Rapport VOP (2003)

Vrouwelijke Ouderlingen en Predikanten?
Rapport van de Commissie Vrouwelijke Ouderlingen en Predikanten ingesteld door de Landelijke Vergadering van de Nederlands Gereformeerde Kerken Doorn 1998
2003

Code: LV2004.25.4

Rapport VOP (2003) Inh

|I|

 

Inhoudsopgave

Leeswijzer — III

Afkortingen — III

1 Inleiding en overzicht — 1
1.1 De commissie — 1
1.2 De opdracht — 1
1.3 De werkwijze — 2
1.4 Overzicht van het rapport — 3

2 De kerkelijke context: reacties en standpunten — 6
2.1 Inleiding — 6
2.2 Beknopte weergave van ontvangen reacties van NG kerken — 6
2.3 Rapporten uit 1991 en 1994 in opdracht van de LVDronten 1988 — 9
2.4 Synode van de CGK1998: Vrouw en Ambt — 10

3 De ambtsopvatting in dit rapport — 13
3.1 Doel13
3.2 Ambt en gezag — 13
3.3 Kanttekeningen bij de gangbare ambtsvisie — 15
3.4 Aansluiting bij de gangbare ambtsvisie — 16
3.5 Samenvatting — 17

4 Bezinning op de Schriftuitleg — 18
4.1 Aandacht voor de exegese18
4.2 Belangrijkste argumentatielijnen en opzet van de bespreking
19
4.3 Man en vrouw in Genesis 1-3
21
4.4 Over Galaten 3: 28: “Hierbij is geen sprake van mannelijk en vrouwelijk” — 32
4.5 De ‘gaven-lijn’: vanuit Joel 2: 28-29 naar het Nieuwe Testament — 36
4.6 De ‘hoofd-lijn’: de plaats van de vrouw in de gemeente volgens de ‘zwijgteksten’ — 40
4.7 Resultaten van de toetsing van het Schriftberoep
53

5 Van Schriftuitleg naar Schriftverstaan — 55
5.1 De hermeneutische bezinning in onze kerken en in de CGK — 55
5.2 Hermeneutiek als Schriftverstaan — 59
5.3 Programma van een gerichte hermeneutische bezinning — 62

6 Bezinning op het Schriftverstaan — 64
6.1 Bijbelse voorschriften in hun context — 64
6.2 Hermeneutisch verwerking van de contextbepaaldheid
69
6.3 Het beroep op de schepping — 75
6.4 Tussenbalans — 79
6.5 De mens en zijn verantwoordelijkheid — 82
6.6 Relevantie van de bezinning op de menselijke verantwoordelijkheid — 85
6.7 Conclusie — 88

7 Bezinning op Schriftuitleg en Schriftverstaan — 89
7.1 Inleiding en opzet — 89
7.2 Paulus’ voorschriften en hun context
89
7.3 Paulus’ voorschriften en onze context — 98
7.4 Van blijvende betekenis — 102
7.5 Over kerk en wereld — 104

8 Terugblik en conclusie — 108

9 Kerkelijke aspecten van besluitvorming — 110
9.1 Inleiding — 110

|II|

9.2 Christelijke vrijheid — 110
9.3 Kerkelijke wijsheid
110
9.4 Samenvatting — 113

10 Adviezen voor besluitvorming — 114

Bijlage A: Samenvatting van ‘Arnhem’ en van de reacties uit de NG kerken — 117
A.1 Overzicht — 117
A.2 CGK/NGK Arnhem (1996) — 117
A.3 Reacties waarin geen inhoudelijk standpunt werd gegeven — 123
A.4 Reacties met een inhoudelijk standpunt — 125
A.5 Ontvangen rapporten e.d. — 132

Bijlage B: Enkele keuzeproblemen bij de uitleg van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 — 149
B.1 De beperkte doelstelling van deze deelstudie — 149
B.2 1 Kor. 14: 34-35 — 149
B.3 1 Tim. 2: 11-15 — 157
B.4 Evaluatie — 170

Literatuurverwijzingen — 172

Inhoudsopgave (4 niveaus) — 177

Rapport VOP (2003) LwAfk

|III|

 

Leeswijzer

Dit rapport is een behoorlijk boekwerk geworden. Om het toch zo toegankelijk mogelijk te maken, zijn er verschillende lagen in aangebracht. Daarmee beogen we als commissie om een korter en voor velen goed toegankelijk ‘kernrapport’ in één uitgave te combineren met het volledige rapport.
In de hoofdtekst van het rapport is met normale en met kleine lettergroottes gewerkt. De hoofdlijn van het betoog is in de normale lettergrootte weergegeven. Dit gedeelte van de tekst kan als het ‘kernrapport’ worden beschouwd. Betoogondersteunende informatie, bezinning op details en de voetnoten zijn in de gedeelten met kleinere letters te vinden. Verder is voor degenen die diep op de stof willen ingaan een grote hoeveelheid detailwerk in twee bijlagen geplaatst. Verwijzing naar paragrafen en subparagrafen in deze bijlagen gebeurt met de nummeraanduiding A.2, B.2.4, enzovoort.
De literatuurverwijzingen in de voetnoten zijn beknopt gehouden. Bij de eerste vermelding schrijven we titels voluit, maar bij herhaalde vermelding gebruiken we verkorte aanduidingen. Meer volledige informatie over de aangehaalde literatuur is dan terug te vinden bij de literatuurverwijzingen achterin, die alfabetisch gerangschikt zijn op auteur.
Tenslotte, om zoeken te vereenvoudigen is aan het einde van het rapport een inhoudsopgave opgenomen die twee niveaus meer bevat dan de inhoudsopgave voorin.

 

Afkortingen

AKS — Akkoord van kerkelijk samenleven van de Nederlands Gereformeerde Kerken
CG — Christelijke Gereformeerde
CGK — Christelijke Gereformeerde Kerk(en)
ER94 — Eindrapport van de Commissie “openstelling diakenambt voor de zusters der gemeente”, 1994
GKV — Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt)
LV — Landelijke Vergadering van de Nederlands Gereformeerde Kerken
NG — Nederlands Gereformeerde
NGK — Nederlands Gereformeerde Kerk(en)
NT — Nieuwe Testament
OT — Oude Testament
SR91 — Studierapport van de Commissie “openstelling diakenambt voor de zusters der gemeente”, 1991
V&A — Vrouw en Ambt, uitgave onder verantwoordelijkheid van de Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland 1998

Rapport VOP (2003) H1

|1|

 

1 Inleiding en overzicht

 

1.1 De commissie

De Commissie Vrouwelijke Ouderlingen en Predikanten (V.O.P.), benoemd door de LV Doorn 1998, bestaat uit de volgende leden: ds. J.J. Arnold, drs. M.H.T. Biewenga, dr. C.P. Kleingeld, drs. J.M. Mudde jr., mw. Y. Veefkind-Eenkhoorn, dr.ir. J.W. Verheij en drs. M. Vrijmoeth-de Jong. Veranderingen in de samenstelling van de commissie zijn gedurende de periode van haar werkzaamheden niet opgetreden.

De commissie heeft in de periode van december 1998 tot april 2003 zevenendertig maal vergaderd. Met dankbaarheid kan worden geconstateerd dat dit steeds in goede harmonie gebeurde. Als bijzonderheid mag ook vermeld worden dat de zeven commissieleden tijdens hun werkzaamheden zowel een gezamenlijke als een persoonlijke ontwikkeling hebben doorgemaakt. Ieder begon voor zich aan zijn of haar werk in de commissie met eigen vooronderstellingen en opvattingen. Door steeds weer al biddend en nadenkend persoonlijk en samen in de Bijbel te lezen en te luisteren naar elkaar, is er met die vooronderstellingen en opvattingen heel wat gebeurd. Uiteindelijk resulteert ons werk in een rapport dat gedragen wordt door alle commissieleden. Wijzelf hebben hierin de leiding van de HERE ervaren en onze hoop en ons gebed is, dat de vrucht van het proces dat we als commissie hebben doorgemaakt tot zegen van de kerken zal zijn.
Een woord van dank gaat uit naar de Nederlands Gereformeerde Kerk van Enschede Zuid, die haar predikant enige keren een week de gelegenheid gaf continu aan het rapport te werken.

 

1.2 De opdracht

Aanleiding tot de instelling van onze commissie was een brief met bijlagen van 10 juni 1997, die de Nederlands Gereformeerde Kerk van Arnhem aan de Landelijke Vergadering der Nederlands Gereformeerde Kerken 1998 had gestuurd.
In die brief werd mededeling gedaan van het volgende principebesluit van de CGK/NGK te Arnhem:
a. De kerkenraad meent dat niet uit de Schriften kan worden afgeleid dat de Here het vervullen van de ambten in de gemeente door zusters voor alle tijden verbiedt en dat het in overeenstemming is met het geheel der Schriften om zusters der gemeente te roepen tot de ambten.
b. De kerkenraad is ervan overtuigd dat de Here aan bepaalde zusters de gave gegeven heeft om leiding en onderricht te geven. Het zou niet goed zijn van deze gaven slechts gedeeltelijk gebruik te maken.
c. Bij het uitwerken van dit standpunt zal het heil van de gemeente voorop staan en zal terdege rekening worden gehouden met de positie in de Christelijke Gereformeerde en Nederlands Gereformeerde kerkverbanden.
Verder deed de kerk van Arnhem in die brief een tweeledig voorstel:
• De Landelijke Vergadering spreekt uit het roepen van zusters der gemeente tot de ambten in de vrijheid der kerken te laten, zoals met betrekking tot het diakenambt reeds het geval is.
• Indien voor een dergelijke uitspraak nadere studie vereist is stelt de Landelijke Vergadering van 1998 een commissie in die besluitvorming op de volgende Landelijke Vergadering zal voorbereiden.

|2|

De LV 1998 nam het volgende besluit:
“De Landelijke Vergadering van de Ned. Ger. Kerken Doorn 1998, kennis genomen hebbende van de brief d.d. 10 juni 1997 met bijlagen van de Nederlands Gereformeerde Kerk te Arnhem betreffende de openstelling van de ambten voor zusters de gemeente,
besluit:
• Een commissie in te stellen die landelijke besluitvorming ten aanzien van vrouwelijke ouderlingen en predikanten zal voorbereiden.
• Deze commissie te verzoeken:
- alle Nederlands Gereformeerde Kerken uit te nodigen haar reactie op de stellingnamen in de bovenvermelde stukken van de kerk van Arnhem naar de commissie te sturen, opdat deze in het werk van de commissie kunnen worden meegenomen,
- de uitkomsten van haar werkzaamheden voor commentaar voor te leggen aan de deputaten “Eenheid ...” van de Chr. Geref. Kerken en de deputaten “Kerkelijke eenheid” van de Geref. Kerken Vrijgemaakt, en
- over de uitkomst van haar werkzaamheden en het ontvangen commentaar van bedoelde deputaten rapport uit te brengen aan de volgende Landelijke Vergadering en voorstellen ter zake te doen.”

Omdat het ons niet lukte om de omvangrijke werkzaamheden binnen drie jaren af te ronden kreeg onze commissie van de LV van Amersfoort 2001 nog drie jaren voor het voltooien van haar werk. Tevens formuleerde deze LV de volgende precisering met betrekking tot de uitvoering van onze opdracht:
“De Landelijke Vergadering verzoekt de commissie haar eindrapport, met daarin zo mogelijk het commentaar van bovengenoemde deputaten verwerkt, uit te brengen aan de volgende Landelijke Vergadering en voorstellen ter zake te doen.”

 

1.3 De werkwijze

In ons rapport is — zoals alleen al blijkt uit het aantal malen dat we vergaderd hebben — veel tijd en energie gaan zitten. Dat heeft verschillende oorzaken.

Onze opdracht bleek breed, veelzijdig en gecompliceerd te zijn.
Allereerst behoorde het tot onze taak om de reacties van de kerken op het besluit van Arnhem te inventariseren. Op basis van die reacties hebben we een agenda voor onze werkzaamheden opgesteld.
Vervolgens impliceerde de opdracht van de LV dat de commissie ook een eigen traject van studie en bezinning zou ingaan. De reacties van de eigen en andere kerken dienden immers in de werkzaamheden te worden meegenomen. Dat veronderstelde het werken aan een eigen standpuntbepaling. Om daartoe te komen zijn langdurige en intensieve gesprekken gevoerd, waarbij soms wegen werden ingeslagen die we later toch weer verlaten moesten.
Voor de vorming van een eigen standpunt hebben we dankbaar gebruik gemaakt van het werk dat vele anderen voor ons hebben verzet. De literatuurlijst is daarvan een stille getuige. Toch hebben we onszelf wat dit betreft forse beperkingen opgelegd, indachtig de waarschuwing van Prediker 12: 12, dat er geen einde is aan het maken van veel boeken en dat het doorvorsen ervan een afmatting voor het lichaam is. Hoewel we gekozen hebben voor het schrijven van een grondige studie, hebben we geen wetenschappelijk stuk willen opstellen, maar vooral onze kerken willen helpen bij de vorming van een kerkelijk verantwoord standpunt.

|3|

Ook de aard van het vraagstuk waarmee we ons hebben bezig gehouden heeft veel van ons geëist. We willen hier herinneren aan het beeld dat dr. A. van der Dussen op de LV van Ede 1991 gebruikte om aan te duiden hoe veeleisend de taak is die een commissie als de onze heeft. Het gaat niet om een APK-keuring, maar om een dusdanige revisie van de auto dat hij geheel uit elkaar moet en na een grondige behandeling van de onderdelen opnieuw in elkaar gezet moet worden. Zo gaat het bij een serieuze bezinning op de vraag of vrouwen tot het ambt van ouderling en predikant kunnen worden toegelaten.

We zijn ons terdege bewust geweest van het belang van het onderwerp. Het houdt veel christenen bezig en soms verdeelt het hen. Daarom hebben we het niet alleen als onze taak, maar ook als onze roeping gezien om de bezinning op de vrouw in het ambt zo gewetensvol mogelijk ten uitvoer te brengen. Het is ons verlangen geweest om voluit recht te doen, zowel aan de uitleg van de Bijbel op onderdelen, als aan het verstaan ervan in zijn totaliteit.

In verband met de bovenstaande opmerkingen over de aard van het rapport en van het vraagstuk, willen we nog op het volgende wijzen. De door onze commissie gekozen werkwijze brengt onvermijdelijk met zich mee, dat een deel van de omvangrijke en soms nogal specialistische literatuur die werd geraadpleegd, slechts door één of twee commissieleden is gelezen. Dat betekent dus dat niet elk individueel commissielid op dezelfde wijze eventuele onnauwkeurigheden in weergave of interpretatie vallen aan te rekenen. Het was echter niet ons doel noch onze illusie om een onaantastbaar rapport te schrijven. Wel een rapport dat recht doet aan het door velen gevoelde grote belang van een bijbels verantwoorde kerkelijke besluitvorming over een complex en omstreden vraagstuk. Unaniem zijn we als commissie van overtuiging, dat ons rapport dat doet en dat de belangrijkste conclusies en aanbevelingen niet afhankelijk zullen blijken te zijn van eventuele onvolkomenheden op onderdelen.

De commissie zond in het begin van maart 2003 een conceptversie van dit rapport aan de hierboven genoemde deputaten van de CGK en de GKV, met het verzoek om uiterlijk per 15 september 2003 eventuele reacties hierop aan onze commissie te sturen. Onze commissie zal over deze reacties apart rapporteren.

 

1.4 Overzicht van het rapport

In hoofdstuk 2 wordt een inventarisatie gegeven van de reacties en standpunten, die vanuit onze kerken aan onze commissie zijn toegezonden. In Bijlage A bij dit rapport is een samenvatting van alle toegezonden reacties opgenomen.
Verder wordt in hoofdstuk 2 kort aangegeven wat er in de rapporten uit 1991 en 1994 stond, die in opdracht van de LV Dronten 1988 werden opgesteld.
Tenslotte geven we in dit hoofdstuk aandacht aan de bezinning en de besluitvorming die recent in de Christelijke Gereformeerde Kerken hebben plaatsgevonden.

In hoofdstuk 3 verantwoorden wij waarom wij in ons rapport uitgaan van de onder ons geldende ambtsopvatting.

In hoofdstuk 4 wordt uitvoerig ingegaan op de exegese van de bijbelgedeelten die in de bezinning op de vrouw in het ambt een centrale rol spelen. Gekozen is voor een bespreking aan de hand van de belangrijkste exegetische argumentatielijnen van

|4|

voorstanders en tegenstanders van de vrouw in het ambt. Na toetsing concluderen wij onder meer,
• dat het niet is gelukt om alle bijbelse gegevens zodanig overtuigend binnen één van de argumentatielijnen recht te doen, dat die met gezag naar voren gebracht kan worden;
• dat op basis van integere en deskundige exegese vanuit verschillende invalshoeken naar dit vraagstuk kan worden gekeken.

In Bijlage B is een afzonderlijke deelstudie opgenomen over de uitleg van 1 Kor. 14: 34-35 en 1 Tim. 2: 11-15. De betreffende ‘zwijgteksten’ spelen een grote rol in het geheel van de bezinning over de vrouw in het ambt. De bijlage is bedoeld om in meer detail dan mogelijk is in de hoofdtekst van het rapport, te illustreren, welke studieresultaten hebben bijgedragen aan de conclusie van hoofdstuk 4.

In hoofdstuk 5 — Van Schriftuitleg naar Schriftverstaan — brengen we eerst een aantal hermeneutische argumenten in kaart.
Dan volgt een korte inleiding in wat met ‘hermeneutiek’ wordt bedoeld en wordt toegelicht dat hermeneutische vragen van alle tijden zijn.
We sluiten het hoofdstuk af met het formuleren van drie thema's die in dit rapport om een gerichte bezinning vragen, te weten:
• De contextbepaaldheid van de bijbelse voorschriften en in het bijzonder van die van de apostel Paulus als het gaat om de plaats van de vrouw in de gemeente.
• De betekenis van ‘de scheppingsorde’ in de Bijbel en in het bijzonder in de voorschriften die Paulus gaf met betrekking tot de plaats van de vrouw in de gemeente.
• De plaatsing van de hierboven vermelde conclusie uit hoofdstuk 4, dat op basis van integere en deskundige exegese vanuit verschillende invalshoeken naar dit vraagstuk kan worden gekeken.

In hoofdstuk 6 worden de bovengenoemde (hermeneutische) thema’s besproken.
Wij concluderen onder meer dat er in de Bijbel veelal een nauwe verwevenheid bestaat tussen voorschriften en de context waarbinnen zij gegeven werden. Die verwevenheid heeft tot gevolg dat een rechtstreekse toepassing door ons van concrete bijbelse voorschriften, vaak onmogelijk en ongewenst is.
Wij concluderen ook dat de schepping en de daarin gelegde ordeningen richtinggevend zijn voor de mens. Tegelijk echter stellen we vast, dat in de bezinning op de inrichting van het leven met het beroep op de schepping en de daarin gelegde ordeningen niet het laatste woord gesproken is.
Tenslotte concluderen wij, dat wij mensen van de Here een eigen verantwoordelijkheid hebben gekregen. Die heeft tot gevolg dat wij voor wat betreft de inrichting van ons leven volop gebruik mogen maken van de ons gegeven wijsheid en door ons opgedane kennis en ervaring.

In hoofdstuk 7 komen Schriftuitleg en Schriftverstaan samen.
Aan de hand van een bezinning op 1 Kor. 11: 2-16 laten we zien dat Paulus’ betoog in dit bijbelgedeelte in menig opzicht contextbepaald is. We maken én hieruit én uit de in hoofdstuk 6 geformuleerde inzichten op, dat rechtstreekse toepassing van deze voorschriften niet geboden, niet mogelijk, niet nodig en zelfs — in onze context — niet gewenst is. In beknoptere vorm doen we hetzelfde met 1 Tim. 2: 11-15.

|5|

Vervolgens laten we zien, dat en waarom het context bepaalde karakter van Paulus' betoog in 1 Kor. 11 niet in mindering gebracht mag worden op de blijvende betekenis die dit gedeelte voor ons heeft. In het bijzonder wijzen we erop dat Paulus de verhouding tussen man en vrouw geheel onderdompelt in de openbaring van God in Jezus Christus.
Tenslotte komt — in verband met de doorwerking van de emancipatie in de kerk — het gevaar van wereldgelijkvormigheid ter sprake. Wij stellen een zowel nuchtere en welwillende als een kritische benadering van het emancipatieproces voor. Wij menen dat — mits ondergedompeld in de liefde van Christus — ook de geëmancipeerde verhouding tussen man en vrouw een zegenrijke rol kan vervullen in ons persoonlijke, maatschappelijke en ook kerkelijke leven.

In hoofdstuk 8 wordt het resultaat van de bezinning op Schriftuitleg en Schriftverstaan nog eens samengevat. Vervolgens wordt de balans opgemaakt. Onze conclusie is daar, dat de ambten van ouderling en predikant ook voor zusters kunnen worden opengesteld.

In hoofdstuk 9 wordt een bespreking gegeven van enkele kerkelijke aspecten van de besluitvorming inzake het al of niet openstellen van de ambten van predikant en ouderling voor vrouwen door de LV. Het zal volgens onze commissie nodig zijn om afwegingen te maken tussen ‘christelijke vrijheid’ en ‘kerkelijke wijsheid’.

In hoofdstuk 10 tenslotte, staan adviezen die bedoeld zijn om structuur en richting te geven aan de behandeling van ons rapport en aan de besluitvorming door de LV.

Rapport VOP (2003) H2

|6|

 

2 De kerkelijke context: reacties en standpunten

 

2.1 Inleiding

Onze commissie heeft als onderdeel van haar werkzaamheden aandacht besteed aan de kerkelijke context van haar opdracht. Concreet betekent dit, dat vooral bestudeerd is wat er bij Ned. Ger. Kerken (NGK) leeft en wat er recent in de Chr. Ger. Kerken (CGK) ten aanzien van ‘vrouw en ambt’ is besloten.

Voor wat betreft de NGK lagen er onder meer het uitvoerige Studierapport (1991) en het Eindrapport (1994). Deze rapporten dienden als voorbereiding voor besluitvorming over de openstelling van het diakenambt voor zusters der gemeente. (LV Apeldoorn, 1994/5). Voorts behoorde het tot de opdracht van onze commissie om de kerken te verzoeken om hun reactie te geven op de stellingnamen in de stukken van de NG/CG-kerk van Arnhem (1996). Deze reacties zouden dan kunnen worden meegenomen in het werk van de commissie. In december 1998 heeft de commissie zo'n verzoek aan de kerken gestuurd.

In relatie tot de CGK en de Ger. Kerken Vrijgemaakt behoorde het tot de opdracht van de commissie om de resultaten van haar werkzaamheden voor commentaar voor te leggen aan deputaten van deze kerken en om over eventueel ontvangen commentaar rapport uit te brengen.
Los daarvan heeft onze commissie in haar werkzaamheden en rapportage aandacht gegeven aan de publicatie Vrouw en Ambt. Deze werd uitgegeven onder verantwoordelijkheid van de Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland 1998. Ze bevat het “Eindrapport Deputaten voor de vragen rond vrouw en ambt” en twee rapporten van de betreffende synodecommissie. Tevens bevat ze die delen van de Acta (Haarlem-Noord, 1998), die betrekking hebben op de bespreking en besluitvorming over de eerder genoemde rapporten.

Hieronder wordt in 2.2 een globaal overzicht gegeven van de reacties die door de commissie zijn ontvangen uit de NGK. Deze reacties vertonen een grote veelkleurigheid. Ze laten zien dat de voorbereiding van landelijke besluitvorming, die verantwoord is en die tot voldoende draagvlak kan leiden, niet eenvoudig is. In 2.3 wordt een korte terugblik gegeven op het Studierapport (1991) en het Eindrapport (1994). In 2.4 staat een samenvatting van het besluit door de Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland 1998 over Vrouw en Ambt en van de motivering daarvan. Tevens wordt een samenvatting gegeven van de conclusies in het meerderheidsrapport van de deputaten voor de vragen rond vrouw en ambt, die aan dit synodebesluit ten grondslag liggen.
Dit hoofdstuk is vooral beschrijvend. Verwerking en beoordeling van een aantal van de beschreven standpunten vinden in latere hoofdstukken plaats.

 

2.2 Beknopte weergave van ontvangen reacties van NG Kerken

2.2.1 Overzicht

Op de uitnodiging aan de kerken om reacties op de stellingnamen van ‘Arnhem’ aan de commissie te sturen, hebben achtendertig kerken geantwoord. Het overgrote deel van deze reacties werd ontvangen vóór september 1999.
Zestien kerken deelden mee geen of nog geen inhoudelijk standpunt te hebben over de vrouw in het ambt van ouderling of predikant. Tweeëntwintig kerken deden wel mededeling over een standpuntbepaling. Voor twaalf van deze kerken geldt dat de bezinning vroeger plaats had gevonden, los van de door onze commissie gestelde vraag. Verder kreeg de commissie de beschikking over een afschrift van een appèl van de kerk

|7|

van Urk. Dit appèl betreft de besluitvorming rond de openstelling van het ambt van ouderling voor zusters der gemeenten in enkele NG-kerken. Het was gericht aan de Regio Kampen in vergadering bijeen op 4 maart 1999 te Emmeloord.
Van de tweeëntwintig kerken die ons een inhoudelijke standpuntbepaling meedeelden, zijn er acht die in eigen gemeente het ambt van ouderling voor zusters hebben opengesteld. Zeven andere kerken staan positief tegenover openstelling, maar hebben óf nog geen besluitvorming daarover, óf zien voorlopig van openstelling af. Vijf kerken zien uitdrukkelijk geen schriftuurlijke ruimte voor zo’n openstelling. Verder is er één kerk die stelt, dat het feit dat nergens in het OT en NT een vrouw een kerkelijk ambt heeft bekleed, de kern van het vraagstuk is. Deze kerk vraagt om oprechte en grondige studie. Tenslotte, er is één kerk die het grotendeels met de stellingnamen van Arnhem eens is. Maar deze kerk vindt dat de stelling van Arnhem “dat het in overeenstemming is met het geheel der Schriften om zusters der gemeente te roepen tot de ambten”, net zo min uit de Bijbel is af te leiden als het tegenovergestelde standpunt.

Bijlage A bevat samenvattingen van de stukken van Arnhem (1996), van de ontvangen reacties uit NG-kerken en van studierapporten, besluiten en andere bijlagen die een aantal van deze kerken aan onze commissie toestuurden.

2.2.2 Reacties waarin geen inhoudelijk standpunt werd gegeven

Zestien van de kerken die reageerden, gaven geen inhoudelijk standpunt over de openstelling van de ambten van ouderlingen predikant voor vrouwen.

Als redenen hiervoor worden genoemd:
• Het vraagstuk is (nog) niet actueel in onze gemeente.
• Er is geen tijd geweest om zich in het vraagstuk te verdiepen.
• De bezinning op de vrouw in het diakenambt is nog niet afgerond.
• De discussie over het diakenambt is nog maar net verstomd en men is nog niet toe aan een nieuwe.
• Het diakenambt is nog niet opengesteld voor zusters.
• Met is er als kerkenraad nog niet uit.
• In de discussie op de gemeentevergadering bleken de meningen erg verdeeld.
• De prioriteit in de kerkenraad lag bij andere zaken (bijv. bij samenspreking met de plaatselijke CGK).
• Een discussie over de openstelling van alle ambten zal tot grote onrust leiden. Eén van de kerken verzoekt de commissie daarom, om bij het voorstel aan de LV de spankracht van de gemeenten mee te wegen.
• De commissie moet maar met een voorstel komen.
Zie verder A.3.

2.2.3 Reacties met een inhoudelijk standpunt

Van de inhoudelijke reacties die de commissie ontving, gaat slechts een klein deel speciaal in op de stukken van Arnhem. Reacties die dat niet of slechts terloops doen, maken vooral duidelijk hoe men staat tegenover het benoemen van vrouwelijke ouderlingen. Slechts enkele reacties doen ook een uitspraak over vrouwelijke predikanten.

Instemmende reacties op Arnhem
De paar reacties die met instemming spreken over ‘Arnhem’, zijn daarover erg beknopt. De kerkenraad van Amstelveen somt als enige een serie concrete punten uit het rapport van Arnhem op, waar hij mee instemt.

