315-333

|315|

16 De kerkelijke rechtspraak

L.J. Koffeman

 

 

16.1 Inleiding

Elke kerk heeft haar eigen stelsel van kerkelijke rechtspraak. In deze bijdrage concentreer ik mij op de kerkelijke rechtspraak in drie protestantse kerken die in een verenigingsproces betrokken zijn. Het zijn: de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) en de Nederlandse Hervormde Kerk (NHK) die beiden deel uitmaken van de gereformeerde of calvinistische traditie, alsmede de veel kleinere Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden (ELK).

Samen staan zij bekend als de ‘Samen op Weg-kerken’. Zij hopen zich per 1 mei 2004 te verenigen tot één kerk met de naam 'Protestantse Kerk in Nederland’ (PKN). Inmiddels hebben de SoW-kerken reeds één gezamenlijke bovenplaatselijke dienstenorganisatie, gevestigd in het Landelijk Dienstencentrum (LDC) te Utrecht. Inmiddels werd door de drie kerken een ontwerp-kerkorde vastgesteld, terwijl definitieve besluitvorming over de laatste bijbehorende ontwerp-ordinanties (voortaan samen: PKO), in het voorjaar van 2003 plaats vond.

 

In dit hoofdstuk geef ik eerst enige oriënterende informatie over het kerkrechtelijk systeem van de drie kerken, welke informatie aansluitend in historisch perspectief wordt geplaatst. In een volgende paragraaf geef ik enkele algemene kaders voor de kerkelijke rechtspraak aan, zoals die met de verschillende kerkordes gegeven zijn. Vervolgens bespreek ik achtereenvolgens de rechtspraak in de GKN, de NHK en de PKN. Daarbij ga ik meer specifiek in op tuchtprocedures, leerstellige bezwaren en ‘bezwaren en geschillen’. Deze laatste categorie, hier aangeduid met de in de kerkordes van NHK en Protestantse Kerk in Nederland gebruikte term, behelst conflicten tussen gelovigen en kerkelijke instanties — die werken op basis van een bevoegdheid die hen via attributie of delegatie toekomt — en tussen zulke kerkelijke instanties onderling.

|316|

16.2 Presbyteriaal-synodaal stelsel

NHK, GKN en ELK hebben op hoofdlijnen hetzelfde kerkrechtelijke systeem. Elk van de drie kerken heeft een eigen variant op het presbyteriaal-synodale stelsel, vastgelegd in kerkordes, hier verder respectievelijk aan te duiden als: HKO, GKO en LKO.1 Dit stelsel kan als volgt kort worden getypeerd: de kerk wordt op verschillende niveaus geregeerd door ‘kerkelijke’ of ‘ambtelijke’ vergaderingen. Op het niveau van de plaatselijke gemeente is dat de kerkenraad (presbyterium). Trapsgewijs worden ‘meerdere vergaderingen’ samengesteld doordat vertegenwoordigers van de ‘mindere vergaderingen’ samenkomen.2 Zo kent de NHK als meerdere vergaderingen (art. V HKO): de classicale vergadering, de provinciale kerkvergadering en de generale synode. De GKN kent, parallel daaraan, als meerdere vergaderingen (art. 44-66 GKO) achtereenvolgens de classis, de particuliere synode en de generale synode. In dit systeem vaardigen de (wijk)kerkenraden af naar de classicale vergadering (of classis), en benoemt de laatste zowel haar afvaardiging naar de provinciale kerkvergadering (particuliere synode) als een vertegenwoordiger in de generale synode. De ELK is veel kleiner dan NHK en GKN en kent daarom geen tussenniveaus: naast de kerkenraden is er alleen een synode, die via rechtstreekse landelijke verkiezingen door de stemgerechtigde leden van de gemeenten wordt samengesteld. De structuurverschillen tussen NHK en GKN enerzijds en elk anderzijds zijn voor de thematiek van deze studie niet werkelijk relevant. Ik concentreer me verder op de GKN en de NHK, en wel in het perspectief van de Protestantse Kerk in Nederland.

 

16.3 Historisch perspectief

Een vergelijking van het kerkrecht in de NHK en de GKN is vooral daarom interessant omdat zich daarin tegelijk de historische ontwikkeling weerspiegelt. De kerkorde van de GKN staat inhoudelijk het dichtst bij de oorspronkelijke


1 Zie voor een nadere beschrijving hoofdstuk 10 Typen van kerkelijke organisatie. Teksten zijn toegankelijk gemaakt via www. sowkerken. nl.
2 De terminologie — meerdere en mindere vergaderingen — is als zodanig kenmerkend voor de anti-hiërarchische inslag van het gereformeerde kerksysteem (dat in grote lijnen ook door de lutheranen in Nederland werd aanvaard): in een meerdere vergadering zijn meer plaatselijke gemeenten (HKO) of kerken (GKO) gerepresenteerd. De aangewezen afgevaardigden zijn bijeen ‘alsof de kerkenraden in hun geheel tegenwoordig waren’, maar de meerdere vergadering wordt niet gezien als een ‘hogere’ instantie.

|317|

kerkorde van de gereformeerde Reformatie in Nederland, de Dordtse Kerkorde (hierna: DKO) die als zodanig werd vastgesteld tijdens de laatste zittingen van de synode van Dordrecht (1618-1619). Daarbij heeft men zich met name georiënteerd op de kerkstructuur zoals die gestalte kreeg in de gereformeerde kerk in Frankrijk; daarachter liggen in belangrijke mate impulsen van Johannes Calvijn zelf.

 

De DKO behield globaal gesproken haar gelding gedurende twee eeuwen, namelijk tot het moment dat koning Willem I, de eerste vorst in het Koninkrijk der Nederlanden, in 1816 bij Koninklijk Besluit de DKO buiten werking stelde en het Algemeen Reglement invoerde.3 Willem I werd geconfronteerd met de gevolgen van de scheiding van kerk en staat gedurende de Franse overheersing. Daardoor was ook het bezit van de kerk in belangrijke mate in overheidshanden terecht gekomen. Het zal voorts mede te danken zijn aan zijn vorming in Duitsland, dat hij koos voor een systeem waarin de vorst grote verantwoordelijkheid nam voor het welzijn van de kerk. Zijn Algemeen Reglement introduceerde in de nog vrijwel ongedeelde kerk van de Reformatie een besturenstelsel, dat echter van meet af aan één van de oorzaken was van groeiende onrust in de kerk.

