Rapport VOP (2003) H7

|89|

 

7 Bezinning op Schriftuitleg en Schriftverstaan

 

7.1 Inleiding en opzet

Eerder in dit rapport1 hebben we benadrukt dat er tussen exegese en hermeneutiek, Schriftuitleg en Schriftverstaan een voortdurende wisselwerking moet bestaan. Zo wordt enerzijds voorkomen dat de exegese een uitsluitend technische aangelegenheid wordt en anderzijds dat de hermeneutiek een eigen leven gaat leiden. Het is om deze reden dat we in dit hoofdstuk niet onmiddellijk, op basis van de hierboven gevoerde hermeneutische bezinning, doorstoten naar algemene conclusies; we gaan eerst nog een keer terug naar de bijbelgedeelten die in de discussie over de vrouw in het ambt zo'n centrale rol spelen; in het bijzonder naar die gedeelten op grond waarvan gesteld wordt dat de vrouw in het ambt tegen de Schrift ingaat, dus met name 1 Kor. 11 en 1 Tim. 22. We gaan die hier niet nog eens aan een grondige exegese onderwerpen, maar we willen ze lezen zoals zij ‘begrepen dienen te worden in onze context, op een dusdanige wijze dat recht gedaan wordt aan het geheel van de Schriften’.3 De uitkomsten van onze bezinning op het Schriftverstaan zullen bij deze herlezing volop meedoen. We verwachten dat die ons helpen kunnen om ook nu nog een zowel verantwoord als vruchtbaar gebruik van deze bijbelgedeelten te maken.

De opzet van dit hoofdstuk is als volgt:
In 7.2 willen we laten zien dat er een nauwe verwevenheid bestaat tussen de genoemde voorschriften en de maatschappelijke en culturele context waarbinnen zij gegeven werden.
In 7.3 richt de aandacht zich op de toepassing van Paulus’ concrete voorschriften. Onze conclusie zal zijn, dat rechtstreekse toepassing van deze voorschriften niet geboden en niet mogelijk is, niet nodig en in onze omstandigheden zelfs niet gewenst is.
Deze paragraaf roept twee vragen op:
1. Welke actuele betekenis heeft Paulus’ vermaan nog voor ons?
2. Leidt ons standpunt niet tot wereldgelijkvormigheid?
In 7.4 en 7.5 gaan we op deze vragen in.

 

7.2 Paulus’ voorschriften en hun context

7.2.1 1 Korintiërs 11: 2-16

In hoofdstuk 4 is een aantal aspecten van 1 Kor. 11:2-16 uitvoerig aan de orde gekomen4, maar aan andere zijn we in dat hoofdstuk voorbij gegaan. Dat geldt met name voor de eigen context waarbinnen dit bijbelgedeelte verstaan moet worden. Die komt in dit hoofdstuk aan de orde. Eerst echter geven we 1 Kor. 11: 2-16 in zijn totaliteit weer.


1 Zie hoofdstuk 5.2.1.
2 In het licht van onze typering van 1 Kor. 14 als een ‘onopgelost raadsel’ (zie 4.6.3.4) zal men kunnen begrijpen waarom we dit bijbelgedeelte hier buiten beschouwing hebben gelaten.
3 Zo omschreven wij ‘Schriftverstaan’, zie 5.2.1.
4 In 4.3.2.1 gingen we in op de betekenis van de exegese van Gen. 1: 27 voor de lezing van 1 Kor. 11: 7. In 4.5 gingen we in op de betekenis die het profeteren van vrouwen in 1 Kor. 11: 5 heeft voor de bezinning op de vrouw in het ambt. In 4.6.3 gaven we een kort overzicht van de actuele bezinning op het woord ‘hoofd’. Ook kwam de vraag aan de orde waar in Paulus’ betoog het zwaartepunt ligt: bij de argumenten die hij ontleent aan de schepping, of bij die welke hij ontleent aan zede en smaak. In 4.6.3.2 stond centraal of het in 1 Kor. 11 om gehuwde of om ongehuwde vrouwen gaat.

|90|

(2) Ik prijs het in u, dat gij in alles aan mij gedachtig blijft en aan de overleveringen zó vasthoudt, als ik ze u overgegeven heb. (3) Ik wil echter, dat gij dit weet: het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd der vrouw is de man, en het hoofd van Christus is God. (4) Iedere man, die bidt of profeteert met gedekten hoofde, doet zijn hoofd schande aan. (5) Maar iedere vrouw, die blootshoofds bidt of profeteert, doet haar hoofd schande aan, want zij staat gelijk met ene, die kaalgeschoren is. (6) Want indien een vrouw zich het hoofd niet dekt, moet zij zich ook maar het haar laten afknippen. Doch indien het een schande is voor een vrouw, als zij zich het haar laat afknippen of zich kaal laat scheren, dan moet zij zich dekken. (7) Want een man moet het hoofd niet dekken: hij is het beeld en de heerlijkheid Gods, maar de vrouw is de heerlijkheid van de man. (8) Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man. (9) De man is immers niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man. (10) Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben vanwege de engelen. (11) En toch, in de Her e is evenmin de vrouw zonder man iets, als de man zonder vrouw. (12) Want gelijk de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; alles is echter uit God. (13) Oordeelt zelf: is het voegzaam, dat een vrouw met ongedekte hoofde tot God bidt? (14) Leert de natuur zelf u niet, dat, indien een man lang haar draagt, dit een schande voor hem is, (15) doch dat, indien een vrouw lang haar draagt, dit een eer voor haar is? Immers, het haar is haar tot sluier gegeven.
(16) Maar, indien het er iemand om te doen is gelijk te hebben, wij hebben zulk een gewoonte niet, en evenmin de gemeenten Gods.

Kernpunten
Van de vele keuzeproblemen die bij de uitleg van 1 Kor. 11: 2-16 aan de orde zijn hebben we geen overzicht geboden, zoals we dat wel hebben gedaan over 1 Kor. 14: 34-36 en 1 Tim. 2: 12-15 (Bijlage B). Een dergelijk overzicht zou dit toch al forse rapport helemaal uit zijn voegen hebben doen barsten. Dat betekent niet, dat een dergelijk overzicht niet nuttig zou zijn. Ook over de uitleg van 1 Kor. 11: 2-16 bestaat in menig opzicht geen eensgezindheid. Het is zelfs zo dat de uitleg van sommige zinsneden voor onoplosbare problemen plaatst.

We willen dit met één sprekend voorbeeld illustreren. In 1 Kor. 11: 10 schrijft Paulus: “Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben vanwege de engelen.” Gelet op de gang van zijn betoog biedt Paulus in dit vers dé reden waarom vrouwen het hoofd bedekt moeten houden. Dit kan dus als een sleutelvers betiteld worden. Echter: de meningen zowel over de betekenis van het woord ‘macht’ (exousia) als over de functie van de engelen lopen ver uiteen. We beperken ons tot het weergeven van enkele interpretaties van exousia. Traditioneel werd het woord exousia, (vol)macht, opgevat als een verkorte zegswijze van ‘een teken van de (mannelijke) macht’. De strekking van de tekst luidt dan: Omdat de vrouw de heerlijkheid van de man is, moet zij als teken van de volmacht die de man over haar heeft een hoofdbedekking dragen. Maar tegenwoordig achten veel exegeten deze uitleg op grammaticale gronden onjuist of zelfs onmogelijk. De uitdrukking ‘exousia hebben’ duidt in de ons bekende teksten altijd iemands eigen (vol)macht aan en nóóit de exousia die een ander over hem of haar heeft. Vervolgens echter zijn degenen die deze mening zijn


5 Een goed overzicht van de verschillende interpretaties van exousia geeft Fitzmeyer S.J., Joseph A., A feature of Qumran angelology and the angels of 1 Cor. 11: 10, in The Semitic Background of the New Testament, Grand Rapids/Cambridge/Livonia 19972, 191-194.
6 Calvijn schreef al: “In het woord macht is een metonymia of overnoeming, omdat hij daaronder het teken verstaat, waarmee de vrouw betuigt dat zij onder de macht van de man is”, zie Calvijn, Johannes, Uitlegging op de eersten en tweeden zendbrief van Paulus aan de Corinthiërs. Naar de uitgaven der Oude Hollandse overzetting van J.D., in de tegenwoordige spelling, door A.M. Donner, Goudriaan 19722, 188. Ook H. de Jong vertaalt exousia als “teken van gezag(serkenning)”, Paulus’ gebruik, 71.

|91|

toegedaan verre van eensgezind over de verklaring ervan in 1 Kor. 11. Sommigen menen dat Paulus’ betoog hier een uiterst verrassende wending krijgt. Hoewel op basis van de context te verwachten zou zijn dat Paulus nu de hoofdbedekking van de vrouw ten tonele gaat voeren als teken van de mannelijke volmacht, maakt hij daar het teken van de eigen volmacht van de vrouw van.7 J. van Bruggen — en hij staat hierin niet alleen — vertaalt vers 10 als volgt: “Daarom behoort de vrouw macht te hebben over haar hoofd” en hij geeft daarvan de volgende parafrase: “Omdat de vrouw er is om de man, behoort zij niet haar eigen hoofd te volgen, maar zich te schikken onder de man als haar hoofd: zij moet zo haar hoofd in be-dwang houden en zichzelf onder controle hebben als vrouw.”8 D. Holwerda echter heeft grammaticale bezwaren tegen de vertaling van Van Bruggen. Het woord dat Van Bruggen vertaalt met ‘over’ moet zijns inziens weergegeven worden als ‘op’. Met de exousia op het hoofd van de vrouw is dan wel haar hoofdbedekking bedoeld, maar die dient beschouwd te worden als teken van de volmacht die zij aan haar man ontleent, omdat zijn gezag en aanzien op haar afstraalt.9
Het komt er op neer dat we geen zekerheid hebben omtrent de uitleg van één van de sleutelverzen in dit bijbelgedeelte. En dan hebben we nog niet eens gesproken over de betekenis die de verwijzing naar de engelen in dit verband zou kunnen hebben!