Die punten zijn:
In de schepping is er geen ondergeschiktheid tussen man en vrouw.

|8|

• De ‘zwijgteksten’ zijn geschreven voor een specifieke situatie, waarbij het vooral belangrijk was om als christen géén aanstoot te geven aan de niet-christelijke omgeving.
• Met de typering dat de man hoofd is van de vrouw wil Paulus de nadruk leggen op een invulling van de man/vrouw relatie, zoals die past in een bepaalde tijd. In die tijd zou het aanleiding hebben gegeven tot laster, als de man niet hiërarchisch boven de vrouw zou staan. In onze tijd, waarin de relatie man/vrouw volledig anders is, halen we met het instandhouden van deze hiërarchie mogelijk zelfs de laster van de huidige samenleving over ons heen.
• Bepaalde zusters hebben de gave van onderricht en leidinggeven ontvangen. Het zou niet goed zijn als de gemeente daarvan geen gebruik zou maken.
• Met de komst van Christus is er een nieuwe orde gekomen; in Hem zijn allen, man en vrouw, één.

Zonder dat ‘Arnhem’ speciaal genoemd wordt, komen deze door Amstelveen genoemde inhoudelijke punten ook voor in verschillende andere instemmende reacties.

Afwijzende reacties op Arnhem
De inhoudelijke reacties die de stellingnamen van Arnhem afwijzen, concentreren zich vooral op de wijze waarop Arnhem de vraag heeft benaderd, en op de wijze waarop met de Bijbel wordt omgegaan. Ook is er kritiek op de ‘druk’ die Arnhem op de kerken zou zetten om tot besluitvorming te komen, en op het laten prevaleren van het heil van de plaatselijke gemeente.

Hieronder volgt een korte weergave van enkele aangevoerde bezwaren.
Zalk en Veecaten: Exegetisch maar vooral hermeneutisch is er veel op het rapport af te dingen. Het belangrijkste bezwaar is dat in het rapport (Toelichting van Arnhem, blz. B.16) hardop de vraag wordt gesteld of wij in dezen nog wel gebonden zijn aan wat de Bijbel ons vertelt. Legt dit niet onbedoeld de hermeneutiek van Arnhem voor een stukje bloot? Waarom niet gewoon gezegd: aan wat de Bijbel ons leert? De betreffende voorschriften van Paulus overstijgen nu juist de cultuur, doordat hij ze baseert op de nog ongecultiveerde schepping.
Urk: Wat met name stoort in de verantwoording door de kerk van Arnhem, is dat de manier waarop de cultuurwereld van toen vergeleken met die van vandaag, min of meer als hermeneutische sleutel wordt aangewend. Wie maakt uit wat wel en niet cultuurgebonden is? En: had onze cultuur niet veel meer gestempeld dienen te zijn door en daardoor meer gelijkenis moeten vertonen met die waarin de Bijbel is geschreven?
Zaandam: Bij de benadering van de Bijbel moeten we niet ons startpunt nemen in de samenleving (Toelichting van Arnhem, blz. A.2), maar in de Bijbel zelf. Paulus grijpt in 1 Tim. 2: 13 terug op de scheppingsordeningen.
Zalk en Veecaten: Is het terecht dat Arnhem het heil van de plaatselijke gemeente wil laten prevaleren? Afgevaardigden naar regionale vergaderingen en gastpredikanten worden met de vrouwelijke ouderling geconfronteerd, ook als ze daartegen zijn. Invoering van vrouwelijke predikanten zal bezwaarde gemeenten zeer in het isolement drijven. Zal overgaan tot het legaliseren van een tot nu toe gevolgde gedoogpraktijk ‘de emmer niet doen overlopen’? De gevolgen van zo’n besluit tasten het draagvlak van ons gereformeerde kerkverband aan. Daarom is het een illusie dat invoering is over te laten aan de plaatselijke gemeenten.

Andere reacties
Van de verdere reacties voor en tegen de openstelling van de ambten van ouderling en predikant voor vrouwen, geven we hier geen overzicht. De lezer vindt een samenvatting ervan in Bijlage A bij dit rapport. In de volgende hoofdstukken van dit rapport zullen we meerdere malen terugkomen op wat ons ook in deze reacties uit de kerken is aangereikt.
Op deze plaats volstaan we echter als commissie met het vermelden van onze mening, dat veel van de ontvangen rapporten een uitgebreid en gedegen bezig zijn met de

|9|

onderliggende vragen laten zien. Ook geven een aantal stukken ons een beeld van de procedurele zorg die besteed is aan de behandeling van deze vragen en aan de besluitvorming erover. Voor sommige gemeenten is er daarbij sprake van een lange periode waarin deze zaken aan de orde zijn geweest. In Zeist, bijvoorbeeld, is het in 1999 genomen besluit tot openstelling van het ambt van ouderling voor vrouwen, een voorlopig eindpunt van een discussie die — met tussenpozen — over een periode van 18 jaar is gevoerd. Voor Amsterdam-Centrum is het in 1996 genomen besluit om geen vrouwen te roepen tot het ambt van ouderling, een voorlopig eindpunt van een discussie, die — met tussenpozen — sinds 1975 in deze gemeente is gevoerd.

 

2.3 Rapporten uit 1991 en 1994 in opdracht van de LVDronten 1988

De Landelijk Vergadering te Dronten 1988 stelde een Commissie Openstelling Diakenambt voor de Zusters der Gemeente in. Deze commissie bracht in 1991 een studierapport uit. In dit rapport werd een aantal vragen uitgediept, die aan de orde zijn bij het al of niet openstellen van de ambten voor zusters. Het rapport gaat achtereenvolgens in op
• de wijze van argumenteren vanuit de Schrift,
• karakter en onderlinge verhouding van de ambten,
• de man-vrouwverhouding in de Bijbel,
• enkele historische opmerkingen over de plaats van de vrouw in de kerk,
• de hedendaagse plaats van de vrouw in een aantal kerken.
In SR91 werd veel materiaal verwerkt, dat in ons land en daarbuiten over dit onderwerp is geschreven. Het rapport brengt hierin lijnen aan, zonder echter tot een standpuntbepaling met betrekking tot vrouwelijke diakenen te komen. In overeenstemming met de opdracht, werd dit rapport aan de kerken voorgelegd ter bestudering en met een verzoek om reacties.

Uit het in 1994 uitgebrachte eindrapport blijkt dat 51 kerken en tal van kerkleden op dit studierapport hebben gereageerd. De toenmalige commissie ervoer deze grote belangstelling als verblijdend, maar stelde tegelijk als ‘schaduwvolle’ keerzijde vast, dat we als kerken “nog zeer ver verwijderd zijn van eenheid van gevoelen over de zaak in geding” (3).
ER94 is niet een bewerking van SR91, maar vormt een tot op zekere hoogte zelfstandig stuk. Het spitst zich van meet af aan toe op de ontwikkeling van het eigen standpunt. SR91 wordt daarbij in rekening gebracht, maar niet altijd expliciet besproken. Het mag als een bijlage worden beschouwd. ER94 behandelt achtereenvolgens:
• het ambt van diaken,
• de vrouw in het diakenambt,
• christelijke en kerkelijke vrijheid,
• conclusies en advies.
De eindconclusie over de vrouw in het diakenambt wordt “omzoomd en afgebakend door een positieve en negatieve stelling:
• Het is in overeenstemming met het geheel van de Schriften om zusters der gemeente te roepen tot de vervulling van het diakenambt.
• Het is niet aangetoond, dat de daarvoor aangevoerde Schriftplaatsen de roeping van zusters der gemeente tot de vervulling van het diakenambt verbieden.” (35).

ER94 gaat ook in op de vraag, in hoeverre de openstelling van het diakenambt voor zusters consequenties heeft voor een soortgelijke openstelling van het ambt van ouderling. We lezen (25):
“voor de meerderheid van de kommissie staat vast, dat er zo’n groot onderscheid is tussen de ambten van diaken en ouderling is, dat men ze niet over één kam kan scheren als het gaat om openstelling ervan voor de zusters. Immers, is de diaken geroepen tot verantwoordelijkheid voor de dienst der barmhartigheid, de ouderling moet leiding geven aan de dienst des Woords. Dat betekent, dat bij de openstelling van het ambt van ouderling voor de zusters weer andere vragen opkomen dan die in dit rapport besproken zijn. Punt in kwestie zal dan vooral zijn, in hoeverre de zusters

|10|

geroepen worden om in de bediening van het Woord de sleutels van het Koninkrijk te hanteren. Om bij de vrouw van Spreuken 31 te blijven, het is duidelijk dat zij diakonale aktiviteiten ten toon spreidt, maar het is even duidelijk dat niet op haar, maar op haar echtgenoot de verantwoordelijkheid rust om recht te spreken (vs 23). Meer dan bij de kwestie van vrouwelijke diakenen, zal men dus als het gaat om vrouwelijke ouderlingen moeten onderzoeken in hoeverre een dergelijke binnen de Bijbel gangbare rolverdeling normatief is”.

Ten aanzien van de christelijke en kerkelijke vrijheid concludeert ER94 (35-37; hier verkort weergegeven):
• dat bij de verschillen van gevoelen ten aanzien van de openstelling van het diakenambt voor zusters der gemeente binnen onze kerken de beoefening van de geloofsgemeenschap niet in het geding is, noch een doorbreken van de grenzen om het gebied van de christelijke vrijheid;
• dat de weg open ligt voor de LV om aan de kerken de vrijheid te laten in zelfstandigheid te beslissen in de zaak van de roeping van zusters der gemeente tot de vervulling van het diakenambt;
• dat de LV de kerken grote schade zou berokkenen met een besluit dat de kerken tot een uniform beleid ten aanzien van openstelling van het diakenambt voor zusters der gemeente zou verplichten;
• dat de LV de kerken grote schade zou berokkenen met een besluit dat tot verder uitstel van besluitvorming leidt, omdat dan aan kerken die naar hun overtuiging met openstelling niet kunnen wachten, het stigma van ‘onkerkelijk handelen’ zou worden opgedrukt;
• dat de bewering dat afwijzing van openstelling de aangewezen weg zou zijn om de relaties met andere kerkgroepen in binnen- en buitenland op peil te houden, veel te ongenuanceerd is en goede grond mist gezien de ontwikkelingen die allerwegen gaande zijn.

 

2.4 Synode CGK 1998: Vrouw en Ambt1

2.4.1 Uitspraak van de synode (V&A, 156-157)

De Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland f998 (Haarlem-Noord) heeft uitgesproken “dat het standpunt ten aanzien van de vrouw in het ambt, dat in de Christelijke Gereformeerde Kerken steeds heeft gegolden, schriftuurlijk verantwoord is.”

Uit de overwegingen en het oordeel van de synode na kennisneming van het eindrapport van de deputaten voor vrouw en ambt, citeren we de volgende punten:
overwegende (..)
1. dat de ambten, zoals die thans in de Christelijke Gereformeerde Kerken functioneren niet rechtstreeks afkomstig zijn uit het Oude en Nieuwe Testament, maar wel bijbelse wortels hebben;
2. dat uit de gereformeerde visie op de ambten blijkt, dat de ambten niet alleen voortvloeien uit de gaven die de Heere aan de leden van de gemeente verleend heeft, maar dat naast het ontvangen hebben van bepaalde gaven van de Heilige Geest een afzonderlijke roeping nodig is om in het ambt te kunnen dienen;
3. dat de klassieke gereformeerde ambtsopvatting geen plaats heeft toegekend aan vrouwelijke ambtsdragers;
4. dat het van het grootste belang is dat de kerken in de zaken van vrouw en ambt de eenheid van het kerkverband bewaren;


1Vrouw en Ambt, 1999, Uitgave onder verantwoordelijkheid van de Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland 1998.

|11|

van oordeel (..)
4. dat het te betreuren is dat de deputaten niet tot een eensluidende visie konden komen ten aanzien van de hermeneutiek en de exegese van de in geding zijnde Schriftplaatsen;
5. dat het verschil tussen de meerderheid en de minderheid van deputaten vooral samenhangt met een verschillende taxatie van de relatie tussen openbaring en cultuur/historie;
6. dat de visie van de meerderheid van de deputaten — in tegenstelling tot die van de minderheid — een deugdelijke en overtuigende onderbouwing is van het standpunt, dat in de Christelijk Gereformeerde kerken steeds als schriftuurlijk heeft gegolden;
7. dat uit het geheel van het spreken van de Heilige Schrift duidelijk is dat het gezaghebbend leiding geven aan de gemeente aan de man en niet aan de vrouw toekomt; (..)

2.4.2 Eindrapport Deputaten voor de vragen rond vrouw en ambt (V&A, 11-135)

Het eindrapport van de deputaten bestaat uit een meerderheidsrapport en een minderheidsrapport. De eerste vier hoofdstukken worden door alle deputaten onderschreven: 1. Inleiding; 2. Oriëntatie; 3. Historie; 4. Ambt: achtergrond en ontwikkeling. Na de inleiding in hoofdstuk 5 gaan de wegen uiteen.
Meerderheidsrapport: 5. Hermeneutische vragen; 6. Exegese; 7. Conclusies; 8. Voorstel.
Minderheidsrapport: 5. Hermeneutische vragen; 6. Exegese; 7. Huwelijkse verhoudingen; 8. Conclusies; 9. Eindconclusie; 10. Aanbeveling.
Bij de hieronder weergegeven citaten beperken we ons tot de conclusies van het meerderheidsrapport (V&A, 95-99). Een verdere beperking is, dat alleen passages worden geciteerd, die het meest direct van invloed zijn op de eindconclusie. Andere passages, zowel uit het meerderheidsrapport als uit het minderheidsrapport, zullen elders in ons rapport aan de orde komen.

Een onderwerp van groot belang (V&A, 95-96)
(..) De vragen rond ‘vrouw en ambt’ zijn in een stroomversnelling gekomen door de kerkelijke en maatschappelijke ontwikkelingen. (..) Tegen deze achtergrond komt de vraag op of bepaalde uitspraken in de Schrift over vrouwen alleen te betrekken zijn op de maatschappelijke en culturele omstandigheden van die tijd, of dat zij een geldigheid bezitten die verder reikt. Het antwoord op deze vraag hangt onlosmakelijk samen met de visie op het gezag van de Schrift. (..) Verder gaat het over de vraag wat nu onder een ambt wordt verstaan. Impliciet wordt daarmee de vraag gesteld naar het schriftuurlijke gehalte van de ambtelijke structuur van kerken die gerekend kunnen worden bij de gereformeerde gezindte. Daarmee is het grote belang getekend van de besproken materie. (..)

Gelijkwaardigheid van de ambten (V&A, 96-97)
(..) De gelijkwaardigheid van de ambten komt uit de Schrift zelf naar voren: de overtuiging dat de ambten in de gemeente wortelen in de ambten van Christus, leidt tot de principiële eenheid van de ambten. (..)
Vanuit het algemene ‘ambt’ of priesterschap van de gelovigen kunnen geen conclusies worden getrokken over het bijzondere ambt. Alle gelovigen delen min of meer in de gaven van de Geest. Voor het bijzondere ambt moet men naast het hebben van bepaalde gaven van de Heilige Geest, afzonderlijk geroepen zijn en aan bepaalde eisen voldoen.
Blijkens uitspraken van de generale synode te Hilversum (1968/69) zijn vrouwen niet in ieder opzicht uitgesloten van elke vorm van regering, evenmin draagt het zwijggebod in de gemeente een absoluut karakter. De vermaningen in de Schrift zijn gericht tegen een situatie waarin de vrouw over de man zou gaan heersen. (..)

|12|

Historische wortels van de ambten (V&A, 97-98)
(..) De ambtelijke structuur zoals die in de lijn van de historie vanuit de reformatie tot ons is gekomen, heeft een herkenbaar bijbels karakter maar is niet canoniek (in de zin dat geen veranderingen of verbeteringen meer mogelijk zouden zijn).
De gelijkwaardigheid van de ambten maakt het onmogelijk (en ongeloofwaardig) om te overwegen slechts één ambt voor vrouwen open te stellen. (..)
Kijkend naar de historische vormgeving van de ambten in onze kerken blijkt dat bij de argumenten op grond waarvan vrouwen werden uitgesloten om te dienen in de ambten, niet naar voren komt (..) dat vrouwen (..) ongeschikt zouden zijn (..); het gaat erom recht te doen aan Gods Woord, waarin het principe te vinden is dat vrouwen niet mogen staan in een heersende positie over mannen. (..)

Hermeneutiek en exegese (V&A, 98-99)
(..) Wat de hermeneutiek betreft, zijn er ondanks wisselende historische en culturele omstandigheden lijnen te ontdekken waarlangs de Heilige Geest het Woord van God in het heden tot klinken wil brengen in zijn volle en rijke betekenis (..)
Er zijn blijvende normen, waarden en geboden in de Schrift die binnen elke culturele context van kracht blijven.
De trouw en goedheid van God komt uit in scheppingsordeningen als blijvende door God ingestelde patronen.

De exegese van de behandelde teksten uit het Oude en Nieuwe Testament geeft aan: (..) In de gelijkwaardigheid van man en vrouw als beeld van God is de man het hoofd van de vrouw en de vrouw de heerlijkheid van de man. Dit is niet omkeerbaar. God heeft in de schepping, verlossing en herschepping een orde gelegd die geldende kracht behoudt. (..) Vrouwen kunnen in de gemeente van Christus geen officiële, leidinggevende (= ambtelijke) positie bekleden. Dit niet vanwege een kritiekloos aansluiten van de Schrift bij bestaande patriarchale verhoudingen, maar op grond van de door God gegeven plaats van man en vrouw in de schepping en herschepping.

Eindconclusie (V&A, 99)
Op grond van het verstaan en de uitleg van de Schrift binnen het kader van de gereformeerde schriftbeschouwing en ambtsopvatting moet geconcludeerd worden dat de ambten niet voor vrouwen opengesteld kunnen worden. (..)

Rapport VOP (2003) H3

|13|

 

3 De ambtsopvatting in dit rapport

 

3.1 Doel

In dit hoofdstuk gaan we in op een punt dat in wezen aan de bezinning op de vrouw in het ambt van ouderling en predikant vooraf gaat. Dat punt is: wat is het bijzondere van het ambt dat vrouwen op talloze manieren in de gemeente mogen functioneren, maar niet in de ambten van ouderling en predikant? Deze vraag bepaalt ons bij de visie die er binnen de gereformeerde kerken op het ambt bestaat. Dat we op deze ambtsvisie iets dieper ingaan, komt vooral omdat enkele van onze kerken die in hun bijdrage aan de bezinning ter discussie hebben gesteld.
Doel van dit hoofdstuk is om deze vraag te signaleren en in haar kerkelijke context te plaatsen en verder om als commissie te verantwoorden hoe we in ons rapport ermee omgaan.

 

3.2 Ambt en gezag

De ambtsvisie binnen de gereformeerde gezindte komt in grote lijnen hierop neer, dat het ‘ambt’ gezien wordt als een van Christus gegeven, leidinggevende functie binnen de gemeente van Christus. Tegen de achtergrond van deze visie wordt duidelijk waarom velen van mening zijn dat de vrouw niet in een ambt kan functioneren. Degene die een ambt bekleedt oefent immers — op welke wijze dan ook — een bepaalde vorm van gezag uit over het geheel van de gemeente, mannen incluis. Indien vrouwen — blijkens bepaalde Schriftgegevens — geen gezag over de man mogen uitoefenen, dan kunnen de ambten per definitie niet voor vrouwen opengesteld worden.

3.2.1 Ambt en gezag in de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de bevestigingsformulieren

De Nederlandse Geloofsbelijdenis geeft in de artikelen 30-32 impliciet maar duidelijk aan dat er bij de ambten sprake is van gezag.

In art. 30 belijden wij dat de kerk geregeerd moet worden in overeenstemming met de geestelijke orde, die onze Here ons in zijn Woord geleerd heeft, namelijk dat er dienaren of herders moeten zijn om Gods Woord te prediken en de Sacramenten te bedienen en opzieners en diakenen om met de herders de raad der Kerk te vormen.”
Verder zegt art. 31, in duidelijke afwijzing van de hiërarchie bij Rome: “De dienaren des Woords hebben, op welke plaats zij ook zijn, gelijke macht en gezag, daar zij allen dienaren van Jezus Christus zijn, de enige, algemene Bisschop en het enig Hoofd van de Kerk.”
Art. 32 spreekt over “de regeerders van de Kerk”, die zich er voor “moeten wachten af te wijken van wat Christus, onze enige Meester, ons geboden heeft.” Onder de regeerders van de Kerk zullen hier de in art. 30 genoemde Dienaren van het Woord, opzieners en diakenen verstaan moeten worden.

Bij de bevestiging van ambtsdragers wordt in onze kerken gebruikt gemaakt van onder andere de formulieren van de Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt) en de Christelijke Gereformeerde Kerken. Ook daarin zien we dat het bijzondere van het ambt mede gelegen is in het ‘regeren’ en het hebben van ‘opzicht’ over de gemeente.

In het formulier van de GKV lezen wij: “Over de taak van de ouderlingen spreekt het Nieuwe Testament op meer dan één plaats. Aan hen is met de dienaren des Woords toevertrouwd de gemeente te regeren en herderlijk te verzorgen.”

|14|

Het formulier, in gebruik bij de CGK, zegt: “Ten aanzien van hen [de ouderlingen] leert de Heilige Schrift, dat zij met de dienaren des Woords opzicht hebben over de gemeente. In gehoorzaamheid aan de Opperherder zullen zij de kudde Gods hoeden...”

3.2.2 Ambt en gezag in de recente rapporten over vrouw en ambt1

De rapporten die de laatste jaren binnen de Nederlands Gereformeerde Kerken en de Christelijke Gereformeerde Kerken over vrouw en ambt zijn uitgebracht, gaan ook uit van de visie dat de ambtsdragers gezag hebben.

Het Studierapport (1991) stelt: “In de gemeente geeft Christus de verschillende gaven die nodig zijn om al deze functies te vervullen. Dat wordt in Ef. 4: 11,12 tot uitdrukking gebracht. Tot deze functies behoren ook de ambten met speciale bevoegdheden en verantwoordelijkheden, in één woord: met gezag. (..) Christus laat zich door zijn ambtsdragers op hun eigen wijze representeren. De grens van het ambtelijk gezag ligt bij het Woord; (..)” (24). Willen we uit het ambt van oudste iets leren over een ambtsdrager dan zien we: “(..) Hij geeft in diverse vormen leiding; die leiding is als dienst te typeren. (..) Zo bezien heeft een oudste een bepaald gezag. Wij lezen dan ook oproepen aan de gelovigen om hen te gehoorzamen. (Heb. 13: 7 — zie ook 1 Pet. 5: 5)” (28). In een voetnoot hierbij wordt ook nog verwezen naar 1 Tess. 5: 12 en Rom. 12: 8. Verdere aanwijzingen voor de uitspraak dat oudsten gezag hebben, ziet het studierapport in o.a. de volgende teksten: Hand. 20: 29; Ef. 4: 11,14; 1 Tim. 4: 14; Tit. 1: 7.
Bij het formuleren van een positief antwoord op de vraag of een diaken een ambt heeft, grijpt het Eindrapport (1994) terug op de karakteriseringen van een ambtsdrager die in het Studierapport (1991) werden ontleend aan de beschrijvingen van het ambt van oudste (ER94, 9-11). Ook nu wordt het aangesteld zijn om leiding te geven aan de christelijke hulpverlening en het zonodig de gemeente of bepaalde gemeenteleden met gezag oproepen tot verhoging van hun diaconale bijdrage, als kenmerkend beschouwd voor het ambtelijke karakter van het diakenschap (11).

Het rapport van de CG deputaten in de publicatie Vrouw en Ambt citeert met instemming prof. J.P. Versteeg als volgt: “Een dienst is ambtelijk van karakter, wanneer die dienst niet slechts naast, maar ook tegenover de dienst van anderen verricht wordt. (..) Aan het dienen in de kerk moet leiding gegeven worden” (V&A, 34).2 Eerder in het rapport vinden we een citaat uit een rapport aan de CG synode van Apeldoorn (1956) naar aanleiding van een toenmalige vraag naar de plaats van de diakenen in de kerkenraad. “Het door Christus ingestelde ambt, dat zich verder onder de leiding van de Heilige Geest verbijzondert, is de algemene leiding van de gemeente van Christus opgedragen. Niets wijst erop dat diakenen daarvan zijn uitgezonderd; integendeel: Fil. 1: 1 en 1 Tim. 3 stellen opzieners en diakenen zonder meer naast elkaar” (V&A, 26). Het rapport van de deputaten sluit aan bij dit citaat in een bespreking waarin de opvatting van prof. J. van Bruggen, dat diakenen niet thuishoren in de sfeer van ambten en een vergadering van ambtsdragers, wordt afgewezen (V&A, 27). Het meerderheidsrapport stelt voor dat de synode uitspreekt “dat volgens de gereformeerde ambtsopvatting het ambt onder meer gekenmerkt wordt door het dragen van gezag” (V&A, 100).
Het rapport van de deputaten gaat verder uitvoerig in op de vraag naar de relatie tussen NT en huidige gereformeerde ambten is. Wij citeren daaruit het volgende:
“De huidige ambten zijn geworteld in de Schrift. Zij zijn daarnaast ook langs een bepaalde historische weg tot ons gekomen” (V&A, 11). “De huidige ambten zoals wij die kennen in ons kerkverband zijn niet rechtstreeks afkomstig uit Oude en Nieuwe Testament” (V&A, 30). “Binnen het NT zelf is dus een ontwikkeling gaande van het ene universele apostelambt naar een zekere differentiatie en taakverdeling tussen oudsten/presbyters, oudsten/episkopen en diakenen” (V&A, 36). “De huidige ambten en kerkelijke structuren


1 Het NG Studierapport (1991), het NG Eindrapport (1994) en de CG publicatie Vrouw en Ambt (1999).
2 Het hier gebruikte woord tegenover kwamen wij vaker tegen in verband met het ambt in de aan onze commissie toegezonden stukken. Ook in die gevallen blijkt het te wijzen op het gezag dat aan het ambt is verbonden en op het geven van leiding.

|15|

zijn ontwikkeld in de tijd van de Reformatie” (V&A, 38). “Het mag duidelijk zijn dat de oudste zoals wij die bij Calvijn vinden, niet rechtstreeks is afgeleid uit de exegese van het Nieuwe Testament. (..) Niettemin mag gezegd worden dat Calvijn ons geen biblicistische, maar wel een voluit schriftuurlijke vorm van kerkregering heeft nagelaten. De drieslag prediking — pastoraat — diaconaat is op goede schriftuurlijke gronden te verdedigen” (V&A, 44).
Tenslotte vermelden we een aantal citaten uit het hoofdstuk ‘Conclusies’ van het meerderheidsrapport. “De huidige ambten zijn in een historisch proces gegroeid vanuit één algemeen ambt. Daarom is de algemene leiding van de gemeente aan ouderlingen en diakenen samen opgedragen.” (V&A, 96). “Vanuit het algemene ‘ambt’ of priesterschap van de gelovigen kunnen geen conclusies worden getrokken over het bijzondere ambt” (V&A, 96). “Luisterend naar het Nieuwe Testament (..) heeft de Reformatie vormgegeven aan een ambtelijke structuur waarin verkondiging, pastoraat en diaconaat een plaats hebben gekregen temidden van en tegenover de gemeente. (..) De ambtelijke structuur zoals die in de lijn van de historie vanuit de Reformatie tot ons is gekomen, heeft een herkenbaar bijbels karakter maar is niet canoniek (in de zin dat er geen veranderingen of verbeteringen meer mogelijk zouden zijn” (V&A, 97).

Blijkens art. 230 van de Acta van de Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland 1998 werd een besluit genomen, dat nauw aansluit bij de bovengenoemde standpunten. Deze kunnen dus als representatief worden beschouwd voor het standpunt van de CGK.

 

3.3 Kanttekeningen bij de gangbare ambtsvisie

Deze visie op het ambt wordt door sommige van onze kerken ter discussie gesteld. Zij zijn van mening dat het specifieke van een ambt niet gelegen is in het uitoefenen van gezag over de gemeenteleden. Zij menen zelfs dat deze ambtsopvatting niet aan de Bijbel ontleend is, maar veeleer onrecht doet aan de bijbelse gegevens. Alle functies binnen de gemeente van Christus vinden hun oorsprong in de gaven van de Geest en daarom mag er geen onderscheid gemaakt worden tussen de ambten aan de ene kant en de charismata (genadegaven) aan de andere kant.3 Ambten als zodanig hebben ook geen gezag, maar alleen het Woord van God dat de ambtsdragers brengen.