De ambtelijke vergaderingen, samengesteld door vertegenwoordiging van onderop, werden vervangen door besturen, benoemd van bovenaf. De overheid kreeg een grote invloed op de benoeming van de besturen op de verschillende niveaus: de koning benoemde de leden van de synode (in dit geval werd wel de term ‘synode’ gehandhaafd), op voordracht van de provinciale kerkbesturen. Hij benoemde voorts de leden van de provinciale kerkbesturen op voordracht van de classicale besturen, en die op voordracht van de classicale vergaderingen. Over kwesties van leer en belijdenis mochten de besturen geen uitspraak doen. Kerkelijke tucht was feitelijk onmogelijk. De grote versplintering van het Nederlands Calvinisme vindt hier een van zijn belangrijkste verklaringen. Meer dan eens zagen predikanten en gemeenteleden die kerk wilden zijn in de traditie van de gereformeerde Reformatie geen andere mogelijkheid meer dan de NHK te verlaten en terug te keren naar het regime van de DKO. Zo is ook de GKN ontstaan: bij de Afscheiding van 1834 en de Doleantie van 1886 maakten groepen zich los van de NHK, en deze beide bewegingen verenigden zich in 1892 tot de GKN. Door andere afscheidingen vanuit de NHK en later ook vanuit de GKN ontstond voorts een aantal kleinere kerkgemeenschappen die in het algemeen één ding met elkaar gemeen hebben: het terugvallen op de DKO.


3 In de ELK werd twee jaar later een vergelijkbaar Algemeen Reglement ingevoerd; in 1955 werd dit vervangen door de huidige kerkorde.

|318|

In de GKN vond in 1959 een vrij omvangrijke herziening van de DKO plaats. Ook nadien bleven echter de fundamentele trekken bijvoorbeeld op het punt van de verantwoordelijkheid van de ambtelijke vergaderingen goed herkenbaar. Eerst in 2000 werden door de generale synode vergaande wijzigingen in de kerkelijke rechtspraak aanvaard, die per 1 juli 2001 rechtskracht verkregen.

 

De GKN neemt haar GKO — maar daarmee dus in feite op bepaalde punten nog altijd de DKO — mee in het herenigingsproces met de NHK, waarin de DKO in 1816 buiten werking was gesteld door het Algemeen Reglement. Uiteraard is ook daar de ontwikkeling doorgegaan. Het duurde nog tot in de Tweede Wereldoorlog voor men elkaar vond in een nieuw concept van een ‘belijdende volkskerk’. De tot vandaag toe geldende Kerkorde der NHK van 1951 werd er de uitdrukking van. Daarin kregen tegelijk nieuwere juridische inzichten hun eigen doorwerking.

 

16.4 Rechtspraak en rechtsbescherming

In dit hoofdstuk wil ik de rechtspraak in GKN, NHK en Protestantse Kerk in Nederland nader beschrijven. Daarbij gaat het mij primair om de organisatie van de rechtspraak, waarbij ik ook aandacht wil geven aan de kwaliteit daarvan, dat wil zeggen: de rechtsbescherming.4 Welke zijn de in de kerkorde gegeven juridische mogelijkheden voor leden van de kerk en instanties in de kerk om in voorkomende gevallen het eigen recht optimaal tot gelding te doen komen?

 

Bij mijn analyse ga ik uit van de GKO, omdat daarin historisch fundamentele lijnen van kerkrechtelijk denken zichtbaar worden. Recente wijzigingen in de GKO zijn erop gericht in dit opzicht aanzienlijke verbeteringen in te voeren. De HKO biedt grondlijnen voor een benadering waarin het hedendaagse rechtsdenken reeds eerder heeft doorgewerkt.

Ten slotte kan aan de hand van wat tot dusver bekend is inzake de ontwerp-PKO — die dus als zodanig nog geen geldend recht omvat — enigermate zichtbaar worden, of en zo ja welke nieuwe inzichten in de loop van de laatste decennia tot verdere verfijningen hebben geleid.

 

Fundamenteel voor een goed begrip van de rechtspraak in de kerken in Nederland is uiteraard ook de vraag, welke rol de burgerlijke rechter voor zichzelf


4 Een meer uitvoerige analyse van de rechtsbescherming in de kerken van de Reformatie in Nederland hoop ik te geven in een bijdrage die in de loop van 2003 dient te verschijnen in een bundel Recht op recht in de kerk (werktitel), uit te geven bij Peeters te Leuven.

|319|

ziet in kerkelijke zaken. Van belang is hierbij vooral Art. 2:2 BW. Kerken zijn op grond daarvan rechtspersonen in de zin der wet, geregeerd door hun eigen statuut. Omdat op de draagwijdte daarvan elders in deze bundel dieper wordt ingegaan,5 beperk ik me hier tot de volgende in dit kader relevante vaststelling: bij een kerkelijk conflict zal de rechter zich allereerst de vraag stellen, of de betrokken kerk het eigen rechtsstatuut adequaat heeft gevolgd, en derhalve marginaal toetsen.6

 

16.5 Rechtspraak in de GKN

Met de GKO wordt zoals gezegd het klassieke kerkrecht van de DKO ingebracht. De GKO zet zo op hoofdlijnen het kerkjuridische denken van de Reformatie tot vandaag de dag voort. Eén van de bepalende factoren daarvoor is het samenvallen van uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht. In dat opzicht is de DKO in feite dicht bij het katholieke kerkrecht7 en bij de rechtscultuur van de zestiende eeuw gebleven! Het zijn de kerkelijke vergaderingen die actief zijn in regelgeving, in het bestuur van de kerk én in de rechtspraak. Er zijn geen onafhankelijke rechtscolleges.8

Voor een goed begrip dienen enkele trekken van het gereformeerde kerkrecht hier nader te worden aangeduid. De GKN ziet zichzelf als een confederatie van relatief zelfstandige plaatselijke kerken. Alleen de plaatselijke kerkenraden zijn dan ook permanente bestuurscolleges. De meerdere vergaderingen worden bijeengeroepen, komen bijeen in de loop van een kerkordelijk vastgelegde tijdsspanne (in het geval van de generale synode twee jaar), en worden dan weer gesloten. Heel de kerkstructuur van de GKN ademt vrees voor te grote invloed ‘van hogerhand’. Beleid wordt sterk decentraal gevoerd. Meerdere