Dit betekent niet dat heel de uitleg van dit bijbelgedeelte zo problematisch is. Twee punten kunnen met zekerheid vastgesteld worden:
1. Het is Paulus hier te doen om de hoofdbedekking en/of haardracht van de (gehuwde?) vrouw in de samenkomst van de gemeente.
2. In Paulus’ behandeling van deze kwestie speelt ook de bijzondere verhouding waarin de man en de (gehuwde?) vrouw tot elkaar staan een belangrijke rol.

7.2.2 De contextbepaaldheid van Paulus’ betoog in 1 Korintiërs 11: 2-16

De invalshoek van waaruit wij nu naar deze verzen willen kijken is die van de contextbepaaldheid ervan. Deze benadering dringt zich vanzelf op. Elke exegeet immers trekt de conclusie dat 1 Kor. 11: 2-16 in meer of mindere mate gestempeld wordt door de (culturele) context waarin het geschreven werd. Zelfs degenen die zich sterk maken voor een zo rechtstreeks mogelijke toepassing van dit bijbelgedeelte, maken onderscheid tussen elementen in de tekst die cultuur- en situatiebepaald zijn, en elementen die dat niet zijn.10 Zelf zouden we op een viertal punten willen wijzen.

7.2.2.1 De zaak

Hét aandachtspunt in deze verzen is de hoofdbedekking en de haardracht van vrouwen tijdens het bidden en profeteren van de gemeente. Door middel van een keur aan


7 Zie Fee, Gordon D., First Epistle, 520.
8 Bruggen, J. van, Emancipatie, 65.
9 Holwerda, D., Man en Vrouw, 605-612.
10 Enkele citaten: In 1 Kor. 11: 3 “stelt Paulus de regel, die voor altijd geldt. Gewoonten kunnen veranderen, de haartooi kan zich wijzigen, wat gepast en ongepast is, is niet in alle eeuwen gelijk. Maar naar Gods bestel is de man in het huwelijk het hoofd van de vrouw”, Jager, H.J., De eerste brief aan de Korinthiërs. College-dictaat, Kampen 1978, 250. “Het gaat in deze teksten daarom in wezen niet om een hoofdbedekking of haardracht van de vrouwelijke gemeenteleden, maar om haar vrouw-zijn en vrouw-blijven”, Pop, F.J., De eerste brief van Paulus aan de Corinthiërs (De Prediking van het Nieuwe Testament), Nijkerk 1965, 232. Idem, 233: “Evenals in de bespreking van het vorige vers kan ook nu weer de opmerking worden gemaakt, dat het uiterlijke teken (ongedekt of bedekt hoofd) naar gelang van de culturele opvattingen kan wisselen, zodat het man-zijn (vrouw-zijn) ook in andere uiterlijke verschijnselen kan blijken. Maar wat in alle culturen bewaard moet blijven, is de uitspraak, dat de man het beeld en de heerlijkheid Gods is.” Zelfs J. van Bruggen, die verreweg het meest terughoudend is in het maken van dergelijke onderscheidingen, maakt uiteindelijk onderscheid tussen ‘de grondgedachte’ en ‘het gebruik’, Emancipatie, 97.

|92|

argumenten probeert Paulus de (getrouwde?) vrouwen van de gemeente te bewegen tot het dragen van een hoofdbedekking of een bepaalde haardracht. De specifieke eisen die hij hier aan de hoofdtooi van de vrouw stelt, kunnen niet losgezien worden van de cultuur van zijn dagen en de gevoelswaarde die de hoofdomslag en een bepaalde haardracht daarin hadden. Hierover zijn de bijbeluitleggers het eens, al lopen de meningen omtrent de gevoelswaarde van de hoofdomslag wel uiteen.11
Het is een gegeven, dat hetgeen Paulus hier voorschrijft geen directe aansluiting vindt bij onze (Westerse) cultuur. De specifieke symbooltaal die voor Paulus en zijn tijdgenoten aan de hoofdbedekking verbonden was, wordt door ons gesproken noch verstaan. Wel zijn wij sinds de komst van honderdduizenden Moslims naar Nederland iets meer van de ideologische betekenis van een hoofdomslag of sluier gaan beseffen.

7.2.2.2 De argumenten

Ook de argumenten die Paulus hanteert om de vrouwen van de gemeente te bewegen tot het dragen van een hoofdbedekking of een bepaalde haardracht, zijn — op meer dan één manier — nauw verweven met de toenmalige cultuur.
1. Een opvallende rol in Paulus’ argumentatie spelen noties als ‘schande’ en ‘heerlijkheid’/‘eer’, zie de verzen 4-6, 7 en 14. In elke samenleving — ook in de onze — spelen dergelijke noties een rol in het maatschappelijke verkeer. In het algemeen echter kan gezegd worden dat ‘eer’ en ‘schande’ in de (oud)oosterse samenleving een andere en meer dominante rol spelen dan in de onze. ‘Eer’ houdt verband met de status die iemand in de samenleving heeft en het aantasten van die eer heeft daarom gevolgen voor iemands positie in de samenleving.12 Binnen deze context laat zich de — in Westerse ogen — opvallende rol van het eergevoel in 1 Kor. 11: 2-16 goed plaatsen.13
2. Ook als we naar de argumenten afzonderlijk kijken valt de cultuurbepaaldheid daarvan ons op. In vers 5 lezen we: “Maar iedere vrouw, die blootshoofds bidt of profeteert, doet haar hoofd schande aan, want zij staat gelijk met ene, die kaalgeschoren is.” En in vers 6 redeneert Paulus aldus: “Want indien een vrouw zich het hoofd niet dekt, moet zij zich ook maar het haar laten afknippen. Doch indien het een schande is voor een vrouw, als zij zich het haar laat afknippen of zich kaal laat scheren, dan moet zij zich dekken.” De Jong schrijft hierover: “Waarom het een schande (..) voor


11 Zie Bruggen, J. van, Emancipatie, 45-46: “(..) de palla was van huis uit het teken voor de vrouwelijke onderdanigheid en teruggetrokkenheid. Niet de man, maar de vrouw, moest zich omhullen. En ook al was er in de hellenistische wereld veel veranderd in de positie van de vrouw en al was het geen eis meer om in het openbaar de palla over het hoofd te dragen, de gevoelswaarde van deze dracht bleef gelijk.” D. Hol-werda stemt expliciet in met deze zinsnede en voorziet haar van een treffende illustratie. Zie Man en vrouw, 605vv. Niet iedereen echter is van mening dat het dragen van een hoofdbedekking teken van onderdanigheid was. Andrew Perriman meent dat een hoofdbedekking teken van zedigheid en kuisheid was, Speaking, 38. En Thiselton, A.C., First Epistle, 801-802, volgt degenen die stellen: “respectable women did nothing to draw attention to themselves. (..) A veil or hood constituted a warning: it is signified that the wearer was a respectable woman and that no man dare approach without risking (..) penalties. (..) the veil constitutes 'also a badge of honour, of sexual reserve, and hence of mastery of the self.”
12 De uit Somalië afkomstige politicologe Ayaan Hirsi Ali zei (in een documentaire) over haar cultuur: “Eer is het hoogste wat er is. Het schenden van de eer is het ergste dat er is. Mijn vader was een man die veel in de politiek deed, groot gezag had. Dan kan het niet, een dochter hebben die je niet onder controle hebt. Dus verwerp je haar. Dat is het systeem waarin je zit.” Dat betekent niet dat in onze cultuur kinderen hun ouders door hun gedrag niet te schande kunnen maken. Maar zowel de beleving als de implicaties daarvan zijn in de Oosterse cultuur anders dan in de onze.
13 Perriman, Andrew, Speaking, 36, schrijft: “It’s because the man holds the pre-eminent position in the patriarchal family, because he represents the family in the public sphere, that he is susceptible to disho-nour brought upon him by his wife’s behaviour.”

|93|

de vrouw is het haar af te (laten) knippen of af te (laten) scheren, wordt verder niet duidelijk gemaakt. Blijkbaar gaat Paulus hier terug op een zedelijk gevoel dat in de gemeente vóór en onafhankelijk van de evangelie-prediking reeds bestond.”14
3. Eveneens sterk cultuurbepaald is wat Paulus in vers 13-15 verstaat onder “hetgeen voegzaam is” en “hetgeen de natuur leert”.15

De zeggingskracht van Paulus’ appèl op het eergevoel, de bestaande zede en de natuur, moeten we niet onderschatten. Wat hij hier zegt waren in zijn context werkelijk objectieve ‘is-uitspraken’. Maar wat toen een ‘schande’, een ‘eer’, ‘voegzaam’ en ‘natuurlijk’ was, is het in onze samenleving niet meer. Hierdoor voelen wij essentiële elementen van Paulus’ argumentatie, ook als het gaat om de verhouding tussen man en vrouw, niet meer aan.16

7.2.2.3 Het Schriftberoep

In Kor. 11: 7-9 onderbouwt Paulus zijn betoog met wat in het Oude Testament staat over de schepping van man en vrouw. Hij schrijft (vers 7-9):
Hij (de man) is het beeld en de heerlijkheid Gods,
maar de vrouw is de heerlijkheid van de man.
Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man.
De man is immers niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man
.”

Het heeft er veel van dat dit de meest vergaande uitspraak is die Paulus doet over het manen vrouw-zijn. Het gaat hier immers niet om wat beiden doen of hoe zij functioneren, maar wie zij krachtens hun wezen zijn. De man noemt hij dan “het beeld en de heerlijkheid van God, de vrouw “de heerlijkheid van de man. Hoewel hij — naar algemeen wordt aangenomen — mogelijke misverstanden wegneemt door de toevoeging van vers 11 en 1217, blijft het in deze verzen om zijnsuitspraken gaan. Volgens velen is in deze verzen daarom voor alle tijden vastgelegd hoe man en vrouw ten opzichte van elkaar staan.

Het valt niet te betwijfelen dat Paulus met dit beroep op de schepping van man en vrouw zijn vermaan kracht heeft willen bijzetten. Toch legt hij ten opzichte van de oudtestamentische gegevens in meer dan één opzicht een eigen accent; met name geldt dit zijn opmerking dat de man het beeld en de heerlijkheid van God is, terwijl de vrouw de heerlijkheid van de man genoemd wordt. We maken daarover twee opmerkingen.