Utrecht schrijft over het punt van de verhouding tussen ambt en gezag dat de Griekse woorden die er waren voor 'ambt' ontbreken in het NT. “Dat is niet zonder reden: alle gaven die Christus aan zijn gemeente geeft (..), vallen onder het hoofd: dienst, dienen. Het NT kent onze tegenstelling tussen genadegave (charisma) en ambt dan ook niet. Daarom zegt het ook nergens dat de ambten uitsluitend voor mannen gereserveerd moeten blijven


3 Zie ook dr. C. Graafland, Gedachten over het ambt, Zoetermeer 1999. Hij signaleert een polarisatie die ontstaan is rondom de vraag wat het wezen van het ambt is. Staat het ambt tegenover de gemeente of ligt de nadruk op een meer functionele opvatting van het ambt, vanuit de gaven die de gemeente ontving? (21) Hij ziet die polarisatie verdampen omdat Christus werkt in Zijn gemeente en daar door Zijn Geest woont. “Die onvermengde maar tegelijk ongedeelde eenheid van God in Christus en zijn gemeente menen wij ook te mogen terugvinden in wat wij het ambt noemen. (..) Als dat waar is, is het dilemma van God uit óf van de gemeente uit (..) principieel doorbroken. Dat geeft ruimte om zowel aan het objectieve en gezagvolle als aan het inhoudelijk-charismatische en functionele van het ambt het volle gewicht te geven” (21). “De gaven en de beoefening ervan staan niet tegenover de gemeente, ze zijn van de gemeente en functioneren vanuit de gemeente." Dit geschiedt "dankzij de door God (de Heilige Geest) haar geschonken gaven (..) De Geest woont in de gemeente (..) Zo horen God en de gemeente bij elkaar. Wat de gemeente doet, doet dus ten diepste God zelf. Wat van boven komt, is tegelijk van binnen. Dan is elke scheiding, elk 'tegenover' van gemeente en wat wij 'ambt' noemen, opgeheven. Het ambt komt van God en vanuit de gemeente. (..) Elkeen is (met gaven) bedeeld. Daarom wordt ook elkeen opgeroepen om ermee aan het werk te gaan.” (307, 308).

|16|

(..). Bijbels gezien heeft niet ‘het ambt’ gezag, maar alleen het Woord van God dat de ambtsdragers brengen.”4

De kerkenraad van Zeist heeft in 1999 een verantwoording geschreven voor het besluit van de raad alle ambten ook voor de zusters open te stellen. Over het punt van het gezag schrijft de raad, in nauwe aansluiting bij Utrecht: “Niet ontkend kan worden, dat met name in het boek Handelingen (14: 23; 15: 6; 20: 28-31) wordt gesproken over ‘oudsten’, die verantwoordelijk zijn voor de koers van de gemeente. Naar onze mening doen we echter tekort aan de functies van het ambt als we alleen nadruk leggen op het ‘leiding geven’. Zou dit niet voortkomen uit een bepaalde visie op het ambt, waarbij sterke nadruk wordt gelegd op autoriteit en gezag? (..) Alle gaven die Christus aan zijn gemeente geeft (en dat zijn er nogal wat: Rom. 12: 6-8, 1 Cor. 12: 8-10, Ef. 4: 11) vallen onder het hoofd dienen-dienst (..). Bijbels gezien heeft niet ‘het ambt’ gezag, maar alleen het Woord van God, dat de ambtsdragers brengen.”5

Mocht deze kritiek op de bestaande ambtsvisie correct zijn, dan heeft dat tot gevolg dat de hele bezinning op de vrouw in het ambt haar relevantie verliest. Het is om deze reden dat wij in dit hoofdstuk dit punt onder de aandacht van de kerken brengen.

 

3.4 Aansluiting bij de gangbare ambtsvisie

Mogelijk zou een bezinning op het ambt als zodanig relevant kunnen zijn voor de kwestie van de vrouw in het ambt. Toch hebben we als commissie om een aantal redenen gemeend er goed aan te doen hier geen uitgebreide studie van te maken. Kort willen we daarvoor verantwoording afleggen.

We menen dat het niet in de lijn van de besluitvorming van onze Landelijke Vergadering ligt om in de weg van een bezinning op de ambten tot een mogelijke openstelling van de ambten voor zusters te komen. Wij hebben onze opdracht zo geïnterpreteerd,
• dat we dienden uit te gaan van de bestaande visie op de ambten — zoals die hierboven in grote lijnen is weergeven — en
• dat de vraag die ons gesteld is erop neerkomt of het — in het licht van de bijbelse gegevens omtrent de plaats van zusters in de gemeente van Christus — geoorloofd is om de ambten zoals wij die kennen voor onze zusters open te stellen.

Daarnaast is onze commissie er niet van overtuigd, dat de kwestie van de vrouw in het ambt in de weg van een bezinning op de ambten opgelost kan worden. Zetten we de nieuwtestamentische gegevens omtrent de oudsten en opzieners op een rij, dan komen daarin ook uitdrukkingen voor die erop wijzen dat Christus aan de oudsten en opzieners een verantwoordelijkheid voor de gemeente als geheel heeft gegeven. Een verantwoordelijkheid die met bepaalde bevoegdheden gepaard gaat. Bevoegdheden die op hun beurt niet zonder gezag gedacht kunnen worden. Naar onze mening is de weg die onder andere Utrecht ons wijst daarom niet zo veelbelovend. Immers, ook al is het ambt zoals wij dat kennen niet gelijk te schakelen aan dat van de oudste en de opziener, dan nog zitten er wel degelijk gezagselementen in onze ambten die herkend kunnen worden in de nieuwtestamentische gegevens.


4 Zie A.5.9.
5 Zie A.5.10.

|17|

3.5 Samenvatting

Als commissie zijn we van mening dat het voor het uitvoeren van onze opdracht niet noodzakelijk is om een grondige studie van de gereformeerde ambtsopvatting te maken. Voor ons rapport vinden we het voldoende om de daarover levende opvattingen te signaleren. We gaven er hierboven rekenschap van, waarom we dit punt verder laten liggen en aansluiten bij de gangbare ambtsvisie.

Rapport VOP (2003) H4

|18|

 

4 Bezinning op de Schriftuitleg

 

4.1 Aandacht voor de exegese

In de wijze waarop de Nederlands Gereformeerde Kerken hun standpunt inzake de vrouw in het ambt bepalen, speelt de exegese, de uitleg van de Schriften, een beslissende rol. Dat blijkt uit het gedetailleerde overzicht van de reacties uit onze kerken.1 Hoewel in enkele reacties het accent ligt op argumenten van theologische en hermeneutische aard, vormt de uitleg en toepassing van de Schrift de hoofdmoot van de inhoudelijke reacties.
De commissie heeft het als één van haar eerste taken beschouwd om de exegeses die aan de diverse standpunten ten grondslag liggen in kaart te brengen. Welke teksten vervullen een sleutelrol in de bezinning op de vrouw in het ambt en hoe worden ze uitgelegd?
Tevens zagen we het als onze taak om deze exegetische onderbouwingen te toetsen. Hoe sterk staan ze? Is er een uitleg die de voorkeur verdient, ja, staat één van de exegeses zo sterk, dat die met gezag naar voren gebracht kan worden?

Er zijn meerdere redenen om opnieuw2 een goede aandacht aan de exegese te geven.
Ten eerste maken we alleen zo ernst met onze belijdenis, dat de Bijbel Gods Woord is. De basis waarop we elkaar als kerken gevonden hebben, is: “Wij aanvaarden al deze boeken, en deze alleen, als heilig en canoniek om ons geloof daarnaar te richten, daarop te gronden en daarmee te bevestigen. En zonder te twijfelen geloven wij alles wat zij bevatten” (Artikel 5 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis). Ook in de kwestie van de vrouw in het ambt hebben we daarom van deze basis uit te gaan en ons te laten brengen tot het punt waarvan we met elkaar kunnen zeggen: dit is een omgang met deze zaak, die uit Gods Woord zelf opkomt en voor Gods aangezicht kan bestaan.
Ten tweede speelt mee, dat de gezamenlijke bezinning op de exegese van de relevante Schriftgegevens binnen onze kerken nog verre van afgerond is. Op de LV van 1994 kon tot besluitvorming inzake de vrouw in het diakenambt worden overgegaan, zonder dat daarvoor een standpunt bepaald diende te worden ten aanzien van tal van exegetische (detail)onderdelen; een breed opgezette meningsvorming over de Schriftuitleg is daarom indertijd achterwege gebleven. Nu is de openstelling van de ambten van predikant en ouderling voor zusters aan de orde; daarom is een nadere exegetische verantwoording wenselijk.
Ten derde kunnen we aan een bezinning op de exegese niet voorbijgaan, omdat we aan de reacties uit de kerken recht willen doen.
Tenslotte ligt hier een kans. In de exegese klopt het hart van de argumentatie. Dan is er geen betere manier om samen verder te komen dan via het gezamenlijke luisteren naar de Schriften.

De commissie heeft ook de mogelijkheid overwogen om aan de kerken voor te stellen de bestaande verscheidenheid als een gegeven te accepteren. De realiteit immers is, dat de kwestie van de vrouw in het ambt al bijna een eeuw op de agenda van de christenheid staat. In binnen- en buitenland zijn talloze boeken, rapporten en artikelen over deze kwestie geschreven, maar nog steeds heeft deze enorme investering de voor- en tegenstanders niet op één lijn gebracht. Elke andere inzet dan die van een omgangsregeling lijkt in dit licht te hoog gegrepen. De consequentie van dit voorstel zou echter zijn, dat wij bij voorbaat opgeven dat de Schrift in de meest rechtstreekse zin als richtsnoer in deze aangelegenheid


1 Zie Bijlage A.
2 Gedoeld wordt hier op de rapporten die in de voorgaande decennia binnen onze kerken geschreven zijn in verband met de bezinning op de vrouwelijke diaken. Met name het SR91 bevat veel materiaal, dat nog steeds van belang is voor de bezinning op de Schriftgegevens.

|19|

kan functioneren. Daar wilden we als commissie niet aan, tenzij het gezamenlijke lezen van de Schriften ons op dit spoor zou brengen.
Tevens hebben we momenten van toetsing ingebouwd, om het misverstand te voorkomen dat in wezen elke exegese te verdedigen valt. Gebrek aan consensus over de uitleg van de Bijbel betekent nog niet het failliet van de exegese! Hoezeer ook onze uitleg van de Schriften stukwerk is, en hoezeer we ons daarvan ook bewust moeten zijn, het blijft mogelijk om — ondanks alle onzekerheden die blijven — aan te geven wat binnen een verantwoorde exegetische werkwijze respectievelijk goed, minder goed of niet goed verdedigbaar kan worden geacht.

Voor wat betreft de behandeling van de Schriftgegevens hebben we onszelf enkele beperkingen opgelegd.
We hebben er niet naar gestreefd om zelfstandig, los van het materiaal dat de kerken aandroegen, door alle relevante Schriftgegevens heen te kruipen in de hoop een eigen — zo mogelijk gezaghebbende —  exegese te leveren. De commissie had hiervoor noch de tijd, noch de gaven.
Evenmin hebben we alle door de kerken aangevoerde argumenten besproken. Het leek ons voldoende ons te beperken tot die argumenten, die binnen het geheel een scharnierfunctie vervullen.
Ook willen we erop wijzen dat onze doelstelling misschien weinig inspirerend is. Het is een kwestie van plussen en minnen. Hoe hard vallen conclusies te maken? Hoe dwingend is een betoog? In deze wat klinische sfeer beweegt zich dit hoofdstuk.
Tenslotte hebben wij ons beperkt tot die argumenten die in strikte zin exegetisch van aard zijn. In de bezinning spelen ook tal van andere argumenten een rol. Soms zijn die van beslissende betekenis voor de standpuntbepaling, zie hoofdstuk 5 van ons rapport. In dit hoofdstuk beperken wij ons echter tot de basale vraag: wat kan er op basis van exegese van bijbelteksten over de vrouw in het ambt gezegd worden?

Kort samengevat, we concentreren ons in dit hoofdstuk op twee hoofdvragen:
1. Welke exegetische onderbouwing geven voor- en tegenstanders van de vrouw in het ambt voor hun standpunt? (4.2)
2. Is deze onderbouwing ons inziens verdedigbaar, dan wel waarschijnlijk, of zelfs zo overtuigend dat op basis daarvan iets beslissends gezegd kan worden voor of tegen de vrouw in het ambt? (4.3 - 4.6)
We besluiten dit hoofdstuk met een evaluatie (4.7)

 

4.2 Belangrijkste argumentatielijnen en opzet van de bespreking

Een standpunt dat gebaseerd is op nauwkeurig luisteren naar de Bijbel laat zich vergelijken met een gebouw, dat is opgebouwd uit talloze grotere en kleinere bouwstenen. De bouwstenen zijn de Schriftgegevens. Voor- en tegenstanders van de vrouw in het ambt werken in die zin met dezelfde bouwstenen. Desondanks zijn de bouwwerken die met behulp van deze bouwstenen opgetrokken worden heel verschillend.

Degenen die voor de vrouw in het ambt zijn, nemen hun uitgangspunt in die Schriftgegevens, waaruit opgemaakt kan worden, dat vrouwen en mannen beiden naar het beeld van God geschapen zijn (Gen. 1: 26-28) en beiden op gelijke wijze delen in het werk van Christus (Gal. 3: 28) en van de Heilige Geest (Joel 2: 28, 29; Rom. 12; 1 Kor. 12). Zij menen op grond van deze gegevens, dat er — zowel binnen de samenleving als binnen de gemeente van Christus — geen onderscheid gemaakt mag worden tussen

|20|

mannen en vrouwen; deze principiële lijn zien zij bevestigd in de talloze voorbeelden van vrouwen die in de Bijbel een bijzondere taak vervuld hebben.

Voor wat betreft het Oude Testament valt te denken aan profetessen als Debora (Richt. 4: 4), Mirjam (Ex. 15: 20), Hulda (2 Kon. 22: 14) en de vrouw van Jesaja (Jes. 8: 3). Voor wat betreft het Nieuwe Testament valt te denken aan Mat. 28: 1-10 en parallelle Schriftgedeelten, de opmerkelijke rol van Priscilla (1 Kor. 11: 5; Hand. 18: 2,18,26; Rom. 16: 3; 1 Kor. 16: 19 en 2 Tim. 4: 19), vrouwen als Euodia en Syntyche (Fïl. 4: 2,3), de dochters van Filippus, die profetessen zijn (Hand. 21: 8-9), Febe, die een diaken genoemd wordt (Rom. 16: 1,2) en Junia in Rom. 16: 7 (Junias vertaald als Junia en ‘onder de apostelen in aanzien’ als ‘aanzienlijke apostelen’).

Degenen die tegen de vrouw in het ambt zijn nemen hun uitgangspunt in die Schriftgegevens, waaruit opgemaakt kan worden dat de HERE God voor mannen en vrouwen een scheppingsorde in het leven heeft geroepen (Gen. 2 en 3; 1 Kor. 11: 7-9; 1 Tim. 2: 13). Deze bestaat hierin dat de man het hoofd van de vrouw is (1 Kor. 11: 2-16; Ef. 5: 22-33). De vrouw heeft zich in deze scheppingsorde te voegen en dient de man onderdanig te zijn (1 Kor. 14: 34; Ef. 5: 22v.;Kol. 3: 18; 1 Tim. 2: 11; Tit. 2: 5; 1 Pet. 3: 1). Dit impliceert, dat vrouwen in de gemeente van Christus geen geestelijke leiding mogen geven, maar zich in onderdanigheid hebben te laten leiden en leren (1 Kor. 14: 34,35; 1 Tim. 2: 11,12).

Zowel voor- als tegenstanders van de vrouw in het ambt zijn zich bewust van de Schriftgegevens, die tegen hun zienswijze lijken te pleiten. Zij duiden deze gegevens echter zo, dat ze niet tegen de door hun gekozen positiebepaling pleiten.

Voorstanders van de vrouw in het ambt zijn veelal van mening, dat de voor een ieder constateerbare ondergeschiktheid van de vrouw op tal van plaatsen in het Oude en Nieuwe Testament een gevolg is van het gericht over de zonde (Gen. 3: 16). Ook voeren zij redenen aan waarom huns inziens Paulus’ voorschriften in 1 Kor. 11 en 14 en in 1 Tim. 2 niet van toepassing zijn op de kwestie van de vrouw in het ambt. Enkele argumenten — waarop wij in 4.6.3 uitvoerig terug zullen komen — hiervoor zijn:
• Paulus grijpt in 1 Kor. 11 en 14 en 1 Tim. 2 weliswaar terug op de schepping en de wet, maar de klemtoon ligt op de woorden ‘schande’ (1 Kor. 11: 4-6, 13-15), ‘lelijk’ (1 Kor. 14: 35) en ‘rustig’ (1 Tim. 2: 11-12). Het doel van zijn voorschriften is daarom, dat er door de gemeente van Christus geen aanstoot wordt gegeven, opdat de bediening van het evangelie geen schade lijdt.
• Paulus’ voorschriften beogen uitsluitend dat gehuwde vrouwen binnen de gemeentelijke samenkomsten hun eigen man met het respect blijven bejegenen dat hem krachtens zijn hoofd-zijn toekomt.
• Niet alle spreken wordt de (getrouwde) vrouw verboden, maar uitsluitend dat spreken, waardoor een vrouw zich hetzij boven haar eigen man, hetzij boven andere mannen verheft.

Tegenstanders van de vrouw in het ambt voeren aan, dat er over de man-vrouwverhouding in Gen. 1-3 meer staat dan alleen dat beiden op gelijke wijze delen in de roeping de aarde te bewerken en te bewaren.
Zij menen dat Gen. 1-3 duidelijk maken dat man en vrouw niet in een gelijkwaardige positie ten opzichte van elkaar staan. Met name blijkt dit huns inziens uit de volgorde waarin man en vrouw geschapen zijn. Zij vatten deze als een rangorde op en zien dit bevestigd in het gebruik van dit gegeven door Paulus in 1 Tim. 2: 13. Zij menen ook, dat

|21|

het niet zonder betekenis is voor de verhouding tussen mannen en vrouwen, dat Eva als hulp van Adam is geschapen. Zij zien in deze gegevens een duidelijke aanwijzing, dat de uitdrukking die Paulus gebruikt om de verhouding tussen man en vrouw te typeren (“De man is het hoofd van de vrouw”), geheel dekt wat in Gen. 1-3 onder woorden wordt gebracht (zie 4.3.2 en 4.3.3).
Zij wijzen er verder op, dat uit het feit dat vrouwen bepaalde functies vervulden in de gemeente en de gemeentelijke samenkomsten, niet geconcludeerd mag worden dat zij een leidinggevende rol vervulden (zie 4.5.3).

Overzien we de argumenten waarmee voor- en tegenstanders van de vrouw in het ambt hun standpunt onderbouwen, dan krijgen we globaal genomen3 het volgende beeld. Tegenstanders trekken een lijn van Gen. 1-3 naar de zogenaamde zwijgteksten in het Nieuwe Testament en concluderen op grond hiervan dat een vrouw geen ambtsdrager mag zijn in de gemeente van Christus. Voorstanders trekken een lijn van Gen. 1-3, via Joël 2, naar de deelname van vele vrouwen aan de dienst des Heren in het Nieuwe Testament en concluderen op grond hiervan dat een vrouw wél ambtsdrager mag zijn in de gemeente van Christus.

De vraag waar we in dit hoofdstuk een antwoord op zoeken luidt: hoe sterk staan nu deze verschillende standpunten vanuit exegetisch oogpunt?
Voor de behandeling van die vraag hebben we de volgende opzet gekozen:
1. Om te beginnen willen we ingaan op de wijze waarop zowel voor- als tegenstanders van de vrouw in het ambt zich beroepen op Gen. 1-3 (4.3).
2. Dan bespreken we het beroep dat voorstanders doen op Gal 3: 26-28 (4.4).
3. Vervolgens gaan we in op de lijn die door voorstanders getrokken wordt vanuit Joël 2: 28-29 naar het Nieuwe Testament (4.5).
4. Tenslotte toetsen we het beroep dat tegenstanders doen op de zogenoemde ‘zwijgteksten’ en de relatie waarin die staan tot het hoofd-zijn van de man (4.6).

Om niet in de grote hoeveelheid aandachtspunten te verdwalen kent elke paragraaf globaal gesproken een gelijke opzet. Na een korte oriëntatie worden de argumenten voor en tegen een bepaalde exegese weergegeven. Die argumenten worden vervolgens door ons besproken, waarna we elk onderdeel afsluiten met een eigen positiebepaling.

 

4.3 Man en vrouw in Genesis 1-3

Gen. 1-3 zijn van fundamentele betekenis voor het rechte zicht op het bestaan in het algemeen en dat van de mens in het bijzonder. Wie is de mens? Waar komt hij vandaan? Waartoe is hij op aarde? Wat is zijn plaats in de schepping? Hoe is alles op aarde geworden, zoals het geworden is? Gen. 1-3 werpt licht op al deze vragen.4
Ook het man- en vrouw-zijn komt in deze hoofdstukken aan de orde. In Gen. 2 en 3 is de verhouding tussen man en vrouw zelfs een centraal thema. Vandaar dat daarover ook veel geschreven is in het kader van de bezinning op de vrouw in het ambt. De aandacht


3 We gaan er hier en ook verder in het rapport aan voorbij dat voorstanders van de vrouw in het ambt soms een heel eind kunnen meegaan met de exegetische argumenten van tegenstanders, en omgekeerd. Ook gaan we voorbij aan het feit dat onder zowel de tegenstanders als de voorstanders geen eensgezindheid bestaat over onderdelen van de exegese. In Bijlage B wordt dit overigens wel zichtbaar.
4 In dit verband verdient het wel de aandacht dat Gen 1-3 één geheel vormt met Gen. 4-11. Hoofdstukken die voor de beantwoording van de vraag ‘Hoe is alles geworden zoals het geworden is’ niet minder van betekenis zijn dan Gen. 1-3.

|22|

in al deze verhandelingen richt zich op de vraag of en zo ja hoe in Gen. 1-3 over het onderscheid tussen man en vrouw gesproken wordt. Daarbij zijn met name de volgende tekstgegevens in het geding:
• Gen. 1: 26-28: Is in wat hier gezegd wordt elke aanduiding van ongelijkheid afwezig, of wordt in deze verzen al iets zichtbaar van het hoofd-zijn van de man over de vrouw?
• Gen. 2: 7vv: De man is als eerste geschapen, hij wordt geroepen om de hof te bewerken en te bewaren en hij wordt door de HERE God als eerste aangesproken na de zondeval; hoe duiden we deze gegevens?
• Gen. 2: 18 en 20: Valt aan de uitdrukking ‘hulp’ iets te ontlenen omtrent de verhouding tussen man en vrouw?
• Gen. 2: 23 en 3: 20: De man geeft zijn vrouw een naam. Impliceert dat een bepaalde mate van gezag van de man over de vrouw?
• Over welke man-vrouwverhouding gaat het in Gen. 2 en 3? Tussen man en vrouw in het algemeen of uitsluitend binnen het huwelijk?

Hieronder gaan we dieper in op deze geschilpunten. Daaraan vooraf willen we echter een meer algemene opmerking maken over het eigen karakter van deze hoofdstukken.

4.3.1 Hoe lezen wij Genesis 1-3?

De aanleiding voor deze paragraaf is een manier van spreken die we tegenkwamen, niet zozeer in de stukken uit de kerken, maar wel in andere literatuur over dit thema. Soms spreken auteurs over Gen. 1-3, alsof het een leerboek menskunde is, op basis waarvan zelfs dogma’s omtrent het man- en vrouw-zijn geformuleerd kunnen worden.5 Omdat deze benadering van Gen. 1-3 bewust of onbewust aan nogal wat verhandelingen ten grondslag ligt, is het zinvol er een moment bij stil te staan.
Het is boven elke discussie verheven dat deze hoofdstukken ons veel zeggen over het mens-zijn als zodanig, en ook over het man- en vrouw-zijn. In die zin zou Gen. 1-3 een leerboek genoemd kunnen worden. Toch dienen we de eerste hoofdstukken van Genesis niet te lezen als een leerboek in de ons bekende zin van het woord. Te weinig wordt dan de Israëlitische horizon van degenen tot wie de schrijver(s) zich richt(en) in rekening gebracht.

Graag willen we dit met enkele voorbeelden onderbouwen.
• In Gen. 1: 7-8 (de schepping van de hemel) staat dat God het ‘uitspansel’ maakt. Het Hebreeuws gebruikt hier het woord raqijaa‘.  Woordonderzoek heeft aangetoond dat men hieronder een vaste, harde substantie (bijv. geplet metaal) verstond. Zo’n raqija‘  was dusdanig massief dat het in staat was de hemelwateren tegen te houden. Vandaar dat de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) met ‘gewelf’ kan vertalen (vgl. ons woord ‘firmament’). Léért Gen. 1 ons nu dat God een hemelgewelf van een vaste substantie heeft geschapen en die boven de aarde heeft uitgespannen? Of is hier sprake van een manier van spreken die aansluit bij de voorstelling van de toenmalige hoorders? Velen, waaronder C. Vonk,6 menen dat het laatste het geval is.


5 Een opvallend voorbeeld hiervan is het artikel van Ortlund Jr., Raymond C., Male-female equality and Headship. Genesis 1-3, in Recovering Biblical Manhood and Womanhood, A response to Evangelical Feminism, ed. J. Piper, W. Grudem, Wheaton, Illinois 1991, 95-112, die voortdurend spreekt over hetgeen Gen. 1-3 ‘leert’. Zelfs spreekt hij over een leerstuk: “What Moses does provide is a series of more or less obvious hints as to his doctrine of manhood and womanhood.” (98).
6 C. Vonk schrijft over de Godsopenbaring in Gen. 1: “Daarbij heeft het Hem vrijgestaan Zich te bedienen van die taal en tijd en van dat volk, welke Hem behaagden. Uiteraard is dat op de wijze van voorstellen van geen geringe invloed geweest.”; zie De Voorzeide Leer. Deel 1a, Genesis — Exodus, Barendrecht 19802, 100.

|23|

• We wijzen ook op het opmerkelijke gegeven dat God het licht en het duister, en het dag- en nachtritme schiep, voordat Hij zon, maan en sterren tot aanzijn riep. We moeten dit niet zo opvatten als zou Gen. 1 hier leren dat de aarde, met daarop de zeeën en het droge en alles wat op de aarde groeit, er al was voordat de hemellichamen geschapen werden. Volgens velen hebben we hier te maken met een polemiek tegen de aanbidding van de hemellichamen, zoals die in die dagen gebruikelijk was. Waaruit opnieuw blijkt, dat de wijze waarop de schepping verhaald wordt nauw verweven is met de specifieke situatie van de toenmalige lezers.
• In Gen. 2:8 en 10-14 vinden we een ‘aardrijkskundige beschrijving van het paradijs’, zoals de kanttekeningen op de Staten Vertaling het nog noemen. Maar is hier sprake van geografie in de onder ons gebruikelijke zin van het woord? Velen menen van niet. Calvijn, sprekend over de precieze locatie van de rivieren, is al van mening dat Mozes zijn plaatsbeschrijving naar de bevatting van zijn tijd heeft geschikt.7 B.J. Oosterhoff schrijft: “We krijgen geen stukje oude geografie of les in aardrijkskunde. We moeten daarom ook ophouden vier rivieren in de oude wereld te zoeken, die aftakkingen zijn van één grote oorspronkelijke rivier. De bijbelschrijver tekent op symbolische wijze, dat alle grote rivieren in het paradijs ontspringen. Het getal vier wijst op de hele wereld ...”8

Deze voorbeelden laten zien dat de eerste hoofdstukken van de Bijbel primair afgestemd zijn op het gehoor van de eerste lezers. Gen. 1-3 verklaren de wereld zoals die zich voordeed aan de Israëlitische lezer in voor hem geëigende termen en voorstellingen. Dat wil niet zeggen dat de boodschap uitsluitend voor deze lezersgroep bestemd is. Eeuw in eeuw uit wordt de mens geholpen zichzelf aan de hand van dit woord van God te plaatsen in ruimte en tijd. En toch is de onmiskenbare gerichtheid op de eerste lezers relevant voor de wijze waarop we omgaan met datgene wat zich in deze hoofdstukken als feitelijke gegevens aandient.

