215-229

|215|

11 Bronnen van positief kerkrecht

L.C. van Drimmelen

 

 

11.1 Inleiding

Voor de bestudering en toepassing van het positieve kerkrecht is bekendheid met de rechtsbronnen noodzakelijk.

We bezien de bronnen van het eigen recht van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland (RKK), van de Nederlandse Hervormde Kerk (NHK), van de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) en van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN). Weliswaar is het recht van de laatstgenoemde kerk nog geen positief recht omdat deze kerk ‘in aanbouw’ is, maar ter wille van de actualiteit, wordt het recht van de PKN toch in het overzicht betrokken.

 

Het totaal aan bronnen is tamelijk complex. Dat komt omdat we te maken hebben met geheel verschillend georganiseerde kerkgemeenschappen die ook nog eens een eigen systematiek hebben in de opzet van de kerkorde, in de ordening van de stof en in het tot stand komen van de regels en voorschriften. Daarom geven we in dit overzicht niet alleen aandacht aan de documenten waarin de geschreven rechtsregels te vinden zijn (in het kerkrecht: ‘rechtscognitieve’ of materiële rechtsbronnen), maar ook aan de instanties die de bevoegdheid hebben rechtsregels met een algemene geldigheid uit te vaardigen (in het kerkrecht: ‘rechtsproductieve’ of formele rechtsbronnen).

Het noemen van de instanties met wetgevende bevoegdheid levert weer een volgend probleem op. We kunnen namelijk op het gebied van het kerkelijk recht niet altijd onbevangen uitgaan van het in de achttiende eeuw ontwikkelde idee van scheiding tussen wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht.

Voor het rooms-katholieke en het gereformeerde kerkrecht zou dat in zekere zin ook anachronistisch zijn. Het op dit moment in de RKK en in de GKN geldende geschreven recht is weliswaar geformuleerd in de twintigste eeuw (de Codex Iuris Canonici is ingevoerd in 1983 en de huidige Gereformeerde kerkorde in 1959) maar de organisatorische inrichting van de betrokken

|216|

kerkgemeenschappen stamt uit een tijd van voor de achttiende eeuw en deze organisaties zijn tot op de dag van vandaag niet fundamenteel veranderd. We kunnen daarin de drie genoemde machten wel onderscheiden, maar zij zijn zowel in de RKK als in de GKN principieel in één hand.

Alleen de Nederlandse Hervormde Kerk en de Protestantse Kerk in Nederland kennen een constitutionele bevoegdheidsverdeling en een onafhankelijke rechtspraak, zij het dat de rechtspraak door een rechtsprekend college wordt uitgeoefend op gezag van de ambtelijke vergadering die het heeft benoemd.

 

De achtergrond van het niet of niet consequent scheiden van de wetgevende, de rechtsprekende en de uitvoerende macht is de betekenis die in de verschillende kerkgemeenschappen wordt toegekend aan het geestelijk ambt.

De positie en functie van het ambt is in de onderscheiden kerkgemeenschappen niet gelijk. De achtergrond daarvan is weer de verschillende visies die men in de onderscheiden kerkgemeenschappen heeft op de kerk en de organisatorische structuur daarvan. Een overzicht daarvan is te vinden in hoofdstuk 10 in deze bundel. Maar een fundamentele overeenkomst in de ambtsopvatting van de episcopaal-hiërarchisch en die van de presbyteriaal-synodaal georganiseerde kerkgemeenschappen is, dat het ambt gezien wordt als een instelling van Christus, die door het ambt zijn kerk regeert, hetzij dat die ambtsuitoefening unipersonaal hetzij dat die collegiaal uitgeoefend wordt. En het is niet aanvaardbaar, dat de uitoefening van die ambtsmacht door een scheiding van machten, waardoor de wetgevende, de rechtsprekende en de uitvoerende macht een zekere onafhankelijkheid van elkaar krijgen, gerelativeerd wordt, bijvoorbeeld door het optreden van onafhankelijke rechters of door beheerders van het vermogen van een parochie of gemeente met bij attributie toegekende bevoegdheden.

Het in één hand zijn van de wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende bevoegdheid brengt meer dan eens met zich mee, dat we in de documenten, waarin rechtsregels te vinden zijn, met name in documenten van lagere orde, wetgeving en uitvoering van die wetgeving in de vorm van rechterlijke beslissingen en bestuursmaatregelen naast en door elkaar tegen kunnen komen. Dat moet altijd in het achterhoofd gehouden worden, ook als in dit overzicht de interne kerkelijke rechtspraak (zie hoofdstuk 16 in deze bundel) en het bestuur (zie hoofdstuk 12 in deze bundel) verder buiten beschouwing worden gelaten.

|217|

11.2 De Rooms-Katholieke Kerk

Hoofdlijnen

We trekken eerst enkele hoofdlijnen.

1 Er wordt wel onderscheid gemaakt tussen wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht, maar er is geen scheiding (c. 135, paragraaf 1 CIC): ‘Bestuursmacht (potestas regiminis) wordt onderscheiden in wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht.’