14 Jong, H. de, Paulus’ gebruik, 69. Vergelijk Perriman, Andrew, Speaking, 198: “Glory and shame, ho-wever, are public qualities; they draw upon what is generally accepted to be right and wrong. While they cannot fully be relativized — righteousness is a source of glory, unrighteousness a source of shame — neither can they be entirely separated from the prevailing ethos. What brings shame in one culture may be a matter of indifference in another.”
15 Wat Paulus hier onder ‘natuur’ verstaat komt dicht in de buurt van wat wij onder ‘cultuur’ verstaan. J. Calvijn, 1 Corinthiërs, 190, merkt bij vers 14 op: “Wederom stelt hij hun de natuur voor ogen, tot een leermeesteres der welgevoeglijkheid. En hij noemt natuurlijk, wat toen met aller gewoonte en bewilliging aangenomen was (cursivering door de commissie) en zelfs bij de Grieken, want lang haar is niet altijd de man tot oneer geweest. De historiën verhalen dat voorheen, dat is, in de eerste eeuwen, de mannen alom lang haar hebben gedragen (..) Ja, het zou zowel voor de mannen als de vrouwen schandelijk geweest zijn, het haar te korten of geschoren te worden. Maar omdat het in Griekenland weinig mannelijk was, lang haar te dragen, zodat dezulken als verwijfd werden geacht, daarom houdt hij die gewoonte, die nu bevestigd was, van de natuur.”
16 Terecht zegt Pop, F.J., 1 Corinthiërs, 239, bij 11:13-15: “Zijn (= Paulus’) beroep (op de natuur) gaat dan ook alleen op zolang en waar deze gewoonte als natuurlijk beleefd wordt.”
17En toch, in de Here is evenmin de vrouw zonder man iets, als de man zonder vrouw. Want gelijk de man uit de vrouw is, zo is ook de man door de vrouw.”

|94|

1. We wijzen weer op de opvallende rol die het woord ‘eer’ (doxa) in deze verzen speelt. Paulus heeft dat ingeweven in zijn verwerking van de oudtestamentische gegevens met het oog op de doelstelling die hij met zijn vermaan heeft. Hij lijkt te willen voorkomen dat in de samenkomsten mannen Christus en vrouwen mannen te schande maken en beklemtoont daarom dat de man tot eer van God en de vrouw tot eer van de man geschapen is.
2. Dan noemt Paulus de man hier “het beeld en de heerlijkheid van God” en de vrouw “de heerlijkheid van de man. Hij brengt daarmee — waarschijnlijk op grond van zijn duiding van Gen. 1: 26-27 in het licht van 2: 18-2518 — een gelaagdheid aan in datgene wat in Gen. 1: 26-27 als een eenheid gepresenteerd wordt. Hoewel hij niet ontkent dat ook de vrouw naar Gods beeld geschapen is, wordt zo toch de indruk gewekt dat de man meer of anders naar het beeld en de heerlijkheid van God geschapen is, dan de vrouw. In het zinsverband van Gen. 1: 26-27 pleit echter niets ervoor om bij ha-’adam uitsluitend aan de man te denken. Hier wordt gesproken over het menselijk geslacht in zijn totaliteit. Dat is naar Gods beeld geschapen en dat geslacht weerspiegelt de heerlijkheid en luister van God, zie Ps. 8: 6. Ook dit wijst er op, dat Paulus’ Schriftberoep op de één of andere manier context bepaald is.

Onze conclusie is, dat we hier niet te maken hebben met een tijdloze exegese, maar met een teruggrijpen op het Oude Testament dat mede bepaald is door de cultuur en/of de situatie. De wijze waarop Paulus spreekt over hoofdbedekking en haardracht van de vrouw en over de relatie waarin man en vrouw tot elkaar staan, lijkt niet minder ontleend te zijn aan de toenmalige cultuur, dan aan de exegese van de oudtestamentische gegevens.19

Wij kunnen ons indenken dat sommigen er moeite mee hebben dat wij Paulus' verwerking van de oudtestamentische gegevens mede door de context gekleurd achten. Toch is dit niet ongebruikelijk in het Nieuwe Testament. Eén overtuigend voorbeeld hiervan willen we geven, passend bij het onderwerp van ons rapport.
In 1 Pet. 3: 1-7 schrijft ook Petrus de vrouwen voor hun mannen onderdanig te zijn. Deze onderdanigheid dient een missionair doel, namelijk “opdat, ook indien sommigen aan het woord niet gehoorzaam zijn, zij door de wandel hunner vrouwen zonder woorden gewonnen worden.” Later bekrachtigt Petrus dit vermaan met een verwijzing naar “de heilige vrouwen, die hoopten op God, onderdanig aan haar mannen, zoals Sara Abraham gehoorzaamde en hem heer noemde; en haar dochters zijt gij, als gij goed doet en u geen schrik laat aanjagen.”
Petrus richt zich in dit bijbelgedeelte met name tot vrouwen die zich tot Christus bekeerd hebben, zonder dat hun man hierin is meegegaan. Niet eens tussen de regels door valt te lezen hoe moeilijk zij het hebben. Om de indruk te vermijden dat vrouwen die Christus als Kurios (Heer) aanvaard hebben vervolgens geen aardse heerschappij meer erkennen, stelt Petrus deze vrouwen daarom Sara ten voorbeeld, die haar man als ‘kurios’, ‘heer’ aansprak, zie Gen. 18: 12. Uit niets blijkt dat Petrus deze aanhaling ironisch bedoelt, ondanks de wat smalende wijze waarop Sara spreekt.


18 Paulus lijkt in dit vers verschillende oudtestamentische gegevens te verwerken: Gen. 1: 26-27, 2: 18-25 en — mogelijk — 5: 1. Veel uitleggers menen — wel terecht — dat Paulus in 1 Kor. 11: 7 Gen. 1: 26,27 (“naar Gods beeld schiep Hij hem”) interpreteert in het licht van Gen. 2 (eerst de man geschapen, dan de vrouw, uit de rib van de man). Een argument hiervoor is hetgeen Paulus toevoegt in vers 8-9.
19 Jong, H. de, Paulus’ gebruik, 69, schrijft, zij het in een iets ander verband: “Het is dus in dit gedeelte niet zo dat Paulus op grond van de bijbelse gegevens (met name uit de eerste hoofdstukken van de Schrift) een bepaald gedrag voor mannen en vrouwen in de gemeentelijke samenkomst voorschrijft en daarna invoert, maar dat hij een bestaand en op andere gronden vaststaand gebruik schriftuurlijk onderbouwt.”

|95|

Hoe treffend dit beroep op de Schrift in die situatie ook is geweest, wij mogen er voor onze tijd geen argument aan ontlenen om van een vrouw te verlangen dat zij haar man ook nu nog ‘kurios’ noemt, ook al zou manlief dat nog zo graag willen. Daarvoor is dit Schriftberoep van Petrus te selectief en (dus) te zeer gekleurd door de situatie. Dat blijkt vooral, wanneer we ons realiseren dat Petrus evengoed had kunnen wijzen op de zeer zelfstandige houding die Sara meer dan eens tegenover Abraham innam (zie Gen. 16: 1vv en 21: 8vv). Zelfs zegt God tegen Abraham: “in alles wat Sara tot u zegt, moet gij naar haar luisteren” (Gen. 21: 12). De situatie van Petrus’ lezeressen vroeg echter om een ander accent.

7.2.2.4 De visie op man en vrouw

Het bovenstaande roept de vraag op of ook Paulus’ spreken over de man als hoofd van de/zijn vrouw gestempeld is door de context waarbinnen hij zijn brief heeft geschreven. Sommigen ontkennen dit ten stelligste. Zij menen dat het hoofd-zijn van de man het blijvend geldende principe is en dat de voorschriften betreffende hoofdbedekking en haardracht de cultuurbepaalde toepassing van dat principe zijn. Vers 3 bevat volgens deze uitleg de voor alle tijden geldende norm, terwijl de verzen 7 tot 9 de schriftuurlijke onderbouwing vormen van deze norm.
Anderen echter zijn van mening dat de aanduiding van de man als hoofd van de/zijn vrouw niet prescriptief is (dat wil zeggen: geen voorschrift hoe het moet), maar descriptief (dat wil zeggen: beschrijving van hoe het feitelijk is). Paulus zou met deze uitdrukking enkel onder woorden brengen hoe de verhouding tussen man en vrouw in zijn dagen was.20

Ook binnen gereformeerde kring vonden we een opvallende verdediging van de stelling dat de toenmalige cultuur haar stempel heeft gedrukt op de wijze waarop in sommige brieven van het Nieuwe Testament gesproken wordt over de verhouding tussen man en vrouw. Tijdens een bespreking van het huwelijksformulier op de synode van de Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt) van Berkel en Rodenrijs (1996) wees ds. M. van Veelen erop dat over de onderdanigheid van de vrouw alleen in de brieven van het Nieuwe Testament gesproken wordt. Deze brieven waren gericht aan gelovigen in een niet-joodse omgeving, in de Romeinse maatschappij. Die Romeinse ‘familia’ bestonden in Israël niet en zo verklaarde Van Veelen de afwezigheid van de onderdanigheidsgeboden in de rest van de Bijbel. Deze geboden zijn volgens hem niet bedoeld voor de huidige huwelijksstructuur, net als het dragen van een hoofdbedekking niet op grond van de Bijbel verplicht kan worden gesteld.21

De opvatting dat het hoofd-zijn van de man een níet door de cultuur bepaald scheppingsgegeven is, maakt een deugdelijke indruk.
• De formulering van vers 3 heeft iets absoluuts, lijkt — tijdloos — op zichzelf te staan.
• Ook is het verdedigbaar dat de verzen 7 tot 9 de nadere onderbouwing van vers 3 zijn. Omdat de man het beeld en de heerlijkheid van God is, is Christus zijn hoofd. En omdat de man niet uit de vrouw is, maar de vrouw uit de man, is de man het hoofd van de vrouw.
• Onmiskenbaar grijpt Paulus hier terug op de oudtestamentische gegevens en borduurt hij daarop voort. De man en niet de vrouw is als eerste geschapen.