Met name in onze kring, de kring van hen die de Bijbel als betrouwbare Godsopenbaring aanvaarden, bestaat steeds weer de neiging om de zich als feiten aandienende gegevens op een oneigenlijke wijze toe te passen. Het zal altijd wel een punt van discussie blijven in welke mate dit doorwerkt in het spreken over de man-vrouwverhouding en over wat hierin blijvend en normatief is. Het besef echter dat het eerste adres van deze hoofdstukken de Israëlitische hoorder van ver voor onze jaartelling was, moet ons behoedzaam maken om gegevens uit deze hoofdstukken al te vanzelfsprekend over te plaatsen naar onze tijd en cultuur.
Dat maakt een bezinning op de wijze waarop in deze hoofdstukken gesproken wordt over het man- en vrouw-zijn niet minder relevant. Alles wat tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven! De vraag is alleen wat Gen. 1-3 ons nu wil leren en wat niet? Wanneer mag een gegeven uit Gen. 1-3 een ‘doctrine’ genoemd worden, en wanneer niet? Voordat dergelijke vragen beantwoord kunnen worden — wij zullen daar als commissie niet aan toekomen — dienen we eerst een zo groot mogelijke duidelijkheid te hebben omtrent hetgeen er in deze hoofdstukken staat. Daarmee willen we ons nu bezig houden.


7 Zie Calvijn, Johannes, Genesis, Eerste deel. Uit het Latijn vertaald door S.O. Los, Goudriaan 19702, 65. B.J. Oosterhoff heeft dezelfde mening: “De schrijver tekent de situatie in zijn tijd.” Zie Hoe lezen wij Genesis 2 en 3? Een hermeneutische studie, Kampen 1972, 115.
8 Oosterhoff, B.J., Hoe lezen wij, 122. Zie ook Vonk, C, Genesis — Exodus, 92vv. Op vergelijkbare wijze spreekt H. de Jong hierover in zijn lezing Hermeneutiek in Begeleidend schrijven, 25 jaar Theologische StudieBegeleiding, Amsterdam 1994, 18-28; zie 21vv.

|24|

4.3.2 Genesis 1: 26-28

Over de betekenis van Gen. 1: 26-28 bestaat, althans wat betreft de hoofdzaak, een grote mate van overeenstemming. Man en vrouw zijn beiden naar het beeld en de gelijkenis van God geschapen. Dat betekent dat zij beiden gevolmachtigde vertegenwoordigers zijn van God op aarde9; geschapen om zowel omgang met God te hebben als om te heersen over de vissen van de zee en over de vogels van de hemel, over het vee en over de hele aarde en alles wat op de aardbodem rondkruipt. Het is de mens(heid), mannelijk en vrouwelijk, die deze plaats onder de schepselen krijgt toegewezen.

Boeiend in dit verband is een opmerking van J.G. Hartley. Hij wijst erop dat ook in oude teksten uit Egypte en Mesopotamië de uitdrukking ‘beeld van God’ voorkomt; en ook daar in de zin van de ‘gevolmachtigde vertegenwoordiger van God’. Maar daar was deze kwalificatie gereserveerd voor de elite, d.w.z. de vorsten (en in Mesopotamië een enkele keer ook een hooggeplaatste functionaris). Gen. 1 ‘polemiseert’ en ‘democratiseert’. Ieder mens is beeld van God, niet alleen de heerser. Gen. 9: 6 laat zien, dat dit ook de intermenselijke (machts)verhoudingen raakt.

Verschil van mening bestaat er over de vraag of in deze verzen een onderscheid tussen man en vrouw gemaakt wordt. Op zich is dit natuurlijk het geval. Alleen al het gegeven dat de mensheid uiteen valt in een mannelijk en vrouwelijk deel is een uiterst ingrijpende en belangrijke vorm van differentiatie! Het sekseverschil wordt hierdoor benoemd als één van de scheppingsdaden van God. De mensheid kan niet anders (voort)bestaan dan dankzij het feit dat er mannen en vrouwen zijn. Zo heeft God het gewild: “Weest vruchtbaar, wordt talrijk ...”
Maar wanneer we spreken over een mogelijk onderscheid tussen man en vrouw in deze verzen, is dat niet het punt in kwestie. Dat is wel de vraag of uit deze verzen opgemaakt kan worden dat de man het hoofd is van de vrouw, zoals Paulus in 1 Kor. 11: 7 zegt, teruggrijpend op Gen. 1: 26-27. Sommige exegeten menen dat dat inderdaad het geval is.

4.3.2.1 “.. naar Gods beeld schiep Hij hem ..”

Er zijn uitleggers die wijzen op de precieze bewoordingen in Gen. 1: 27. “En God schiep de mens (ha-’adam) naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem (mannelijk enkelvoud); man en vrouw schiep Hij hen (meervoud).” Vergelijk Gen. 5: 1: “Ten dage, dat God Adam (’adam) schiep, maakte Hij hem (mannelijk enkelvoud) naar de gelijkenis van God; man en vrouw schiep Hij hen (meervoud).” Over deze overgang van enkelvoud naar meervoud is het nodige te doen (geweest). Rabbijnen hebben op grond hiervan gemeend dat de eerste mens androgyn, zowel mannelijk als vrouwelijk was. Anderen meenden op grond hiervan dat de vrouw niet op gelijke wijze als de man naar het beeld van God geschapen zou zijn. Maar ook nu nog zijn er die deze wijze van formuleren van betekenis achten voor het spreken over man en vrouw.11

Bij deze gedachtegang willen we een kritische kanttekening maken.


9 Zie Peels, H.G.L., Man en vrouw, beeld van God? Een inleiding gehouden op een bijeenkomst van de Landelijke Werkgroep Kerk en Vrouw in april 1996, 1. Plaats en jaar van uitgave onbekend.
10 Hartley, J.G., Genesis, (New International Bible Commentary, Peabody (MA), Carlisle (UK), 2000, 54.
11 Zo schrijft J. van Bruggen: “Als de mens genoemd wordt, is het de man die de naam Mens, Adam, draagt. En van Adam lezen wij, dat God hem naar zijn beeld maakte. Ook al sluit dit Eva niet buiten, het leert ons wel dat de man hier een eigen plaats heeft en op de voorgrond treedt.” Zie Emancipatie en de Bijbel, 19845, 56.

|25|

Als we ons oriënteren op het Hebreeuwse taaleigen, dan is er geen reden om op basis van de wisseling van mannelijk enkelvoud naar meervoud enig onderscheid te maken tussen man en vrouw, ha-’adam in 1: 27 is een collectivum. Het woord staat voor de mens, de menselijke soort. Zie ook Gen. 5: 2, waar we lezen: God “noemde hen (man en vrouw!) “mens” ten dage dat zij geschapen werden. In het mannelijke enkelvoud liggen dus de beide geslachten besloten.12 Vanuit grammaticaal oogpunt heeft het daarom geen diepere betekenis dat in 1: 27 het enkelvoud later in een meervoud uitgesplitst wordt. Verder, de bewering dat in dit grammaticale gegeven al doorschemert dat de man het hoofd is van de vrouw, lijkt ons teveel eer voor de grammatica. Het is een hachelijke onderneming om op grond van grammaticale regels conclusies te trekken ten aanzien van de mentaliteit of levensbeschouwing van een volk.13

4.3.2.2 “.. en noemde hen ’adam ..”

Een ander taalkundig gegeven waaruit volgens sommigen blijkt dat in Gen. 1 al duidelijk wordt dat de man het hoofd van de vrouw is, is de naam waarmee het menselijk geslacht genoemd wordt. Die naam is ’adam. Aangezien ditzelfde woord gebruikt wordt om de man mee aan te duiden, zien sommigen hierin een aanwijzing dat de man binnen het menselijk geslacht een meer op de voorgrond tredende positie heeft dan de vrouw.14
Laat het feit dat het Hebreeuws één en hetzelfde woord gebruikt voor ‘mensheid’ en ‘man’ een dusdanig verregaande conclusie toe?

Opnieuw willen we erop attenderen dat het hachelijk, om niet te zeggen onverantwoord is, om een taalkundig gegeven antropologisch of levensbeschouwelijk te duiden. Meer in het bijzonder willen we echter wijzen op de functie die het namen geven door God in Gen. 1 heeft. Tot vijf keer toe is hiervan sprake. “En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. ( ) En God noemde het uitspansel hemel. ( ) En God noemde het droge aarde, en de samengevloeide wateren noemde Hij zeeën.” Moeten we hieruit opmaken dat de HERE God Hebreeuws sprak toen Hij zijn schepping benoemde? Een dwaze veronderstelling. Zit er dan in de woorden die God gebruikt iets normatiefs, in die zin dat ook wij de door God gegeven namen dienen te gebruiken? Ook deze suggestie gaat aan de bedoeling van de tekst voorbij. We moeten niet zozeer letten op de namen zoals ze gegeven zijn, als wel op het feit dat God namen geeft. Hij benoemt. Dat tekent zijn macht. Hij benoemt, dat wil zeggen, Hij geeft alles en iedereen een eigen identiteit, een eigen plaats binnen het geheel. Wie aan de gegeven namen als zodanig conclusies verbindt, gaat ons inziens uit boven de bedoeling van hetgeen geschreven staat.


12 Zie Gispen, W.H., Genesis, Deel 1, Genesis 1-11: 26 (Commentaar op het Oude Testament), Kampen 1974, 78.
13 Een nog altijd buitengewoon lezenswaardig artikel hierover is van Siertsema, Berthe, ‘Taal en wereldbeeld’ — Een stukje betekenisleer, in Gereformeerd Theologisch Tijdschrift, jaargang 68 (1968), 257-282.
14 Zie het citaat van Van Bruggen in noot 11. Met name R.C. Ortlund maakt werk van dit argument. Hij schrijft: “God’s naming of the race ‘man’ whispers male headship ...”, Male-female, 98. Ortlund duidt dit als volgt: “God did not name the human race ‘woman’. If ‘woman’ had been the more appropriate and illuminating designation, no doubt God would have used it. He does not even devise a neutral term like ‘persons’. He calls us ‘man’, which anticipates the male headship brought out clearly in chapter two...”

|26|

4.3.2.3 Genesis 1: 27, 5: 1-2 en 1 Korintiërs 11: 7

Ook een opmerking betreffende de methodiek is hier op zijn plaats. Hoe komt het dat sommige uitleggers verregaande conclusies verbinden aan details in de tekst van Gen. 1 die te herleiden zijn tot het Hebreeuwse taaleigen? Niet zelden is dit een gevolg van de wijze waarop Paulus in 1 Korintiërs de oudtestamentische gegevens verwerkt heeft. In 1 Kor. 11: 7 schrijft hij: “Want een man moet het hoofd niet dekken: hij is het beeld en de heerlijkheid van God, maar de vrouw is de heerlijkheid van de man.” Deze wijze van spreken is opmerkelijk. Paulus noemt hier uitsluitend de man het beeld van God en typeert de vrouw als de heerlijkheid van de man.15 De vraag rijst waar deze wijze van spreken op terug gaat. Sommige uitleggers menen, dat de subtiele formuleringen in Gen. 1: 27 en 5: 1-2 daaraan ten grondslag liggen. Het uitgangspunt voor de bovenstaande exegese van Gen. 1: 27 en 5: 1-2 ligt dus niet zelden in Paulus’ (mogelijke) interpretatie daarvan, en niet allereerst in een zelfstandige exegese van de teksten zelf.
Enig begrip voor deze beweging van 1 Kor. 11: 7 naar Gen. 1: 27 en 5: 1-2 kunnen we zeker opbrengen. Paulus refereert immers aan de eerste hoofdstukken van de Bijbel. Dat — na nauwkeurige lezing — vervolgens geconcludeerd wordt dat Paulus’ formulering van 1 Kor. 11: 7 terug gaat op Gen. 1: 27 en 5: 1-2, laat zich billijken. Het is echter onjuist om Paulus’ lezing tot norm te verheffen voor de uitleg van Gen. 1: 27 en 5: 1-2. Het uitgangspunt voor de exegese van deze verzen dient immers niet te liggen in Paulus’ (mogelijke) gebruik daarvan, maar in de teksten zelf. We dienen steeds rekening te houden met de mogelijkheid dat Paulus op een eigen wijze gebruik gemaakt heeft van de oudtestamentische gegevens.16
We wijzen hier ook op het gevaar van een cirkelredenering. Dat gevaar ligt op de loer, wanneer we onze uitleg van Gen. 1-3 tot norm maken voor wat Paulus in zijn brieven zegt over deze hoofdstukken, of wanneer we, omgekeerd, wat Paulus in zijn brieven zegt over Gen. 1-3 tot norm maken voor hoe wij deze hoofdstukken moeten lezen. Het onmisbare en onopgeefbare principe dat we Schrift met Schrift dienen te vergelijken, mag niet zo functioneren, dat we het resultaat van de exegese van de ene Schriftplaats rechtstreeks toepassen op de exegese van een andere.

4.3.2.4 Evaluatie

Toetsen we de argumenten die gebruikt worden om aan te tonen dat het hoofd-zijn van de man in Gen. 1 al aanwijsbaar is, dan moeten we zeggen dat die ons niet overtuigd hebben.
Waar we wel gevoelig voor zijn is het ook in het Studierapport (1991) genoemde argument, dat deze tekst ons niets openbaart over de onderlinge verhouding tussen man


15 In hoofdstuk 7.2 zal nog uitvoerig op 1 Kor. 11:7-8 worden ingegaan.
16 Studie van de wijze waarop het Oude Testament in het Nieuwe wordt aangehaald en verwerkt, laat dit zien. Te verwijzen valt hier naar het werk van E. Earle Ellis, die een reeks studies over de uitleg van het Oude Testament in het Nieuwe heeft geschreven. Zie o.a. zijn artikel Uitleg van het Oude Testament in het Nieuwe Testament, in Internationaal Commentaar op de Bijbel, Kampen 2001, 80-92. Een andere Nederlandstalige studie over dit onderwerp is van Verhoef, Eduard, Er staat geschreven ...De oudtestamentische citaten in de brief aan de Galaten, Meppel 1979, m.n. 245-275. Ook valt — in onze eigen kring — te wijzen op het werk van H. de Jong, die meer dan eens de stelling heeft verdedigd, dat als het Nieuwe Testament het Oude citeert, meer gelet wordt op het Schriftverband, dan op het tekstverband. Zie Jong, H. de, Over de verhouding tussen het Oude en het Nieuwe Testament, in Begeleidend schrijven. 25 jaar Theologische StudieBegeleiding, Amsterdam 1994, 53.

|27|

en vrouw.17 In Gen. 1: 26-27 gaat het om de positie en roeping van de mens(heid), mannelijk en vrouwelijk. Daarbij blijft goeddeels buiten het gezichtsveld:
• Op welke wijze mannen en vrouwen zich bij het vervullen van die roeping tot elkaar verhouden.
• Tot welke bijzondere taak een ieder bij het vervullen van die roeping geroepen is.
Het zou kunnen dat Gen. 2 en 3 elementen bevatten die daar wel iets over zeggen. In die hoofdstukken immers krijgt het mannelijk en vrouwelijk een concreet gezicht.

4.3.3 Genesis 2 en 3

We gaan na of het hoofd-zijn van de man in déze hoofdstukken aanwijsbaar is.

4.3.3.1 Argumenten vóór en tégen de prioriteit van de man

Teruggrijpend op de bezinning binnen de Christian Reformed Church, plaatst het Studierapport 1991, voor wat betreft Gen. 2 de volgende argumenten tegenover elkaar18:

De man ging aan de vrouw vooraf. Hij is de eerstaansprakelijke en de eerstverantwoordelijke. Het ‘eerste-zijn’ is geen goddelijke instelling. God zelf week er in zijn verkiezing ook vaak vanaf.
De vrouw is een hulp van de man. Hulp zijn impliceert geen ondergeschiktheid.
De man geeft zijn vrouw een naam, een daad van gezagoefening. Dit is geen daad van gezag, maar is een uiting van vreugde.

Deze twee posities staan lijnrecht tegenover elkaar.
Hiernaast valt nog een alternatief gezichtspunt te noemen. Sommigen brengen met klem naar voren dat het in Gen. 2 en 3 níet gaat over de verhouding tussen het mannelijk en vrouwelijk geslacht, maar over die tussen man en vrouw in het huwelijk.19 Op basis van Gen. 2 en 3 mag dan ook uitsluitend het hoofd-zijn van de man over zijn eigen vrouw afgeleid worden en niet zoiets als het hoofd-zijn van het mannelijk geslacht over het vrouwelijke.
Deze uitleg is van directe betekenis voor de wijze waarop we Paulus’ gebruik van Gen. 1-3 moeten verstaan en daarmee ook voor de uitleg en de toepassing van de zogenaamde zwijgteksten. Die hebben dan immers ook slechts echtparen op het oog.20

Het meerderheidsrapport van de CG deputaten zit op de lijn van de eerste reeks genoemde argumenten: “In Genesis 2 komt uit de prioriteit (niet de superioriteit) van de man. De man is als eerste geschapen, terwijl de vrouw uit de man is genomen. De man krijgt opdracht de hof te bewaren en te bewerken. De man, en niet de vrouw, krijgt van God een hulp; de man geeft de vrouw een naam; van de man gaat het initiatief uit om zijn vrouw aan te hangen. Daarbij valt het op dat de man als eerste ter verantwoording wordt geroepen terwijl toch de vrouw als eerste gezondigd heeft. In dit alles tekent zich een orde af waarop later de


17SR91, 36-37.
18SR91, 38-39.
19 Zie Rapport Vrouwelijke ouderlingen van de Nederlands Gereformeerde Kerk van Utrecht, 7-8 en Winston, George en Dora, Vrouwen in de gemeente van Christus, Apeldoorn 1997, 99-103; idem het minderheidsrapport van de CG deputaten, V&A, 109.
20 “Wanneer Paulus spreekt over Adam en Eva, heeft hij het over het eerste echtpaar", Winston, George en Dora, Vrouwen, 105. Idem 110, 116, 121, enz.

|28|

apostelen in het Nieuwe Testament zullen voortborduren (vgl. 1 Kor. 11:8 en 1 Tim. 2:13).”21

Bij de bespreking van deze argumenten is de invalshoek die we als commissie gekozen hebben — zoals we in 4.1 hebben uiteen gezet — die van de verdedigbaarheid. Hoe sterk staat een bepaalde exegese? Op het ene punt durven we dan stelliger te spreken dan op het andere. Hieronder volgen, in volgorde van de greep die wij op genoemde argumenten menen te hebben, enkele overwegingen.

4.3.3.2 “.. hem een hulp maken, die bij hem past”

Een punt ten aanzien waarvan we vrij stellig positie durven te kiezen is de uitleg van het woord ‘ezèr. De ‘klassieke’ associatie van ‘hulpe’ met hulpe-structuur of hulpe-aard22, doet wezenlijk tekort aan de bedoeling van deze verzen. Het eerste wat de vrouw in deze verzen ‘doet’, is het alleenzijn van de man opheffen. Door aan de man de dieren voorbij te laten gaan, laat God hem ontdekken dat hij een 'ezèr, een steun en toeverlaat naast zich mist (vers 20). Een ‘ezèr is (in het Oude Testament) niet een assistent, maar iemand die voor de ander in het krijt kan treden, iemand die hem of haar op de been helpt, en zo meer.23 Een mens heeft een medemens nodig omdat hij alleen het bestaan niet aan kan; Pred. 4: 9-12 is hiervan een treffende illustratie. Dat hoeft voor een man dus niet noodzakelijk een vrouw te zijn. Echter, met de vrouw komt wel de meest complete helper die de man-mens zich maar wensen kan op het toneel. Zeker ook gezien in het licht van Gen. 1: 28: “Weest vruchtbaar en wordt talrijk.” Er is volgens ons daarom geen gegronde reden om uit het woord ‘ezèr op zich een algemene mannelijke prioriteit af te leiden, zelfs niet in het licht van het gegeven dat de man als eerste door God geformeerd werd.

4.3.3.3 “Toen zei de mens: (..) deze zal “mannin” heten ..”

Wanneer we afwegen wat wel en niet uit het geven van een naam kan worden afgeleid, kunnen we minder stellig spreken. Feit is, dat het geven van een naam in sommige gevallen blijk is van de macht die iemand over een ander heeft, of denkt te hebben. Vreemde overheersers konden de namen van de vorsten van de door hen onderworpen volken veranderen, om daarmee hun machtspositie te onderstrepen, zie 2 Kon. 23: 34 en 2 Kon. 24: 17. Uit exegetisch oogpunt valt het daarom te billijken dat sommigen menen dat de naamgeving in Gen. 2: 23 en 3: 20 een aanwijzing is voor de gezaghebbende positie die de man ten opzichte van zijn vrouw bekleedt. Een andere uitleg echter is evenzeer verdedigbaar. In namelijk lang niet alle gevallen valt er een verband tussen naamgeving en het dragen van autoriteit door de naamgever te leggen. Zo komt in het Oude Israël herhaaldelijk voor dat moeders hun kind een naam geven, zie Gen. 4: 25; 19: 37-38; 29: 32-33 enz. Dit betekent niet dat de moeder meer gezag over het kind had dan de vader. Zelfs kan iemand de ander een naam geven, hoewel hij geen enkel gezag


21V&A, 60. Deze bewoordingen zijn letterlijk ontleend aan de in noot 9 genoemde lezing van H.G.L. Peels.
22 Men zie Moggré, A.J., Adam eerst.. .Studie over de positie van de vrouw in de gemeente, Amsterdam 1988, 37 en 71. Verg. Ortlund, R.C., Male-female, 101-102: “The man was not created to help the woman, but the reverse. ... A man, just by virtue of his manhood, is called to lead for God. A woman, just by virtue of her womanhood, is called to help for God.”
23 Beknopt maar raak typeert U. Bergmann het: “Bestimmend für die Bedeutung des Verbums und der Substantive ist der Aspekt gemeinsamen Handelns oder das Zusammenwirken von Subjekt und Objekt, wo die Kraft des einen nicht hinreicht.” Zie Bergmann, U., ‘zr, in Theologisches Handwörterbuch zum Alten Testament, Band II, Hrsg. E. Jenni/C. Westermann, München/Zürich 1979, 257-259.

|29|

over de ander heeft. Zie Ruth 4: 17: “En de burinnen gaven het een naam ...en zij noemden hem Obed.” Vooral echter is het van belang dat de naamgeving over het algemeen iets heel anders beoogt dan het vastleggen van bepaalde gezagsverhoudingen. In de naamgeving wordt dikwijls getast naar de betekenis die iemand heeft voor de naamgever, of voor zijn omgeving. Door middel van een naam kan een voor een bepaalde persoon wezenlijke trek voor het voetlicht worden gebracht. Zo kunnen bijzondere omstandigheden worden beklemtoond die betrekking hebben op iemands geboorte. Een naam zet iemand zogezegd ‘op de kaart van het bestaan’. Het zou daarom kunnen zijn, dat exegeten geheel aan de bedoeling van Gen. 2: 23 en 3: 20 voorbij gaan, indien zij daarin een argument vinden voor het gezag van de man over de vrouw.

4.3.3.4 “.. de mens en zijn vrouw ..”

Voor de opvatting dat de man en de vrouw in Gen. 2 en 3 vanaf het begin tot elkaar in relatie staan als ‘husband’ en ‘wife’ is zeker wat te zeggen. In de wijze waarop de HERE God man en vrouw tot elkaar brengt zit inderdaad iets van de bruid die tot de bruidegom wordt gebracht.24 Dit verklaart ook het commentaar van de bijbelschrijver in 2: 24: “Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en zij zullen tot één vlees zijn.” Ook het gegeven dat in het vervolg bij herhaling wordt gesproken van ‘de mens en zijn vrouw’, ‘de vrouw en haar man’, ‘uw vrouw’, ‘uw man’ (zie 2: 25; 3: 6, 8, 16, 17, 20, 21) lijkt in deze richting te wijzen.
Maar wat mogen we hier uit afleiden? Gesteld dat de schrijver zich in deze verzen beperkt heeft tot een tekening van de man-vrouwverhouding in het huwelijk, impliceert dat dan dat blijkens Gen. 2 en 3 man en vrouw buiten het huwelijk in een volstrekt gelijke verhouding tot elkaar dienen te staan? Maar daarover is dan nog niets gezegd. Datzelfde geldt voor de vraag hoe deze uitleg verwerkt wordt in de exegese van de nieuwtestamentische gegevens. Moeten we de conclusie trekken, zoals sommigen doen, dat ook alle passages waarin Paulus gebruik maakt van Gen. 1-3 handelen over de verhouding tussen man en vrouw in het huwelijk? Ook dit gaat ons te ver. We herinneren hier aan wat we in 4.3.2.3 schreven over het gevaar van de cirkelredenering: onze uitleg van Gen. 1-3 moeten we niet tot norm maken voor wat Paulus in zijn brieven zegt, en evenmin omgekeerd wat Paulus zegt tot norm maken voor hoe wij deze hoofdstukken moeten lezen. We dienen steeds met de mogelijkheid rekening te houden, dat Paulus op een eigen wijze gebruik gemaakt heeft van Gen. 1-3.

4.3.3.5 “Toen formeerde de HERE God de mens..”

De meest gecompliceerde vraag op exegetisch terrein is deze: hoe duiden we het gegeven dat de man als eerste geformeerd wordt, als eerste wordt geroepen om de aarde te bewerken en te bewaren, en ook als eerste ter verantwoording wordt geroepen na de zondeval? Kan hieruit worden afgeleid dat de man binnen de context van Gen. 2 en 3 wordt getekend als het hoofd over de (of zijn) vrouw? Hier komen allerlei vragen aan de orde die de mogelijkheden van een commissie als de onze te boven gaan. Het gaat immers niet om een detailpunt in de uitleg, maar om een vraag die slechts beantwoord kan worden als het geheel van Gen. 2 en 3 bij de overwegingen betrokken wordt, inclusief de bijzondere structuur van deze hoofdstukken en de consequenties daarvan voor de uitleg.

Verschillende, moeilijk te beantwoorden vragen vallen er te stellen:


24 Minderheidsrapport CG Deputaten, V&A, 110.

|30|

Tekent de Bijbel hier alleen de man als het hoofd, de representant van de mensheid, of worden man en vrouw als een twee-eenheid getekend die samen het geheel van de mensheid vertegenwoordigen? Het eerste lijkt — in het licht van de nieuwtestamentische gegevens — voor de hand te liggen, maar een argument voor het laatste zou kunnen liggen in de zogenoemde moeder belofte, een uiterst centraal moment in Gen. 3 en van betekenis voor het gehele menselijk geslacht (Gen. 3: 15); daar wordt tegenover de slang niet de man, maar de vrouw als representant van de mensheid geplaatst.
Vervolgens is het een vraag of het gegeven dat de man als eerste door de HERE God geschapen en aangesproken wordt, iets verklaren wil en zo ja, wat het verklaren wil? We hebben eerder gezien dat Gen. 1-3 in de eerste plaats de wereld verklaren waarin het volk Israël leefde. Dat was een wereld waarin de man een evidente hoofdrol in gezin en samenleving vervulde, een patriarchale samenleving. Verklaart dat de prioriteit van de man in Gen. 2 en 3? We kunnen ons voorstellen dat sommigen deze vraag te ver vinden gaan. Toch menen we dat de vraag op zich niet illegitiem is, gelet op hetgeen we in 4.3.1 over de leeswijze van Gen. 1-3 stelden.

Voor ons rapport menen we de vraagstelling aanzienlijk te kunnen vereenvoudigen, door ervan uit te gaan dat de man hier inderdaad een eigen, bijzondere positie binnen het geheel van de geschapen werkelijkheid en ook ten opzichte van de vrouw inneemt. Daar zijn te handhaven argumenten voor op te voeren, ook al zijn die, ook binnen onze commissie, niet boven elke discussie verheven.
Met name wijzen we erop dat het als eerste ter wereld komen in de beleving van de Israëlitische hoorders meer betekende dan enkel een in getalsmatige zin de eerste zijn. Volgorde impliceert een bepaalde rangorde, zo blijkt uit tal van bijbelse gegevens. Heel de gedachte van het eerstgeboorterecht en van de eerstelingen staat of valt met deze notie. De eerste heeft in de wereld van het oude Oosten zowel bijzondere rechten als bijzondere plichten. Hij draagt verantwoordelijkheid voor het geheel en vertegenwoordigt het geheel. Dat wordt op tal van plaatsen in de Bijbel zichtbaar. Het werkt ook door in de wetgeving (zie Deut. 21: 15-17), in de Christusprediking (1 Kor. 15: 20-23), en in de regels die Paulus in het Nieuwe Testament geeft voor man en vrouw.