2 Tot de bestuursmacht, die krachtens goddelijke instelling in de Kerk bestaat en die ook jurisdictiemacht (potestas iurisdictionis) genoemd wordt, zijn volgens de voorschriften van het recht bekwaam, zij die ‘een heilige wijding ontvangen hebben.’ (c. 129, paragraaf 1) Tn de uitoefening van deze macht kunnen christengelovigen en -leken meewerken (possunt cooperari in exercitio) volgens het recht.' (c. 129, paragraaf 2).
Aan deze bepalingen ligt ten grondslag het idee van het vicariaat, de plaatsbekleding. Christus is het Hoofd en de Herder van de Kerk. De paus en de bisschoppen bekleden de aan hen toevertrouwde volle bestuursmacht als plaatsvervangers van Christus en de apostelen.

3 Deze bestuursmacht kan unipersonaal of collegiaal worden uitgeoefend. Unipersonaal in de persoon van de paus of de bisschoppen in hun diocees, collegiaal bij voorbeeld in bisschoppencolleges en bisschoppenconferenties.

De Bisschop van de Kerk van Rome, in wie het door de Heer alleen aan Petrus, de eerste van de Apostelen verleende en aan diens opvolgers over te dragen ambt voortbestaat, is het hoofd van het Bisschoppencollege, Plaatsbekleder van Christus en Herder van de gehele Kerk hier op aarde; daarom bezit hij krachtens zijn ambt de hoogste, volledige, onmiddellijke en universele gewone macht in de Kerk, die hij altijd vrij kan uitoefenen. (c. 331)

Het Bisschoppencollege, waarvan het hoofd de Paus is en waarvan de leden de Bisschoppen zijn krachtens hun sacramentele wijding en de hiërarchische gemeenschap met het hoofd en de leden van het College, en waarin het apostolisch corps bestendig voortduurt, is, samen met zijn hoofd en nooit zonder zijn hoofd, ook subject van de hoogste en volledige macht over de gehele Kerk. (c. 336)

Aan de diocesane Bisschop komt in het hem toevertrouwde bisdom alle gewone, eigen en onmiddellijke macht toe, die voor de uitoefening van

|218|

zijn herderlijke taak vereist is, uitgezonderd zaken die door het recht of door een decreet van de Paus aan het hoogste of een ander kerkelijk gezag voorbehouden zijn. (c. 381, paragraaf 1)

Het komt de diocesane Bisschop toe de hem toevertrouwde particuliere Kerk met wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht te besturen, volgens het recht. (c. 391, paragraaf 1)

4 Er wordt onderscheid gemaakt tussen universeel en particulier recht. Universeel recht geldt in de gehele kerk; particulier recht alleen in het bisdom, waarvoor het bestemd is. Particulier recht dient in overeenstemming te zijn met het universele recht. Het is op de keper beschouwd een op het bisdom toegesneden nadere uitwerking en invulling van en toevoeging aan het universele recht (praeter, non contra). Het particuliere recht is dus ondergeschikt aan het universele recht.

 

Rechtsproductieve bronnen/rechtsvormende instanties

Voor de universele kerk is de paus de eerste wetgever (c. 331; c. 333, paragraaf 1). Daarnaast moet genoemd worden het bisschoppencollege, hetzij dat het bijeen is in een oecumenisch concilie (c. 337, paragraaf 1), hetzij door een op andere wijze gezamenlijk optreden (c. 337, paragraaf 2). Deze bevoegdheid komt niet in mindering op die van de paus. Het bisschoppencollege geeft adviezen (propositiones); de uiteindelijke beslissing wordt genomen door de paus.

In de derde plaats is er de bisschoppensynode, een vergadering van daartoe aangewezen bisschoppen uit de verschillende gebieden van de wereld (c. 342; c. 345). De bisschoppensynode is een adviserend lichaam, maar zij heeft beslissende bevoegdheid in gevallen dat de paus die bevoegdheid heeft verleend, waarna de paus de door de synode genomen beslissing kan bekrachtigen (c. 343)-

 

Wetgevende bevoegdheid over een particuliere kerk, die meestal gelijk staat aan een bisdom (c. 368), komt toe aan de diocesane bisschop (c. 391, paragraaf 1). Gaat het om regelgeving voor een aantal bisdommen tezamen, bij voorbeeld de gezamenlijke bisdommen in één land als Nederland, dan is tot wetgeving bevoegd het particulier concilie (c. 445). In het particulier concilie hebben zitting: de bisschoppen van de betrokken bisdommen, de bisschoppen-coadjutor, de hulpbisschoppen en de titulaire bisschoppen die in het gebied van het particulier concilie een kerkelijke opdracht hebben (c. 443, paragraaf 1). Wetgevende bevoegdheid voor de betrokken bisdommen tezamen heeft ook de bisschoppenconferentie (c. 455, paragraaf 1-4). Dit is de vergadering van

|219|

bisschoppen, bisschoppen-coadjutor, hulpbisschoppen en titulaire bisschoppen uit één kerkprovincie onder leiding van een aartsbisschop of metropoliet (c. 450, paragraaf 1). Ten slotte is er nog de bijzondere bisschoppensynode voor een bepaald gebied (c. 345) voor gevallen waarin de paus wetgevende bevoegdheid heeft gegeven (c. 343); de beslissingen daarvan kunnen dan door de paus worden bekrachtigd.