20 Een verdediger van deze opvatting is Andrew Perriman is zijn reeds vermelde boek. “When he (Paul) says that ‘a man is head of the woman’ (Eph. 5: 23), he is not in the first place, invoking some scriptural or theological norm but making an observation about how things are.” Speaking, 199.
21 Deze opvatting van Van Veelen is niet terug te vinden in de Acta van de synode van Berkel en Rodenrijs, maar wel in een verslag van de synode in het Nederlands Dagblad, 20 juni 1996. Uit persoonlijk contact met Van Veelen is gebleken, dat het Nederlands Dagblad een correcte weergave van zijn zienswijze heeft gegeven.

|96|

Er zijn naar onze indruk echter goede argumenten om in Paulus’ typering van de man als hoofd van de vrouw minstens iets cultuurbepaalds te horen.
• De formulering die hij in vers 3 gebruikt is — gelet op andere Schriftgegevens — betrekkelijk.22 Want Christus is ook het hoofd van de vrouw, rechtstreeks en niet via de man. Hij is immers het hoofd van het hele lichaam, zijn gemeente. Dit pleit ervoor om deze absolute manier van spreken in verband te brengen met de maatschappelijke context van die tijd. In die context immers is Paulus’ formulering helemaal ‘to the point’. De man was in die samenleving het hoofd van de vrouw. Hij droeg de verantwoordelijkheid voor zijn vrouw en had gezag over haar. Haar functioneren had consequenties voor zijn status in de samenleving en zijn functioneren had consequenties voor Christus’ status in de samenleving.23 Dat waren de vanzelfsprekendheden van het leven. Het hoofd-zijn van de man was om zo te zeggen een natuurlijk gegeven, net als lang haar dat was voor de vrouw (zie vers 14).24
• We willen er ook op wijzen dat de typering van de man als ‘hoofd van de vrouw’ op zichzelf al iets heeft van een door een specifieke historische en culturele context gestempelde vertaling van Gen. 1 en 2.25 Zeker, de man is als eerste geschapen en dat is niet zonder betekenis.26 Maar tussen het als eerste geschapen zijn in Gen. 2 en het hoofd-zijn van de man in 1 Kor. 11: 3 en Ef. 5: 23 valt geen is-gelijk-teken te plaatsen, zeker niet als we ‘hoofd-zijn’ als gezaghebbend hoofd-zijn duiden. Feit is ook, dat nergens elders in de Bijbel de man het hoofd van zijn/de vrouw genoemd wordt. Om deze redenen hebben wij de vrijmoedigheid om het woord ‘hoofd’ te beschouwen als een nauw bij de toenmalige maatschappelijke verhoudingen aansluitende ‘vertaling’ van Gen. 2.

Een bevestiging hiervoor vinden we in de wijze waarop Paulus in 1 Kor. 11: 7 de gegevens van Gen. 1 en 2 verwerkt heeft. Hij noemt uitsluitend de man “het beeld en de heerlijkheid van God, terwijl de vrouw getypeerd wordt als “de heerlijkheid van de man. In deze formuleringen is aantoonbaar iets gebeurd met de gegevens van Gen. 1 en 2; hier heeft een evidente vertaling plaatsgevonden van de oudtestamentische gegevens naar de context van Paulus’ tijd.


22 Hierop wijst ook SR91, 63 (zie eerder in ons rapport, hoofdstuk 4, noot 48).
Dit geldt met name als we in ‘hoofd’ gezag over en verantwoordelijkheid voor horen doorklinken. Zo schrijft J. van Bruggen, Emancipatie, 37: “Maar hoofd-zijn is een ambt waarin men verantwoordelijk wordt gesteld. De man ontvangt in de bijbel een verantwoordelijke plaats voor en boven de vrouw, waarbij hij Christus boven zich heeft en God verantwoording schuldig is.” In de lijn van SR91 willen we er echter op wijzen dat deze verantwoordelijkheid van de man voor en over zijn vrouw, bezien in het licht van geheel de Bijbel, betrekkelijk is. Dat blijkt o.a. uit Gen. 3 waarin de vrouw door de HERE God direct aangesproken wordt en aansprakelijk gesteld voor haar daden. Zo zal het ook zijn op de jongste dag.
23 Dit wordt heel expliciet bevestigd in Paulus’ brief aan Titus. Titus moet als oudsten aanstellen “mannen die onberispelijk zijn, één vrouw hebben, die gelovige kinderen hebben, die niet in opspraak zijn wegens losbandigheid of niet van tucht willen weten. Want een opziener moet onberispelijk zijn ...” (1: 6-7). ‘Onberispelijk’ heeft hier alles te maken met het oordeel dat anderen over de betreffende man hebben, zijn aanzien. Een aanzien dat mede bepaald wordt door de naam die zijn kinderen hebben! In één lijn hiermee liggen ook de vermaningen die aan vrouwen en slaven gegeven worden. Zie Tit. 2: 5: Jonge vrouwen moeten aan haar man onderdanig zijn, “opdat het woord Gods niet gelasterd worde.” En Tit. 2: 9-10: “. ..om de leer van God, onze Heiland, in alles tot sieraad te strekken.”
24 Zie Perriman, Andrew, Speaking, 198.
25 Zie wat we schreven in hoofdstuk 4, noot 25. Daar haalden we H.G.L. Peels aan, die stelt: “Wat in Genesis 2 verhalenderwijs, meer impliciet geleerd wordt, wordt in het Nieuwe Testament lerenderwijs, meer expliciet gepredikt.” Wij stemden hiermee in en stelden de vraag wat Paulus ertoe bracht om dit eerste zijn op deze manier en zo nadrukkelijk te expliciteren.
26 Zie hoofdstuk 4.3.3.5.

|97|

We willen niet beweren dat het hoofd-zijn van de man een uitsluitend cultuurbepaald gegeven is. Wel menen we dat er doorslaggevende argumenten zijn om de uitdrukking “het hoofd van de vrouw is de man” als een contextbepaalde verwerking van de scheppingsgegevens te beschouwen.

7.2.3 De contextbepaaldheid van Paulus’ betoog in 1 Timoteüs 2: 11-15

We willen op de (mogelijke) contextbepaaldheid van 1 Tim. 2 minder uitvoerig ingaan dan op die van 1 Kor. 11. Om te beginnen willen we bij één — niet onbelangrijk — punt de vinger leggen: de wijze waarop Paulus de zondeval van de vrouw in zijn vermaan verwerkt.
Paulus schrijft (vers 14): “Adam heeft zich niet laten verleiden, maar de vrouw is door verleiding in overtreding (parabasis) gevallen.” Drie opmerkingen:
• Opmerkelijk is het argument als zodanig: nergens elders in de Schrift wordt uit de verleiding van Eva door de slang de conclusie getrokken, dat zij daarom aan de man onderdanig heeft te zijn. Dat prikkelt tot nadenken over de reden die dit kan hebben.
• Ook nu legt Paulus’ beroep op de Schrift een accent, dat niet geheel spoort met de gegevens uit Gen. 3. Hoewel de vrouw door de slang verleid wordt (Gen. 3: 1-6,13), lezen we ook: “zij nam van zijn vrucht en at, en zij gaf ook haar man, die bij haar was, en hij at.” Adam was bij zijn vrouw, toen zij verleid werd, en hij heeft haar niet weerhouden. Tezamen zijn zij ontaard.
• Tenslotte: in een ander verband kan Paulus dezelfde Schriftgegevens op een heel andere wijze toepassen. In 2 Kor. 11: 2-3 past hij de verleiding van Eva door de slang op het geheel van de gemeente toe. En in Rom. 5: 12-21 legt hij het volle accent op de zonde, de ongehoorzaamheid en de overtreding (parabasis!) niet van Eva, maar van Adam.
Dit zijn sterke aanwijzingen, dat Paulus’ Schriftberoep niet alleen in 1 Kor. 11: 2-16, maar ook in 1 Tim. 2: 11-15 gekleurd wordt door de situatie.

Dat brengt ons als vanzelf bij een tweede punt. Want als er verband bestaat tussen Paulus' vermaningen in deze verzen en de context waarbinnen ze gegeven zijn, welke reden kan de apostel dan gehad hebben om uitgerekend hier dit volstrekt eigensoortige argument te gebruiken?
Lezing van zijn brief biedt aanknopingspunten. Gewezen zou kunnen worden op 1 Tim. 5 :13vv, waar Paulus de jonge weduwen voorschrijft te huwen, kinderen te krijgen, etc. Een vermaan dat in de richting gaat van 1 Tim. 2: 15. Paulus’ argument is dat zij “niet door lasterpraat aan de tegenpartij vat op zich geven. Want reeds zijn sommigen afgeweken, de satan achterna.” De woorden ‘tegenpartij’ en ‘satan’ kunnen hier in verband gebracht worden met twee ex-leden van die gemeente die door Paulus aan de satan zijn overgegeven (verg. 1 Kor. 6 :5), Alexander en Hymeneüs (zie 1 Tim 1: 19-20 en 2 Tim. 4: 14-15). Uit andere gegevens in de pastorale brieven blijkt dat juist vrouwen een willig oor hebben voor de leer van tegenstanders (zie 2 Tim. 3:6-8). Al met al valt de herinnering aan de verleiding van Eva door de satan in 1 Tim. 2:13 helemaal op zijn plaats juist binnen deze context.

N.B. Het kan er de schijn van hebben, dat we nu toch op het vlak van de exegese knopen doorhakken. We willen echter niet suggereren dat deze exegese de enig juiste is. Daarvoor zijn en blijven er ook nu te veel onduidelijkheden. Wel menen we te kunnen staven, dat er sterk rekening mee gehouden moet worden dat ook in deze verzen Paulus’ vermaan contextbepaald is.

|98|

7.2.4 Conclusie

We zijn van mening dat zowel de zaak die Paulus in zijn fundamentele betoog van 1 Kor. 11 aan de orde stelt, als de wijze waarop hij die behandelt, ten nauwste verweven zijn met de cultuur van zijn tijd.
Vooral op grond van de volstrekt eigensoortige argumentatie in 1 Tim. 2: 13-14 menen we dat dit ook geldt voor het verbod in 1 Tim. 2: 12.