5 Zie hiervoor uitvoeriger hoofdstuk 5 Kerk en staat vanuit het staatsrecht, hoofdstuk 6 De kerken en het privaatrecht, en hoofdstuk 9a Kerkelijke geschillen; de burgerlijke rechter en kerkelijke conflicten.
6 Zie hiervoor uitvoerig de recente dissertatie van A.H. Santing-Wubs, Kerken in geding. De burgerlijke rechter en kerkelijke geschillen, Meppel 2002, 164 v.v.
7 Blijkens de Codex Iuris Canonici is in de Rooms-Katholieke Kerk op het niveau van het bisdom de diocesane bisschop de ‘rechter van eerste instantie’ (c. 1419); beroep is mogelijk bij de rechtbank van de Metropoliet (c. 1438), terwijl in bepaalde gevallen beroep mogelijk is op de paus, als hoogste rechter (c. 1442), die deze bevoegdheid in het algemeen uitoefent door middel van een door hem ingestelde rechtbank, de Romeinse Rota.
8 Het is opvallend en veelzeggend, dat Nauta in zijn commentaar op de GKO zelfs de vraag naar de wenselijkheid van onafhankelijke rechtspraak niet behandelt; vergelijk D. Nauta, Verklaring van de Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, Kampen 1971, 135-146.

|320|

vergaderingen behandelen, naast wat de in haar bijeenkomende kerken gemeenschappelijk aangaat, uitsluitend zaken, die door de mindere vergaderingen niet afgehandeld konden worden.

In de GKO zijn daarom bijvoorbeeld ook slechts in beperkte mate vormen van bestuurlijk toezicht opgenomen, waarbij een meerdere vergadering zonder dat van een geschil sprake is goedkeuring dient te hechten aan besluiten van een mindere vergadering.

Het ontbreken van een onafhankelijke rechtspraak én het gedecentraliseerde beleid (inclusief rechtspraak) bemoeilijkten vanouds een verantwoorde ontwikkeling van de rechtspraak in de GKN. Omdat kerkelijke vergaderingen voor alles verantwoordelijk waren, werden kerkelijk beleid, pastorale zorg en rechtspraak dikwijls nauwelijks uiteen gehouden, wat op den duur kon leiden tot onontwarbare dossiers. Veel werd immers overgelaten aan de wijsheid en het improvisatietalent van kerkelijke instanties en ambtsdragers.

Jurisprudentie wordt in de GKN niet systematisch verzameld en geordend, en het is derhalve nauwelijks mogelijk daarvan bij de rechtsvinding gebruik te maken (zie 11.4 over de rechtsbronnen van de GKN).

 

Revisie en appèl

De hoofdlijn voor de rechtsgang in de GKN ligt vanouds vast in twee mogelijkheden. Ook waar, zoals bij tuchtprocedures en leerstellige bezwaren, in eerste instantie specifieke regelingen van toepassing zijn, komt in een vervolgfase — wanneer in een zaak niet tot tevredenheid van alle partijen een besluit is genomen — de rechtsgang van art. 31,32 en 32a GKO aan de orde, nader uitgewerkt in bijbehorende uitvoeringsbepalingen (UBP).

De twee mogelijkheden die hier zijn voorzien zijn: revisie en appèl op een meerdere vergadering; in geval van besluiten van de generale synode is appèl mogelijk op de eerstvolgende generale synode.9 In 1997 besloot de generale synode tot een ingrijpende wijziging van het procesrecht. Voorstellen daartoe hebben per 1 juli 2001 rechtskracht verkregen. Onder de ‘oude’ bepalingen,


9 Een vergelijking met de in het bestuursrecht gebruikte terminologie dringt zich hier op. In de Algemene wet bestuursrecht (zie art. 1:5 Awb) worden terminologisch drie mogelijkheden onderscheiden, namelijk (1) het maken van bezwaar, en voorts, binnen de mogelijkheid van het instellen van beroep, (2) het instellen van administratief beroep en (3) het instellen van beroep bij een administratieve rechter. Blijft men bij administratief beroep binnen de sfeer van de bestuurlijke organen, bij een beroep op de administratieve rechter treedt men daarbuiten, en wordt een beslissing van een onafhankelijke (bestuurs)rechter gevraagd. In de GKO laat zich revisie goed vergelijken met het bestuursrechtelijke begrip bezwaar, en appèl met administratief beroep.

|321|

konden beide mogelijkheden door belanghebbenden naar keuze worden benut, zij het dat niet beide rechtsgangen door dezelfde bezwaarde tegelijkertijd konden worden beproefd. Steeds kon in minimaal twee instanties appèl worden aangetekend.

In de nu geldende regelgeving moet steeds eerst de weg van revisie worden gegaan, waarna desgewenst de mogelijkheid van appèl nog openstaat. Ik neem hier deze nieuwe regelgeving als uitgangspunt.

Artikel 31 lid 2 GKO regelt de revisie, aan te vragen bij de vergadering die het bestreden besluit nam. Deze stap dient steeds als eerste gezet te worden. Revisie is alleen niet mogelijk, wanneer het gaat om een besluit dat reeds genomen werd op een eerder revisieverzoek (dan staat alleen de weg van appèl nog open), of wanneer het gaat om een in appèl genomen besluit van een meerdere vergadering (in casu een particuliere of generale synode). In dat laatste geval is sprake van een eindbeslissing, en zijn de rechtsmiddelen uitgeput.

De mogelijke gronden voor een revisieverzoek zijn ruim aangegeven: veronderstelde strijdigheid van het gewraakte besluit met duidelijke uitspraken van Gods Woord of met bepalingen van de kerkorde, veronderstelde schadelijkheid voor het welzijn van de kerk, of de mening dat persoonlijk onrecht is aangedaan. Een revisieverzoek leidt niet automatisch tot opschorting van de uitvoering van het bestreden besluit: de bevoegdheid tot opschorting ligt bij de vergadering die het bestreden besluit nam, tenzij naar art. 32a GKO een spoedvoorziening wordt getroffen (zie onder).

 

Artikel 32 lid 1 GKO regelt de op revisie volgende stap, het appèl:

Van een door een kerkenraad of classis genomen revisiebesluit kunnen diegenen die het revisiebesluit in strijd achten met duidelijke uitspraken van Gods Woord of met bepalingen van de kerkorde, of die op andere wijze door zulk een besluit het welzijn van de kerk geschaad achten, of die menen dat hun daardoor onrecht aangedaan is, in appèl gaan bij de particuliere synode. Indien door het revisiebesluit het oorspronkelijke besluit niet is gewijzigd of ingetrokken, staat de mogelijkheid van appèl uitsluitend open voor diegenen, die revisie hebben gevraagd. Van het door de particuliere synode in appèl genomen besluit is geen revisie mogelijk.