 

Voor kloosterlijke verbanden zijn het de kapittels die wetgevende bevoegdheid hebben (c. 596, paragraaf 1-3). Het gaat dan om interne regels voor de kloosterlijke verbanden. Deze regelgeving is te vergelijken met het interne recht van verenigingen.

 

Rechtscognitieve bronnen

Voordat een overzicht gegeven kan worden van de in de RKK geldige kerkorde moet eerst het volgende worden opgemerkt. De kerkordelijke regels kunnen we tegenkomen in twee vormen, die van een wet (lex) en die van een algemeen decreet (decretum generale). Over het algemeen is een decreet een voorschrift dat dient ter verduidelijking of aanvulling van een wet. Een decreet kan een opstap zijn naar een nieuwe wet met algemene geldigheid. Algemene decreten, die voldoen aan de normen, neergelegd in de cc. 7 tot en met 22, hebben kracht van wet (c. 29).

Het is dus zaak om bij het lezen van een decreet na te gaan, of het een decreet is dat valt onder de norm van c. 29 of een ander decreet.

We stuiten hier weer op de moeilijkheid, dat de wetgevende en de uitvoerende macht in één hand zijn, waarbij het niet altijd duidelijk is met wat voor document men te maken heeft. In een juridisch bestuurlijk stuk staat soms ineens een leerstellige opmerking. Bovendien lopen vaak wetgeving en uitvoering door elkaar heen.

Een daaruit voortvloeiend probleem is op welke wijze eventueel gewenste correctie op een beslissing mogelijk is.

 

Universeel recht

1 Het kerkelijk leven van de gehele Rooms-Katholieke Kerk wordt geordend door de Codex Iuris Canonici (CIC), het Wetboek van Canoniek Recht. De Codex is gepromulgeerd op 25 januari 1983 en heeft kracht van wet sinds 27 november 1983. De taal van de CIC is Latijn. Er is een Nederlandse uitgave met op de linkerpagina de Latijnse tekst en op de rechterpagina de Nederlandse vertaling daarvan. De Latijnse tekst is authentiek, ook al is de vertaling geautoriseerd door de Belgische en Nederlandse bisschoppenconferenties. Men mag zich dus in de discussie over de betekenis en strekking

|220|

van een canon niet beroepen op de vertaling. De uitgave met vertaling in het Nederlands is verschenen te Brussel en Hilversum in 1987.
Voor 1983 was de voornaamste rechtsbron de Codex Iuris Canonici van 1917, en voor 1917 het Corpus Iuris Canonici, gevormd in de hoge en de late Middeleeuwen. 

2 Bijzondere door de paus uitgevaardigde wetten kennen we als apostolische constitutie (constitutio apostolica) of als motu proprio. Het verschil is, dat een apostolische constitutie gewoonlijk een meer algemene strekking heeft en dat een motu proprio betrekking heeft op een speciale persoonlijke of incidentele situatie.
Deze bijzondere wetten worden gepubliceerd in de Acta Apostolicae Sedis (AAS). Een vertaling daarvan in het Nederlands wordt gepubliceerd in Kerkelijke Documentatie, het publicatieorgaan van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland.

 

Particulier recht

De Nederlandse bisschoppenconferentie heeft een reeks regelingen vastgesteld, bekend als ‘Regelingen RK Kerkgenootschap in Nederland’, uitgegeven door het Secretariaat Rooms-katholiek Kerkgenootschap in Nederland (SRKK) te Utrecht. In die reeks bevinden zich onder meer Algemeen Reglement voor het bestuur van een parochie van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland (nr. 3), Algemeen Reglement voor het bestuur van een (inter)parochiële caritas-instelling in de Nederlandse Rooms-Katholieke Kerkprovincie (nr. 8), Algemene bepalingen voor kerkelijke rechtspersonen en katholieke burgerlijke rechtspersonen in de Rooms-Katholieke Kerkprovincie in Nederland (nr. n). De beslissingen van wetgevende aard van de afzonderlijke bisschoppen worden gepubliceerd in de Analecta, het officiële publicatieorgaan van een bisdom.