Het is verleidelijk om dieper in te gaan op de vraag of ook andere factoren dan die van de cultuur invloed hebben uitgeoefend op de door Paulus in 1 Kor. 11 en 1 Tim. 2 gegeven voorschriften, en zo ja, welke.
Op slechts één mogelijke factor van betekenis willen we hier wijzen: het ‘missionaire motief’ waarover we schreven in hoofdstuk 4.6.3.1. Paulus heeft in zijn eigen bediening uiterst contextgevoelig geopereerd. Hij is de Joden een Jood en de Grieken een Griek geworden. Hij heeft zich voortdurend aangepast, ‘geaccommodeerd’, om zoveel mogelijk mensen voor Christus te winnen. Mede daarom is er hem ook alles aan gelegen dat christenen zich niet te schande maken. Want christenen die zichzelf te schande maken, maken immers Christus te schande. Het is goed denkbaar dat deze missionaire gedrevenheid van invloed is geweest op zijn voorschriften in 1 Kor. 11 en 1 Tim. 2.27

De vraag rijst, wat deze conclusie betekent voor de toepassing van Paulus’ voorschriften in onze cultuur en in onze tijd.

 

7.3 Paulus’ voorschriften en onze context

In deze paragraaf willen we vier opmerkingen maken met betrekking tot de toepasbaarheid van Paulus' voorschriften over de hoofdbedekking van de vrouw (1 Kor. 11) en van zijn verbod op didaskein en authentein (1 Tim. 2; in de NBG-vertaling weergegeven als ‘onderricht geven’ en ‘gezag hebben’).
Wat dat laatste betreft: het exegese-hoofdstuk heeft laten zien dat de meningen over de exacte betekenis van dit verbod op didaskein en authentein ver uiteen lopen. We kunnen dit echter laten voor wat het is. Immers, omdat wij van mening zijn dat de concrete voorschriften van Paulus nauw verweven zijn met de context waarin zij gegeven werden, zijn wij voor het rechte zicht op de mogelijke toepassing ervan minder afhankelijk geworden van de precieze exegese. We krijgen daardoor de ruimte om met deze voorschriften op dezelfde manier om te gaan als we dat ook met (tal van) voorschriften uit het Oude Testament doen.28

7.3.1 Rechtstreekse toepassing niet geboden

Allereerst zijn wij van mening dat rechtstreekse toepassing van Paulus’ voorschriften in onze cultuur en situatie geen voorschrift van de Here is. Paulus heeft in zijn cultuur en situatie, uitgaande van het hoofd-zijn van de man, met Gods gezag richtlijnen gegeven die toen rechtstreeks toegepast dienden te worden. De Here vraagt niet van ons dat wij deze contextbepaalde voorschriften ook rechtstreeks in onze cultuur en situatie toepassen.
Dat geldt nog te meer, wanneer we hierbij die andere Schriftgegevens betrekken, die spreken van een eigen bediening van vrouwen in de gemeente van Christus, tengevolge van de vervulling met de Heilige Geest. Naarmate (om hermeneutische redenen) de ruimte die de concrete voorschriften van Paulus opeisen kleiner wordt, wordt de ruimte


27 Zie in dit hoofdstuk ook noot 23.
28 Zie hierover hoofdstuk 6.2.1.

|99|

overeenkomstig groter voor die gegevens, waaruit blijkt dat vrouwen zonder onderscheid betrokken worden bij de bediening van de Heilige Geest.

7.3.2 Rechtstreekse toepassing niet mogelijk

Een rechtstreekse toepassing van deze voorschriften is niet alleen niet geboden, maar voor ons besef ook niet mogelijk. Dit is geen waardeoordeel, maar een constatering. De symbooltaal van hoofdbedekking en haardracht, de functie van gezag en autoriteit, de verhouding tussen man en vrouw, en het functioneren van de vrouw in kerk en samenleving zijn in onze cultuur dusdanig gewijzigd ten opzichte van die in Paulus' dagen, dat zijn voorschriften in onze tijd alleen maar in schijn toegepast kunnen worden, zelfs al zouden vrouwen een hoofdbedekking dragen en de ambten voor vrouwen gesloten blijven.

Graag willen we ons op dit punt nader verklaren.
De Nederlands Gereformeerde Kerken maken deel uit van de Nederlandse samenleving van de 21ste eeuw. Dat heeft minimaal twee consequenties:
1. Wij draaien volop mee in onze samenleving waarin de vrouw geëmancipeerd is. Wij spreken de taal van de samenleving, niet alleen met de mond, maar ook met het hart. Wij zijn vergaand geëmancipeerd. Op zijn hoogst kunnen we daarom voor het kerkelijke een uitzonderingspositie creëren, een reservaat waarin we de schijn hooghouden, dat we anders zijn.
2. De emancipatie werkt ook door in het kerkelijke leven. Op alle mogelijke niveaus — uitgezonderd veelal het ambtelijke — nemen vrouwen deel aan het gemeenteleven. Hun inbreng is volstrekt gelijkwaardig aan die van mannen. Zij nemen deel aan Bijbel- en gesprekskringen, spreken en stemmen mee in gemeentevergaderingen, roepen ouderlingen ter verantwoording, beoordelen preken van predikanten in beroepingscommissies, functioneren als pastoraal bezoeker, enzovoort, enzovoort. Kortom, de Nederlands Gereformeerden zijn geëmancipeerd en de Nederlands Gereformeerde Kerken zijn dat ook. Dat is zo vanzelfsprekend voor ons, dat we — op de wijze van 1 Kor. 11: 14 — zouden kunnen zeggen dat de natuur zelf ons dit leert.

Maar, zou iemand kunnen tegenwerpen, als het niet mogelijk is om sommige van Paulus’ voorschriften rechtstreeks toe te passen, dan kunnen we toch proberen om ze indirect toe te passen? Niet naar de letter, maar naar de geest? Deze benadering sluit aan bij het onderscheid tussen ‘norm’ en ‘vorm’ dat we eerder bespraken.29 De norm zou dan zijn dat de man het (gezaghebbende) hoofd is van de vrouw. En die norm zou dan op een voor onze samenleving geëigende wijze vorm moeten krijgen. Hoewel deze benadering uit hermeneutisch oogpunt verdedigbaar is, menen we er toch verschillende kritische kanttekeningen bij te kunnen plaatsen.
• Niet verdisconteerd is dat ook Paulus’ spreken over het hoofd-zijn van de man niet los stond van de cultuur van zijn tijd. Van het als eerste geschapen zijn van Adam in Gen. 2 tot het hoofd-zijn in 1 Kor. 11: 3 en Ef. 5: 22 is er nog een weg te gaan. Alleen al om deze reden moeten we er terughoudend in zijn om ‘het hoofd-zijn van de man’ als grondgedachte van dit bijbelgedeelte te bestempelen.
• Wij zijn het die onderscheiden tussen norm en vorm, het beginsel en de uitwerking daarvan. We ontkomen daar niet aan. De vorm verandert, de norm blijft. Het moet echter gezegd worden, dat de argumenten die Paulus in 1 Kor. 11 gebruikt om de vrouwen een hoofdbedekking te laten dragen van een zwaar kaliber zijn. Hij voert noties op van eer en schande, 'de schepping', de engelen, hetgeen voegzaam is, en de natuur. Ook kenmerkt zijn betoog zich door een bepaalde logica die maar één uitkomst kan hebben, namelijk dat vrouwen een hoofdbedekking hebben te dragen. Binnen de tekst zelf valt dus geen aanknopingspunt te vinden voor de gedachte dat vrouwen het in andere culturen en tijden wel zonder hoofdbedekking zouden kunnen stellen! Ofwel, vanuit exegetisch


29 Zie 6.2.1.

|100|

oogpunt is de letterlijke toepassing eigenlijk de enige manier waarop Paulus voorschrift 'naar de geest' kan worden toegepast!
• In het verlengde hiervan ligt een meer algemeen probleem.30 Hoe kan de grondgedachte die aan Paulus’ voorschrift ten grondslag ligt, in de lijn van het voorschrift toegepast worden? Gesteld dat dit beginsel inderdaad het (gezaghebbend) hoofd-zijn van de man is, dan komt voor Paulus dit hoofdschap tot uitdrukking in het dragen van een hoofdbedekking voor de vrouw onder het bidden en profeteren. Is hiervoor een gelijkwaardig alternatief in onze erediensten? Een ‘vertaling’ die anders is en toch eender? Het is ons niet gelukt er een te bedenken. En daarom, hoewel we niet zonder het onderscheid tussen ‘norm’ en ‘vorm’ kunnen, valt het ook in deze aangelegenheid nauwelijks werkbaar te noemen.

Hier zou iemand tegenin kunnen brengen dat de bovenstaande argumenten wel opgaan voor hoofdbedekking en haardracht, maar niet voor het didaskein en authentein van 1 Tim. 2. Het verbod daarop kan door ons toch gewoon overgenomen en toegepast worden? We gaan hier voorbij aan de (exegetische) moeite die er bestaat om precies aan te geven wat er onder didaskein en authentein verstaan moet worden. Maar ook als we precies zouden weten wat die woorden inhouden, dan kleven aan bovenstaande redenering bezwaren van verschillende aard:
• Deze benadering gaat voorbij aan de vraag waarom de concrete toespitsingen die Paulus in 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 geeft wel zo rechtstreeks mogelijk toegepast moeten worden en de even concrete toespitsingen in 1 Kor. 11 niet. Als het gaat om Paulus’ vermaan inzake hoofdbedekking en haardracht, dan onderscheiden wij tussen norm en vorm, hoewel dat vermaan gedragen wordt door argumenten van het zwaarste kaliber. Als het gaat om Paulus’ vermaan inzake het spreken en leren van de vrouw in de gemeente, dan wordt dit onderscheid blijkbaar niet meer gemaakt.
• Een overgrote meerderheid van de christenen aanvaardt zonder enige principiële moeite, dat vrouwen in onze samenleving meespreken, meebeslissen, leiding geven en gezag dragen. Dat een vrouw koningin is, rechter, directrice van een verpleeginrichting of vrijwilligersorganisatie, docente op een universiteit of hoofd van een afdeling is volledig aanvaard. Echter, eenmaal op het kerkelijke erf gekomen, benadrukken sommigen opeens, dat vrouwen geen leiding mogen geven aan de gemeente van Christus.