In lid 2 wordt een overeenkomstige mogelijkheid van appèl geregeld bij revisiebesluiten van een particuliere synode, en in lid 7 wordt de mogelijkheid gehandhaafd om tegen revisiebesluiten van de generale synode in appèl te gaan bij de eerstvolgende generale synode.

|322|

Een belangrijk aspect van de per 1 juli 2001 van kracht geworden bepalingen bestaat in de instelling van particuliere (dat wil zeggen door de particuliere synode ingestelde) deputaatschappen voor appèlzaken, naast het al bestaande generaal deputaatschap voor appèlzaken (welks werkwijze is aangepast). Voorlopig blijft het nog wel zo, dat deze deputaatschappen een advies uitbrengen aan de synode die hen instelde, welke daarop een formeel besluit neemt. Classicale vergaderingen hebben daarmee in het geheel geen rechtsprekende taak meer: ook besluiten van kerkenraden worden direct twee ‘niveaus’ hoger aangevochten, dus bij de particuliere synode. Feitelijk wordt zo beoogd in te spelen op het functioneren als onafhankelijke rechtscolleges, zoals die voor de Protestantse Kerk in Nederland (zie onder) worden beoogd.

 

Bevoegdheden

Appèlzaken dienen dus uitsluitend bij particuliere synodes en bij de generale synode. De mogelijkheid in appèl te gaan is tot één instantie beperkt. Een beslissing van de particuliere synode op een appèl is een eindbeslissing. Daarop bestaat één uitzondering: bij bezwaren tegen een leer van een dienaar des Woords blijft voor een ieder de mogelijkheid van hoger beroep op de generale synode open staan. Daarnaast hebben generale deputaten voor appèlzaken de mogelijkheid een in appèl genomen besluit van een particuliere synode aan de generale synode voor te leggen met het advies om een afwijkend besluit te nemen. Dat laatste is echter alleen mogelijk, voor zover het zaken betreft, die het gehele kerkverband aangaan, terwijl UBP 32.6 sub 4 bepaalt, dat een besluit van de generale synode in dat geval geen nadeel toebrengt aan door partijen verkregen rechten. Deze procedure dient derhalve uitsluitend de vorming van jurisprudentie met het oog op eventuele vergelijkbare rechtsvragen.

 

Inmiddels is het voorgekomen dat de burgerlijke rechter, omdat in het kerkelijk recht geen snelle, op het treffen van voorlopige voorzieningen toegesneden procedure bestond, zelf tot een beoordeling is overgegaan, zonder eerst de afronding van de kerkelijke rechtsgang af te wachten.10 Daarom is nu in een


10 Vergelijk Hof Arnhem 14 september 1993, rol nr. 92/142 KG, waarnaar verwezen wordt door: F.T. Oldenhuis, Op de grens van het kerkrecht en het burgerlijk recht: over de rol van de burgerlijke rechter bij kerkelijke conflicten, in: M.A. Rouw, M. te Velde (eds.), Recht doen aan ‘bezwaarden’. Een ontwerp-appèlprocedure voor de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), GWG Publicatie 2, Zwolle 1997, p. 27-36, hier 33. Zie ook: P.T. Pel, De kerk in geding — samen op weg in Biddinghuizen, in: M.A. Rouw, M. te Velde, a.w., 37-42, die verwijst naar een soortgelijk oordeel in kort geding van de President van de Rechtbank te Zwolle, zitting houdend te Lelystad (a.w. 41).

|323|

nieuw artikel (32a) in de GKO de mogelijkheid opgenomen van het treffen van een spoedvoorziening. Wie revisie verzoekt of in appèl gaat, kan de voorzitter van het betrokken deputaatschap voor appèlzaken verzoeken een spoedvoorziening te treffen, die bijvoorbeeld kan inhouden dat de uitvoering van het bestreden besluit geheel of ten dele wordt opgeschort in afwachting van de afhandeling van revisie dan wel appèl. De voorzitter doet zo spoedig mogelijk uitspraak.

 

Rechtsbescherming

Er zijn dus in de GKO slechts twee mogelijkheden om een besluit van een kerkelijke vergadering aan te vechten: revisie en appèl, beide vormen van bestuurlijke heroverweging. De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak is in de GKN door de nieuwe regelgeving niettemin sterk verbeterd. Deze regelgeving markeert een overgangsfase naar de invoering van de PKO, waarin op beide punten verdere winst te verwachten is, vooral omdat dan een volstrekt onafhankelijke rechtspraak zal worden ingevoerd. De bedoeling en verwachting is dat de nu ingevoerde regelgeving de GKN daarop adequaat zal voorbereiden.

 

De hiermee gegeven structuur bepaalt de rechtsgang in de GKN feitelijk in praktisch alle gevallen, ongeacht de aard van de zaak. Men kan hier aan allerlei zaken denken. Recent is meer dan eens door groepen gemeenteleden via de weg van revisie en appèl bezwaar gemaakt tegen de verkoop van een bepaald kerkgebouw, veelal met als belangrijkste argument, dat de gemeenteleden onvoldoende bij de voorbereiding van het bestreden kerkenraadsbesluit betrokken zouden zijn geweest. Ook als predikanten bij grote problemen in de communicatie met hun gemeente conform artikel 18 GKO wel (of juist niet!) door de bevoegde classicale vergaderingen worden ‘ontheven van hun ambtsbediening’, leidt dat relatief dikwijls tot procedures in deze sfeer.

Ook als de toepassing van hoofdstuk 4 van de GKO, inzake ‘het vermaan en de tucht van de kerk’ aan de orde is — waarbij het kan gaan om leerprocedures of om tucht over het leven, zowel ten aanzien van de leden van de gemeente als ten aanzien van de ambtsdragers — komt op een zeker moment dezelfde weg van art. 31 en 32 GKO in zicht.

