spelen, is ook naar onze mening een verdere bezinning op ons omgaan met de Bijbel gewenst. Wat betreft de mate waarin dit dient te gebeuren kunnen we onszelf echter beperkingen opleggen. Niet de hele hermeneutiek hoeft aan de orde te komen, een gerichte bezinning volstaat. Onze kerken hanteren immers in hoge mate dezelfde uitgangspunten voor de omgang met en uitleg van de Bijbel.39 Daarom is het onnodig daar in dit rapport nog eens uitvoerig bij stil te staan. Ook is het niet moeilijk om het centrale punt van de gewenste bezinning aan te geven. Dat is de vraag wat in de bijbelse voorschriften omtrent de verhouding tussen man en vrouw het blijvende en het tijdelijke is.
Bij de bezinning op deze vraag concentreren we ons op drie thema’s:
• De contextbepaaldheid van de bijbelse voorschriften en in het bijzonder die van de apostel Paulus als het gaat om de plaats van de vrouw in de gemeente.


36Wat betekent, 67.
37Wat betekent, 69.
38 Van betekenis is een nuchtere opmerking van H.W. de Knijff, die schrijft: “Het hermeneutische grond-kader is een sleutel — oude naam voor een hermeneutiek! — die de toegang opent, maar evenzeer een slot, dat de deur dicht houdt. Zo gezien krijgen in de hermeneutiek zowel de mogelijkheden als de onmogelijkheden van het mens-zijn, in zijn pogingen tot het verstaan van het woord Gods, gestalte. Er is geen reden om in de hermeneutiek te gloriëren en haar als het één en al te beschouwen ... evenmin, om haar achteloos weg te werpen en daarmee ruimte te geven aan het gevaar, door onhelderheid en gebrek aan bezinning aan de boodschap van de bijbel voor deze tijd voorbij te horen, juist terwijl men dacht haar te vernemen.”, Sleutel, 7-8.
39 De in het rapport van de Christelijke Gereformeerde Kerken geformuleerde uitgangspunten — zie hierboven in 5.1.4 — liggen ook ten grondslag aan de reacties die we uit onze kerken ontvingen.

|63|

• De betekenis van ‘de scheppingsorde’ in de Bijbel en in het bijzonder de betekenis daarvan in de voorschriften die Paulus gaf met betrekking tot de plaats van de vrouw in de gemeente.
• De plaatsing van het gegeven dat, ondanks de inspanningen om zorgvuldig te luisteren naar de Bijbel, in de weg van de exegese geen duidelijkheid en eenduidigheid wordt gevonden.
Het laatste thema komt direct voort uit het resultaat van onze bezinning op de Schriftuitleg in hoofdstuk 4. De vraag dringt zich op hoe we dit resultaat moeten plaatsen in het licht van de Bijbel en welke gevolgen het heeft voor de wijze waarop we ons op de Bijbel beroepen.

In hoofdstuk 6 gaan we in op de contextbepaaldheid van bijbelse voorschriften en op het beroep op de schepping. Verder komen aan de orde de menselijke verantwoordelijkheid en in relatie daarmee het karakter van de Bijbel.
In hoofdstuk 7 volgt een toespitsing op het verstaan van enkele van Paulus' voorschriften met betrekking tot de plaats van de vrouw in de gemeente. Ook wordt in dat hoofdstuk ingegaan op in onze kerken levende vragen over een eventuele wereldgelijkvormigheid van de kerk.