Onze conclusie luidt, dat het niet alleen onmogelijk is om in onze samenleving de voorschriften van Paulus ‘naar de letter’ toe te passen, het is ook feitelijk onmogelijk ze ‘naar de geest’ toe te passen, tenminste, als met ‘naar de geest’ bedoeld wordt dat de man het gezaghebbende hoofd van de/zijn vrouw is.

7.3.3 Rechtstreekse toepassing niet nodig

Maar een rechtstreekse toepassing wordt volgens ons ook niet van ons verwacht. We herinneren er hier aan dat de meer gelijkwaardige verhouding waarin mannen en vrouwen ten gevolge van de emancipatie in gezin, kerk en samenleving zijn komen te staan, door veel christenen als een zegen beleefd wordt. Dat geldt ook voor christenen die niets anders willen dan leven met de Here. Christenen die enigermate hebben geleerd de zonde te haten en die daarom met Christus willen ondergaan in zijn dood om met Hem op te staan in een nieuw leven. Christenen die zich steeds weer openstellen voor Woord en Geest, om daardoor geleid te worden. We herhalen, dat we deze inmiddels beproefde ervaring mee mogen laten doen in de bezinning op de plaats van de vrouw in de gemeente van Christus. En dat te meer omdat Paulus zelf in 1 Kor. 11: 13-14 de Korintiërs betrekt bij zijn betoog: “Oordeelt zelf: is het voegzaam, dat een vrouw met ongedekten hoofde tot God bidt? Leert de natuur zelf u niet...” Juist als het gaat om de inrichting van ons leven mag onze eigen oordeelsvorming in Christus ook meedoen. Dat is een uiterst belangrijk gegeven dat we blijvend van 1 Kor. 11 kunnen leren.


30 We stelden dit in 6.2.1 reeds aan de orde.

|101|

7.3.4 Rechtstreekse toepassing niet gewenst

Eigenlijk behoeft het bovengenoemde kopje een nuancering. Als commissie willen we niet in het algemeen zeggen dat rechtstreekse toepassing van Paulus’ voorschriften niet gewenst is. Er kunnen omstandigheden, culturen en subculturen zijn, waarin dit een slag anders ligt. In onze samenleving echter verdient rechtstreekse toepassing van Paulus’ voorschriften globaal genomen geen aanbeveling. Dat hangt samen met de reacties die we daarop uit onze samenleving krijgen.
Wanneer de kerk de vrouw voorschrijft dat zij het hoofd bedekt moet houden, zwijgen moet in de gemeentelijke samenkomsten, en geen gezag mag dragen over de man en hem niet onderrichten31, dan roept dit weerstand en zelfs ergernis op in de samenleving.

Dit wordt geïllustreerd door de reactie van onze samenleving op het dragen van een hoofdbedekking door vrouwen. Wij kennen de hoofddoek vooral uit de (fundamentalistische) Moslimcultuur en associëren die daarom al gauw met een achterstelling van de vrouw.

Nu kan het zijn dat christenen ‘de smaad van Christus’ moeten dragen (Heb. 10: 32-33 en 11: 26). Zij moeten daartoe ook bereid zijn (Heb. 13: 13). Wij betwijfelen echter of de ergernis die opgeroepen wordt door het in praktijk brengen van Paulus’ voorschriften betreffende de vrouw in de gemeente, geduid mag worden als ‘de smaad van Christus’. Het rechtstreeks toepassen van deze voorschriften heeft naar onze mening alleen tot gevolg dat onze wereld verder vervreemdt van evangelie en kerk vanwege een minder wezenlijk of zelfs oneigenlijk onderwerp. Zelfs valt te vrezen dat de wereld, door de aanstoot die de kerk op een dergelijk punt geeft, al helemaal niet vermag door te dringen tot de ware aanstoot, die besloten ligt in het evangelie van de gekruisigde Christus. Door dit zo te stellen wordt in één oogopslag duidelijk wat de prioriteit van Christus’ kerk heeft te zijn: mensen tot Hem brengen, de Christus der Schriften. We hebben al eerder gezien dat Paulus juist hierom flexibel was. Hij was de Joden een Jood en de Grieken een Griek.32 Het is daarom in de lijn van dit ‘missionaire motief’ om op het punt van de vrouw in het ambt de Nederlander een Nederlander te worden, indien dit drempelverlagend werkt naar het evangelie en de kerk van Jezus Christus.

7.3.5 Conclusie en nieuwe vragen

Onze conclusie is nogal beslist: rechtstreekse toepassing van Paulus’ voorschrift is naar onze overtuiging niet geboden, niet mogelijk, niet nodig en — in onze samenleving — zelfs niet gewenst.
Deze conclusie roept enkele vragen op:
1. Als de zaak er zo voor staat, welke betekenis hebben deze voorschriften dan nog voor ons? Kunnen wij dergelijke bijbelgedeelten dan niet net zo goed missen?
2. Leidt de ruimte die hier ten opzichte van de concrete voorschriften geboden wordt niet tot datgene waar een aantal kerken voor vreest, namelijk wereldgelijkvormigheid?

Met een beantwoording van deze vragen willen we dit hoofdstuk afsluiten.


31 We plaatsen ons hier even op het standpunt van degenen die tegen de vrouw in het ambt zijn.
32 Zie 4.6.3.1 en hierboven 7.2.

|102|

7.4 Van blijvende betekenis

7.4.1 “Elk van God ingegeven schriftwoord is nuttig”

We kunnen ons goed indenken dat sommigen zich — na lezing van paragraaf 7.3 — afvragen welke betekenis de behandelde Schriftdelen van Paulus nog voor ons hebben. Betekent hun contextbepaaldheid dat zij gelaten kunnen worden voor wat ze zijn, of dat ze in mindere mate Woord van God voor ons zijn geworden? ‘Geenszins’, om met Paulus te spreken.

Het is zinvol hier een parallel te trekken tussen de manier waarop wij omgaan met de zogenaamde ‘burgerlijke wetten’ uit het Oude Testament en met de door ons besproken voorschriften van de apostel Paulus.
Het is opmerkelijk dat een behandeling van die burgerlijke wetten volgens dezelfde principes als waarmee wij hierboven Paulus gelezen hebben, ons geen enkele zorg baart. En dat, terwijl de dichter van Ps. 119 het toch echt over deze wetten heeft in zijn loflied op Gods Thora! Dat dit ons geen zorgen baart, komt, omdat we ervan uitgaan, dat deze wetten uiteindelijk niet voor ons, maar voor het volk Israël bestemd zijn. Calvijn zei zelfs van de burgerlijke wet: “Ze is ons nooit gegeven”!33 Dit belette hem overigens niet, om in zijn bijbelcommentaar nauwgezette aandacht aan al deze geboden te geven. En ook wij — hoewel wij vrijwel geen van deze geboden nog rechtstreeks (kunnen) toepassen in onze tijd — lezen deze wetten en leren daar nog steeds van.34 Steeds weer geeft de Bijbel de ontvankelijke hoorder te denken. Kortom, het onderscheid ‘blijvend-tijdelijk’ laat zich goed verantwoorden, mits we dat maar niet gebruiken om een bloemlezing van bijbelverzen met blijvende betekenis te vormen.

Al zijn Paulus’ voorschriften contextbepaald, we ontvangen die als woorden van God, die over de tijden heen ook tot ons komen. Elk woord van de Schrift, elke zin, elk voorschrift — of we dat nu als tijdbediend, tijdgebonden, tijdbepaald, situatiegericht, contextueel bepaald of hoe dan ook typeren — blijft meedoen en dient tot de komst van Christus beklopt en beluisterd te worden met als doel daardoor opgevoed te worden tot gerechtigheid.
De contextbepaaldheid van Paulus’ voorschriften in 1 Kor. 11, inclusief de gevolgen daarvan voor hun toepasbaarheid, mag dus niet in mindering gebracht worden op de betekenis die dit vermaan voor ons houdt. Sterker, juist het erkennen van de contextbepaaldheid van Paulus’ betoog kan ons helpen om weer des te ontvankelijker te luisteren naar datgene wat daarvan nog steeds te leren valt!

Om dit te onderstrepen, willen we op een aantal punten concreet aangeven wat er volgens ons nog steeds van Paulus’ vermaan in 1 Kor. 11: 2-16 geleerd kan worden.

Paulus spreekt in 1 Kor. 11: 3 over de verhouding tussen man en vrouw. En met alle vragen die er voor ons blijven, poneert hij hier iets, dat in het licht van Gods schepping van blijvende betekenis is voor de mens van alle plaatsen en tijden. Mannen zijn mannen en vrouwen zijn vrouwen. Zij zijn niet onderling uitwisselbaar. Zij zijn eender en anders. Dat is de natuurlijke verscheidenheid, waarin wij de wijze en machtige hand van onze Schepper zien.35 Krachtens hun anders zijn hebben de man en de vrouw daarom, binnen het geschapen


33 Calvijn, J., Institutie IV, 20, 16.
34 Te denken valt bijvoorbeeld aan de uitvoerige en waardevolle bijdragen die vanuit onze kring C. Vonk (in Genesis-Exodus en in De Voorzeide Leer. Deel 1b, Leviticus, Numeri, Deuteronomium, Barendrecht 1963) en H. de Jong (Deuteronomium: de evangelische wet. Deel 1 en 2, Kampen 1987) — ieder op een eigen wijze — aan de bezinning op de wetgeving geleverd hebben.
35 Een tijdlang leek de emancipatie zover doorgeschoten dat op zinnen als deze vrijwel een taboe rustte. Inmiddels is het tij gekeerd en vinden boeken met als titel Vrouwen komen van Venus en mannen komen van Mars grote aftrek.

|103|

bestel, van God ieder een verschillende rol toebedeeld gekregen. Zo heeft de HERE God het gewild, zo heeft Hij het ten uitvoer gebracht bij de schepping. Laten we Hem loven om zijn wijsheid en Hem eren om de eigen rol die het leven voor man en vrouw in petto heeft.

