|13|

De Fransche en de Schotsche kerkenordening

 

De Fransche kerkenordening is daarom van belang omdat zij op de samenstelling der Nederlandsche kerkenordeningen een beduidenden invloed gehad heeft zooals bij vergelijking blijkt. De Fransche kerkenorde is verdeeld in 14 hoofdstukken, die ieder een aantal artikelen tellen. Anders dan de Nederlandsche kerkenordeningen kent de Fransche kerkenordening geen apart hoofdstuk over de tucht. Zij laat er zich echter niet minder duidelijk over uit. Naar enkele artikelen wil ik verwijzen.

Volgens hoofdstuk I, art. 50 zal een dienaar des Woords, schuldig bevonden aan grove en kennelijke zonden, terstond door den kerkeraad worden afgezet, onder bijroeping van de classis, of bij ontstentenis daarvan, van twee of drie onverdachte predikanten. Indien hij dwaalleer heeft verkondigd, zal hij op dezelfde wijze geschorst worden, in afwachting van de definitieve beslissing der provinciale synode.

Hieruit blijkt tweeërlei: 1e. het afzettingsrecht der mindere vergadering wordt erkend; in duidelijke en grove gevallen mag de kerkeraad met advies der classis of van twee of drie naburige predikanten den predikant afzetten. 2e. Daarnaast blijkt ook de synode tuchtrecht te hebben; bij moeilijker gevallen of die van meer algemeenen aard zijn als dwaalleer, schorst de kerkeraad met de classis en geeft de synode de definitieve beslissing of hij afgezet zal worden, ja dan neen.

Dat de synoden ook voorts het excommunicatierecht hebben blijkt uit I, 23; dit artikel schrijft voor dat predikanten, die hun dienst trouweloos verlaten en niet tot inkeer te brengen zijn door de provinciale synode finaal zullen geëxcommuniceerd worden.

De tucht die de kerkelijke vergaderingen over predikanten oefenen, mogen ze ook toepassen op ouderlingen en diakenen. Dit blijkt uit III, 9, welk artikel luidt: „ouderlingen en diakenen zullen worden ontzet uit hun waardigheid om dezelfde redenen als de dienaren des goddelijken Woords. Indien zij veroordeeld zijn door den kerkeraad en zij daarvan in hooger beroep gaan, zullen zij geschorst blijven in hun ambten, totdat daarover geoordeeld zal zijn door de classis of de provinciale synode.”

Hieruit blijkt duidelijk dat de kerkeraden ouderlingen en diakenen kunnen censureeren. Evenzeer houdt dat „indien zij veroordeeld zijn door den kerkeraad” de mogelijkheid in, dat ook andere instanties hen afzetten n.l. de classen en synoden, wier recht daartoe in hooger beroep nog uitdrukkelijk wordt uitgesproken.

Heel duidelijk is VIII, 2. Het gaat hier over de afvaardiging naar de provinciale synode en de noodzakelijkheid van de aanwezigheid der afgevaardigden op de classis en de provinciale synode. De Fransche kerken waren zeer ijverig in het bewaren van het kerkverband en van de eenheid der kerk. Al wat daarmee in strijd kwam, beschouwden zij als ernstige zonde en zij traden er krachtig tegen op. Zij duldden niet dat de kerken zich niet op de meerdere vergaderingen vertegenwoordigden, of dat afgevaardigden afwezig bleven. Alsdan was schriftelijke opgave van reden noodig en oordeelde de vergadering of de verontschuldiging genoegzaam gegrond was. Daaromtrent bepaalde nu het slot van VIII, 2: „Zij

|14|

die nalatig zullen blijven in het aanwezig zijn op de classen en provinciale synoden zonder wettig excuus, zullen gecensureerd worden, en die classen en provinciale synoden zullen definitief over hun daad kunnen oordeelen en beschikken over hun personen.” — Het is kennelijk dat dat beschikken over hun personen ook inhoudt recht van schorsing of afzetting van den afgevaardigden predikant en ouderling.

Tenslotte verwijs ik nog naar XIII, 20. In dit artikel wordt de kerkelijke huwelijksbevestiging verboden van een Gereformeerde met een Roomsche, die van zijn bijgeloof geen afstand wil doen. Aldus eindigt dit artikel: „En het zal geen predikant noch den kerkeraden vrijstaan anders te handelen op straffe van schorsing en zelfs van ontzetting uit hun bediening.” Men lette op dien meervoudsvorm hun bediening. Het ziet niet alleen maar op den predikant, maar ook op de kerkeraden. Ook de kerkeraden dus kunnen bij overtreding geschorst en zelfs afgezet worden.

 

Wat de Schotsche kerkenordening betreft, kan ik verwijzen naar het „Het Tweede Boek van Tucht” van 1581.

Deze kerkenordening kent practisch drie kerkelijke vergaderingen: de ouderlingschap, de particuliere synode en de nationale synode. Het presbyterie of de ouderlingschap heeft het recht om ambtsdragers af te zetten (VII, 16).

Van de provinciale synode heet het: „Deze vergadering heeft macht om af te handelen, te regelen, en te herstellen alle zaken, die verzuimd of verkeerd gedaan zijn in de particuliere vergaderingen (de ouderling schap). Zij heeft macht om de ambtsdragers van die provincie af te zetten die op goede en rechtvaardige gronden de afzetting verdienen. En, in het algemeen, deze vergaderingen hebben de geheele macht van de particuliere ouderlingschappen, waaruit zij samenvergaderd zijn”. (VII, 20).

Over de nationale synode wordt gezegd: Deze vergadering is ingesteld opdat alle zaken òf nagelaten òf verkeerd behandeld in de provinciale synoden, hersteld en afgedaan mogen worden”; en ter voorziening in de zaken die in ’t algemeen dienen tot het welzijn van het geheele lichaam der kerk in het Koninkrijk (VII, 22).

 

De conclusies omtrent de Fransche en Schotsche kerkenordening liggen voor de hand: 1e. het tuchtrecht der mindere vergadering over ambtsdragers vindt erkenning: kerkeraden mogen met advies der classis predikanten, ouderlingen en diakenen schorsen en afzetten. 2e. Daarnaast mogen in moeilijke gevallen, met name die van meer algemeenen aard zijn, de leer betreffende of die het kerkverband raken, òòk de synoden èn predikanten èn ouderlingen en diakenen afzetten. 3e. Dit alles is „nieuw” kerkrecht doch van het „oude” kerkrecht is alsnog geen spoor te bekennen.