 

Op een specifiek punt heeft recent verdergaande regelgeving plaatsgevonden. In de jaren tachtig ontstond groeiende publiciteit en onrust over seksueel misbruik in pastorale relaties. Een en ander leidde tot de aanvaarding in 1994 van een Regeling klachtenprocedure inzake seksueel misbruik in pastorale relaties (UBP 116.1), een regeling die in maart 1997 door de generale synode van Haren 1995

|324|

werd aangepast op grond van de eerste ervaringen met de toepassing.11 Krachtens deze regeling is een onafhankelijke klachtencommissie ingesteld waarin verschillende relevante deskundigheden op juridisch en therapeutisch gebied aanwezig dienen te zijn. Alle klachten inzake seksueel misbruik door ambtsdragers dienen aan deze commissie te worden voorgelegd voor onderzoek. De omschrijving van het begrip ‘seksueel misbruik in pastorale relaties’ in artikel 1 van genoemde regeling is niet voor misverstand vatbaar:

misbruik van macht en vertrouwen door een ambtsdrager of kerkelijk werker (...) in een pastorale relatie, of in een relatie die hij uit hoofde van zijn pastoraal ambt of junctie onderhoudt, in de vorm van seksuele handelingen of toespelingen op of uitnodigingen tot seksueel contact, alles al of niet onder druk van geheimhouding.

Na de invoering van de regeling werden spoedig verschillende, veelal van lang geleden daterende, zaken aangebracht. De laatste jaren lijkt het aantal klachten sterk terug te lopen.

De klachtencommissie beoordeelt de gegrondheid van de klacht en maakt in de regel haar oordeel dienaangaande kenbaar aan de kerkelijke vergadering waaraan de beklaagde als ambtsdrager verbonden is, vergezeld van een advies inzake te nemen sancties. Daarop neemt de bevoegde kerkelijke vergadering een besluit. Zowel voor de klachtencommissie als voor de beklaagde staat ten slotte weer de weg van revisie en appèl open. Op onderdelen heeft deze regeling ook model gestaan voor de genoemde recente bredere wijziging van de rechtsgang in de GKN.

 

Feitelijk is met het bovenstaande het plaatje voor de GKN al wel compleet. De GKO kent immers — anders dan de HKO en de PKO — geen afzonderlijke regelingen voor conflicten tussen kerkelijke organen onderling of tussen gelovigen en kerkelijke organen.

Onafhankelijke rechtspraak bestaat strikt genomen niet, zolang de deputaten voor appèlzaken nog slechts een adviserende rol hebben, en niet bevoegd zijn zaken zelf onafhankelijk af te handelen.


11 Zie Acta Generale Synode Gereformeerde Kerken in Nederland, Aalten 1993, art. 101; Acta Generale Synode Gereformeerde Kerken in Nederland, Haren 1995, art. 171.

|325|

16.6 Rechtspraak in de NHK

Het ligt voor de hand, dat in de HKO van 1951 de invloed van twintigste-eeuws rechtsdenken is terug te vinden. De invloed van het moderne staats- en bestuursrecht laat zich al direct aflezen uit de structuur van de kerkorde zoals de NHK die in 1951 vaststelde. Gekozen werd namelijk voor een ordening die sterk lijkt op het uit de Nederlandse democratie bekende systeem van grondwet, organieke wetten en aanvullende meer specifieke wetgeving. De basis wordt gevormd door de eigenlijke kerkorde, veelal aangeduid als de ‘romeinse artikelen’, naar de in romeinse nummering vastgelegde dertig artikelen die zij omvat. Een tweede laag van wetgeving is vastgelegd in een twintigtal ordinanties. Technische uitwerkingen zijn voorts te vinden in een aantal generale regelingen.

 

Essentieel is, dat in de HKO in 1951 op een aantal terreinen ook voorzien werd in onafhankelijke rechtspraak. Onder het Algemeen Reglement waren wetgevende en rechtsprekende macht nog bij de kerkelijke bestuurscolleges ondergebracht.12 Nu zijn ze, althans voorzover het ‘bezwaren en geschillen’ betreft, uit elkaar gehaald. Ordinantie 19 regelt een en ander. Provinciale commissies en een generale commissie voor bezwaren en geschillen, ‘die zo ondubbelzinnig mogelijk hun zelfstandigheid tegenover de ambtelijke vergaderingen hebben te bewaren,’13 behartigen elk op hun terrein een deel van de kerkelijke rechtspraak. De generale commissie heeft bovendien het recht beslissingen van de provinciale colleges zo nodig te vernietigen in het belang van de rechtseenheid. Op het gebied van het opzicht over leer en leven ligt het enigszins anders; die procedures komen hieronder nog afzonderlijk aan de orde. Omdat ordinantie 19 feitelijk functioneert als het sluitstuk van het totale rechtssysteem in de NHK, wordt deze ordinantie ook later uitvoeriger besproken. Via de hier vastgelegde rechtsgang kunnen ook besluiten van kerkelijke organen met een grote mate van discretionaire bevoegdheid in de meeste gevallen worden aangevochten.

Het bestuurlijk toezicht op de mindere vergaderingen is in de HKO veel stringenter geregeld dan in de GKO. Dat geldt in het bijzonder de kerkelijke financiën; Ordinantie 18 voert dan ook als titel: Ordinantie voor het toezicht. Maar ook waar het gaat om rechtsposities van ambtsdragers en anderen zijn allerlei vormen van toezicht te vinden.


12 Vergelijk P. van den Heuvel, De kerkelijke rechtspraak, in: W. Balke e.a. (red.), De kerk op orde? Vijftig jaar hervormd leven met de kerkorde van 1951, Boekencentrum, Zoetermeer 2001, p. 241-264, m.n. 242.
13 Th.L Haitjema, Nederlands hervormd kerkrecht, Nijkerk 1951, p. 317.

|326|

De structuur van de regelingen in de hko wordt duidelijker wanneer wij hier enkele rechtsgangen nadrukkelijk onderscheiden.

 

Opzicht

De HKO onderscheidt binnen het opzicht, waarover Ordinantie 11 handelt, twee hoofdvarianten (Ord. 11-4 t.e.m. 13 HKO). De eerste betreft het opzicht over belijdenis en wandel der leden. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij het consistorium (de vergadering van predikanten en ouderlingen van de plaatselijke kerkenraad). Daarnaast is er het opzicht over de vervulling van ambten, bedieningen en functies. Hierbinnen valt bijvoorbeeld ook de eerder genoemde problematiek van seksueel misbruik in pastorale relaties, waarbij dezelfde definitie wordt gehanteerd als in de GKO.

Dit opzicht ‘wordt gehouden’ door de provinciale kerkvergaderingen, maar wel dóór regionale commissies voor het opzicht, die geen verantwoording schuldig zijn aan de kerkelijke vergaderingen. Er is dus sprake van onafhankelijke rechtspraak.