 

Naast de wet kent het CIC de gewoonte als bron van recht; de gewoonte wordt genormeerd door de cc. 23 tot en met 28. Een gewoonte kan nooit in strijd zijn met het canonieke recht maar zij kan het canonieke recht wel aanvullen (praeter legem sed non contra legem) en verduidelijken. ‘De gewoonte is de beste uitlegster van wetten’ (c. 27). Maar om van een gewoonte te kunnen spreken dient deze te functioneren in een gemeenschap die bekwaam is om een wet te ontvangen en dient zij binnen die gemeenschap als een geldige rechtsregel te worden ervaren (c. 25). Een gewoonte moet wel gedurende geruime tijd (dertig jaar) onderhouden zijn, wil zij inbreuk kunnen maken op het geldende canonieke recht (c. 26).

|221|

11.3 De Nederlandse Hervormde Kerk

Hoofdlijnen

1 Fundamenteel voor het kerkrecht van de reformatorische kerken is het priesterschap van alle gelovigen.
Dat betekent in de eerste plaats dat wie Jezus Christus aanvaardt als Heer en Heiland niet de bemiddeling van een priester nodig heeft om tot God te komen. Daardoor is er geen plaats voor een onderscheid tussen geestelijkheid/clerus en leken. Iedereen in de kerk is gelijk. Maar het betekent ook dat iedereen op eigen wijze verantwoordelijk is voor de goede gang van zaken in de kerk.

2 Dat wil niet zeggen dat er geen leiding wordt gegeven. Dat iedereen op eigen wijze verantwoordelijk is, houdt in dat de onderscheidenheid van gaven van de Geest uitgewerkt wordt in een verdeling van verantwoordelijkheid. De gemeente herkent wie de gave heeft van het leiding kunnen geven. Daarom wordt de leiding van de gemeente door de gemeente uit de leden van de gemeente gekozen en door bevestiging in het ambt geplaatst. Alleen predikanten kunnen ‘van buiten’ komen, maar zij kunnen pas worden bevestigd tot voorganger van de gemeente, nadat zij daar lid van zijn geworden. Want zoals er geen gemeente is zonder ambtsdragers, zo is er ook geen ambtsdrager zonder gemeente. Wie een bovenplaatselijke functie bekleedt wordt geacht in dienst te staan van een aantal gemeenten gezamenlijk.

3 Vanwege de verscheidenheid aan gaven en de verscheidenheid in werk worden in de vormgeving van het ambt drie ambten onderscheiden, dat van de predikant, dat van de ouderling en dat van de diaken. Tezamen vormen zij de kerkenraad. De kerkenraad is de vergadering van alle ambtsdragers van de gemeente, want het ambt wordt uitsluitend collegiaal uitgeoefend.

4 Zo wordt vormgegeven aan de christocratie. Christus is Heer van de Kerk. En in de regering van zijn Kerk maakt Hij gebruik van de dienst van mensen, de ambtsdragers. Daarom kan men zeggen dat de ambtsdragers in hun ambtelijke optreden Christus representeren: zij spreken zijn Woord. Maar er is geen sprake van representatie in de zin van plaatsbekleding of vicariaat.

5 Typisch hervormd is, dat de leden van de gemeente ‘mitsdien’ lid zijn van de landelijke kerk. Daarmee is de landelijke kerk niet minder gestalte van de Kerk van Christus dan de plaatselijke gemeente. En aan die kerk wordt leiding gegeven door de generale synode zoals de kerkenraad leiding geeft aan de gemeente. Daardoor is het in de Nederlandse Hervormde Kerk mogelijk als ambtsdrager verbonden te zijn aan ‘de kerk als geheel’ (‘standplaats bij de kerk’). Zodoende wordt in de Nederlandse Hervormde Kerk

|222|

meer gewicht gegeven aan de landelijke kerk en haar organisatie dan in de andere reformatorische kerken. De (plaatselijke) hervormde gemeenten worden gezien als zelfstandige onderdelen van het landelijke kerkgenootschap (artikel 2 Boek 2 BW).
De plaatselijke gemeenten zijn samengevoegd tot classes; de gemeenten en classes zijn samengevoegd tot kerkprovincies (Ord. 1-32-1 HKO (= Ordinantie 1, artikel 32, lid 1 van de kerkorde der Nederlandse Hervormde Kerk)).

6 De Nederlandse Hervormde Kerk onderscheidt zich bovendien van de andere reformatorische kerken door toepassing van het idee van de scheiding van machten in die zin dat er recht gesproken wordt door instanties die over hun uitspraken geen verantwoording hoeven af te leggen aan een instantie die bekleed is met wetgevende en uitvoerende macht.

 

Rechtsproductieve bronnen/rechtsvormende instanties

De bevoegdheid tot het stellen van regels met geldigheid voor de gehele kerk, ook in haar onderdelen zoals de gemeenten, berust bij de generale synode (art. V, lid 2; artikel XXVII en XXVIII van de Kerkorde der Nederlandse Hervormde Kerk). De generale synode (GS) is samengesteld uit door de classicale vergaderingen afgevaardigde ambtsdragers (Ord. 2-10-1).

Daarnaast is er de synodus contracta (Ord. 1-13), gevormd door een selectie uit de leden van de GS (Ord. 1-13-1) aan wie de GS een deel van haar taak, ook op het gebied van regelgeving, kan toevertrouwen.