Paulus verzet zich in 1 Kor. 11: 3-16 overigens niet alleen tegen een monocultuur, hij benadrukt ook dat man en vrouw ten opzichte van elkaar niet in een gelijke verhouding staan. Hij spreekt immers over het hoofd-zijn van de man. Hoewel wij menen dat deze typering niet rechtstreeks op Gen. 1 en 2 valt terug te voeren, zit er toch iets in dat te denken geeft. Wat is er de reden van, dat de man — ook in onze geëmancipeerde samenleving — veelal nog ‘de eerste’ is? Is dat alleen omdat mannen per definitie ‘haantjes’ en vrouwen van nature wat minder — of anders — dominant zijn? Is het een gevolg van de zondeval? Of hangt dit op de één of andere manier toch ook samen met de wijze waarop in Gen. 2 de schepping van man en vrouw onder woorden wordt gebracht? We stippen deze vragen aan, niet om daarop in te gaan, maar om te laten zien dat Gods Woord, hoe contextbepaald het soms ook is, altijd prikkelt tot nadenken.

1 Kor. 11: 2-16 zet ook aan het denken over woorden als ‘eer’ en ‘schande’ en de betekenis daarvan in onze context. In het bijzonder willen we dit toespitsen op datgene waardoor wij als kerk onze Here Christus te schande (kunnen) maken. Juist nu is dat actueel. Er is de laatste decennia een tijd geweest dat de houding van de samenleving ten opzichte van God, godsdienst en kerk dusdanig onwelwillend was, dat het oordeel over godsdienst en kerk sterk door onbillijkheid gekleurd was. Wat dat betreft lijkt het tij momenteel kerend te zijn. Er zou wel eens een tijd van nieuwe ontvankelijkheid kunnen komen. Een reden te meer om ons als kerken er uiterst bewust van te zijn dat wij ook een belangrijke publieke functie hebben. Als representant van Christus hebben wij een bemiddelende rol in het tot elkaar brengen van Christus en de wereld.

Ook willen we wijzen op de heel verschillende typen argumenten die Paulus in dit bijbelgedeelte hanteert om de gemeente van de juistheid van een bepaalde gewoonte te overtuigen. Hij voert noties van eer en schande op, beroept zich op de Schrift, op de schepping, verwerkt het eigen beoordelingsvermogen van de gemeente, spreekt over de engelen, hetgeen ‘voegzaam’ is, ‘de natuur’ en ‘het kerkverband’36. Van die typen argumenten kunnen we blijvend leren, ook als de uitkomst daarvan in onze cultuur anders is.

In het onderstaande willen we op één punt in het bijzonder aangeven wat wij ook nu nog heel concreet van Paulus' vermaan kunnen leren.

7.4.2 “En het hoofd van Christus is God”

We willen hier de vinger leggen bij hetgeen in 1 Kor. 11: 3 geschreven staat: “Het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd der vrouw is de man, en het hoofd van Christus is God.

Met de functie van de eerste twee woordparen blijken veel exegeten goed uit de voeten te kunnen. Door middel van het tweede (“het hoofd der vrouw is de man”) zou Paulus het vervolg voorbereiden, terwijl hij door het eerste (“Het hoofd van iedere man is Christus”) de steeds dreigende zelfverheffing van de man zou beteugelen. Maar welke betekenis en functie heeft het laatste woordpaar: “en het hoofd van Christus is God” in relatie tot de vorige woordparen? De weinige uitleggers die hierover wat zeggen37 houden het er meestal op, dat Christus hier aan de vrouw ten voorbeeld wordt gesteld. Benadrukt het eerste


36 Zie 1 Kor. 11: 16.
37 Veel uitleggers richten hun aandacht vooral op de vraag hoe de uitdrukking, dat het hoofd van Christus God is, verstaan dient te worden in het licht van de christologie van het Nieuwe Testament.

|104|

woordpaar dat Christus het hoofd van de man is, via het laatste woordpaar komt Hij als het ware naast de vrouw te staan, om aan te geven dat het niet erg is om aan een hoofd onder-worpen te zijn.38

Voor het verstaan van heel de nieuwtestamentische Godsopenbaring is deze zegswijze kenmerkend en van alomvattende betekenis. Paulus dompelt hier de bijzondere verhouding waarin man en vrouw krachtens de schepping en/of krachtens de cultuur van zijn tijd tot elkaar staan helemaal onder in de openbaring van Jezus Christus. Dit ligt geheel in de lijn van wat we elders in het Nieuwe Testament lezen: “Want in Hem (= Christus) zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn ... alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; en Hij is vóór alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem” (Kol. 1: 16-17). Van alles wat God geschapen heeft geldt, dat het door en tot Christus geschapen is, ook de verhouding van man en vrouw. In de herschepping worden de verhoudingen daarom niet beheerst door ‘de cultuur’ of ‘de natuur’ en zelfs niet door ‘de schepping’, maar door Christus alleen.
De betekenis van dat laatste zinsdeel (“het hoofd van Christus is God”) is hiermee echter nog niet uitgeput. Hier worden voor ons besef man en vrouw samen tot de Vader en de Zoon gebracht om van hun onderlinge verhouding af te lezen hoe zij hun onderlinge verhouding hebben te verstaan. Zoals in Ef. 5: 22-33 de verhouding tussen Christus en zijn gemeente het model is voor de man-vrouwverhouding, zo is dat hier de verhouding tussen God en Christus! Als dit inderdaad het geval is, dan komt naar onze mening het volle gewicht niet meer te liggen op de precieze betekenis van het woord ‘hoofd’. Evenmin wordt de centrale vraag of dit hoofd-zijn van de man al dan niet teruggaat op de schepping van man en vrouw. Het volle licht komt te vallen op de bijzondere verhouding tussen God de Vader en God de Zoon, tussen Hem die in liefde zijn hart opende, en Hem die in liefde Zichzelf ontledigde. We treden daarmee een wereld binnen waarin woorden als ‘gezag’ en ‘onderdanigheid’ — die ook nu gebruikt mogen worden (zie 1 Kor. 15: 28) — een heel eigen kleur krijgen.

We menen dat we hier stuiten op het meest wezenlijke van Paulus’ visie op man en vrouw. Man en vrouw mogen samen mens zijn op het hoogste niveau en krijgen de ruimte om in de allernauwste onderlinge verbondenheid de ander een heel eigen rol te laten vervullen. De bijzondere verhouding waarin God en Christus tot elkaar staan, mag voor man en vrouw het oriëntatiepunt zijn. Tegelijk wordt een perspectief op hun onderlinge functioneren geboden, dat bestand is tegen de tand én de geest des tijds!

 

7.5 Over kerk en wereld

In de reacties die we vanuit de kerken op het stuk van Arnhem kregen, werd herhaaldelijk de vraag gesteld of de openstelling van het ambt voor zusters geen symptoom van wereldgelijkvormigheid is.39 Met een bezinning op die vraag en wat daarmee samenhangt willen we dit hoofdstuk afronden.

7.5.1 Wereldgelijkvormigheid

Om te beginnen willen we erop wijzen dat deze vraag van groot belang is. Paulus vermaant immers nadrukkelijk: “Wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt


38 Zo Grosheide, F.W., De eerste brief van den apostel Paulus aan de kerk te Korinthe (Kommentaar op het Nieuwe Testament), Amsterdam 1932, 366; Jager, H.J., 1 Korinthiërs, 250 en Schlatter, A., Paulus der Bote Jesu. Eine Deutung seiner Briefe an die Korinther, Stuttgart 19694, 310.
39 Zie 5.1.2.

|105|

hervormd door de vernieuwing van uw denken” (Rom. 12: 2; vergelijk Ef. 4: 17-24). Maar wat is wereldgelijkvormig en wanneer is daarvan sprake?
We moeten hier goed onderscheiden. Met wereldgelijkvormigheid bedoelt de apostel een leven in de duisternis van de zonde waarin de wereld nog verkeert. ‘Gelijkvormig aan de wereld’ wordt geplaatst tegenover ‘het goede, welgevallige en volkomene’. In Ef. 4 stelt Paulus de oude mens, die ten verderve gaat naar zijn misleidende begeerten, tegenover de nieuwe mens, die naar de wil van God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid. Het is echter niet zo dat hij alle overeenkomsten tussen ‘kerk’ en ‘wereld’ op de noemer brengt van wereldgelijkvormigheid. Hoe zou hij zelf anders ooit de Joden een Jood en de Grieken een Griek geweest kunnen zijn?
Tussen wereldgelijkvormigheid en het mens-zijn dat christenen en niet-christenen delen, moet en kan een onderscheid worden gemaakt. De cultuur waarin mensen leven en waaraan zij samen bouwen, is wel doortrokken van de duisternis van de zonde, maar valt daarmee niet samen. Te wijzen valt in dit verband op Gen. 4. De grote cultuurbouwers blijken de nazaten van Kaïn te zijn. Toch worden de vruchten van hun cultuurar-beid ook door de nazaten van Seth geplukt. Hieruit blijkt dat het resultaat van de cultuurarbeid van de wereld zich laat onderscheiden van de motieven waardoor de wereld gedreven wordt. ‘De kerk’ kan daarom leren van de kundigheid, de kennis en de ervaring van ‘de wereld’.
Tussen het nageslacht van Seth en het nageslacht van Kaïn, tussen Israël en de volken, de kerk en de wereld, christenen en niet-christenen zijn op het menselijke vlak talloze overeenkomsten en dwarsverbindingen. Zeker, er is één diep verschil, en dat verschil is uiteindelijk het verschil tussen dag en nacht, licht en duisternis. Dat verschil is het geloof in de ene ware God en in zijn Zoon Jezus Christus. Wie Christus kent, mag zich in het licht weten. Wie Christus niet kent, leeft nog in de duisternis. En diep werkt dit verschil door in de motieven waarom de mens zich ontplooit, de wijze waarop hij dat doet en het resultaat dat eruit voortkomt. Desondanks blijven er talloze verbindingslijnen en herkenningspunten. Horen we wellicht zelfs de eschatologische echo van deze gedachte in Openb. 21: 24,26?