Ook andere argumenten zouden voor de prioriteit van de man opgevoerd kunnen worden. De verzen Gen. 2: 4b-17 focussen uitsluitend op ha-’adam, de man-mens, zijn plaats en taak in de hof, waarin onder andere de boom des levens staat. In Gen. 3: 22-24 lijkt het opnieuw uitsluitend over de man-mens te gaan. De toegang tot de boom des levens wordt hem onmogelijk gemaakt en zijn taak ligt niet langer in het bewerken van de hof, maar van de aardbodem. Dat de vrouw niet genoemd wordt, sluit niet uit dat zij helemaal meedoet, maar wel als in de man begrepen. Het is niet onmogelijk hierin een bevestiging te zien van de hoofdrol die de man-mens binnen de schepping is gegeven.

Nu zou iemand daartegenover kunnen stellen dat in Gen. 3 de man en de vrouw beiden door de HERE God worden aangesproken na hun ongehoorzaamheid; beiden dragen een eigen verantwoordelijkheid en zijn daarom aansprakelijk; beiden zullen de gevolgen daarvan moeten dragen; samen vertegenwoordigen zij in de kiem het gehele menselijke geslacht; daaruit blijkt dat de man-mens niet alléén de representant van de mensheid is.
Nu is dit stellig waar. Evenzeer waar is echter dat de in Gen. 3 genoemde aspecten van het leven, die als gevolg van Gods oordeel worden aangetast, verschillend zijn voor de man en de vrouw. Voor de vrouw hebben die betrekking op het kinderen ter wereld brengen en de directe relatie tot haar man. Voor de man wordt gesproken over de aardbodem, de arbeid daarop en de beperking van de levensduur.
De vraag rijst of dit consequenties moet hebben voor onze visie op de man-vrouwverhouding. Enerzijds zou dit ontkend kunnen worden. Het valt immers niet uit te sluiten, dat de tekening van de gevolgen van de zondeval geheel geënt is op de situatie waarin de toenmalige Israëlitische hoorder zich bevond, zie 4.3.1. Dan hoeft men aan de genoemde concrete verschillen in de beschrijving van Gen. 3 geen bijzondere betekenis toe te kennen. Anderzijds kan men hierin echter ook een bevestiging vinden van een verschil in bereik,

|31|

passend bij een aparte plaatstoewijzing voor mannen en vrouwen, die teruggaat tot voor de zondeval.

We wijzen daarbij nog op de volgende parallellen in Gen. 2 en 3. In Gen. 2: 5-7 en 15 zien we dat een direct verband gelegd wordt tussen de schepping van de man-mens en de taak die hij krijgt om de hof te bewerken en te bewaren. Men generaliseert dit gegeven wel met de term ‘cultuurmandaat’. Velen zien dan ook een prominente positie voor de man in dit bereik van arbeid en cultuurontplooiing. Men kan hiervan een bevestiging vinden in Gen. 4-11, waarin
• als de grote cultuurbouwers uitsluitend mannen worden genoemd (4: 2; 4: 17vv; 9: 20; 10: 8) en
• na de zondvloed uitsluitend en expliciet Noach en zijn zonen worden aangesproken met de woorden “Weest vruchtbaar, wordt talrijk en vervult de aarde” (Gen. 9: 1).
Met de genoemde gegevens correspondeert dat de gevolgen van de zonde voor de man in Gen. 3 vooral in dat bereik worden aangegeven.
Verder komt de vrouw in het laatste deel van Gen. 3 primair in beeld als ‘vrouw van’ en als moeder. Dat de gevolgen van de zonde voor haar vooral in dat bereik liggen correspondeert opnieuw met Gen. 2.

Zonder daarmee te zeggen dat wij als commissie overtuigd zijn van de geldigheid van alle genoemde argumenten, menen we dat degenen die op basis van Gen. 2 en 3 het hoofd-zijn van de man verdedigen daar in de tekst wel degelijk aanleiding voor kunnen vinden.

Het is dus verdedigbaar dat sommigen uit het feit dat de man-mens als eerste geschapen is, opmaken dat aan mannen ‘de hoofdrol’ is toebedeeld.
We plaatsen daar echter wel de volgende overweging bij.
Hierboven, in 4.3.3.1, schreven we dat volgens sommigen ‘het eerste-zijn’ geen goddelijke instelling is, aangezien God zelf er in zijn verkiezend handelen geregeld van afwijkt. Als commissie zijn wij van mening dat aan dit argument goede aandacht gegeven moet worden. Los van de vraag of de betekenis van het eerste-zijn allereerst cultuurbepaald of scheppingsbepaald is, een te verabsoluteren normatief gegeven is het in de Bijbel hoe dan ook niet. Sterker, als er één gegeven is dat binnen het geheel van Gods heilsopenbaring niet als een automatisme gehanteerd wordt, dan is het wel dit. Gods openbaring in de geschiedenis van Israël laat zien, dat voortdurend de laatsten de eersten en de eersten de laatsten kunnen worden. Wat wij weten van Kaïn en Abel, Jakob en Esau, Ruben en Jozef, Efraïm en Manasse, de verhouding tussen de twaalf stammen onderling, de plaats van Israël temidden van de volken, David en zijn broers en dergelijke, laat zien dat het principe van het eerste-zijn als regel doorkruist wordt door dat van de verkiezing! Dit ter verootmoediging van de eerste; maar soms ook omdat God het hart aanziet en niet wat voor ogen is.
Dit diep in de heilsopenbaring verankerde gegeven moet ons buitengewoon terughoudend maken om aan het als eerste geschapen zijn van de man-mens de consequentie te verbinden dat hiermee voor eens en altijd de verhouding tussen man en vrouw bepaald is.

4.3.4 Conclusie

Wat heeft deze bezinning op de man-vrouwverhouding in Gen. 1-3 opgeleverd?
Op onderdelen hebben we met een zekere stelligheid onze mening gegeven. Zo lijkt het ons niet verdedigbaar om in Gen. 1: 26-28 al het hoofd-zijn van de man terug te lezen. Ook op exegetische onderdelen van Gen. 2 en 3 hebben we een enkele maal vrij duidelijk onze positie bepaald. De voornaamste conclusie is echter deze, dat degenen die menen in Gen. 2 en 3 een duidelijke differentiatie tussen man en vrouw waar te nemen die getypeerd zou kunnen worden als 'de prioriteit' van de man, daar te

|32|

handhaven argumenten voor kunnen aanvoeren25, ook al zijn die niet boven iedere discussie verheven. Daarbij hebben wij als commissie vervolgens wel aangetekend, dat, gelet op het geheel van de heilsopenbaring, hiermee het laatste woord over de man-vrouwverhouding niet gesproken is.

 

4.4 Over Galaten 3:28: “Hierbij is geen sprake van mannelijk en vrouwelijk”

In Gal. 3: 26-28 schrijft Paulus: “Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus.”
In verschillende beschouwingen is dit woord van Paulus het uitgangspunt voor de verdere overwegingen. Soms wordt deze tekst zelfs als opschrift boven het geheel van de bezinning geplaatst.26 Anderen echter zijn van mening dat het niet verantwoord is om Gal. 3: 28 deze hoofdrol te laten spelen. In deze paragraaf willen we beide posities weergeven en bespreken.

4.4.1 Argumenten vóór de keuze van Galaten 3: 26-28 als uitgangspunt

Om duidelijk te maken wat hen beweegt, die Gal. 3: 26-28 tot het middelpunt van hun beschouwingen maken, geven we hier een beknopte weergave van een — in de Christelijke Gereformeerde Kerken — invloedrijk artikel van ds. W. Steenbergen.

Dit artikel — getiteld Samen-leven onder de genade — verscheen in 1984.27 Het ontving bijval van prof. J.P. Versteeg.28 J. Aarnoudse gaf het een ruime plaats in zijn bijdrage aan de bundel Vrouwen op een zij-spoor29. En ook het minderheidsrapport van de Christelijke Gereformeerde Kerken sloot zich er bij aan30. Zo lijkt zich binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken een levende traditie gevormd te hebben, waarin dit Schriftgedeelte het uitgangspunt is van de bezinning. Hoewel ook anderen betogen dat Gal. 3: 26-28 van grote betekenis is voor de kwestie van de vrouw in het ambt31, willen we in het onderstaande vooral deze ‘traditie’ aan het woord laten.


25 Wel verdient in dit verband een opmerking van H.G.L. Peels de aandacht. In de reeds genoemde lezing zegt hij: “Wat in Genesis 2 verhalenderwijs, meer impliciet wordt verkondigd, wordt in het Nieuwe Testament lerenderwijs, meer expliciet gepredikt.” Dit lijkt ons terecht opgemerkt. Dat roept dan wel de vraag op wat Paulus ertoe bracht om dit eerste zijn zó en zo nadrukkelijk te expliciteren. In hoofdstuk 7.2.2 komen we hierop terug.
26 Zie o.a. het Rapport ‘Utrecht’. De titel van het eerste hoofdstuk luidt: In Christus is geen sprake van mannelijk en vrouwelijk. Ook in het minderheidsrapport van de Christelijke Gereformeerde deputaten voor de vragen rond vrouw en ambt speelt Gal. 3: 26-28 een centrale rol, zie V&A, 113 en 131-132. Verg. ook Holwerda, D., Discussie-nota inzake vrouwelijke ambtsdragers, in De Schrift opent een vergezicht, Kampen 1998, 576.
27 In de bundel De Geest schrijft wegen in de tijd. Opstellen over samenleven in kerk en wereld, J.P. Versteeg e.a, Kampen 1984, 42-58.
28Kijk op de kerk. De structuur van de gemeente volgens het Nieuwe Testament, Kampen 1985, 10-12.
29 ‘Vlees van mijn vlees.’ Gelijkwaardigheid van vrouw en man in het licht van de Bijbel, in Vrouwen op een zij-spoor? Emancipatie van de vrouw en het verstaan van de Schrift in gereformeerd perspectief, Amsterdam 1998, 34-42.
30 V&A, 113-116.
31 Bijvoorbeeld Winston, George en Dora, Vrouwen, 352-377.

|33|

Thema van dit artikel is de betekenis die de genade van God, verschenen in Christus, heeft voor het samenleven van mensen. Steenbergen plaatst om te beginnen Gal. 3: 26-28 in het kader van de brief als geheel. Daarin verkondigt Paulus dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit werken der wet, maar door het geloof in Christus Jezus (2: 16). In 3: 26-28 spreekt hij de leden van de gemeente aan als mensen aan wie de grote gave van Gods heil is geschonken: dat ze kinderen van God mogen zijn. Mondige kinderen zelfs (‘zonen’). Deze gave wordt ontvangen door het geloof alleen, dus niet op grond van wat iemand presteert. Het teken daarvan is de doop, die zegt dat de plaats van de gemeenteleden in het rijk van God op geen enkele manier meer kan afhangen van wat zij zelf zijn of doen. “Maar juist daarom mogen nu ook allen, Jood of Griek, slaaf of vrije, man en vrouw, zonder onderscheid, léven in dat nieuwe rijk dat in Christus is aangebroken.”32 In dit verband wijst Steenbergen naar 1 Kor. 12: 13 en Kol. 3: 9-11. Schriftplaatsen die onderstrepen dat alle menselijke scheidslijnen ‘in Christus’ geen scheiding meer mogen maken. Dit spreekt volgens Steenbergen des te meer, daar ‘onder de wet’ al die tegenstellingen nog wel meedoen. ‘Onder de wet’ was de tegenstelling Jood-heiden een uiterst fundamentele. In Christus is de scheidsmuur echter afgebroken. Vandaar dat Paulus zo fel tegen Petrus optreedt, als die niet samen met de heidenen de maaltijd gebruikt (2: 11-14). Ook slaven en vrijen waren ‘onder de wet’ geen gelijkwaardige deelgenoten aan het leven van Gods volk. Tegen deze achtergrond moeten we de drie lofprijzingen van het Joodse ochtendgebed verstaan. Die luiden: ‘Geprezen zij God, omdat Hij mij niet als een heiden heeft gemaakt; omdat Hij mij niet als een vrouw heeft gemaakt; omdat Hij mij niet als een slaaf heeft gemaakt.’ Immers, alleen de Joodse man kan de volle dienst aan God verrichten. Slaven en vrouwen zijn, wat de dienst aan God betreft, te vergelijken met onmondige kinderen.
Dit alles nu wordt doorbroken in Christus. In het nieuwe leven “is er nog maar één grond waarop mensen, wie ze ook zijn, kunnen bestaan: de genade die God ons in Christus schenkt. Die genade maakt ons allen voor God gelijk. Maar die genade brengt dan ook een nieuwe manier van samenleven mee.”33 “Allen, zonder onderscheid worden nu ook geroepen tot de dienst van God in zijn gemeente.”34

4.4.2 Argumenten tégen de keuze van Galaten 3: 26-28 als uitgangspunt

Velen echter menen dat in betogen als het bovenstaande, dit Schriftwoord — hoe belangrijk ook voor de verhoudingen binnen Christus’ gemeente — een rol speelt die geen recht doet aan het directe verband waarin de tekst staat en evenmin aan de overige nieuwtestamentische gegevens.35 Een aantal van hun argumenten willen we noemen:
1. Het gaat hier om het zoonschap, de volledige, persoonlijke aanvaarding van de mens door God. Wanneer echter op basis van deze tekst ook een gelijkschakeling van de


32 Steenbergen, W., Samen-leven, 43-44.
33 Steenbergen, W., Samen-leven, 48.
34 Steenbergen, W., Samen-leven, 48.
35 Naar een aantal studies willen we in dit verband wijzen. Boer, C. den (samensteller), Man en vrouw in bijbels perspectief . Een bijbels-theologische verkenning van de man-vrouw verhouding met het oog op de gemeente, Kampen 1985, 86-90; het meerderheidsrapport van de CG deputaten, V&A, 81-84; Hertog, G.C. den, De ene onderdanigheid is de andere niet. Enige hermeneutische overwegingen rond de man-vrouwverhouding in bijbels licht, in Vrouwen op een zij-spoor? Emancipatie van de vrouw en het verstaan van de Schrift in gereformeerd perspectief Amsterdam 1998, 248vv; Lewis Johnson Jr., S., Role distinctions in the church. Galatians 3: 28, in Recovering Biblical Manhood and Womanhood, A response to Evangelical Feminism, ed. J. Piper and W. Grudem, Wheaton, Illinois, 1991, 154-164.

|34|

verhoudingen in kerk en samenleving wordt bepleit, dan worden er consequenties uit getrokken die er op zichzelf niet in besloten liggen.36
2. Elders in zijn brieven maakt Paulus wel degelijk onderscheid tussen Jood en Griek, slaaf en vrije, man en vrouw. Het onderscheid tussen Jood en Griek blijft intact (zie o.a. Rom. 1: 16; Rom. 9-11; 1 Kor. 10: 32); dat geldt ook voor de verhouding tussen heer en slaaf (zie o.a. 1 Kor. 7: 17-24; Ef. 6: 4-9 en Kol. 3: 22-25); het geldt misschien wel het sterkst voor de verhouding tussen man en vrouw (zie o.a. 1 Kor. 11: 3-16; 14: 34-36; Ef. 5: 22-33). Hieruit moet geconcludeerd worden, dat de gelijkheid van de gelovigen, die er in Christus bestaat, tegelijk kan samengaan met het vervullen van onderscheiden rollen in de gemeente van Christus.37
3. Paulus maakt hier gebruik van een drietal woordparen, die niet op één lijn geplaatst kunnen worden. De eerste twee, Jood-Griek en slaaf-vrije, zijn van een andere orde dan het laatste woordpaar, mannelijk-vrouwelijk. De eerste twee gaan niet terug op de schepping, het laatste wel. Het kan toch onmogelijk Paulus’ bedoeling zijn om daarmee het onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijk als zodanig uit te wissen?

4.4.3 Voortgezette discussie

Lezing van het bovenstaande roept de gedachte op aan Spr. 18: 17: “In het rechtsgeding heeft de eerste (spreker) gelijk, maar dan komt de ander en rekent hem na.”
Toch is daarmee het laatste woord over Gal. 3: 26-28 nog niet gesproken. Hoe sterk de in de vorige paragraaf genoemde kritiek ook lijkt te staan, twintig jaar geleden leefden deze bezwaren ook al en Steenbergen is er uitvoerig op ingegaan.38
1. Dat voor God alle mensen gelijk zijn en dat het voor de verhouding tot Hem in strikte zin niet uitmaakt of men slaaf of vrije, man of vrouw is, werd ook binnen het jodendom erkend. Was dat alleen de boodschap van Paulus geweest, dan had hij in feite niets nieuws gezegd. Maar deze erkenning van gelijkheid kon binnen het jodendom, ‘onder de wet’, geen gestalte krijgen in de kaders van het godsdienstige en maatschappelijke samenleven. Het nieuwe van het evangelie ligt daarin, dat ‘onder de genade’ deze erkenning van gelijkheid wel de ruimte kan krijgen die ze nodig heeft.39
2. Volop moet onderkend worden dat Paulus zeer terughoudend is in het trekken van consequenties uit het woord dat hij in Gal. 3: 26-28 zelf geschreven heeft. Maar hiervoor is, met name in 1 Korintiërs, een duidelijke oorzaak aan te wijzen; uit het


36SR91, 51vv merkt op, dat Paulus in deze tekst geen uitspraak wil doen over de ambten. Hij richt zich tegen hen, die menen, dat door de werken der wet de zaligheid te verkrijgen is. “Jood zijn, vrij zijn, man zijn brengt bij God geen enkel voordeel. Ongeacht ras, status of sexe is er behoud voor wie gelooft. Maar een heer blijft een heer, een knecht een knecht”. Het meerderheidsrapport van de CG Deputaten formuleert het aldus: “Paulus wil zeggen: welke onderscheidingen er ook onder mensen zijn, in Christus zijn alle gelovigen één. In het geloof zijn ze samen verbonden met Christus en wordt niemand op grond van maatschappelijke status, afkomst of sexe uitgesloten. Zo dient men elkaar ook te aanvaarden in de gemeente en heeft niemand het recht om op grond van maatschappelijke status, afkomst of sexe zich te verheffen boven de ander. (..) Het is een belangrijke vraag of de in Gal. 3: 28 beleden eenheid van de gelovigen nu ook zondermeer betekent of allen tot dezelfde taken en functies in de gemeente geroepen kunnen worden. (..) Echter in het tekstverband wordt daarover niet gesproken. Daarom is voorzichtigheid geboden bij het trekken van conclusies.”, V&A, 83.
37 Lewis Johnson Jr., S., Role distinctions, 161: “We may legitimately ask, however, if distinction of roles of believers within that equality necessarily violates that equality, especially since the apostle later in some detail sets out the distinction of roles, offices, and gifts within the family (..) and the church (..) with no suggestion of a loss of equality in Christ.”
38 Ons is opgevallen dat de contra-argumenten die Steenbergen ingebracht heeft, elders nauwelijks besproken worden.
39 Steenbergen, W., Samen-leven, 48-49. Ook Bruce, F. F., Commentary on Galatians (New International Greek Testament Commentary), Grand Rapids 1982, 187, benadrukt de betekenis van dit punt.

|35|

ontvangen van de Geest immers trokken velen in Korinte de conclusie dat ze nu ook in principe verlost waren van alle aardse, sociale bindingen en tegenstellingen. Hiertegen keert Paulus zich op menige plaats in zijn brief; hiertegen ook werpt hij dijken op die het aardse leven kunnen beschermen tegen de dreigende overstroming van de geestdrijverij. “Deze dijken worden dan wel gevormd door de kaders en structuren van het leven, zoals ze in die tijd gestalte hadden gekregen.” 40
3. Zeker heft Paulus in Gal. 3: 26-28 niet het schepselmatige onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk op. Gelet op het verband heeft Paulus hier de verhouding op het oog zoals die functioneerde 'onder de wet'. En dat was anders, dan het door God bij de schepping bedoeld was.41

Het bovenstaande zou als volgt samengevat kunnen worden: Gal. 3: 26-28 dient het uitgangspunt te zijn van de bezinning op de man-vrouwverhouding in de gemeente. De restricties die elders in Paulus’ brieven gevonden worden moeten gelezen worden vanuit Gal. 3: 28 en niet omgekeerd.42

4.4.4 Evaluatie en conclusie

Naar ons gevoelen is het nuttig en waardevol om van de bovenstaande discussie kennis te nemen. Niet alleen om zo een oordeel over de gebruikte argumenten te kunnen vormen, maar ook om de gang van de discussie zelf. Hoe verloopt die, hoe wordt naar elkaar geluisterd, welk perspectief biedt het gesprek? Een paar opmerkingen willen we dan maken.
1. Om te beginnen valt ons op dat de wijze waarop zowel voor- als tegenstanders om gaan met de Schrift, grote overeenkomsten vertoont. Beiden beijveren zich om de Schriften te onderzoeken. Beiden willen de tekst binnen de context verstaan. Beiden lezen de Schrift ‘Schrift met Schrift vergelijkend’. Beiden leggen vervolgens een bepaald zwaartepunt, op basis van het vergelijken van Schrift met Schrift en op basis van weloverwogen afwegingen die daarbij gemaakt worden. Kortom, hoe verschillend de uitkomst van de bezinning ook is, de weg die men bewandelt is structureel dezelfde.
2. Toetsen we beide posities, dan maken die ons inziens een verdedigbare indruk. Onmiskenbaar heeft de exegese van hen die menen dat Gal. 3: 28 in principe de weg opent voor de vrouw in het ambt, sterke papieren. Een sterk punt is met name het tegenover elkaar plaatsen — in de lijn van de hele brief — van de situatie ‘onder de wet’ (waarin geen sprake was van een volledige deelname van heidenen, slaven en vrouwen aan de dienst des Heren) en de nieuwe situatie ‘in Christus’ (hier verbanden leggend met 1 Kor. 12: 12vv).

Vanuit exegetisch oogpunt is het ook een sterk argument, dat uit deze brief aan de Galaten blijkt dat Paulus zelf praktische consequenties uit Gal. 3: 26-28 heeft getrokken. Namelijk daar waar hij zich tegenover Petrus opstelt, die — uit vrees voor de besnedenen (hierin klinkt de binding aan de wet door!) — ertoe overging om in afzondering van de heiden-christenen de maaltijd te gebruiken, Gal. 2: 11-14. Hoewel de Jood een Jood en de Griek een Griek blijft, doet Paulus hier geen enkele concessie aan het principe dat er in Christus geen onderscheid tussen beiden is (zie ook Rom. 10: 12-13).


40 Steenbergen, W., Samen-leven, 55.
41 Steenbergen, W., Samen-leven, 50.
42 Bruce, F.F., Galatians, 190, stelt: “Paul states the basic principle here; if restrictions on it are found elsewhere in the Pauline corpus, as in 1 Cor. 14: 34f. or 1 Tim. 2: 11f., they are to be understood in relation to Gal. 3: 28, and not vice versa.”

|36|

Een sterk punt in het betoog van de tegenstanders van het tot uitgangspunt verheffen van deze tekst is, dat de drie woordparen die Paulus in Gal. 3: 28 gebruikt niet op één lijn geplaatst kunnen worden. Met name het beroep dat Paulus elders op de schepping doet, lijkt dat te verbieden. Ook blijkt uit Ef. 5: 22vv., dat ondanks de gelijkheid van man en vrouw in Christus tegelijk sprake kan zijn van hoofd-zijn en onderdanigheid. Komt dat ook niet uit in het functioneren van de ambten in de gemeente? Kortom, is het wel terecht om van het gegeven dat man en vrouw door het geloof in Christus beiden zonen van God zijn, zondermeer door te stoten naar een volledige gelijke participatie van vrouwen in de dienst des Heren?
3. Tenslotte valt het ons op dat de discussie over Gal. 3: 26-28 op een bepaald moment onontkoombaar in een patstelling terecht komt. De oorzaak hiervan is, dat het zwaartepunt verschillend gelegd wordt. De één maakt zijn uitleg van Gal. 3: 28 tot sleutel voor de interpretatie van die Schriftgegevens waarin (nog) wel onderscheid gemaakt wordt tussen man en vrouw, de ander maakt — omgekeerd — zijn uitleg van die Schriftgegevens tot sleutel voor de interpretatie van Gal. 3: 28. Het gevolg hiervan is, dat op een bepaald moment de exegetische discussie verzandt in een herhaling van zetten. Hoe we deze patstelling zouden kunnen doorbreken zien we op dit moment niet.

Onze conclusie is dat met het beroep op Gal. 3: 28 op zich het geding ten gunste van de vrouw in het ambt niet beslecht is. De uitleg van andere Schriftgegevens speelt in de hele discussie een dusdanig belangrijke rol, dat daaraan eerst goede aandacht gegeven moet worden. Dat willen we in 4.5 en 4.6 doen.

 

4.5 De ‘gaven-lijn’: vanuit Joël 2: 28-29 naar het Nieuwe Testament

In paragraaf 4.2 gaven we een kort overzicht van de argumenten die aangevoerd worden door de voorstanders van de vrouw in het ambt. De lijn die zij vanuit Joël 2:28-29 menen te kunnen trekken naar het Nieuwe Testament bleek daarin een belangrijke rol te spelen.
Ook nu willen we, na een uiteenzetting van deze gedachtegang, de critici ervan aan het woord laten, waarna we afsluiten met de indruk die wij aan de bezinning overhouden.

4.5.1 Argumenten vóór

In Joël 2:28-29 wordt beloofd, dat de HERE zijn Geest zal uitstorten op al wat leeft. “Uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen; uw jongelingen zullen gezichten zien. Ook op de dienstknechten en op de dienstmaagden zal Ik in die dagen mijn Geest uitstorten.”
Er bestaat geen twijfel over dat de vervulling van deze profetie heeft plaatsgevonden op de Pinksterdag, bij de uitstorting van de Heilige Geest. In Hand. 2: 17-21 haalt Petrus juist deze woorden van Joël aan om te duiden wat er gaande is. Dat ook vrouwen delen in de uitstorting van de Heilige Geest kan evenmin betwijfeld worden. In Hand. 1:14 staat immers, dat ook enige vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, behoren tot degenen die volharden in het gebed. Hand. 2:1 maakt er vervolgens melding van dat allen bijeen zijn en vervolgens lezen we (vs. 4): “.. zij werden allen vervuld met de heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken.” Ook vrouwen verkondigden op die dag dus ‘de grote daden van God’ aan de toegestroomde menigte Joden uit alle volken onder de hemel.
In deze gedachtegang wordt vervolgens vanuit dit markeringspunt in de geschiedenis van de kerk een lijn getrokken naar Hand. 21: 9 en 1 Kor. 11: 5, waar we lezen dat

|37|

vrouwen een profetische bediening hadden, die ook in het midden van de gemeente werd uitgeoefend.

4.5.2 Een eerste indruk

De eerste indruk die wij als commissie van deze gedachtegang hebben is, dat die een sterke en verdedigbare indruk maakt. Ook op andere plaatsen in het Nieuwe Testament waar gesproken wordt van de diverse functies die leden van Christus' gemeente krachtens het werk van de Heilige Geest mogen vervullen (Rom. 12: 3-8, 1 Kor. 12, Ef. 4), blijkt uit niets dat er Geestesgaven zouden zijn waarin de zusters van de gemeente niet zouden delen. En aangezien in de opsommingen van de Geestesgaven in de bovengenoemde bijbelgedeelten zowel leidinggevende als dienende gaven genoemd worden, zou daaruit afgeleid kunnen worden dat de Geest bij het uitdelen van zijn gaven geen rekening gehouden heeft met de verschillen die er tussen de beide seksen bestaan.

4.5.3 Argumenten tégen

Toch zijn er tegen deze gedachtegang nogal wat bezwaren ingebracht. Het meest uitvoerig is dat gebeurd in het meerderheidsrapport van de Christelijke Gereformeerde Deputaten; daarop willen we ons dan ook bij de toetsing van deze ‘gaven-lijn’ met name oriënteren.