De bevoegdheid om regels te stellen die gelden in een kerkprovincie ligt bij de provinciale kerkvergadering (PKV; art. V.6 KO; Ord. 1-7, 8, 9); de bevoegdheid om regels te stellen die gelden voor een classis ligt bij de classicale vergadering (CV; art. V.6 KO; Ord. 1-4, 5, 6).

Zowel de GS als de PKV en de CV hebben behalve een moderamen ook een breed moderamen (Ord. 1-22), maar de brede moderamina hebben geen regelgevende bevoegdheid (Ord. 1-22-2).

De bevoegdheid tot het stellen van regels voor de plaatselijke gemeente ligt bij de kerkenraad (art. V.2 KO; Ord. 1-2-1). De kerkenraad wordt gevormd door alle ambtsdragers van de gemeente (Ord. 1-1-1).

 

Rechtscognitieve bronnen

In de teksten komen we twee uitdrukkingen tegen die betrekking hebben op het gecodificeerde recht van de NHK, namelijk ‘orde der kerk’ en ‘kerkorde’. Orde der kerk is de aanduiding van alle voorschriften met een niet-incidentele werking, ongeacht welke met wetgevende bevoegdheid beklede instantie het voorschrift heeft gegeven, van de kerkorde in engere zin tot de door een kerkenraad vastgestelde huishoudelijke regeling voor huiscatechese.

|223|

De term ‘kerkorde’ wordt in de wandeling meestal gebruikt voor de inhoud van de losbladige uitgave van de kerkorde in engere zin, de ordinanties en de overgangsbepalingen bij de kerkorde en de ordinanties. De term wordt echter technisch gebruikt voor de uit dertig — met Romeinse cijfers genummerde — artikelen bestaande kerkorde, vaak aangeduid als ‘kerkorde in engere zin’ of de ‘Romeinse artikelen’.

 

Er is in de hervormde orde der kerk een hiërarchie van regels. Het gewicht ervan valt af te lezen uit de procedure die voor vaststelling of wijziging is bepaald (art. XXVII en XXVIII HKO). De kerkorde in engere zin is het moeilijkst te wijzigen. De wijziging dient eerst door de generale synode in eerste lezing te worden vastgesteld. Daarna vindt raadpleging van de classicale vergaderingen en via deze van de kerkenraden plaats (consideraties). Na behandeling van de consideraties vindt de definitieve vaststelling plaats in een vergadering van de generale synode in dubbele samenstelling.

Ook wijzigingen in de ordinanties vinden plaats door de generale synode door vaststelling in eerste en tweede lezing met daartussen een consideratieronde, maar voor de vaststelling in tweede lezing hoeft de synode niet in dubbele samenstelling bijeen te komen. Hetzelfde geldt voor de overgangsbepalingen. Alle overige regelingen worden in één keer door de bevoegde instantie vastgesteld.

Een lagere regeling kan een hogere regeling wel aanvullen (praeter) maar zij mag niet in strijd zijn met een hogere regeling (non contra).

 

Het kerkelijk leven van de Nederlandse Hervormde Kerk wordt in de eerste plaats geregeld door de kerkorde in engere zin. Zij bestaat uit dertig — met Romeinse cijfers genummerde — artikelen. Deze kerkorde is ingevoerd op 1 mei 1951 ter vervanging van het door koning Willem I in 1816 aan de Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden opgelegde en in 1852 grondig gewijzigde Algemeen Reglement.

Naast de kerkorde zijn er een twintigtal ordinanties. Een ordinantie is te beschouwen als een op de praktijk van het kerkelijk leven toegespitste uitwerking van een artikel uit de kerkorde in engere zin. Ordinanties zijn te vergelijken met de bij de Nederlandse grondwet behorende organieke wetten. Zij kwamen in 1951 in de plaats van de bij het Algemeen Reglement van 1816 en 1852 behorende reglementen met een bepaald onderwerp.

Vervolgens is er een slinkend aantal overgangsbepalingen, nodig toen in 1951 van het regime van het Algemeen Reglement overgegaan werd naar de vigerende kerkorde met ordinanties.

De kerkorde, de ordinanties en de overgangsbepalingen zijn gepubliceerd in

|224|

een losbladige uitgave, uitgegeven door het Boekencentrum te Zoetermeer.

Ten slotte is er een aantal generale regelingen over heel speciale onderwerpen (zoals de salariëring van predikanten, de rechtspositie van kosters, de voorwaarden voor het in het leven roepen van een stichting door een kerkelijke instantie enzovoort). De generale regelingen zijn ook uitgegeven door het Boekencentrum te Zoetermeer in een afzonderlijke (losbladige) band. Tot de generale regelingen behoort ook het gecodificeerde overgangsrecht dat betrekking heeft op het proces van eenwording van de Nederlandse Hervormde Kerk met de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden (ELK) dat bekend staat onder de naam ‘Tussenorde’. Het bijzondere van de Tussenorde is, dat die weliswaar nergens inbreuk maakt op de kerkorde in engere zin, maar wel op de ordinanties. Daarom diende voor de totstandkoming en de wijziging van de Tussenorde dezelfde procedure gevolgd te worden als die voor wijzigingen in de ordinanties (Ord. 20-13-1). Omdat de Tussenorde behoort tot de generale regelingen is zij opgenomen in de zo-even genoemde bundel generale regelingen. De Tussenorde is echter ook los verkrijgbaar bij het Landelijk Dienstencentrum (LDC) van de SoW-kerken te Utrecht.