De generale commissie voor het opzicht fungeert als beroepsinstantie. Zij kan om het beroep te honoreren óf zelf een andere beslissing nemen, óf de zaak terugverwijzen naar een door haar aan te wijzen regionale commissie. Ook kan de generale commissie zelfstandig tot de conclusie komen dat een regionale commissie in gebreke blijft, en zelf vervolgens een tuchtmaatregel nemen. Ten slotte is zij bevoegd zelfstandig besluiten te herzien.

Beroep tegen beslissingen van de generale commissie is niet mogelijk. Wel bestaat er een vorm van cassatie: het breed moderamen van de generale synode kan de generale commissie voor bezwaren en geschillen verzoeken over te gaan tot een marginale toetsing (op vormfouten) van een besluit van de generale commissie voor het opzicht (Ord. 11-13-8 HKO).

 

Leertucht

De HKO kent een afzonderlijke regeling voor ‘het opzicht over de dienst des Woords en de catechese’ (Ord. 11-14 t.e.m. 18 HKO), de leertucht inzake ambtsdragers. Vanuit de geschiedenis van de NHK is het begrijpelijk, dat de regelingen vooral gericht lijken te zijn op het vermijden van leertuchtprocedures als kerkpolitiek instrument. Ordinantie 11-16 HKO regelt de procedure. De verantwoordelijkheid ligt uiteindelijk bij de generale synode, daarin geadviseerd door de Raad voor de zaken van Kerk en Theologie. Acht de generale synode de gewraakte opvattingen uiteindelijk ontoelaatbaar, dan kan uiteindelijk — al dan niet op eigen verzoek — ontheffing van het ambt plaatsvinden.

In 1985 werd in de tekst van Ordinantie 11-16-5 de mogelijkheid voor een beklaagde opgenomen om zich bij de behandeling van de aanklacht te laten bijstaan.

|327|

Bezwaren en geschillen

Zoals gezegd kent de HKO in Ordinantie 19 een specifieke regeling voor de behandeling van ‘bezwaren en geschillen’, waardoor in de HKO in 1951 op een aantal terreinen voorzien werd in onafhankelijke rechtspraak. Deze regeling vormt feitelijk een juridisch kader waarbinnen alle eerdere genoemde regelingen zijn te verstaan.

Provinciale commissies en een generale commissie voor bezwaren en geschillen (GCBG) behartigen elk op hun terrein een deel van de kerkelijke rechtspraak, inclusief het recht van de generale commissie om beslissingen van de provinciale commissies zo nodig te vernietigen in het belang van de rechtseenheid. Betreft een bezwaar of geschil een situatie die zich geheel binnen het ressort van één PKV afspeelt, dan oordeelt de provinciale commissie voor bezwaren en geschillen. In alle andere gevallen oordeelt de generale commissie.

‘Bezwaren’ richten zich tegen een besluit van een ‘kerkelijk lichaam’ (de verzamelterm in de HKO voor ambtelijke vergaderingen, kerkelijke commissies, organen van bijstand, colleges enzovoort). Zij kunnen alleen worden ingediend door een ander kerkelijk lichaam, door een ambtsdrager of een gemeentelid. Te denken valt aan bezwaren inzake de procedure die lokaal wordt gevolgd bij de verkiezing van ambtsdragers. Maar ook besluiten op landelijk niveau kunnen worden aangevochten. Veel aandacht trokken bijvoorbeeld de bezwaren tegen een besluit van de generale synode van de NHK in 1991, waarbij een uniforme beheersregeling verplicht werd gesteld. Het gerechtshof ’s-Gravenhage oordeelde in 1997, dat ook bezwaren daartegen via de route van bezwaren en geschillen aan de orde gesteld dienden te worden.14

Het gaat hier dus om een vorm van interne klachtenregeling. Men moet het bezwaar kunnen motiveren vanuit een getroffen zijn in een werkelijk belang of een kerkelijke verantwoordelijkheid. De commissies beoordelen ontvankelijke bezwaren op de volgende criteria: schending van het recht, misbruik van bevoegdheden en redelijkheid van een besluit onder de geldende omstandigheden. De toetsing mag dus marginaal van aard genoemd worden.

‘Geschillen’ betreffen vooral competentiekwesties: zaken tussen twee (of meer) kerkelijke lichamen en/of ambtsdragers die betrekking hebben op taakvervulling, begrenzing van arbeidsvelden en omvang van bevoegdheden.

De bevoegdheid van de genoemde commissies is in zoverre beperkt, dat bezwaren en geschillen waarvoor in kerkorde en/of ordinanties een andere rechtsgang is voorzien per definitie niet onder de werking van Ordinantie 19 vallen. In de jurisprudentie van de GCBG is inmiddels ook duidelijk geworden, dat zuiver privaatrechtelijke zaken — ook als het bezwaren van het ene kerkelijk


14 Gerechtshof ’s-Gravenhage, rolnummer C 96/149, uitspraak 18 september 1997.

|328|

lichaam tegen het beleid van een ander kerkelijk lichaam betreft — worden overgelaten aan de burgerlijke rechter.

Een commissie kan naar aanleiding van een bezwaarschrift een besluit van een kerkelijk lichaam bevestigen, vernietigen, als juridisch incorrect beoordelen zonder ook de rechtsgevolgen ongedaan te maken, of aanvullen, terwijl er ook overigens een zekere ruimte is om via bijvoorbeeld bemiddeling tot een oplossing te komen. De commissie zoekt daarbij de materiële waarheid, en kan daarom ook andere argumenten hanteren dan in het bezwaarschrift waren vermeld.

 

Uitspraken van provinciale commissies worden ter kennis gebracht van de generale commissie. Deze kan zulke besluiten omwille van de rechtsgelijkheid herzien of vernietigen. Eventueel kan vanuit hetzelfde motief verklaard worden dat een eindbeslissing van een provinciale commissie onjuist was, zonder dat de rechtsgevolgen daardoor worden aangetast.