4.5.3.1 Profeteren: Geen publieke, officiële, blijvende, gezagvolle bediening

Refererend aan de scheppingsorde, volgens welke de man het hoofd is van de vrouw, stelt het rapport: “Een beroep op de Geest en op de gaven van de Geest doet deze orde niet teniet. Vrouwen zijn niet uitgesloten van de Geestesgaven. Het blijft hen echter wel verboden daar op een zodanige wijze mee naar voren te treden in de gemeente, dat de van God gegeven orde zou worden verbroken. Voor het leidinggeven aan de gemeente heeft God gezagsverhoudingen gegeven, gegrond in de schepping. Die verhoudingen zijn van blijvende aard.” (V&A, 78-79).
Over 1 Kor. 11: 5 in relatie tot 14: 34-35 schrijft het rapport, dat in 1 Kor. 14 geen sprake is van een absoluut zwijggebod of spreekverbod (V&A, 77). “Het zou ongerijmd zijn te menen, dat vrouwen van bijvoorbeeld het zingen en bidden waren uitgesloten. Blijkens 1 Kor. 11 kon een vrouw ook deelnemen aan het profeteren.” (V&A, 77). Onder profeteren in 1 Kor. 11 dient ook hetzelfde soort profeteren als in 1 Kor. 14 verstaan te worden (V&A, 74). Het eigene van de profetie is daarin gelegen, dat het berust op openbaring (1 Kor. 14: 30); (V&A, 74). Verder is het niet aannemelijk te denken dat het in 1 Kor. 11 om iets anders zou gaan dan de openbare samenkomst van de gemeente. “Immers, het grotere verband van 1 Kor. 11 spreekt nadrukkelijk over de samenkomsten van de gemeente.” (V&A, 74-75).
Vervolgens behandelt het rapport een aantal onbevredigende oplossingen om de verhouding tussen 1 Kor. 11: 5 en 1 Kor. 14: 34-35 op te lossen (V&A, 76)43 Daarna wordt als eigen mening gegeven, dat in 1 Kor. 14 een gekwalificeerd soort spreken verboden wordt. “Het gaat ... om elke vorm van spreken die wat betreft toon en inhoud de zucht tot domineren laat uitkomen.” (V&A, 78). Enkele langere citaten: “Hoe de


43 Dat Paulus zichzelf zou tegenspreken, voldoet als oplossing niet. Evenmin, dat 1 Kor. 14 de regel geeft, waaraan 1 Kor. 11 een concessie doet. Vervolgens is het vanuit de gereformeerde Schriftbeschouwing onaanvaardbaar te menen dat Paulus in 1 Kor. 14 een oneigenlijk beroep doet op het gezag van God; maar ook de ‘oplossing’ van Calvijn, dat de vraag of vrouwen in het openbaar mogen bidden of profeteren in 1 Kor. 11 niet aan de orde is, maar pas in 1 Kor. 14 serieus behandeld wordt, doet volgens het meerderheidsrapport geen recht aan 1 Kor. 11.

|38|

samenkomsten van de gemeente te Korinthe er concreet hebben uitgezien, in welke vorm en met wat voor inhoud het profeteren geschiedde en hoe de verhouding daarvan was tot het leidinggeven en het onderwijzen in de apostolische leer, is niet echt duidelijk. Wellicht speelt ook het onderscheid tussen — wat vandaag genoemd zou worden — blijvende ambten en verdwijnende gaven een grotere rol dan menigeen wil aannemen. Het ontvangen en doorgeven van een profetie was een incidenteel gebeuren; het leidinggeven aan de gemeente is een blijvende aangelegenheid. (..) duidelijk (is) dat de apostel wel de vrouw mede begrepen ziet in het ontvangen van bijzondere Geestesgaven, maar voor haar geen taak ziet weggelegd voor het blijvende, leidinggevende en gezagvolle onderricht van de gemeente.” (V&A, 79). Deze opvatting spoort met hetgeen het rapport schrijft over de vrouwelijke profetes in het Oude Testament: “Uit wat omtrent de besproken profetessen gezegd is, kan niet afgeleid worden dat de vrouwen een permanente, officiële, leidinggevende positie onder het volk hebben ingenomen.” (V&A, 65).
“Zou men bij 1 Kor. 11: 2-16 nog de vraag kunnen stellen of dit nu wel of niet betrekking heeft op de samenkomst van de gemeente, in 1 Kor. 14 is dit niet onduidelijk. (..) De vrouwen moeten (..) hun plaats weten: hun taak ligt niet in het openbaar spreken, het onderrichten van de gemeente. De mannen geven gezaghebbend onderricht en spreken in de gemeente (samenkomst); dit gekwalificeerde soort spreken is de vrouwen verboden.” (V&A, 80).

Toetsing
Als we deze behandeling van 1 Kor. 11 en 1 Kor. 14 overzien, dan valt op, hoezeer de opstellers van dit rapport hebben geworsteld om beide bijbelgedeelten met elkaar in overeenstemming te brengen. Toetsen we echter het betoog, dan moeten we vaststellen dat het resultaat daarvan niet overtuigend is.
1. Om te beginnen zitten er enkele onduidelijkheden in de gedachtegang van het rapport. Zo wordt enerzijds gesteld, dat onder het in 1 Kor. 11 bedoelde profeteren hetzelfde verstaan dient te worden als in 1 Kor. 14, en anderzijds dat vrouwen niet gezaghebbend en leidinggevend mogen spreken. Aangetoond is echter niet dat het profeteren in 1 Kor. 14 niet een gezaghebbend en leidinggevend spreken is. Verder weten we aan het einde van het betoog nog niet wat onder het ‘bidden en profeteren’ van 1 Kor. 11 verstaan moet worden, en evenmin wordt helder op welke wijze we dit Schriftgegeven vruchtbaar kunnen maken voor de huidige bezinning.
2. Vervolgens zijn bepaalde stellingen in het rapport voor ons besef discutabel. Dat geldt met name voor de hierboven geciteerde zinsnede dat het ‘duidelijk (is) dat de apostel wel de vrouw mede begrepen ziet in het ontvangen van bijzondere Geestesgaven, maar voor haar geen taak ziet weggelegd voor het blijvende, leidinggevende en gezagvolle onderricht van de gemeente.’
Een paar kanttekeningen hierbij:
• Wij vragen ons af waarop die duidelijkheid gebaseerd is. Waar wordt in het Nieuwe Testament een zo overzichtelijk onderscheid gemaakt tussen de blijvende ambten en de verdwijnende Geestesgaven? Wij vonden dit nergens zo terug.
• Vervolgens is het twijfelachtig of dit onderscheid — gesteld dat het gemaakt kan worden — iets oplost. Waarom zou een incidenteel optreden als profeet binnen de samenkomst wel mogen, en een blijvend niet? Als het incidenteel optreden als profeet door vrouwen in de samenkomsten is toegestaan, dan blijkt daaruit immers toch dat er geen sprake was van een principekwestie?
• Tenslotte is het zeer de vraag of — gesteld dus dat het onderscheid tussen verdwijnende gaven en blijvende ambten zich laat verdedigen — het profetische

|39|

spreken tot het tijdelijke en incidentele behoort. Er is vanuit de Bijbel veel voor te zeggen om het profetische spreken sterker met het ambtelijke te verbinden dan het rapport doet. In het Oude Testament vinden we de volgende gegevens: profeten werden van oudsher geroepen; evenals koningen en priesters konden zij gezalfd worden; zij werden door het volk ook als profeten erkend; er waren profetenscholen. Dat alles laat zien, dat de profetie niet een incidenteel, maar een structureel gegeven was in Israëls geschiedenis. Een structureel gegeven, waaraan vrouwen ook hun bijdrage leverden. Het feit dat vrouwen ‘profetes’ genoemd konden worden, geeft daarbij aan dat het om een door anderen erkende functie ging. Op het karakter van het profeteren moeten we ons ook niet verkijken. Profetie is niet alleen hetgeen beschreven wordt in Hand. 11: 27-28, 13: 1-4, 21: 4,11 en 1 Tim. 4: 14 — concrete aanwijzingen van Boven, die tot levensleiding zijn. Profetie is ook ‘de grote daden van God verkondigen’ (Hand. 2: 11). De profetische werkzaamheid, zoals 1 Kor. 14 daarover spreekt, vertoont qua functie op bepaalde punten overeenkomst met onze prediking. Het ‘woord van opwekking’ dat Paulus spreekt in Hand. 13: 15-41 zou heel goed een vorm van profetie genoemd kunnen worden, gelet op het feit, dat ook van de profetenwoorden in 1 Kor. 14 geldt, dat ze dienen tot lering en opwekking (14: 31). Als het gaat over het fundamentele belang van de profetie in de gemeente van Christus valt nog te wijzen op de brief aan de Efeziërs; Paulus gebruikt daar tot drie keer toe de tweeslag ‘apostelen en profeten’ (Ef. 2: 20, 3: 5 en 4: 11).
Kortom, als vrouwen profeteerden, en dat deden ze, dan deelden ze hoe dan ook in een fundamentele bediening, die voor de opbouw van de gemeente essentieel was.

4.5.3.2 Geen vrouwen die leidinggevend functioneerden

Uit het bovenstaande blijkt, dat het meerderheidsrapport van de CG deputaten de betekenis van het (profetische) functioneren van vrouwen in de eerste christengemeenten voor het vraagstuk van de vrouw in het ambt niet groot acht. Dit wordt bevestigd door de wijze waarop het rapport omgaat met andere Schriftgegevens, die op een bediening van vrouwen in het Nieuwe Testament wijzen (V&A, 69-72).

Over Priscilla (Hand. 18: 2,18,26; Rom. 16: 3; 1 Kor. 16: 19 en 2 Tim. 4: 19) schrijft het rapport: “Er valt nergens uit af te leiden dat de aanduiding ‘medewerker’ op een officieel erkende positie in de gemeente van Christus wijst. Wat betreft de nadere uitleg van het evangelie die Priscilla samen met Aquilla aan Apollos heeft gegeven, moet opgemerkt worden dat het daar niet gaat om een vorm van onderwijzen in het openbaar in een positie van gezag en leiderschap.”
Over Euodia en Syntyche (Fil. 4: 2,3): “... ‘medearbeider’ of ‘medewerker’ is een algemeen woord. Het gaat om meehelpen in de ruimste zin van het woord. ... De betekenis hiervan is zo breed dat het van vele activiteiten in de gemeente kan gelden.”
Over Junias/Junia (Rom. 16: 7): “Zelfs al zou Junia een vrouw geweest zijn, dan is daarmee nog niet bewezen dat zij een apostel was. Er is geen dwingende taalkundige reden om vers 7 anders op te vatten dan dat de genoemde personen bekend zijn en in aanzien staan in de kring van de apostelen.”
Over de dochters van Filippus (Hand. 21: 8-9): “De vraag is hoe dit profeteren gezien moet worden. Gaat het om een vorm van gezagvol onderwijs en verkondiging? ... Het is evenwel niet uit Handelingen 21 op te maken of deze vorm van profetie in de openbare samenkomst van de gemeente heeft plaatsgevonden of in een besloten groep. In Hand. 21 is het voorts nog opvallend, dat hoewel de dochters van Filippus het charisma van de profetie bezaten, de profetie over de aanstaande gevangenneming van Paulus niet door een van hen wordt gegeven, maar door een andere profeet die bij Filippus op bezoek was. En deze profeet, Agabus, is een man.”

|40|

Over Febe (Rom. 16: 1,2): “Het is niet met zekerheid vast te stellen in welke betekenis Paulus hier het woord ‘diakonos’ gebruikt...”

Opnieuw enkele kanttekeningen:
• Ook nu maakt het rapport onderscheid tussen ‘in het openbaar' en 'in de besloten groep’. Het toont niet aan, dat dit onderscheid ten tijde van het Nieuwe Testament bestond en het verantwoordt niet waarom dit onderscheid relevant zou zijn voor de hele bezinning. Mocht het onderscheid al relevant zijn, dan toont het naar onze mening alleen maar aan, dat het verbod op onderricht door vrouwen aan mannen geen principekwestie was — anders zou het immers ook voor de besloten groep hebben gegolden — maar een kwestie van wijsheid en mores.
• Ook nu maakt het rapport onderscheid tussen ‘gezagvol onderwijs’ en — ja, wat moet er nu eigenlijk komen ... ‘vrijblijvend onderwijs’?
• Bepaald suggestief is de wijze waarop Agabus ter sprake komt. Wat wil het rapport zeggen? Dat het eigenlijke werk door Agabus verricht wordt? Of dat het profetische spreken tot Paulus door een man verricht wordt?

Overzien we datgene wat in het rapport gezegd wordt over het (profetische) functioneren van vrouwen in de Bijbel, dan valt ons op hoe eenzijdig de exegetische keuzes gemaakt zijn. Er worden allerlei onderscheidingen in het leven geroepen (blijvend en tijdelijk, publiek en besloten, officieel en niet-officieel) om de spanning weg te nemen die er tussen de verschillende Schriftgegevens lijkt te bestaan. Hoewel niemand die alle bijbelse gegevens geheel sporend wil krijgen eraan ontkomt om bepaalde ‘hulplijntjes’ te gaan trekken, menen we dat de wijze waarop het meerderheidsrapport dat gedaan heeft niet verdedigbaar is.

4.5.4 Conclusie

Al met al lijkt het gegeven, dat ook vrouwen profeteerden en in de gemeente van Christus functioneerden overeenkomstig de gaven die de Heilige Geest gaf, een verdedigbaar argument te zijn om vrouwen te betrekken bij de bediening van het Woord en het geven van geestelijke leiding aan de gemeente van Christus.

 

4.6 De ‘hoofd-lijn’: de plaats van de vrouw in de gemeente volgens de ‘zwijgteksten’

In paragraaf 4.2 gaven we een kort overzicht van de argumenten die aangevoerd worden door de tegenstanders van de vrouw in het ambt. De lijn die zij vanuit Gen. 1-3 menen te kunnen trekken naar de ‘zwijgteksten’ in het Nieuwe Testament bleek daarin een belangrijke rol te spelen.
Ook nu willen we, net als bij de bespreking van de ‘gaven-lijn’ in de vorige paragraaf, na een uiteenzetting van deze gedachtegang, de critici ervan aan het woord laten, waarna we weer afsluiten met de indruk die wij aan de bezinning overhouden.

4.6.1 Argumenten vóór

De zogeheten zwijgteksten zijn 1 Kor. 14: 34-35 en 1 Tim. 2: 11-15.
In 1 Kor. 14: 34-35 staat: “Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen in de gemeenten zwijgen; want het is haar niet vergund te spreken, maar zij moeten ondergeschikt blijven, zoals ook de wet zegt. En als zij iets willen te weten komen, moeten zij thuis haar mannen om opheldering vragen; want het staat lelijk voor een vrouw om te spreken in de gemeente.”
In 1 Tim. 2: 11-15 lezen we: “Een vrouw moet zich rustig, in alle onderdanigheid, laten onderrichten, maar ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft of gezag over de man

|41|

heeft; zij moet zich rustig houden. Want eerst is Adam geformeerd, en daarna Eva. En Adam heeft zich niet laten verleiden, maar de vrouw is door de verleiding in overtreding gevallen; doch zij zal behouden worden, kinderen ter wereld brengende, indien zij blijft in geloof, liefde en heiliging, met ingetogenheid.
Binnen de gedachtegang van tegenstanders van de vrouw in het ambt vervullen deze verzen een sleutelrol.
Dat geldt ook voor 1 Kor. 11: 2-16, hoewel dat geen zwijgtekst is in de strikte zin van het woord.44

De uitleg is in grote lijnen als volgt.45 Deze bijbelgedeelten behandelen de positie die vrouwen in de gemeente van Christus hebben in te nemen. Die blijkt er één van ondergeschiktheid te zijn. Vrouwen hebben mannen als hoofd te eren en dienen houding en kleding hierop af te stemmen. Paulus beroept zich hiervoor met apostolisch gezag op Gen. 1-3. Daaruit blijkt dat er een in de schepping verankerde en dus tot het wezen van het man- en vrouw-zijn behorende ongelijkheid bestaat tussen man en vrouw, die gevolgen dient te hebben voor de positie waarin zij ten opzichte van elkaar staan en de taak die beiden in huwelijk en kerk is toebedeeld.

4.6.2 Een eerste indruk

De eerste indruk die wij als commissie van deze gedachtegang hebben is, dat die een sterke en verdedigbare indruk maakt.
• Het gaat in deze verzen om de gang van zaken in de samenkomsten van de gemeente.
• De door Paulus gebruikte termen zijn algemeen: 1 Kor. 11: 2-16 spreekt over 'iedere man' (vers 3 en 4) en ‘iedere vrouw’ (vers 5), 1 Kor. 14: 34 over vrouwen in het algemeen, evenals 1 Tim. 2: 11.
• In zijn verantwoording grijpt Paulus expliciet terug op Gen. 1-3. In 1 Kor. 11: 7-9 klinken o.a. Gen. 1 en 2 door. In 1 Kor. 14: 34 lijkt hij naar het Oude Testament46 te verwijzen, en in 1 Tim. 2: 13-14 beroept hij zich op zowel Gen. 2 als 3.

4.6.3 Argumenten tégen

Toch zijn er ook tegen deze gedachtegang nogal wat bezwaren ingebracht. Zo menen velen dat de hierboven genoemde teksten niet leren dat er een in de schepping verankerde algemene ongelijkheid in positie tussen man en vrouw bestaat, en dat zij daarom ook niet in stelling gebracht mogen worden gebracht tegen de vrouw in het ambt. De — ook in 4.2 al genoemde — argumenten daarvoor luiden:
• Het doel van Paulus’ voorschriften is, dat er door de gemeente van Christus geen aanstoot wordt gegeven, opdat de bediening van het evangelie geen schade lijdt.
• Paulus’ voorschriften beogen uitsluitend dat gehuwde vrouwen binnen de gemeentelijke samenkomsten hun eigen man met het respect blijven bejegenen dat hem krachtens zijn hoofd-zijn toekomt.


44 In een ander verband zullen we nog uitvoerig op 1 Kor. 11 terugkomen, zie hoofdstuk 7.2.
45 Zie SR91, 66vv. Meerderheidsrapport CG Deputaten, V&A, 73-81, 88-95. Zie ook Boer, C. den, Man en vrouw, 97-128.
46 In het licht van Paulus’ gebruik van het woord wet in 1 Kor. 9: 8-9; 9: 19vv; 14: 21 en 15: 56 is het aannemelijk om te denken aan een beroep op het Oude Testament. Zie B.2.4.

|42|

• Niet alle spreken wordt de (getrouwde) vrouw verboden, maar uitsluitend dat spreken, waardoor een vrouw zich hetzij boven haar eigen man, hetzij boven andere mannen verheft.
Ook nu willen we de voors en tegens van deze argumenten tegen elkaar afwegen, vanuit de vraagstelling of ze als exegetisch weerwerk verdedigbaar, of zelfs overtuigend te noemen zijn.

Er is echter één — niet onbelangrijk — geschilpunt, dat we hier met opzet niet uitgebreid bespreken. Dat is de betekenis van het woord ‘hoofd’ (Grieks: kephalè). De precieze betekenis is — zoals nog zal blijken in hoofdstuk 7 — niet van invloed op het standpunt dat we in dit rapport zullen innemen. Daarom vinden we een weergave en toetsing van de omvangrijke discussie daarover, hier niet functioneel. Omdat echter in een rapport als dit informatie over de ontwikkelingen in de opvattingen over kephalè niet geheel ontbreken mag, wijden we daaraan de onderstaande beknopte excurs.

De betekenis van kephalè, 'hoofd'
SR91 (52-64) geeft een uitvoerig en nog altijd waardevol overzicht van twee tegenover elkaar staande uitlegposities: hoofd als gezagsdrager en hoofd als bron. Ook in de periode na het Studierapport zijn deze beide posities met verve verdedigd.47SR91 zelf echter trekt op verschillende plaatsen in twijfel of er wel gekozen moet worden tussen deze twee posities. Bij de bespreking van Kol. 2: 10 (“... die het hoofd is van alle overheid en macht”) schrijft het rapport (p. 56): “Men zou, wijzend op vers 9 en 10a, kunnen denken aan Christus als de bron van alle leven en kracht van iedere gezagsdrager. In het licht van vers 8 en vers 15 valt echter ook veel te zeggen voor de betekenis van ‘heerser’. Maar ook als voor de betekenis ‘bron’ wordt gekozen, is het element van gezag niet afwezig vanwege de relatie tot ‘alle overheid en macht’. Opnieuw kan evenwel worden gevraagd of er zo gekozen moet worden. ‘Hoofd van alle overheid en macht’ kan ook wijzen op de hoge positie van Christus als zodanig. Noch het element van gezag, noch dat van bron staat dan op de voorgrond. Dat daarmee een element van gezag verbonden is, ligt voor de hand, vooral gezien de toevoeging ‘van alle overheid en macht’. De nadruk ligt dan echter op de hoge positie van Christus als zodanig. Hij is hoger dan alle overheid en macht.” Over 1 Kor. 11 schrijft het rapport: “Ook bij 1 Korinthe 11 kunnen we de vraag stellen of we de juiste betekenis op het spoor komen door uit te gaan van de keuze tussen ‘hoofd’ als ‘gezagsdrager’ en ‘hoofd’ als ‘bron’. (..) Misschien zou vers 3 als volgt omschreven kunnen worden: voor iedere man komt Christus op de eerste plaats, voor de vrouw komt de man op de eerste plaats, voor Christus komt God op de eerste plaats.”48
In de wetenschappelijke bezinning op ‘hoofd’ hebben ook anderen de laatste jaren afstand genomen van een beperking van de keuzemogelijkheden tot ‘gezagsdrager’ of ‘bron’. Recent heeft Andrew Perriman betoogd dat ‘hoofd’ in principe niets anders betekent dan ‘eerste’, ‘prominent’, ‘voorste’, ‘bovenste’, ‘op de voorgrond tredend’.49 Het woord


47 Een gezaghebbende vertegenwoordiger van de opvatting ‘hoofd = gezagsdrager’, is W. Grudem. Zie onder andere Grudem, W., The Meaning of Kephalè (“Head”): A response to Recent Studies, in Recovering Biblical Manhood and Womanhood: A Response to Evangelical Feminism, ed. J. Piper and W. Grudem, Wheaton, Illinois 1991, 425-468. Het CG meerderheidsrapport sluit zich bij deze visie aan (V&A, 87). Een representatieve verdediger van de opvatting ‘hoofd = bron’ is C.C. Kroeger. Zie onder andere Kroeger, C.C., Head, in Dictionary of Paul and his Letters, A Companion of Contemporary Biblical Scholarship, Downers Grove, Illinois; Lei oester, England 1993, 375-377.
48SR91, 63. Het rapport voegt hieraan de volgende boeiende zin toe: “Bij een dergelijke omschrijving, zoals trouwens ook bij andere opvattingen, is onmiddellijk duidelijk, dat dit “op de eerste plaats” slechts betrekkelijk is. Als hoofd van de gemeente is Christus ook hoofd van de vrouw, rechtstreeks en niet via de man.”
49 Zie Speaking of Woman. Interpreting Paul, Leicester 1998, 13-60. “The basic sense, applicable in all the passages considered, appears rather to be that which is first, foremost, prominent, pre-eminent.” (20). En: “In the tumult of lexicological battle the simplest, most obvious, most natural, most elegant metaphorical sense — one which in effect underlies both these misinterpretations — has been largely overlooked: that which is most prominent, foremost, uppermost, pre-eminent.” (32). Het betoog van ➝

|43|

kephalè duidt de positie aan die iets of iemand heeft te midden van anderen. Deze positie sluit niet uit dat het ‘hoofd’ gezag draagt. Op zich echter is de notie van gezag niet met het gebruik van het woord ‘hoofd’ gegeven.50
Tot zover een beknopt overzicht van de posities die momenteel worden ingenomen. Het laatste woord in deze discussie zal nog wel niet gesproken zijn. Aangezien, zoals gezegd, de keuzes die wij in dit rapport maken en de voorstellen die we doen niet afhankelijk zijn van de precieze interpretatie van ‘hoofd’, menen we het hierbij te kunnen laten.

4.6.3.1 “.. want het staat lelijk..”

Binnen de argumentatie van tegenstanders van de vrouw in het ambt neemt het beroep dat Paulus op de schepping doet een heel prominente plaats in. Dat lijkt voor de hand te liggen. Heeft ‘de schepping’ niet een dusdanig natuurlijk primaat, dat de andere teksten zich daaromheen dienen te scharen en daaraan dienstbaar moeten worden gemaakt? Zegt ook de kerkenraad van Zalk en Veecaten niet terecht, dat Paulus’ voorschriften de cultuur overstijgen, doordat hij ze baseert op de nog ongecultiveerde schepping? (zie A.4, 131). Toch brengen velen hiertegen bezwaren in.51
Met name wordt erop gewezen, dat Paulus in zijn pleidooi in 1 Kor. 11 voor het bedekken van het hoofd door de vrouw weliswaar teruggaat tot de schepping (vers 7-9), maar dat daarnaast andere argumenten een minstens zo belangrijke rol spelen:
• In 1 Kor. 11 komt tot vier keer toe het woord ‘schande’ voor; in vers 4-6 met betrekking tot het blootshoofds dan wel met gedekten hoofde bidden en profeteren, en in vers 14 met betrekking tot het dragen van lang haar.52
• Verder stelt Paulus ook (vs. 10): “Daarom moet een vrouw een macht op het hoofd hebben, vanwege de engelen.”
• Dan schrijft hij (vs. 13): “Oordeelt zelf: is het voegzaam dat een vrouw met ongedekte hoofde tot God bidt?”. En (vs 14): “Leert de natuur zelf u niet...?
Ook elders vinden we een vergelijkbare argumentatie:
• Zo onderbouwt Paulus in 1 Kor. 14: 34-35 zijn standpunt niet alleen door te wijzen op de wet, maar hij zegt ook: “Want het staat lelijk voor een vrouw te spreken in de gemeente.”
• In het verlengde hiervan ligt, dat Paulus in 1 Tim. 2: 11-12 twee maal het woord ‘rustig’ gebruikt. Uit de nadruk die Paulus daarop legt wordt opgemaakt, dat hierin zijn motief doorklinkt. Hij wil voorkomen dat de gemeente door het gedrag van vrouwen in opspraak komt.53
Tenslotte is het, volgens hen die in deze lijn denken, opmerkelijk dat Paulus in 1 Tim. 2 zich niet alleen beroept op de volgorde waarin Adam en Eva geschapen werden, maar ook op de volgorde waarin zij in zonde vielen: “Adam heeft zich niet laten verleiden,


➝ Pernman wordt door Anthony C. Thiselton overtuigend genoemd. Zie Thiselton, Anthony C, The First Epistle to the Corinthians (New International Greek Testament Commentary), Grand Rapids/Cambridge/ Carlisle, 2000, 812. Ook Thiselton (812-822) biedt een waardevol overzicht van de discussie zoals die tot op heden gevoerd is.
50 Citaat: “To be ‘head’ of a group simply means to occupy the position at the top or front. While the sort of prominence signified by ‘head’ will in many instances entail authority and leadership, it is a mistake to include this as a part of the common denotation of the term”. Zie Perriman, Andrew, Speaking, 31.
51 Representatief is het betoog van J.M. Aarnoudse. Zie ‘Vlees ...’, in het bijzonder 46vv.
52 Zie onder andere Jong, H. de, Paulus’ gebruik van Genesis 1-3 inzake de man-vrouw-verhouding, in Begeleidend schrijven. 25 jaar Theologische StudieBegeleiding, Amsterdam 1994, 69 en 73. Hij meent, dat in de notie van de schande het eigenlijke argument voor de dag komt: ‘dat wat aanvoelenderwijs voor gepast of niet gepast gehouden wordt’, 73.
53 Zo Jong, H. de, Paulus’ gebruik, 81, met een verwijzing naar 1 Tim. 2: 1 en 1 Tess. 4: 10b-12. Idem Aarnoudse, J.M., ‘Vlees ...’, 50.

|44|

maar de vrouw is door de verleiding in overtreding gevallen.” Ook in dit geheel eigensoortige argument hoort men doorklinken wat Paulus beweegt om de vrouwen het onderricht te verbieden. In 1 Timoteüs zijn namelijk verschillende aanwijzingen te vinden, dat in het bijzonder vrouwen verleidbaar waren voor de boodschap van dwaalleraren.54

Voorstanders van de vrouw in het ambt merken naar aanleiding van deze argumentenreeks van Paulus op, dat in de hedendaagse bezinning door tegenstanders alle nadruk gelegd wordt op slechts één argument, te weten de scheppingsorde, hoewel dat bij Paulus één van de argumenten naast vele andere is. Het zicht op de bedoeling van Paulus’ vermaan gaat hierdoor verloren, zo stelt men. Paulus’ doel is, dat er geen aanstoot wordt gegeven, opdat de bediening van het evangelie geen schade lijdt.