Besluiten van de generale synode, ook die welke betrekking hebben op regelgeving, worden gepubliceerd in Kerkinformatie, maandblad uitgegeven door het LDC Utrecht.

Voor de kerkprovincies, de classes en de gemeenten worden regelingen gegeven door de bevoegde provinciale kerkvergadering, classicale vergadering of kerkenraad. Zij worden gepubliceerd in diverse regionale of plaatselijke kerkbladen. (Ord. 1-3-5)

In de kerkorde, de ordinanties en de overgangsbepalingen wordt nergens gesproken over gewoonten. Gewoonterecht wordt in de hervormde kerkorde niet erkend. Maar dat wil; niet zeggen dat gewoonterecht niet bestaat en dat zowel kerkleden als kerkelijke instanties zich op geen enkel punt naar gewoonte gedragen.

 

11.4 De Gereformeerde Kerken in Nederland

Hoofdlijnen

1 Ook voor het gereformeerde kerkrecht zijn zowel het priesterschap van alle gelovigen als de christocratie fundamenteel. Christus regeert zijn Kerk door zowel zijn Woord als zijn Geest.
Vergeleken met de hervormde opstelling, is er in het gereformeerde kerkrecht meer ruimte voor de verantwoordelijkheid van de gemeenteleden.

|225|

Ook al is er binnen een (plaatselijke) gereformeerde kerk geen plaats voor een ledenvergadering als orgaan van de kerk, de kerkenraad is gehouden in belangrijke aangelegenheden de leden van de gemeente te informeren en te horen (art. 43, lid 1 van de Gereformeerde kerkorde (GKO)).

2 Kenmerkend voor het gereformeerde kerkrecht is ook het consequent denken vanuit de plaatselijke kerk. Elke plaatselijke kerk is op zich kerkgenootschap in de zin van artikel 2 Boek 2 BW. Deze kerkgenootschappen sluiten zich aaneen in classicale en particulier-synodale verbanden en ten slotte in het verband van de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN). Daarom kan men als gereformeerde slechts lid zijn van een plaatselijke kerk. Er bestaat niet zoiets als lidmaatschap van de Gereformeerde Kerken in Nederland.
Het op het oog federatieve karakter van het kerkverband betekent echter niet, dat een besluit van de synode voor een plaatselijke kerk eerst rechtskracht heeft als het door de kerkenraad is geratificeerd. Het verband is synodaal, hetgeen betekent, dat besluiten van de classis, van de particuliere synode en van de generale synode voor de plaatselijke kerken bindend zijn, zonder dat de kerkenraad zich daar nog eens over hoeft uit te spreken.

3 Het gehele (landelijke) kerkverband is opgebouwd volgens een patroon dat in de zestiende eeuw is ontwikkeld en uiteindelijk vastgelegd in de kerkorde, die in 1619 werd vastgesteld door de nationale synode van Dordrecht, 1618-1619. De huidige Gereformeerde kerkorde is niet anders dan een grondige herziening van de Dordtse kerkorde. Vandaar dat het gereformeerde kerkrecht geen scheiding kent van wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht.

 

Rechtsproductieve bronnen/rechtsvormende instanties

Bevoegd tot wetgeving zijn de ambtelijke vergaderingen. Dat zijn voor de plaatselijke gemeente de kerkenraad (art. 27.2, artt. 35-43 GKO), voor de in een classis samenkomende kerken de classis (art. 27.2, artt 49-52 GKO), voor de in een particuliere synode samenkomende kerken en classes de particuliere synode (PS; art. 27.2, artt. 53-57 GKO) en voor het hele kerkverband de generale synode (GS) (art. 27.2, artt. 62-65 GKO).

Een classis wordt gevormd door de afgevaardigden van de bijeenkomende kerkenraden; de PS en de GS worden gevormd door afgevaardigden van de bijeenkomende classes. Gerekend vanuit de kerkenraad zijn de classis, de PS en de GS ‘meerdere’ vergaderingen, niet omdat zij meer macht hebben, maar omdat er in aantal meer plaatselijke kerken bij betrokken zijn. Voor de GS zijn de PS, de classis en de kerkenraad dus ‘mindere’ vergaderingen. En voor een classis is de kerkenraad een mindere vergadering, maar de PS een meerdere vergadering.

|226|

Een deel van het werk van de GS wordt gedaan door haar breed moderamen (art. 63 GKO).