Tegen uitspraken van een provinciale commissie kan bij de generale commissie beroep worden aangetekend, tenzij in de regelgeving voor specifieke zaken van een ‘eindbeslissing’ van een provinciale commissie sprake is. De generale commissie kan vervolgens óf de beslissing van de provinciale commissie bevestigen, óf deze geheel of gedeeltelijk ongedaan maken om vervolgens hetzij zelf een andere voorziening te geven hetzij de zaak terug te verwijzen naar dezelfde of een andere provinciale commissie, óf ‘de onbevoegdheid voor gedekt verklaren en de beslissing alsnog als bevoegdelijk genomen aanmerken’ (Ord. 19-15-1d HKO). Er is al met al sprake van onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak. De gelijkberechtigdheid van partijen is bij bezwaren en geschillen — analoog aan civielrechtelijke procedures in het wereldlijk recht — eigenlijk vanzelfsprekend. De mogelijkheid van rechtsbijstand is volledig gegarandeerd voor alle betrokken partijen.

Een belangrijke bevoegdheid van de generale commissie ligt tenslotte besloten in Ordinantie 19-3-2: bij eventuele onzekerheid over de vraag welk kerkelijk lichaam in een bepaalde zaak tot oordelen bevoegd is, neemt de generale commissie daarover een beslissing.

 

Afsluitend moet ik hier nog wijzen op enkele bijzondere rechtsgangen in de HKO. Allereerst is er een afzonderlijke rechtsgang voor rechtspositionele problemen tussen een predikant en de kerk. In dat geval regelt Ordinantie 13-50-1 HKO de mogelijkheid van beroep op de ‘commissie van beroep voor de bezoldiging van predikanten en vicarissen’. Nadere regelingen inzake de werkwijze van deze commissie zijn in de ordinanties niet gegeven. Wel voorzien deze ten slotte in de mogelijkheid in cassatie te gaan bij de generale commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen, waarbij met name als mogelijke gronden

|329|

worden genoemd: eventuele strijdigheid met het recht, détournement de pouvoir of onredelijke hantering van het recht (vgl. Ord. 13-50-4/5 HKO).

Binnen dertig dagen nadat de beslissing hem is meegedeeld kan de predikant zich beroepen op het breed moderamen van de generale synode, dat een eindbeslissing neemt.

 

Andere specifieke rechtsgangen betreffen onder meer:
1 de mogelijkheid bezwaar te maken tegen vastgestelde begrotingen bij de provinciale kerkvoogdijcommissie of de provinciale diakonale commissie (Ord. 16-12-8);
2 de mogelijkheid bij bezwaren tegen besluiten van deze commissies zich te beroepen op het generaal college van toezicht (Ord. 18-5-1);
3 de mogelijkheid van beroep op de generale synode voor theologische studenten die predikant willen worden, maar die door de ‘colloquiumcommissie’ worden afgewezen (Ord. 7-16-3) en;
4 de mogelijkheid van beroep op de raad voor de kerkelijke medewerkers bij arbeidsconflicten (Ord. 17-13-2).

 

16.7 Rechtspraak in de PKN

Voor het kerkrechtelijk bestel in de Protestantse Kerk in Nederland is ervoor gekozen de structuur van de HKO te volgen: een ‘eigenlijke kerkorde’, en voorts ordinanties en generale regelingen.

De structuur van de rechtspraak in de toekomstige verenigde kerk tekent zich overigens ook al af in de interim-regelingen, die zijn samengebracht in de Tussenorde,15 en die bedoeld zijn om kerkrechtelijke kaders aan te reiken voor situaties waar reeds op dit moment sprake is van een ‘brede interkerkelijke samenwerking’ of federatie: op die manier kan men plaatselijk of regionaal het kerkelijk leven al zoveel mogelijk regelen, alsof reeds sprake zou zijn van vereniging. Juridisch blijft het echter wel mogelijk de daartoe gezette stappen weer ongedaan te maken. In de Tussenorde is voorzien in provinciale colleges voor de handhaving van de kerkelijke tucht over ambtsdragers en provinciale colleges


15 Tussenorde ten dienste van de samenwerking van de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de ELK, Dienstencentrum SoW-kerken, Utrecht 2000; de afzonderlijke kerkordes van de drie kerken bepalen de rechtskracht van de regelingen in de Tussenorde, maar tekenen daarbij wel uitdrukkelijk aan: zij zijn ‘niet bepalend voor vorm en inhoud van de later vast te stellen orde van de verenigde kerk’ (zie o.a. art. 128 lid 4 GKO).

|330|

voor de behandeling van bezwaren en geschillen. Deze zijn alleen bevoegd ten aanzien van zaken die spelen in gefedereerde gemeenten en classes.

 

De PKO kent evenals de HKO een gedifferentieerd rechtssysteem, en sluit zich ook in de uitwerking nauw aan bij de HKO. Dat geldt bijvoorbeeld bij het opzicht over belijdenis en wandel, en over verkondiging en de catechese, alsmede over de opleiding en vorming van predikanten (Ord. 10). Ook de daar voorziene rechtsgang is in grote mate vergelijkbaar met die in de HKO.

Terminologisch is er een verschil: waar de HKO spreekt van ‘commissies’ voor opzicht, voor bezwaren en geschillen enzovoort, spreekt de PKO van ‘colleges’. Op enkele punten zal, naar het zich laat aanzien, bij de behandeling van bezwaren en geschillen (Ord. 12) de rechtsbescherming in vergelijking met die in de HKO enigszins verbeterd worden. Van groot belang is, dat nu een afzonderlijke Generale regeling voor de rechtspraak zal worden vastgesteld, waarin voor de rechtsbescherming fundamentele zaken (termijnen, procedures, openbaarheid enzovoort) zullen worden geregeld, die in beginsel van toepassing zullen zijn bij alle daarvoor in aanmerking komende procedures.

Nu reeds voorziene belangrijke verschillen met de HKO-regeling zijn verder in elk geval de volgende.

In de PKO is voorgeschreven, dat aan elk rechtsprekend college een adviserend lid dient te worden toegevoegd, ‘dat de hoedanigheid van meester in de rechten bezit’ (Ord. 12-2-5 PKO).

Een termijn voor afhandeling wordt in Ordinantie 12 weliswaar (nog) niet voorgeschreven, maar wel dient een college steeds aan de betrokkenen mede te delen binnen welke termijn een uitspraak tegemoet gezien kan worden (Ord. 12-7-1 PKO; dit geldt opnieuw bij hoger beroep, Ord. 12-9-1 PKO). De mogelijkheid van horen buiten aanwezigheid van de andere partij is niet meer opgenomen.