7.5.2 Ontmoetingsplaats van kerk en wereld

De ontmoetingsplaats van ‘kerk’ en ‘wereld’, het veld waarop zowel in oud- als in nieuwtestamentische tijden christenen en niet-christenen elkaar ontmoeten, is dat van ‘de wijsheid’.40 Treffend blijkt dit uit 1 Kon. 4: 29-34: “En God gaf Salomo wijsheid en zeer veel verstand en een begrip, zo wijd als het zand aan de oever der zee, zodat de wijsheid van Salomo groter was dan die van allen uit het Oosten, en dan al de wijsheid van Egypte. Ja, hij was wijzer dan alle mensen ...En uit alle volken kwamen er om de wijsheid van Salomo te horen, van al de koningen der aarde, die van zijn wijsheid gehoord hadden.” De wijsheid van Salomo en de wijsheid van de volken worden hier niet tegen elkaar uitgespeeld. Salomo’s wijsheid is groter, niettemin wordt ook bij de volken wijsheid gevonden. De wijsheid van Salomo wordt door de volken ook niet ontkend, maar erkend. Men komt zelfs om van Salomo te leren (1 Kon. 10: 1-13). Vergelijk ook Deut. 4: 6: Vanwege de inzettingen en verordeningen van de HERE zullen de andere volken Israël “een wijze en verstandige natie” noemen.
Tussen de wijsheid van Israël en de wijsheid van de volkeren bestaan ook tal van overeenkomsten, zowel qua vorm als qua inhoud. De Egyptenaren herkenden Jozef als een wijze. Omgekeerd werd Mozes onderwezen in de wijsheid van de Egyptenaren (Hand. 7: 22). Van de raad die Jetro, de priester van Midjan, aan Mozes gaf (Ex. 18: 19), trok het Godsvolk profijt. Zelfs mag niet uitgesloten mag worden dat we in Spr. 22: 17-23: 11 een Schriftdeel


40 Een beknopt, maar helder beeld van de wijsheid van het oude Oosten biedt Tuinstra, E.W. Spreuken I (De Prediking van het Oude Testament), Baarn 1996, 21-25.

|106|

vinden dat door de Egyptische wijsheid (de levensleer van Amenemope namelijk) is beïnvloed.
Ook kan er onder de volken sprake zijn van een zuiver rechtsgevoel. Een opmerkelijke illustratie daarvan vinden we in Gen. 20. ‘De kerk’ valt daar zo pijnlijk tegen en ‘de wereld’ valt enorm mee, althans voor wie een zwart-wit beeld van wereld en kerk heeft. Abraham veroorlooft zich een leugentje om bestwil en brengt koning Abimelek daardoor in grote problemen. Abimelek wordt door God ter verantwoording geroepen, maar deze verweert zich dan aldus: “HERE, zult Gij dan een rechtvaardig volk doden? ...In onschuld mijns harten en reinheid mijner handen heb ik dit gedaan. En God zei tot hem in de droom: Ik weet ook, dat gij het in onschuld uws harten gedaan hebt” (Gen. 20: 5,6). Zo stemt de Rechter van hemel en aarde in met de onschuld van een heidense koning! Bijzondere aandacht verdient de formulering ‘rein van handen en zuiver van hart’. Die functioneerde in Israëls eredienst als wachtwoord voor de toegang tot het heiligdom (zie Ps. 24: 4). Dat ook ‘de wereld’ menslievendheid in praktijk kan brengen — méér soms dan ‘de kerk’ dat doet — blijkt heel sprekend uit Jona 1: 7-16, Luc. 10: 31-36 en Hand. 28: 2.

7.5.3 Emancipatie en wereldgelijkvormigheid

Wij menen dat gegevens als deze van belang zijn voor een bezinning op de mogelijke wereldgelijkvormigheid van de kerk. Waarover praten we dan precies? Hebben we dan een leven ‘naar het vlees’ op het oog? Een leven zoals dat getekend wordt in Ef. 4: 17-22 en 5: 3-7? Als dat zo is, dan is de zorg voor wereldgelijkvormigheid volstrekt gerechtvaardigd. Het verdient echter geen aanbeveling om het emancipatieproces van de afgelopen eeuw in die zin als wereldgelijkvormigheid te bestempelen.
Het emancipatieproces kan ook gezien worden als één van de manieren waarop mensen aan het leven vorm geven, een ‘cultuurproduct’ dus, een uiting van wijsheid — in de oudtestamentische zin van het woord. Op basis van een bepaald gevoel voor recht en billijkheid hebben mensen vorm gegeven aan de verhouding tussen man en vrouw. In dit proces spelen ook de technische mogelijkheden en beperkingen van de mens een rol. Wat betreft het gevoel voor recht en billijkheid: in de beginjaren is de vrouwenbeweging een hoognodige reactie geweest op de evidente en pijnlijke rechtsongelijkheid die er bestond tussen mannen een vrouwen.41 Dankzij dit gevoel voor recht en billijkheid hebben ook vrouwen mogelijkheden gekregen om met behulp van scholing de hun gegeven gaven te ontplooien en breed in de samenleving in te zetten. Wat betreft de rol van technische mogelijkheden: de veranderde verhouding tussen man en vrouw is mede mogelijk geworden door een enorme toename van de welvaart en door vindingen als de pil en talloze technische hulpmiddelen die tot een ander rolpatroon van man en vrouw hebben kunnen leiden.
Gelet op deze — ook zegenrijke! — kanten die er aan het emancipatieproces zitten verdient het geen aanbeveling om dat als zodanig als wereldgelijkvormigheid te kwalificeren.

7.5.4 De heilzaam-kritische functie van het evangelie

Deze zowel nuchtere als welwillende beoordeling van het emancipatieproces houdt echter geen kritiekloze acceptatie in van de emancipatie en de vruchten daarvan. Emancipatie is als elk mensenwerk feilbaar en van zonde doortrokken. De Bijbel scherpt het oog hiervoor en helpt ons dit te benoemen. In het emancipatieproces zoals dat in Nederland zijn beslag heeft gekregen is die doorwerking van de zonde ook duidelijk aanwijsbaar.
• Om te beginnen heeft het emancipatiestreven in Nederland — zeker in een bepaalde fase — een hoog ‘baas in eigen buik’-gehalte gehad. Uitgangspunt was en is de zelfbeschikking, de zelfstandigheid en de zelfontplooiing van de vrouw. Dit uitgangspunt


41 Dat signaleerde H. Bavinck al, De vrouw, 45-68 en 73-74.

|107|

staat haaks op Gods scheppingsbedoeling en op de gerechtigheid en gemeenschapstrouw waarvan de Bijbel spreekt.
• Ten tweede heeft het emancipatieproces in Nederland concrete kwalijke gevolgen gehad. Het is opgenomen in een indidividualiseringsproces en in het streven van overheid én burger naar meer welvaart. Het gevolg hiervan is dat enkele uiterst wezenlijke kanten van het leven verwaarloosd zijn en worden. Lange tijd is sprake geweest van een onderwaardering van het moederschap en een overwaardering van het betaalde werk. De betekenis van een gezonde gezinsvorming voor zowel de enkeling als de samenleving als geheel is onderschat, de betekenis van individuele vrijheid overschat. De negatieve gevolgen hiervan voor de kwaliteit van de opvoeding, het huwelijk en voor de tijd en ruimte die genomen wordt voor het omzien naar kwetsbare groepen in de samenleving zijn niet uitgebleven.
Voor het evangelie blijft in onze samenleving daarom een zowel kritische als heilzame functie weggelegd.42 In feite is het zo dat ook onze geëmancipeerde samenleving — al wil ze daar nu niet aan — hunkert naar een onderdompeling in de openbaring van Jezus Christus. De woorden van Paulus “Het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd der vrouw is de man, en het hoofd van Christus is God” bevatten ook in onze tijd alles wat man en vrouw nodig hebben om heilzaam samen te leven.

Als commissie menen we dat de schaduwzijden van het emancipatieproces meegenomen moeten worden in de bezinning op de vrouw in het ambt. Er zal bij openstelling van de ambten voor vrouwen, blijvend bezinning nodig zijn op de gevolgen daarvan voor de wijze waarop mannen en vrouwen in gezin en gemeente met elkaar omgaan en de hun toevertrouwde taken verdelen.

7.5.5 Samenvatting

De veranderde verhouding tussen man en vrouw is niet meer of minder dan de traditionele verhouding tussen man en vrouw opgenomen in de strijd van het licht tegen de duisternis. Zowel de wijze waarop de verhouding tussen man en vrouw vorm gegeven werd in de patriarchale samenleving, als de wijze waarop die vorm krijgt in een traditioneel ingerichte of geëmancipeerde samenleving is mensenwerk. Aan elk mensenwerk zitten zowel heilzame als minder heilzame kanten. Maar ondergedompeld in de liefde van Christus, kan ook de geëmancipeerde verhouding tussen man en vrouw een zegenrijke rol vervullen in ons persoonlijke, maatschappelijke en ook kerkelijke leven.


42 Verschillende publicaties kunnen vermeld worden waarin vanuit christelijk perspectief zowel opbouwend als kritisch naar de ontwikkelingen in de Nederlandse samenleving gekeken wordt. We noemen een — al wat oudere — uitgave van het Centrum voor Reformatorische Wijsbegeerte: Individualisering en solidariteit, met daarin lezingen van respectievelijk H. de Jong, S. Griffioen, E. Schuurman en A.K. Koekkoek, Amsterdam 1988. Van recenter datum is Steensma, D.J., M. Verhage-Van Kooten, J. Westert (e.a.), Individualisering en gezinsbeleid. Gezin, arbeid, opvoeding en zorg in het licht van christelijke politiek (Publicatie nr. 25. Uitgave van de Marnix van St. Aldegonde Stichting), Nunspeet 1998.