 

Rechtscognitieve bronnen

Het leven en werken van de Gereformeerde Kerken in Nederland wordt geordend door de kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Deze kerkorde is een ingrijpende herziening van de Dordtse kerkorde van 1619. Bij deze kerkorde behoort een corpus van ‘uitvoeringsbepalingen’. Uitvoeringsbepalingen zijn in wezen besluiten van de GS ter uitwerking en uitvoering van de verschillende artikelen van de kerkorde. De term ‘uitvoeringsbepaling’ is dubbelzinnig. Het is niet altijd duidelijk of een uitvoeringsbepaling bedoeld is als voorschrift met een algemene geldigheid in het hele kerkverband of als een besluit tot uitvoering van iets wat in de kerkorde is voorgeschreven. Hier wreekt zich dat niet goed onderscheiden wordt tussen wetgeving en bestuur.

De kerkorde wordt met de uitvoeringsbepalingen tweejaarlijks uitgegeven in een paperback door uitgeverij Kok te Kampen.

De Tussenorde, regelingen voor het proces van eenwording van de GKN met de NHK en de ELK is als afzonderlijke uitgave te verkrijgen bij het LDC te Utrecht.

Voor de ressorten van de particuliere synoden en classes en voor de plaatselijke kerken zijn er regelingen, vastgesteld door de betrokken particuliere synode, classis of kerkenraad voor het leven en werken van de desbetreffende kerken in particulier synodaal verband, classicaal verband of ter plaatse. Zij mogen niet in strijd zijn met de GKO.

 

Vanwege de geringe omvang van het gecodificeerde gereformeerde kerkrecht geschiedt er verhoudingsgewijs veel naar gewoonte. Hoewel de kerkorde niet over gewoonterecht spreekt wordt het wel algemeen aanvaard en gevolgd. Een beroep op een gedurende langere tijd in brede kring gevolgde gewoonte wordt gehonoreerd. Het gewoonterecht fungeert in de gereformeerde kerkgemeenschap op een wijze die vergaande overeenkomst vertoont met het fungeren van de gewoonte in het seculiere Nederlandse recht.

 

11.5 De Protestantse Kerk in Nederland

In de Protestantse Kerk in Nederland komen drie tradities samen: de hervormde, de gereformeerde en de evangelisch-lutherse.

Het evangelisch-lutherse denken over de Kerk begint bij het Woord van God, dat de wereld uit het niets tevoorschijn riep, dat doden tot leven wekt en dat

|227|

zondaars rechtvaardig maakt. Dat Woord wordt zintuiglijk waarneembaar gemaakt in de openbare bediening van Woord en Sacrament als hoorbare en tastbare gestalte van het Evangelie. Tot deze dienst is de kerk geroepen. Op grond van het priesterschap van alle gelovigen is dat de verantwoordelijkheid van allen.

Maar omdat niet allen tegelijk kunnen prediken en dopen enzovoort oefenen de gelovigen hun verantwoordelijkheid uit door mensen uit hun midden in het openbare ambt van Woord en Sacrament te stellen. Alle andere diensten zijn assistentie bij de openbare bediening van Woord en Sacrament; ouderlingen, diakenen, kerkmusici, kerkrentmeesters, kosters enzovoort verlenen ‘bijstand in het openbare ambt van Woord en Sacrament’.

De calvinistische reformatie voegde daar aan toe, dat de heiliging van het leven in het verlengde van de rechtvaardiging van de zondaar ligt. Daarom volgt op de bediening van Woord en Sacrament de vraag naar de gehoorzaamheid aan en de navolging van Christus. Om die reden zijn er in de calvinistische traditie — behalve predikanten als predikers — ouderlingen als opzieners en diakenen als voorgangers in de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid.

Het verschil in de hervormde en de gereformeerde uitwerking daarvan is, dat in de hervormde traditie meer accent gelegd wordt op de christocratie en op de ambtelijke leiding van de kerk in het werk van de synode en de andere ambtelijke vergaderingen en dat in de gereformeerde traditie meer accent gelegd wordt op het priesterschap van de gelovigen, waardoor er in het gereformeerde bestel meer ruimte is voor de verantwoordelijkheid en de betrokkenheid van de kerkleden.

Een en ander resulteert in een evangelisch-lutherse nadruk op de predikant tegenover de kerkenraad, een hervormde nadruk op de kerkenraad tegenover de gemeenteleden en een gereformeerde nadruk op het mondige gemeentelid tegenover de kerkenraad en de predikant.

De kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland (hierna: PKO, protestantse kerkorde) is een synthese van deze drie tradities, een samenspel van de voorrang van het Woord, de zeggenschap van Christus en de mondigheid van de gelovige of, zo men wil, een samenspel van het gemeentelid, de kerkenraad en de predikant.