Naar het zich laat aanzien, zal bij bezwaren tegen besluiten inzake het toezicht (genomen door een regionaal college voor de behandeling van beheerszaken) beroep openstaan op het generaal college voor bezwaren en geschillen, en niet op een generaal college voor de behandeling van beheerszaken (Ord. 11-22-5).16


16 Ik houd — in verband met de datum waarop deze tekst werd afgesloten — bij de verwijzing naar Ord. 11 PKO de nummering aan, zoals gegeven in de concepttekst van deze ordinantie, die aan de synode van 21-23 november 2002 ter behandeling werd voorgelegd, in de verwachting dat dit de definitieve nummering zal blijken te zijn.

|331|

Alle beslissingen van een college worden — zij het ontdaan van persoonlijke gegevens en in samenvatting — opgenomen in een periodiek verslag aan respectievelijk de algemene classicale vergadering en de generale synode. In zoverre kan van een zekere openbaarheid van rechtspraak worden gesproken.

 

Uit de GKO is ten slotte de mogelijkheid overgenomen revisie van een bestreden besluit te vragen bij de vergadering die het besluit nam (Ord. 12-12; vgl. art. 31 GKO). Daarbij gaat het echter, conform de voorheen in de GKO neergelegde regeling (en feitelijk ook daarnaar gemodelleerd) om een alternatief, naast de mogelijkheden van beroep, en niet om een verplichte stap vóórdat van een beroep sprake kan zijn. Een revisieverzoek dient binnen dertig dagen te zijn ingediend. Na een eventuele afwijzing van een verzoek tot revisie staat dan alsnog de mogelijkheid open een zaak voor te leggen aan een college voor bezwaren en geschillen.

 

16.8 Conclusie

Na het bovenstaande liggen een aantal conclusies voor de hand. Duidelijk is allereerst, dat de GKO, gemeten naar maatstaven ontleend aan het hedendaagse rechtsbewustzijn, tot voor kort volstrekt onvoldoende rechtsbescherming bood. Recente kerkordewijzigingen vormen een stap in de goede richting, hoewel onafhankelijke rechtspraak vooralsnog ontbreekt. Afhankelijk van de voortgang van het proces van kerkvereniging in de Protestantse Kerk in Nederland is invoering van vormen van onafhankelijke rechtspraak op afzienbare termijn te verwachten.

De HKO vertoont een veel positiever beeld. Onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak is in een groot aantal gevallen gewaarborgd, al is ten aanzien van de rechtsbescherming veel niet expliciet geregeld.

 

Bepalend voor de rechtsbescherming in de hier besproken Nederlandse kerken in de nabije toekomst is uiteraard voor alles de verdere ontwikkeling van de regelgeving voor de Protestantse Kerk in Nederland.

Kerken kunnen zich in dit opzicht niet onttrekken aan de waarden die tot ontwikkeling komen in de cultuur waarbinnen die kerken leven, waarden die niet zelden mede onder invloed van de christelijke traditie zijn herkend. Het behoort tot het noodzakelijke proces van doorgaande inculturatie van de kerken dat zij ook in de wijze waarop zij hun rechtspleging regelen, zich niet te snel met een beroep op het eigene van de kerkelijke rechtssfeer onttrekken aan de humane verplichting de hoogste geldende standaarden inzake

|332|

rechtsbescherming na te streven. Hier speelt de vraag, welke betekenis in de kerken aan het rechtsbewustzijn in de samenleving wordt toegekend. In de praktijk blijkt overigens de intuïtieve — door de maatschappelijke context bepaalde — erkenning van het belang van de mensenrechten eenvoudig te kunnen doorwerken in de aanpassing van bestaand of de creatie van nieuw kerkrecht.

 

Duidelijk is, dat er vragen te stellen zijn rond de positie van de kerken als zodanig in het Nederlandse rechtssysteem, niet in de laatste plaats in relatie tot het zich ontwikkelende Europese recht. Dat gaat echter het bestek van dit artikel te buiten. Wel werd hierboven al aangegeven dat de burgerlijke rechter zich tot nu toe voorzichtig opstelt als het gaat om rechtspraak binnen de kerk. Het is echter de vraag, hoelang de burgerlijke rechter zich nog zal beperken tot marginale toetsing van kerkelijke procedures. Pel komt in een artikel tot de volgende stelling:

...de rechter moet met de kerkelijke regels wel uit de voeten kunnen, hij moet de weg kunnen vinden en nalopen en de kerkelijke procedures moeten voldoen aan elementaire beginselen van rechtspraak. Ontbreken er kerkelijke regels, zijn ze onduidelijk, worden ze niet nageleefd, zitten er kuilen in de weg, dan ontstaat de beweging dat de rechter zich terugtrekt op de voorzieningen die hij uit het wereldlijk recht kent.17

De recente invoering van een mogelijkheid tot het vragen van een spoedvoorziening in de GKO (art. 32a) is mede hierdoor gemotiveerd.

 

Literatuur

Gereformeerde Kerken in Nederland
Bos, F.L. (1950) De orde der Kerk — toegelicht met kerkelijke besluiten uit vier eeuwen, ’s-Gravenhage (betreft de DKO).
Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, uitgave 2001, Kampen: Kok 2001.
Nauta, D. (1971) Verklaring van de Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, Kampen: Kok (betreft de GKO — inmiddels overigens sterk verouderd).


17 Pel, a.w., noot 6, p. 42.

|333|

Nederlandse Hervormde Kerken in Nederland
Haitjema, Th. L. (1951) Nederlands hervormd kerkrecht, Nijkerk: Callenbach.
Heuvel, P. van den (20012) De hervormde kerkorde — een praktische toelichting, Boekencentrum, Zoetermeer.
Heuvel, P. van den (2001) ‘De kerkelijke rechtspraak’, in: W Balke e.a. (red.), De kerk op orde? Vijftig jaar hervormd leven met de kerkorde van 1951, Boekencentrum, Zoetermeer, 241-264.
Kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk, losbladige uitgave, Boekencentrum, ’s-Gravenhage/Zoetermeer, vanaf 1969.

Evangelisch-Lutherse Kerk
Ordeningen voor de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden, losbladige uitgave, Utrecht: Synodebureau, Landelijk Dienstencentrum SoW-kerken.

Samen op Weg-kerken
Tussenorde ten dienste van de samenwerking van de NHK, de GKN en de ELK, Dienstencentrum SoW-kerken, Utrecht 2000.

Protestantse Kerk in Nederland
Kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland, Boekencentrum, Zoetermeer 2003.
Ordinanties behorende bij de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland, Boekencentrum, Zoetermeer 2003.

Algemeen
Torfs, R. (1993) Mensen en rechten in de kerk, Leuven: Davidsfonds.