Toetsing
Als we het voorgaande overzien, kan vastgesteld worden, dat in 1 Kor. 11 en 1 Tim. 2 het beroep van Paulus op Gen. 1-3 één van de pijlen op zijn boog is, maar dat dit argument blijkbaar niet allesbeslissend is. Uit de wijze waarop hij zijn argumenten presenteert valt niet op te maken dat het zwaartepunt daarvan ligt bij het beroep op Gen. 1-3.
Natuurlijk vraagt dit vervolgens om een verklaring. Immers als het beroep op de schepping beslissend en doorslaggevend zou zijn — zoals door sommigen wordt gesteld — wat kan Paulus er dan toe bewogen hebben, om ook zo nadrukkelijk andere argumenten in stelling te brengen? De gedachte dat de voorschriften van Paulus in deze Schriftgedeelten minstens door de context gekleurd zijn en daardoor mogelijk zelfs beslissend bepaald, lijkt ons dan ook zeker verdedigbaar.
We zouden het zo kunnen stellen: Verzet Paulus zich in 1 Kor. 11 tegen het met onbedekt hoofd profeteren, omdat dat een aantasting is van de scheppingsorde, of brengt hij de scheppingsorde ter sprake, om te voorkomen dat vrouwen met onbedekt hoofd bidden en profeteren? Anders gezegd: is het handhaven van de scheppingsorde Paulus’ doel, of is het beroep op de scheppingsorde middel tot het bereiken van een ander doel, te weten te voorkomen, dat vrouwen door met onbedekt hoofd te profeteren hun hoofd en zichzelf en de gemeente van Christus, dus Christus zelf, schande en schade aandoen? Voor dit laatste pleit, dat Paulus juist in de brief aan de Korinthiërs zeer contextgevoelig bezig is.

We stuiten hier op wat wel genoemd wordt het ‘missionaire motief’ in de apostolische voorschriften van Paulus. Hierover het volgende:
In 1 Kor. 9: 19-23 (zie ook 10: 32-33) maakt Paulus duidelijk hoezeer hij én Gods eer zoekt én bereid is zich aan te passen bij de mensen met wie hij in de diverse concrete situaties te maken heeft: de Joden is hij een Jood geworden, de Grieken een Griek. En telkens klinkt het refrein: om mensen te winnen. Zoals hij het zelf samenvat, in vers 22b: “voor allen ben ik alles geweest, om in elk geval enigen te redden.”
Ook in de kwestie van het spreken in tongen en het profeteren ontleent Paulus één van zijn argumenten aan het missionaire karakter van de gemeente. In 1 Kor. 14 heeft hij eerst de opbouw van de gemeente genoemd als reden om liever te profeteren dan in tongen te spreken (althans in de gemeentelijke samenkomsten), en vervolgens voegt hij daar in vers 23-25 nog het missionaire motief aan toe: het profeteren is niet alleen binnen-gemeentelijk van groter belang dan het spreken in tongen, maar ook als het gaat om het bereiken van hen die (nog) niet geloven.


54 Aarnoudse, J.M., ‘Vlees ...’ 51vv.

|45|

Ook in Rom. 14 speelt dit motief een belangrijke rol. Om een typerend woord te noemen: in Rom. 14: 20a zegt de apostel: “Breek niet ter wille van spijs het werk Gods af.” Voor Paulus is er kennelijk een rangorde: ‘het werk Gods’ gaat voor alles. Dat betekent niet dat spijs onbelangrijk is, maar wel dat het geen absolute waarde heeft; het heeft waarde als en in zoverre het dienstbaar is aan ‘het werk Gods’. Het kleinere belang is ondergeschikt aan het grotere. Wat bedoelt Paulus hier met het werk van God? Nu, dat is dat Christus over doden en over levenden heerschappij zal voeren (vers 9), dat mensen voor wie Christus gestorven is, niet ten verderve zullen gaan (vers 15) — het is, in drie woorden samengevat: rechtvaardigheid, vrede en blijdschap, door de heilige Geest (vers 17). Ook in 1 Tim. 2 komen we dit missionaire motief tegen. Als reden voor de in dit hoofdstuk gegeven voorschriften wordt in vers 3-7 genoemd dat God wil dat alle mensen behouden worden, en dat Paulus als verkondiger en apostel van dit Evangelie de wereld in is gezonden: “daarvan wordt getuigd te juister tijd”. De bepalingen in vers 8-15 zijn — getuige ook de woorden die de overgang markeren van vers 1-7 naar deze verzen 8-15: “Ik wil dan...”te verstaan als verbijzonderingen van wat in vers 2 genoemd wordt: “een stil en rustig leven () in alle godsvrucht en waardigheid.” En zo verbaast het dan ook niet om in vers 9 te lezen dat vrouwen zich ‘zedig en ingetogen’ moeten kleden, en in vers 10 een beroep te vinden op datgene wat ‘betaamt’. Ook hier geldt: de invulling van wat ‘zedig en ingetogen’ is, en van datgene wat ‘betaamt’, wordt bepaald door de concrete wereld en tijd waarin de gemeente van Christus leeft. Doorslaggevend voor Paulus is dat zulke dingen nooit in de weg mogen staan aan het leren kennen van Christus als Verlosser.

We constateren dat Paulus steeds bereid is alles dienstbaar te maken aan de verkondiging van het Evangelie van Christus. Zo kan de apostel zelfs zeggen dat Christus hem niet gezonden heeft om te dopen, maar: “om het Evangelie te verkondigen” (1 Kor. 1: 17); een Evangelie dat in één zin is samen te vatten: “Jezus Christus en die gekruisigd” (1 Kor. 2: 2). Het is dit Evangelie, en de doorwerking daarvan in de wereld en in mensenlevens, waaraan Paulus de richting ontleent die hij wijst in zeer concrete situaties die zich in de gemeente voordoen. Vanuit dit centrum wordt de weg zichtbaar en begaanbaar. Zo zien we dit missionaire argument een rol spelen. Telkens blijkt het voor Paulus een belangrijke overweging te zijn als het gaat om de vraag hoe de christelijke gemeente zich dient op te stellen in de wereld. In die zin kan gezegd worden dat de wereld een stevig woordje meespreekt in de kerk.

Evaluatie
Het moge duidelijk zijn, dat wij onder de indruk zijn van de kracht van deze argumentatie tegen de overheersende plaats die aan het beroep op de schepping wordt toegekend. Alleen, wanneer is een bepaalde argumentatie zo dwingend en overtuigend dat daaraan als het ware een canonieke status verleend mag worden? Als we vanuit deze vraagstelling de bovenstaande argumentatie benaderen, dan zouden we die zeker ‘goed verdedigbaar’ willen noemen, maar niet ‘gezaghebbend’. Degenen die tegen de vrouw in het ambt zijn, kunnen immers nog altijd — en met enig recht — een ander gedachtespoor blijven volgen. Om twee dingen te noemen:
• Laat het zo zijn, dat de scheppingsorde voor Paulus meer middel is dan doel, dan kunnen we nog niet om het simpele gegeven heen, dat Paulus zich erop beroept. Dat feit alleen al veronderstelt het bestaan van een dergelijke orde en dat impliceert, dat we daarmee bij de inrichting van het (gemeentelijke) leven rekening hebben te houden.
• Ook zou gesteld kunnen worden dat Paulus in 1 Kor. 11 uit didactische overwegingen meerdere sporen bewandelt. Zijn dóél is het handhaven van de scheppingsorde in de gemeente van Christus. Zijn uitgangspunt is immers volstrekt helder: “Ik wil echter, dat gij dit weet: het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd der vrouw is de man, en het hoofd van Christus is God” (1 Kor. 11: 3). Maar om dat doel te bereiken voegt hij andere, voor de gemeente mogelijk meer grijpbare, bevattelijke argumenten toe; zo wil hij door middel van een optelsom aan

|46|

argumenten zijn lezers overtuigen van de noodzaak zich aan de scheppingsorde te houden.

Samenvattend menen we te kunnen stellen dat de argumenten die worden ingebracht tegen de dominantie van het scheppingsorde-motief in 1 Kor. 11 goed verdedigbaar zijn. Zij zijn echter niet dusdanig dwingend, dat op basis daarvan uitgesloten kan worden dat Paulus’ hoofdmotief in deze verzen het handhaven van ‘de scheppingsorde’ voor man en vrouw is.

4.6.3.2 Vrouwen, weest úw man onderdanig

Een volgend argument dat door sommige voorstanders van de vrouw in het ambt wordt gebruikt betreft de reikwijdte van de voorschriften van Paulus. Terwijl tegenstanders menen dat het in de betreffende teksten gaat over de verhouding tussen man en vrouw in het algemeen, verdedigen zij de opvatting dat het Paulus er uitsluitend om gaat de getrouwde vrouw een gepaste houding ten opzichte van haar eigen man voor te houden.56 In de gemeentelijke samenkomsten mag de vrouw op geen enkele wijze de indruk wekken boven haar man te staan. Paulus zou deze maatregel hebben voorgeschreven om de huwelijkse verhoudingen in bescherming te nemen. Een toepassing van deze teksten op de kwestie van de vrouw in het ambt wordt door deze uitleg uitgesloten.57

Argumenten vóór inperking van de reikwijdte
1. Een eerste argument dat in dit verband naar voren wordt gebracht, is de parallel met Ef. 5: 22-33. Algemeen betogen degenen die deze opvatting voorstaan, dat 1 Kor. 11: 2-16 uitgelegd moet worden vanuit Ef. 5: 22-33. Daar zegt Paulus (vers 22-23): “Vrouwen, weest aan uw man onderdanig als aan de Here, want de man is het hoofd van zijn vrouw, evenals Christus het hoofd is van zijn gemeente.” De Statenvertaling vertaalt nog preciezer met: “Vrouwen, weest aan uwe eigene mannen onderdanig, gelijk aan den Heere.” Niemand bestrijdt dat het in deze verzen om de onderdanigheid van de vrouw aan haar eigen man gaat. Tevens staat vast dat de man hier het hoofd genoemd wordt van zijn eigen vrouw. Schrift met Schrift vergelijkende wordt hieruit geconcludeerd, dat het ook in 1 Kor. 11: 3 gaat


55 In het bovenstaande is over de betekenis van de schepping voor de verhouding tussen man en vrouw vanuit slechts één gezichtspunt gesproken. Namelijk, of op exegetische gronden staande gehouden kan worden dat Paulus’ beroep op de schepping geen overheersende rol in zijn argumentatie speelt. In hoofdstuk 6 komen we op de betekenis van de orde in de schepping nog uitvoerig terug. We gaan dan in op de vraag die nu is blijven liggen, namelijk in welke zin de schepping normatief genoemd mag worden.
56 Bredere informatie hierover is te vinden in SR91, 64-68.
57 Deze opvatting vindt in Nederland al geruime tijd zijn pleitbezorgers. N.J. Hommes verwijst in zijn nog altijd lezenswaardige boek De vrouw in de kerk. Nieuw-testamentische perspectieven, Franeker 1951, 25 vv. naar een artikel van J. de Zwaan uit 1947, waarin dit standpunt verdedigd wordt. Hommes zelf zit ook op deze lijn. In onze kring heeft D. Holwerda een pleidooi voor deze opvatting gevoerd. Zie De betekenis van ‘authenteoo’, in De Schrift opent een vergezicht, Kampen 1998, 405-409, met name 408; Idem, Discussie-nota, 582vv; Idem, Antwoord aan Ds. G. Janssen, 590. Deze opvatting is ook de hoeksteen van de lijvige studie van George en Dora Winston, Vrouwen, een boek dat ons in een reactie vanuit de kerken ter lezing is aanbevolen. Hun stelling is, dat het huwelijk de enige gezagskring is waarin de gezagsverhouding tussen mannen en vrouwen door het geslacht wordt bepaald. Zij verdedigen omstandig, dat in andere gezagskringen, bijvoorbeeld die van de kerk, vrouwen krachtens hun functie gezag mogen hebben over mannen (inclusief hun echtgenoot). Volgens hen hebben de beperkingen, die aan vrouwen binnen de gemeente worden opgelegd, altijd met het schenden van de in de schepping gefundeerde gezagsrelatie tussen de getrouwde man en vrouw te maken.

|47|

over de verhouding tussen de getrouwde man en vrouw. Hieraan wordt toegevoegd, dat uit niets in de Bijbel valt op te maken, dat er zoiets bestaat als een algemeen hoofd-zijn van het mannelijke geslacht over het vrouwelijke geslacht. Tevens wordt hieraan toegevoegd, dat dit tot ongerijmdheden zou kunnen leiden.58
2. Een tweede argument dat naar voren wordt gebracht, is dat Paulus in deze hoofdstukken teruggrijpt op Gen. 2 en 3. En aangezien daarin slechts gesproken wordt over de relatie tussen man en vrouw in het huwelijk, kan het niet anders, of Paulus heeft in 1 Kor. 11 en 14 en in 1 Tim. 2 de relatie tussen echtparen op het oog.
3. Vervolgens zijn er argumenten die uit de teksten zelf worden aangedragen, om aan te tonen dat het hier uitsluitend om de huwelijkse verhouding zou gaan. Hier zijn met name twee argumenten van belang:
a. grammatica en woordgebruik: ondanks het ontbreken van het bepaalde lidwoord is het — gelet op het Griekse taaleigen — heel wel denkbaar, dat Paulus doelt op mannen en vrouwen die in een specifieke relatie tot elkaar staan;
b. specifieke tekstonderdelen: uit 1 Kor. 14: 35 en 1 Tim. 2: 15 valt af te leiden dat het voorschrift de gehuwde vrouwen betreft.

Toetsing
Om de genoemde argumenten te toetsen bespreken we ze punt voor punt.
1. Het eerste argument, het beroep op Ef. 5:22-33, is begrijpelijk.59 Hier wordt een doorzichtige Schriftplaats (Ef. 5) gebruikt voor de uitleg van een — in de ogen van sommigen — minder doorzichtige plaats (1 Kor. 11). Toch valt er tegen dit beroep op Ef. 5: 22-33 bezwaar aan te tekenen. In Ef. 5 en 6 hebben we te maken met een zogenaamde huistafel, een systematische behandeling van de diverse relaties waarin een mens in het alledaagse leven staat. Het huwelijk maakt hiervan deel uit. In 1 Kor. 11 liggen — net als in 1 Tim. 2 — voorschriften betreffende de gemeentelijke samenkomsten voor ons. We hebben dus niet met een zuivere parallel te maken. Daar komt bij, dat Paulus in Ef. 5: 22-33 evident over de gehuwde man en vrouw spreekt. In 1 Kor. 11 en 1 Tim. 2 is dat niet evident (zie hieronder). Een andere gedachtegang is daarom evenzeer verdedigbaar, namelijk, dat vrouwen in de gemeentelijke samenkomsten een bescheiden plaats hebben in te nemen, omdat aan het ‘mannelijk geslacht’ een hoofdrol is toebedeeld, zonder dat dit vervolgens impliceert, dat iedere vrouw aan iedere man onderdanig heeft te zijn als ware hij haar eigen man.

Een argument hiervoor zou men kunnen vinden in 1 Kor. 14: 34-35. Men zou in deze tekst de volgende gelaagdheid kunnen zien: in vers 34 wordt van vrouwen verwacht, dat zij in de openbare samenkomsten in het geheel niet op de voorgrond treden, omdat zij onderdanig hebben te zijn. Dat betekent niet, dat een vrouw zich met haar vragen tot iedere man kan wenden; heeft zij vragen, dan dient zij zich tot haar hoofd, ofwel haar eigen man, te wenden (vers 35).


58 Hoewel dit strikt genomen geen exegetisch argument is, maar een bijbels-theologisch argument, menen we het hier toch te moeten vermelden, vanwege de rol die het speelt. Men zie Rapport ‘Utrecht’, 9-10; Hommes, J.N., De vrouw, 88vv; Holwerda, D., Antwoord, 590; Winston, George en Dora, Vrouwen, 105.
59 We merken op dat dit argument (hetzelfde geldt trouwens ook voor het tweede) vanaf de zijlijn het primaire exegetische veld wordt binnengebracht. Zo wordt de lezing van 1 Kor. 11: 2-16 sterk beïnvloed door gegevens die van buiten het te lezen Schriftgedeelte zelf komen. Het goed recht om dergelijke argumenten mee te laten wegen willen we niet ontkennen, maar de eerste vraag dient te zijn of binnen het gelezen gedeelte zelf beslissende argumenten voor of tegen deze uitleg te vinden zijn. In die zin vormen de onder punt 3 genoemde argumenten pas echt de proef op de som.

|48|

2. Voor wat betreft het tweede argument, het beroep op Gen. 1-3, willen we herinneren aan de eerder (4.3.2.3 en 4.3.3.4) gemaakte opmerking, dat het niet wenselijk is om het uitgangspunt voor de exegese van de nieuwtestamentische passages te nemen in de exegese van deze oudtestamentische passage en omgekeerd.
3. Daarmee komen we bij de hierboven als laatste genoemde argumenten; namelijk die welke aan de teksten zelf ontleend worden: het taalgebruik en de exegese van specifieke tekstonderdelen.

a. grammatica en woordgebruik
Verschillende exegeten menen dat het heel goed mogelijk is dat Paulus — ondanks de algemeen ogende terminologie — van meet aan de getrouwde man en vrouw op het oog heeft gehad.

D. Holwerda meent, dat degenen die een bepaald lidwoord vóór ‘man’ of ‘vrouw’ nodig achten wanneer echtgenoten bedoeld zijn, uitgaan van een ‘logicistische benadering van het probleem van het gebruik van het artikel in het Grieks.’ Hij wijst er op, dat wanneer twee op elkaar betrokken personen in één adem genoemd worden, het lidwoord meermalen wegblijft. Zie bijv. Mc. 10: 2; Luc. 12: 53; 1 Kor. 7: 10-11.60 Met name George en Dora Winston verdedigen op grond van Paulus’ woordgebruik uitvoerig, dat het in alle gevallen hoogstwaarschijnlijk is, dat het om gehuwden gaat. Op het bezwaar dat de gangbare betekenis van anèr en gunè gewoon ‘man’ en ‘vrouw’ is, reageren zij bij de bespreking van 1 Kor. 11 als volgt: “Daarop is ons antwoord dat dit bepaald niet de betekenis is waarin deze woorden doorgaans door Paulus worden gebruikt. Buiten deze tekst komt anèr 45 keer voor in de brieven van Paulus. In ongeveer driekwart van de gevallen is de vertaling ‘man’ in de zin van ‘echtgenoot’. En gunè komt buiten deze tekst 48 keer voor in de brieven van Paulus. In ongeveer driekwart van de gevallen is de vertaling ‘vrouw’ in de zin van ‘echtgenote’.”61 Bij de bespreking van 1 Tim. 2: 9-15 schrijven ze: “We wezen er al op dat de woorden anèr en gunè bij Paulus in driekwart van de gevallen ‘getrouwde man’ en ‘getrouwde vrouw’ betekenen. Deze betekenis ligt nog meer voor de hand in teksten waar ze naast elkaar in dezelfde context worden gebruikt, zoals 1 Kor. 11: 2-16, 14: 34-35 en 1 Tim. 2: 11-15. Het komt in de brieven van Paulus maar zelden voor dat deze twee woorden, wanneer ze samen worden gebruikt, niet op een echtpaar duiden.”62

Inderdaad kunnen de woorden anèr en gunè — afhankelijk van de context waarin ze voorkomen — met ‘echtgenoot’ of ‘echtgenote’ vertaald worden. Wordt over gehuwden in één adem gesproken, dan kan het bepaald lidwoord of het bezittelijk voornaamwoord ontbreken (zie de door D. Holwerda aangehaalde voorbeelden), zij het dat dit geen regel is (zie bijvoorbeeld 1 Kor. 7 en Ef. 5: 22-33).
Toch kunnen we niet meegaan met de gedachte dat de woorden anèr en gunè op zich ‘echtgenoot’ of ‘echtgenote’ kunnen betekenen, zoals George en Dora Winston stellen. Deze bewering moet zelfs onjuist genoemd worden. Daar waar in het Nieuwe Testament gesproken wordt van mannen en vrouwen, gebeurt dat meestal om het geslacht aan te duiden. Als getrouwde mannen of vrouwen worden bedoeld, maken nadere bepalingen dat wel duidelijk.63


60 Holwerda, D., Antwoord, 590.
61 Winston, George en Dora, Vrouwen, 108.
62 Winston, George en Dora, Vrouwen, 120.
63 Men kan dat nagaan aan de hand van een Griekse concordantie van het Nieuwe Testament. Een voorbeeld: 1 Kor. 7 (16 x ‘man’, 22 x ‘vrouw’) begint als volgt (vers 1b-2): “... het is goed voor een mens (anthroopos) niet aan een vrouw (gunè) verbonden te zijn, maar met het oog op de gevallen van hoererij moet ieder zijn eigen vrouw (tèn heautou gunaika) hebben”, etc. Door deze zinnen is het volstrekt duidelijk, dat het in het vervolg — waar anèr en gunè zonder nadere bepaling gebruikt worden — om echtparen gaat. Dat geldt ook voor alle overige keren waar in dit hoofdstuk de woorden anèr en gunè gebruikt worden. Zo zouden we vele voorbeelden kunnen noemen.

|49|

Kortom, de stelling dat in 1 Kor. 11 de woorden man en vrouw — die in geen enkel geval een nadere bepaling hebben — zonder meer als ‘getrouwde man/vrouw’ vertaald kunnen worden is naar onze overtuiging niet correct. En al wordt hier over man en vrouw in één en dezelfde context gesproken, het is, als we het geheel van de tekst overzien, bepaald niet zo dat mannen en vrouwen voortdurend in één adem genoemd worden.
Tenslotte, mocht hier sprake zijn van een grammaticaal correcte mogelijkheid, dan is daarmee nog niet aangetoond, dat ook zo vertaald moet worden!

Overzien we het gebruik van de woorden anèr en gunè in 1 Kor. 11, dan constateren we dat Paulus voortdurend het enkelvoud gebruikt en dat er geen enkele keer sprake is van een nadere bepaling waaruit evident blijkt dat hij het uitsluitend heeft over de getrouwde man en vrouw. Met name valt dit op als hij in vers 12 zegt: “Want gelijk de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw.” Hij duidt hier op de onderlinge afhankelijkheid van het mannelijk en het vrouwelijk deel der mensheid. Dat sommigen daaruit concluderen dat Paulus hier in algemene termen spreekt over de verhouding tussen het mannelijk en het vrouwelijk geslacht in de gemeente van Christus, laat zich billijken. Hoe wij ons deze afhankelijkheid vervolgens dienen voor te stellen is een vraag die voor de exegese van de onderhavige Schriftplaats niet relevant is.

b. specifieke tekstonderdelen
Met name valt hier te denken aan 1 Kor. 14: 35 (“... moeten zij thuis haar mannen om opheldering vragen...”) en 1 Tim. 2: 15 (“... kinderen ter wereld brengende ...”). In beide gedeelten opent Paulus heel algemeen. In 1 Kor. 14: 34: “... moeten de vrouwen in de gemeente zwijgen.” In 1 Tim. 2: 11: “Een vrouw moet zich rustig, in alle onderdanigheid laten onderrichten...”. Vanuit het oogpunt van grammatica en woordgebruik is er geen reden om hier meteen al met ‘gehuwde vrouw(en)’ te vertalen.
Maar moet, gelet op het vervolg waarin Paulus spreekt over ‘haar mannen thuis vragen’ en ‘kinderen ter wereld brengende’, toch niet gesteld worden dat Paulus van meet aan gehuwde vrouwen voor ogen had toen hij zijn voorschriften gaf? Hoewel dit mogelijk is, vloeit het niet noodzakelijk uit zijn betoog voort. Feit immers is, dat de begintermen zo algemeen en massief zijn. Het argument dat het — op grond van de zinsneden die verder in de vermaning volgen — in eerste aanleg al om gehuwde vrouwen gaat, is dan ook verre van dwingend. De slotwoorden van 1 Kor. 14: 35, die een extra onderbouwing vormen van het zwijggebod, zijn opnieuw in zeer algemene termen gesteld: “Want het staat lelijk voor een vrouw te spreken in de gemeente.” Gesteld dat de spits van Paulus’ betoog hier inderdaad zou liggen in het niet in verlegenheid brengen van de eigen man, waarom zegt hij dan niet gewoon: “Het staat lelijk voor een vrouw om in de gemeente haar man/haar hoofd te bruuskeren of in verlegenheid te brengen”?

Evaluatie
Hoewel er argumenten van verschillende aard kunnen worden aangevoerd voor de opvatting dat Paulus in de 'zwijgteksten' regelingen treft met het oog op de verhouding tussen de met elkaar gehuwde mannen en vrouwen in de gemeente, is onze commissie van mening, dat die zeker niet dwingend zijn.

4.6.3.3 “.. het is haar niet vergund te spreken ..”

In 1 Kor. 14: 34-35 en 1 Tim. 2: 1-15 worden aan (getrouwde?) vrouwen enkele beperkingen in hun functioneren binnen de gemeentelijke samenkomsten opgelegd.

|50|

In 1 Kor. 14 staat dat vrouwen in de gemeente hebben te zwijgen (sigan). Paulus staat niet toe dat zij spreken (lalein). Mochten zij iets te weten willen komen (manthanein), dan moeten zij thuis haar mannen om opheldering vragen (eperootan).
In 1 Tim. 2: 11-15 lezen we dat vrouwen zich moeten laten onderrichten (manthanein). Hij staat niet toe dat vrouwen onderricht geven (didaskein) en gezag hebben (authentein).
Over de precieze betekenis van een aantal van deze Griekse werkwoorden is veel te doen. Met name voorstanders van de vrouw in het ambt menen dat uit de in hun ogen correcte interpretatie van de gebruikte werkwoorden blijkt, dat vrouwen in deze bijbelgedeelten een specifiek soort spreken en leren verboden wordt, in het bijzonder dat spreken en leren waardoor zij zich als vrouw boven haar eigen (of een andere) man verheft.

Het is ondoenlijk om in het verband van dit hoofdstuk alle argumenten voor de diverse interpretaties te noemen en te bespreken. Geïnteresseerden verwijzen we naar de deelstudie in Bijlage B over de ‘zwijgteksten’ in 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2. Degenen die zich de moeite van de lezing van dit ‘taaie stuk’ willen besparen verwijzen we naar de slotconclusie aan het einde daarvan.
Die luidt: “Vatten we onze bevindingen samen, dan hebben we enerzijds laten zien, dat bepaalde exegetische keuzes beslist beter verdedigbaar zijn dan andere. Anderzijds stelden we meer dan eens vast dat er bij deze twee besproken tekstgedeelten ingrijpende, maar niettemin legitieme verschillen zijn in exegetische keuzes. Dit zou volgens onze commissie een reden moeten zijn om deze twee gedeelten niet de sleutelpositie te geven in de discussie over de openstelling van de ambten voor vrouwen, die ze met name bij tegenstanders daarvan doorgaans krijgen.” We kunnen ons voorstellen dat deze conclusie wat mager oogt. Valt er niet meer te zeggen dan dit wat bleke ‘Non liquet?’64 Om onze conclusie te verantwoorden willen we daarom kort de vinger leggen bij enkele zwakke schakels in de betogen van zowel voor- als tegenstanders van de vrouw in het ambt.

4.6.3.4 Het onopgeloste raadsel van 1 Korintiërs 14: 34-35

De reden waarom verondersteld wordt, dat in 1 Kor. 14 een specifiek soort spreken verboden wordt, is gelegen in het eerder genoemde spanningsveld tussen 1 Kor. 11: 5 en 1 Kor. 14: 34-35. Er is daarom een vrij brede eensgezindheid bij voor- en tegenstanders van de vrouw in het ambt over de opvatting, dat het in 1 Kor. 14 over een specifieke vorm van spreken en leren moet gaan waarvan vrouwen zich te onthouden hebben.65 Zie paragraaf 4.5.3.1 voor enkele citaten uit het meerderheidsrapport van de CG deputaten.

Toch doet het opmerkelijke gegeven zich voor, dat naar de indruk van onze commissie 1 Kor. 14: 34-35 ‘op zich’ zonder meer als een absoluut spreekverbod voor vrouwen in de gemeentelijke samenkomsten uitgelegd zou kunnen worden. In vers 34 stelt Paulus in het algemeen, dat vrouwen in de gemeente hebben te zwijgen. In vers 35 geeft hij vervolgens aan hoe absoluut hij dit verbod bedoelt, namelijk dat, zelfs indien vrouwen iets zouden willen vragen, zij dat thuis aan hun mannen hebben te doen. Vrijwel geen enkele exegeet


64 ‘Non liquet’, dat wil zeggen ‘de zaak is (mij) nog niet duidelijk’. Een uitdrukking uit het Romeinse recht die in de geschiedenis van de exegese een aanduiding is geworden voor het opschorten van het exegetische oordeel.
65 Een overzicht van een aantal varianten is te vinden in Carson, D.A., ‘Silent in the Churches’: On the Role of Woman in 1 Corinthians 14: 33b-36, in Recovering Biblical Manhood and Womanhood: A Response tot Evangelical Feminism, ed. J. Piper, W. Grudem, Wheaton, Illinois 1991, 140-153.

|51|

echter wil deze uitleg voor zijn rekening nemen66, ook niet degenen die tegen de vrouw in het ambt zijn. We vestigen de aandacht op dit gegeven, niet om daarmee een pleidooi te voeren voor deze exegese, maar wel om aan te geven dat het schier onmogelijk is deze puzzel ‘pas’ te leggen. Immers, als de meest voor de hand liggende exegese al niet aanvaardbaar is, wat zal dan het lot van de minder voor de hand liggende exegeses zijn?