 

Hoofdlijnen

1 De kerk is schepping van het Woord (creatura Verbi) en tegelijk de ruimte waarin het Woord klinkt en het platform waarvandaan het Woord de wereld in gaat. De gehele organisatie van de kerk moet erop gericht zijn, dat het Woord tot zijn recht komt. De kerkorde is niets anders dan de troon waarop de Woord-Koning zetelt (art. I.2, PKO).

|228|

2 Jezus Christus is het Hoofd van de Kerk en geen enkele andere macht of kracht van binnen of van buiten de kerk is bevoegd in de kerk enige zeggenschap uit te oefenen (uit de Verklaring van Barmen, 1934; art. I.5 PKO).

3 Alle leden van de gemeente zijn geroepen en gerechtigd hun door de Heilige Geest geschonken gaven aan te wenden tot vervulling van de opdracht die Christus aan de gemeente geeft (art. IV.2, PKO).

4 Tot een gemeente — en daarmee tot de verenigde kerk — behoren zij van wie de inlijving in de gemeenschap van de Kerk is bekrachtigd door de heilige doop (art. III.2, PKO).

5 De verenigde kerk bestaat uit al de gemeenten, te weten de verenigde gemeenten, de hervormde gemeenten, de gereformeerde kerken en de evangelisch-lutherse gemeenten (art. II.2, PKO).

6 Om de gemeente bij het heil te bepalen en bij haar roeping in de wereld te bewaren is van Christuswege het openbare ambt van Woord en Sacrament gegeven. Met het oog op deze dienst onderscheidt de kerk het ambt van predikant, het ambt van ouderling, het ambt van diaken alsmede andere diensten in kerk en gemeente (art. V.1, PKO).

7 Opdat niet het ene ambt over het andere, de ene ambtsdrager over de andere, noch de ene gemeente over de andere heerse, maar alles wordt gericht op de gehoorzaamheid aan Christus, het Hoofd van de Kerk, is de leiding van de kerk toevertrouwd aan ambtelijke vergaderingen (art. VI.1, PKO).

8 Er is voorzien in onafhankelijke interne rechtspraak, maar de wetgevende en de uitvoerende macht zijn (evenals nu in zowel de NHK, de GKN als de ELK) in één hand.

 

Rechtsproductieve bronnen/rechtsvormende instanties

De bevoegdheid tot het stellen van regels met geldigheid voor de gehele kerk, ook in haar onderdelen, zoals de gemeenten, berust bij de generale synode (GS) (art. VI, lid 2, 3, 4; Ord. 4-20, 21, 22; art. XVII en XVIII PKO). De generale synode (GS) is samengesteld uit door de classicale vergaderingen afgevaardigde ambtsdragers (Ord. 4-20-1).

Daarnaast is er de kleine synode (KS) (Ord. 4-22-4, 5), gevormd door een selectie uit de leden van de GS (Ord. 4-22-4) aan wie de GS een deel van haar taak, ook op het gebied van regelgeving, kan toevertrouwen.

Er is geen ambtelijke vergadering tussen de generale synode en de classicale vergaderingen (de hervormde PKV en de gereformeerde PS). De bevoegdheid om regels te stellen die gelden voor een classis ligt bij de classicale vergadering (CV) (art. VI, lid 2, 3, 4; Ord. 4-10,11-12). De classicale vergadering is samengesteld uit door de kerkenraden afgevaardigde ambtsdragers (Ord. 4-10-1).

|229|

De CV heeft behalve een moderamen ook een breed moderamen (BM-CV) (Ord. 4-12-4, 5), maar het breed moderamen heeft geen regelgevende bevoegdheid (Ord. 4-12-5).

De bevoegdheid tot het stellen van regels voor de plaatselijke gemeente ligt bij de kerkenraad (art. VI.2, 3, 4; Ord. 4-4, 5, 6). De kerkenraad wordt gevormd door alle ambtsdragers van de gemeente (Ord. 4-4-2).

 

Rechtscognitieve bronnen

Het leven en werken van de gehele kerk wordt geordend door de kerkorde, bestaande uit 19 met Romeinse cijfers genummerd artikelen. Daarin staan de fundamentele bepalingen voor het leven en werken van de kerk. De wijziging daarvan is gebonden aan een procedure die wordt beschreven in art. XVIII PKO.

De kerkorde wordt uitgewerkt in een veertiental ordinanties. De wijziging daarvan wordt beschreven in art. XVII PKO. Daarnaast zijn er een aantal overgangsbepalingen. En ten slotte is er een aantal voor de hele kerk geldende generale regelingen.

Regelingen die het leven en werken van de classis ordenen worden vastgesteld door de classicale vergadering. Zij mogen niet in strijd zijn met het door de generale synode bepaalde.

Regelingen die het leven en werken van de plaatselijke gemeente ordenen worden vastgesteld door de kerkenraad (Ord. 4-5-2). Deze regelingen mogen niet in strijd zijn met door de generale synode vastgestelde regelingen (Ord. 4-5-2). Voor bepaalde aangelegenheden dient de kerkenraad vooraf de gemeente erin te kennen en er over te horen (Ord. 4-6-8).