L.S.

 

Het was in den namiddag van den 31sten Maart 1920, dat in de bibiotheekkamer van de Christelijke Hoogere Burgerschool in de Moreelsestraat te Amsterdam eenige historici van Protestantsch-Christelijken huize bijeenkwamen. Bij hen was de behoefte ontwaakt aan contact met geestverwante vakgenooten. In waardeering van de wetenschappelijke productie van vrijzinnige zijde wilde zij bij niemand achterstaan, maar zij vroegen zich toch af, of daarin niet soms bepaalde factoren in het historisch gebeuren als bijzonder belangrijk werden voorgesteld ten koste van andere, en of zekere gedeelten van het materiaal niet meer aandacht verdienden dan hun daarin ten deel viel. Ten einde op den duur in de door hen gevoelde leemte te kunnen voorzien, meenden ze, dat geen middel dienstiger zou zijn dan de oprichting van een Gezelschap van Christelijke Historici, dat af en toe bijeen zou komen ter bespreking van onderwerpen uit de geschiedenis — geschiedenis hier te nemen in den ruimsten zin van het woord — zoowel als uit de formeele historische vakken, welke hun in verband met hun levensbeschouwing meer in het bijzonder belang inboezemden.

Zoo is ook geschied. Geregeld twee maal per jaar zijn er vergaderingen gehouden, meestal in Utrecht, soms ook in Amsterdam of Den Haag. Het aantal leden, dat bij de oprichting elf bedroeg, breidde zich allengs tot zes en twintig uit. Het zijn allen gepromoveerden, ofschoon — en dit is ook wel voorgekomen — ook niet-gepromoveerden voor het lidmaatschap aangezocht kunnen worden.

Tot dusver heeft het Gezelschap in alle stilte gewerkt. Het trad niet naar buiten op. Zelfs heeft het zijn bestaan nog nooit wereldkundig gemaakt. Maar nu zich dit reeds over een lustrum uitstrekt, besloot het voor het voetlicht te komen, en wel met dezen bundel. Hierin zijn alleen voordrachten opgenomen, die op onze vergaderingen gehouden zijn, zij het dan ook niet steeds in den vorm,

||

waarin ze nu worden aangeboden. Dit geldt met name van de stukken van de H.H. Van Apeldoorn en Goslinga, die bij nadere uitwerking een onevenredige lengte hebben aangenomen, maar die de Commissie na ampele overweging toch gemeend heeft te moeten handhaven. Om van de werkzaamheden van het Gezelschap een zoo volledig mogelijk beeld te geven, heeft ze ook eenige bijdragen opgenomen, die reeds elders, in de Stemmen des Tijds of het Tijdschrift voor Geschiedenis, geplaatst zijn; te zamen vormen ze echter weinig meer dan een vijfde van het werk. Het ligt voor de hand, dat de taak van ondergeteekenden geen andere was dan het ordenen der ingezonden opstellen; de verantwoordelijkheid voor den inhoud berust geheel bij de schrijvers.

De bundel is niet uitsluitend, zelfs niet in de eerste plaats, bedoeld voor vakgenooten, al zal natuurlijk hun belangstelling op hoogen prijs worden gesteld. Wij koesteren de hoop, dat hij vooral de aandacht zal trekken van het Christelijk publiek, dat, wanneer wij ons niet bedriegen, meer dan vroeger jaren het geval was, vraagt naar wetenschappelijk werk, mits aangeboden in een vorm, die het genietbaar maakt voor breederen kring. In hoeverre deze bundel aan dien eisch beantwoordt, zij anderen ter beoordeeling overgelaten. Moge hij in elk geval bijdragen tot de vermeerdering van de kennis en verdieping van het inzicht omtrent de beteekenis van het Christendom voor de geschiedenis, met name die van ons eigen volk!

De Commissie voor den Lustrumbundel:

A. Goslinga.
A. Sizoo.
H.J. Smit.