Vervolgens hebben de exegeten uiteraard geprobeerd te bepalen welk specifiek spreken en zwijgen de apostel hier dan zou kunnen bedoelen; er is daarvoor aandacht gegeven aan de context, aan een vergelijking met andere Schriftplaatsen en aan de kennis van de toenmalige zede. Maar overeenstemming is op dit punt ver te zoeken. Sommigen menen dat het in 1 Kor. 14 om de publieke samenkomst gaat en in 1 Kor. 11 om de besloten kring, anderen dat hier het toetsen van de profetieën verboden wordt, weer anderen, dat het hier zou gaan om het geven van een consult omtrent de praktische uitwerking van het evangelie in het dagelijkse leven.
Van alle oplossingen die aangedragen zijn om het spreken en zwijgen van 1 Kor. 14: 34-35 nader te bepalen, moeten we constateren dat niet één daarvan ons dusdanig overtuigd heeft, dat we die als gezaghebbend naar voren durven schuiven. 1 Kor. 11 op zich lijkt duidelijk: vrouwen mogen spreken in de samenkomsten. 1 Kor. 14 op zich lijkt ook duidelijk: vrouwen moeten zwijgen in de samenkomsten. Maar 1 Kor. 11 en 14 samen in één overtuigend plaatje onderbrengen, daarvoor kunnen wij de kerken nog geen definitief overtuigende oplossing rapporteren.67

Een illustratie
Ter illustratie van het bovenstaande, en vanwege het belang van de zaak, willen we nog wat breder ingaan op één zowel erudiet als markant betoog dat uit onze eigen kring afkomstig is.
D. Holwerda heeft verdedigd, dat het onderricht geven (didaskein) in 1 Tim. 2: 12 moet worden verstaan als keerzijde van het onderricht ontvangen in 1 Kor. 14: 35.68 In 1 Tim. 2 zou het gaan om het geven van aanwijzingen voor de praktijk van het christelijke leven, in 1 Kor. 14 om ‘publiek consult vragen in praktische problemen’. Een belangrijke steun voor het toekennen van deze specifieke betekenis aan didaskein in 1 Tim. 2: 12 vormt voor Holwerda zijn constatering dat er, zowel in 1 Kor. 14, als in 1 Tim. 2, in de onmiddellijke context van het verbod om onderricht te geven, sprake is van beperkingen van ruimte voor een vrouw om onderwijs te ontvangen.
Bij de woorden ‘thuis aan haar eigen man vragen’ in 1 Kor. 14: 35 bepleit Holwerda de specifieke betekenis ‘consulteren’, dat wil zeggen: ‘raadplegen over wat iemand moet doen in zijn of haar bijzondere situatie’. Voor deze specifieke betekenis van het betreffende werkwoord verwijst hij naar Luc. 3: 10-14, waar het in deze betekenis twee maal wordt gebruikt.
Daar het leven van de gehuwde vrouw zich in die dagen geheel in de huiselijke sfeer afspeelde, hadden dergelijke vragen altijd te maken met het gezinsleven en de huiselijke omstandigheden. Paulus zegt daarvan, dat de gehuwde vrouw problemen die zich in haar


66 Fee, Gordon D., The First Epistle to the Corinthians (The New International Commentary on the New Testament), Grand Rapids 1987, 705-707, verdedigt een ‘absolute’ strekking, dat wil zeggen een algeheel verbod om zich uit te spreken in het openbaar. Echter voor hem is o.a. de kennelijke strijdigheid met 1 Kor. 11 geen probleem, gezien zijn tekstkritische opvatting, dat vers 34 en 35 niet van Paulus afkomstig zijn. Zie verder B.2.2.
67 In dit opzicht is er niets veranderd sinds Wolfgang Schrage ruim veertig jaar geleden in zijn nog altijd hoog gewaardeerde studie Die konkreten Einzelgebote in der paulinischen Paranese. Ein Beitrag zur neutestamentlichen Ethik, Gütersloh 1961, 126 schreef: “Am schwierigsten ist nach wievor das Verhältnis von 1 Kor. 11,5 und 1 Kor. 14,34f. Wir brauchen hier nicht auf den umstrittenen Versuch einzugehen, das Schweigegebot für die Frau in Kap. 14 und die Konzession der Prophetie in Kap. 11 doch noch auf einen Nenner bringen zu wollen; eine befriedigende Lösung liegt bis heute nicht vor.”
68 Holwerda, D., Discussie-nota, 580-584; Idem, Antwoord, 589.

|52|

leven voordoen thuis met haar eigen man moet bespreken. Door deze privé-zaken niet met haar man te bespreken, maar met andere mannen, tast zij de goede zede aan, en miskent zij het gezag van haar man.
We stellen vast dat de gedachtegang van D. Holwerda niet nalaat indruk te maken, met name vanwege de veelheid aan gegevens die ter sprake worden gebracht en waaraan ook recht lijkt te worden gedaan. Veel puzzelstukjes vallen door zijn exegese op hun plaats en de relevantie van zijn exegese voor de bezinning op de vrouw in het ambt is groot.
Onmiskenbaar is echter ook dat in zijn betoog de duiding van de ene term zo nauw samenhangt met die van de andere, dat één zwakke schakel de hele argumentatieketting kan doen breken. Gaan we het betoog van Holwerda vervolgens nauwkeurig na, dan blijken er terminologische onzekerheden te zijn, die afbreuk doen aan de overtuigingskracht van het geheel.
Holwerda meent dat de woorden ‘opdat allen leren (dit is: onderricht ontvangen) en allen bemoedigd worden’ uit vers 31b terugslaan op de lering (didachè) van vers 26b.69 De combinatie van het onderricht ontvangen en de lijdende vorm van bemoedigen (parakalein) vindt hij opmerkelijk, omdat elders het onderricht geven vaak in combinatie met de bedrijvende vorm van parakalein voorkomt. Dit vormt voor hem een extra aanwijzing om het ‘manthanein’ hier en in vers 35 te verstaan in de eerder besproken specifieke betekenis van ‘consult krijgen over praktische vragen’. Het geval echter wil dat in 1 Kor. 14: 3 de bemoediging (afgeleid van parakalein) vrucht is van de profetie. En in 1 Kor. 14: 31 bepleit Paulus dat de profeten één voor één profeteren, opdat allen lering (!) en bemoediging ontvangen (hína pántes manthánoosin kaì pántes parakaloontai). De wijze waarop Holwerda ‘lering en opwekking’ in 1 Kor. 14: 31b verbindt met de didachè uit vers 26, in plaats van met het profeteren uit vers 31, komt op ons daarom nogal geforceerd over. Het ligt even goed in de lijn van het tekstgeheel om het willen leren van de vrouwen in vers 35 te betrekken op het profetenwoord uit vers 31, als op de lering uit vers 26 — gesteld al dat er tussen deze twee gekozen zou moeten worden. Dit echter heeft regelrechte consequenties voor de duiding van het woord ‘vragen’ in vers 35. Hoewel dat inderdaad de specifieke betekenis van ‘consulteren’ kan hebben, ligt het niet langer voor de hand om daarin die specifieke betekenis te horen. Het zou hier, net als bijv. in Mc. 9: 32, heel goed de betekenis kunnen hebben van ‘om nadere uitleg vragen’. En stukje bij beetje blijken de puzzelstukjes minder sluitend te liggen dan het aanvankelijk leek.

Evaluatie
Al met al menen wij dat vele vraagstukken rond de precieze duiding van de door Paulus in 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 gebruikte termen tot op heden onopgelost zijn gebleven. Om deze reden willen wij ervoor pleiten om zeer terughoudend te zijn in het als kroongetuigen opvoeren van deze teksten, hetzij voor het ene, hetzij voor het andere standpunt.

4.6.4 Conclusie

Velen doen een beroep op Gen. 1-3, 1 Kor. 11: 2-16, 1 Kor. 14: 34-35 en 1 Tim. 2: 11-15 om vrouwen uit het ambt te weren. Anderen bestrijden dat beroep met een veelheid van tegenwerpingen. Hoewel daarover nog veel meer te zeggen zou zijn, menen we toch dat het mogelijk is op dit moment een balans op te maken. Die is dat wij vaststellen dat de exegetische hoofdlijn van tegenstanders van de vrouw in het ambt, die uitgaat van een blijvende, in de schepping gefundeerde orde voor man en vrouw, op meerdere punten verdedigbare gronden heeft; zij is op basis van exegetische argumenten niet sluitend weerlegd. Ook een meer gedetailleerde studie van de ‘zwijgteksten’ laat zien dat heel wat exegetische argumenten van de voorstanders bepaald niet dwingend zijn.


69 Holwerda, D., Discussie-nota, 584: “.. (er) blijkt dus een lijn te lopen van ‘didachè’ in v. 26 via ‘manthanein’ (+ ‘parakalein’) in v. 31b naar ‘manthanein’ in v. 35.”

|53|

4.7 Resultaten van de toetsing van het Schriftberoep

We hebben onze aandacht vooral gericht op rapporten die uitgaan van het standpunt dat de Heilige Schrift één doorgaande lijn bevat, die ons als kerken bij besluitvorming zou moeten leiden. Onze indrukken vatten we als volgt samen:
• Ons vallen de enorme ijver en ernst op, waarmee de Schriften onderzocht zijn. Hoewel de conclusies die voor- en tegenstanders uit de Schriftgegevens trekken haaks op elkaar staan, is de weg waarin zij tot hun conclusies komen principieel dezelfde. We menen dat dit bijzondere aandacht verdient. Een enkele keer wekken zowel voor- als tegenstanders van de vrouw in het ambt de indruk, dat andersdenkenden de Schrift op de één of andere manier niet serieus lezen of nemen. Wij menen, dat hiervan geen sprake hoeft te zijn. Wij stellen voor dit gezamenlijk te onderkennen, in de verwachting dat deze herkenning een kerkelijke bindmiddel zal blijken te zijn, ook wanneer opvattingen en praktijk uiteen zouden gaan lopen.
• Zowel in het ene als in het andere plaatje zitten verdedigbare, soms zelfs overtuigende elementen. Wij kunnen ons voorstellen, dat velen overtuigd worden door de lijn die vanuit Joël 2, via de rol die vrouwen spelen in het Nieuwe Testament, getrokken wordt naar een standpunt voor de vrouw in het ambt. En dat van deze opvatting vervolgens Gal. 3: 26-28 het stralende middelpunt vormt, kunnen we ons ook indenken. Wij kunnen ons eveneens voorstellen, dat velen overtuigd worden door de lijn, die vanuit Gen. 1-3, via de ‘zwijgteksten’ naar een standpunt tegen de vrouw in het ambt getrokken wordt.
• Er zijn geen doorslaggevende redenen gevonden waarom één van deze argumentatielijnen, met uitsluiting van de andere, tot de enig juiste zou moeten worden verklaard. Noch voor- noch tegenstanders hebben ons kunnen overtuigen van de wijze waarop zij alle bijbelse gegevens in één totaalplaatje hebben ondergebracht. Wij zouden er om deze reden voor willen pleiten, dat zowel voor- als tegenstanders van de vrouw in het ambt terughoudend zijn in het verabsoluteren van de wijze waarop zij de exegetische puzzel gelegd hebben.
• Onze stellige indruk is, dat er op basis van de Schrift vanuit verschillende invalshoeken naar dit vraagstuk gekeken kan worden.

Deze bevindingen brengen ons tot de volgende slotsom:
Het opmerkelijke verschijnsel doet zich voor, dat juist het principe dat we tot uitgangspunt genomen hebben — zorgvuldig luisteren naar de Schriften — ons als resultaat oplevert, dat duidelijkheid en eenduidigheid in deze weg niet gevonden zijn.
We zijn ons ervan bewust dat deze conclusie iets onbevredigends, mogelijk zelfs iets teleurstellends heeft. Een duidelijke exegetische positiebepaling, in de ene of de andere richting, zou meer helderheid hebben gebracht. Om een dergelijke eenduidigheid te bereiken zouden we als commissieleden echter ons ‘exegetische geweten’ geweld hebben moeten aandoen.

Vervolgens hebben we als commissie de vraag onder ogen gezien, hoe we nu met deze conclusie verder moeten. Moeten we de kerken voorstellen opnieuw terug te gaan naar de Bijbel, samen te blijven lezen, nog grondiger te exegetiseren, het Schriftonderzoek nog grootschaliger aan te pakken, totdat er wel exegetische duidelijkheid komt? Het bovenstaande onderzoek biedt voor ons besef echter te weinig aanknopingspunten om de kerken te adviseren het in die richting te zoeken. Integendeel, we zijn als commissie gaandeweg tot de overtuiging gekomen, dat in de weg van de exegese geen duidelijk en eenduidig antwoord is te vinden.

|54|

Daarom stellen we, op dit punt gekomen, een andere aanpak voor, die in de hoofdstukken 5 tot 7 uitvoerig besproken zal worden. We menen namelijk dat bovenstaande conclusie ons aanleiding geeft om ons gericht te bezinnen op het karakter van de Heilige Schrift als zodanig en op datgene wat wij van de Bijbel wel of niet kunnen en mogen verwachten.
Daarmee komen we opeens in een heel ander aandachtsveld terecht. Niet meer primair de uitleg van de Schrift, maar veelmeer de Schrift zelf en het gebruik en de toepassing ervan vragen dan om aandacht. Zoals uit het volgende hoofdstuk zal blijken, hebben ook deze punten de aandacht van verschillende van onze kerken gehad.

Rapport VOP (2003) H5

|55|

 

5 Van Schriftuitleg naar Schriftverstaan

 

In het vorige hoofdstuk gingen we uitvoerig in op de uitleg van de Bijbelteksten waarop voor- en tegenstanders van de vrouw in het ambt zich beroepen: 'de exegese in de strikte zin van het woord'. In de bezinning spelen echter tal van andere dan exegetische argumenten een rol, die soms van beslissende betekenis zijn voor de standpuntbepaling.1 In dit hoofdstuk willen we die argumenten in kaart brengen en de eigen aard ervan benoemen. Ook gaan we in op de vraag of, en zo ja in welke mate deze argumenten bespreking behoeven in ons rapport. Om te beginnen willen we concreet aangeven om welke argumenten het gaat.

 

5.1 De hermeneutische bezinning in onze kerken en in de CGK

5.1.1 Het blijvende en tijdelijke in de bijbelse voorschriften

In het rapport van Arnhem lezen we de vraag: “Zijn deze teksten bedoeld als overal en altijd geldende richtlijnen, of gaan ze in op heel specifieke situaties en zijn ze niet algemeen van toepassing voor onze situatie?”2 Het is duidelijk dat het in deze vraag niet zozeer gaat over de juiste uitleg van de teksten, als wel over het juiste gebruik en de juiste toepassing daarvan. Het antwoord op deze vraag veronderstelt daarom niet alleen exegetische bekwaamheid, maar vooral inzicht in de boodschap van de Bijbel als geheel.

Wanneer we nagaan hoe deze vraag door Arnhem en door andere kerken beantwoord wordt, krijgen we het volgende beeld.

Cultuur- en situatiebepaald3
Arnhem zelf heeft vanuit twee invalshoeken naar het vraagstuk gekeken, te weten die van de exegese en die van het verschil in situatie en cultuur tussen de Bijbel en ons. Deze invalshoeken samen leiden tot de volgende gedachtegang:
Exegese wijst uit, dat Paulus’ voorschriften cultuurbepaald zijn.
Aangezien wij in een andere cultuur leven, waarin man en vrouw in principe gelijkwaardig zijn, is er voor ons geen bezwaar om in deze tijd vrouwen toe te staan een ambt te bekleden.4
In het besluit van Heemstede-Haarlem is alleen al het verschil in cultuur en situatie van doorslaggevende betekenis voor de standpuntbepaling. In een brief aan de gemeente schrijft de raad: “... onze tijd, cultuur en situatie zijn zo anders dan die waarin Paulus het ambtelijk functioneren van vrouwen in het ambt van oudste verbood, dat een klakkeloze toepassing van die voorschriften onrecht zou doen aan onze eigen verantwoordelijkheid hier en nu te zoeken naar eigentijdse toepassing van de bijbelse boodschap.”5


1 In het vorige hoofdstuk maakten we hierop reeds attent, zie het slot van paragraaf 4.1.
2 Zie Acta Doorn 1998, 179.
3 In de nu volgende weergave van reacties uit die we uit de kerken ontvingen, worden herhaaldelijk de woorden ‘cultuur’ en ‘situatie’ gebruikt. We vestigen er de aandacht op, dat deze twee onderscheiden dienen te worden. Onder ‘cultuur’ verstaan we de menselijke vormgeving van het leven in de breedste zin van het woord, de ‘beschavingstoestand’. Onder een ‘situatie’ verstaan we de omstandigheden, waarin iemand of iets zich op een bepaald tijdstip bevindt. Cultuurbepaald is daarom niet hetzelfde als situatie-bepaald.
4 Acta Doorn 1998, 198-201, m.n. 201. Zie ook A.2. Idem Culemborg, zie A.5.3 en Eindhoven, zie A.5.5. Het cultuurbepaalde speelt verder een rol bij Dordrecht en Utrecht, zij het niet als zelfstandig argument, maar als gevolgtrekking: Paulus’ voorschriften zijn evident situatie- en cultuurbepaald en daarom hoeven zij in onze heel andere cultuur en situatie niet op dezelfde wijze toegepast te worden. Zie A.5.4 en A.5.9.
5 Zie A.4.

|56|

Tegelijk zijn er kerken die benadrukken dat aan het verschil in cultuur geen, of geen grote, betekenis mag worden toegekend.
Langerak: “Tijdens de avond over een aantal teksten concludeerden we, dat een aantal zaken, zoals letterlijk zwijgen, betrekking hebben gehad op een specifieke plaats en tijd (zie ook Ef. 6: 5.) Het hoofdschap is echter gebaseerd op de schepping en derhalve niet aan plaats of tijd geboden.”6
Urk schrijft over de verantwoording van Arnhem: “Wat ons daarin vooralsnog stoort, is de manier waarop de cultuur-wereld van toen vergeleken met die van vandaag, min of meer als hermeneutische sleutel wordt aangewend. In de Bijbel is sprake van een ander cultuurpatroon dan dat in onze dagen en daarom zijn wij niet meer gehouden aan zaken die in de Bijbel cultuur-gebonden zijn. Vraag is dan wel: wie maakt uit wat wel of niet cultuurgebonden is?”7
Zalk en Veecaten schrijft over het rapport van Arnhem: “Exegetisch, maar vooral hermeneutisch is er teveel af te dingen op het rapport. Natuurlijk is de Bijbel in een bepaalde cultuur geschreven. Maar de betreffende voorschriften van Paulus overstijgen nu juist de cultuur, doordat hij ze baseert op de nog ongecultiveerde schepping.”8

Heilshistorisch bepaald?
In de jaren tachtig schreef Eindhoven een rapport dat in de Akta van de LV Dronten is opgenomen.9 Een belangrijke rol speelde daarin de gedachte dat de HERE God in een historisch proces van vele eeuwen, in de weg van de geleidelijkheid, een einde heeft gemaakt aan de scheefgroei die door de zonde in de man-vrouwverhouding is ontstaan. Ook werd gesteld, dat de gemeente van Christus in deze tijd geroepen is Gods heilsplan voor man en vrouw verder tot realisering te brengen. In de stukken die wij uit de kerken ontvingen, treffen we nog slechts enkele sporen aan van een aansluiten bij of een discussie over deze ‘heilshistorische’ invalshoek.10
Urk overigens neemt een precies tegengestelde tendens waar: “Wij zijn echter van mening, dat de voorbeelden van zelfstandig optredende vrouwen in de Bijbel niet veel te zeggen hebben over de onderhavige kwestie. (..) Door algemene gevolgtrekkingen uit bijzondere situaties, wordt het zicht op de voortgaande geschiedenis van God met Zijn Kerk onder Oud en Nieuw Verbond op z'n minst vertroebeld. (..) Paulus zegt op een beslissend moment in de Kerkgeschiedenis: “De vrouwen moeten in de gemeente zwijgen”.”11

5.1.2 Kerk en wereld

Naast deze argumenten die de juiste omgang met en toepassing van de bijbelse gegevens betreffen, worden in de bezinning ook heel andersoortige argumenten ter sprake gebracht.
Te denken valt aan de verhouding waarin kerk en wereld tot elkaar staan. Het rapport van Arnhem stelt: “We mogen de laster van onze samenleving niet onnodig over ons heen halen”12. Waarop Zalk en Veecaten reageert: “Dat wereldgelijkvormigheid een bedreiging voor onze gemeenten kan vormen — een aspect dat absoluut aandacht moet krijgen


6 Zie A.5.7.
7 Zie A.4.
8 Zie A.4.
9 Zie Akta van de Landelijke Vergadering van de Nederlands Gereformeerde Kerken te Dronten 1988, Amsterdam 1989, 39-50.
10 Dit waren een brief van mw. Holwerda-van ’t Veer, die de kerk van Ede ons stuurde, het huidige stuk van Eindhoven en het stuk van Amsterdam.
11 Zie A.4.
12 Zie Acta Doorn 1998, 193. Vergelijk 179. Zie ook A.2.

|57|

in de onderhavige discussie — laat men volledig buiten beschouwing.”13 En Zaandam schrijft: “Het evangelie verdraagt geen compromis met de samenleving.”14 Te denken valt ook aan de wijze waarop we de emancipatie van vrouwen hebben te beoordelen. Urk vraagt: “Was het wel goed, dat in de samenleving de positie van de vrouw werd, zoals ze geworden is? Zitten er alleen maar positieve kanten aan de emancipatie van de vrouw?”15 Culemborg stelt: “Meer dan eens moesten eerst een cultuur de schellen van de ogen vallen, moest er eerst aandacht voor maatschappelijke nood of een maatschappelijk tekort gevraagd en verworven worden, alvorens de ogen opengingen voor schatten in de Schriften waar eerder overheen gelezen was.”16 Eindhoven tenslotte benoemt beide kanten: Enerzijds worden de vruchten van de emancipatie door christenen dankbaar geplukt, anderzijds zijn de ideologische motieven van de vrouwenemancipatie vreemd aan het evangelie.17

Uit deze citaten blijkt, hoezeer wij als mensen van deze tijd zelf ook meekomen in de beoordeling van 'de vrouw in het ambt'. Hoe komt het dat de balans bij de één doorslaat naar een keuze vóór de vrouw in het ambt en bij een ander tégen? Hoe komt het, dat standpunten gaandeweg bijgesteld kunnen worden? Hoe komt het, dat voorstanders zelfs tegenstanders kunnen worden en omgekeerd? Naar onze overtuiging ontkomen we er niet aan de verklaring hiervoor mede te zoeken in andere dan exegetische factoren. Niet alleen iemands leeservaring, maar ook zijn of haar levenservaring, persoonlijke beleving, beoordeling van maatschappelijke ontwikkelingen en de keuze van het hart spelen een rol. Juist bij een vraagstuk als dat van de vrouw in het ambt doet dit alles evenzeer mee als het lezen van de Schrift ‘op zich’.
Dat wil niet zeggen dat de uitkomst van de bezinning uitsluitend op dergelijke factoren terug te voeren zou zijn; alsof exegese niet meer is dan een verlengstuk van onze menselijke vooronderstellingen. Maar in de accenten die we leggen, juist als we de balans opmaken, spelen factoren als deze wel mee. Het zou zelfs wel eens zo kunnen zijn, dat we elkaar nooit zullen verstaan, als we de bezinning beperken tot het niveau van de exegese alleen.

5.1.3 Hermeneutische argumenten

De bovengenoemde argumenten laten zich typeren als ‘hermeneutisch’.18 Deze aanduiding wordt ook door de kerken gebruikt; en meer dan één kerk spreekt in dat verband de wens uit dat we ons als kerken op deze hermeneutische argumenten zullen bezinnen, vanwege de invloed die zij uitoefenen op de standpuntbepaling.

Barendrecht schrijft: “(..) dat de hermeneutische bezinning wel terdege gevoerd moet worden. Want blijven de blijkbaar veranderde inzichten in de hermeneutiek wel zonder gevolgen voor andere terreinen van ons geloof?”19 Amsterdam grijpt terug op een brief uit 1984 waarin o.a. staat te lezen: “Maar beiden, voor- en tegenstanders van de vrouwelijke ouderling, zijn het erover eens dat we het begrip ‘tijdgebondenheid’ als uitlegkundige sleutel,


13 Zie A.4.
14 Zie A.4.
15 Zie A.4.
16 Zie A.5.3.
17 Zie A.5.5.
18 Het rapport van Arnhem introduceert de term ‘hermeneutiek’. De hermeneutische bezinning vormt ook de kern van dat rapport. Zie Acta Doorn 1998, 188vv. Zie ook A.2.
19 Zie A.3. Amstelveen zegt hetzelfde, zij het meer impliciet, zie A.4.

|58|

vooral in zijn gevolgen, niet kunnen overzien. Immers, hoe voorkomen we dat vitale delen van de Schrift met behulp van deze zelfde sleutel van hun kracht worden beroofd?”20 En Urk schrijft: “Het komt ons toch voor, dat zich een emancipatie-drang aangediend heeft, die de hermeneutiek (uitlegregels) en de exegese (uitleg) onder druk zet. Helaas is de discussie over het functioneel Bijbellezen, de ‘nieuwe’ hermeneutiek, niet voortgezet na de LV van Apeldoorn.”21

5.1.4 De rapporten van de Christelijke Gereformeerde Deputaten (1998)

Ook in het meerderheids- en minderheidsrapport van de CG Deputaten speelt een bezinning op de hermeneutiek een rol, centraler zelfs dan in de meeste rapporten en reacties die we uit onze kerken ontvingen.22 In kleine letters geven we hieronder een korte weergave daarvan. Ten eerste, omdat daaruit blijkt, dat in deze zusterkerken dezelfde bezinning plaatsvindt, en ten tweede omdat die bezinning heel helder maakt hoe ingrijpend de verschillen zijn en vanaf welk punt de meningen uiteen lopen.

Overeenkomsten tussen meerderheids- en minderheidsrapport
Gaan we de beide rapporten langs, dan vallen de volgende overeenkomsten op.23 Beide stellen dat de Schrift meer dan een mensenwoord is, omdat zij Gods Woord is. Beide wijzen in vrijwel gelijke bewoordingen zowel een omgang met de Schrift af, die afbreuk doet aan de Bijbel als Gods Woord, als fundamentalistische en biblicistische Schriftopvattingen, waarbij niet of nauwelijks oog is voor de historisch-culturele setting en de heilshistorische verbanden. Beide stemmen in met de opvatting van H. Bavinck, die met zijn leer van de organische inspiratie aandacht vroeg voor de wijze waarop de Heilige Geest mensen met hun eigen vermogens heeft ingeschakeld bij de totstandkoming van de Schrift. Beide benadrukken, dat de hermeneutiek geen eigen leven mag gaan leiden, maar in het nauwste contact met de exegese groeien moet. Beide hanteren dezelfde uitgangspunten in de omgang met en uitleg van de Schriften24, te weten:
1. dat de Schriften Woord Gods zijn
2. dat wij geheel en al zijn aangewezen op de leiding van Gods Geest
3. dat de Schriften zichzelf uitleggen
4. dat de Schriften een hart hebben en een omtrek
5. dat de boodschap van de Schrift tijdbetrokken is
6. dat de Schriften een heilshistorische interpretatie vragen
7. dat wij te rekenen hebben met de verschillende literaire genres in de Schriften.

Verschillen tussen meerderheids- en minderheidsrapport
Naast deze overeenkomsten zijn er ook verschillen tussen de beide rapporten.
Zo wil het meerderheidsrapport “op een onbevangen en tegelijk voorzichtige wijze” over de scheppingsordeningen spreken. Het benadrukt ook, dat we weliswaar niet voorbij kunnen en mogen gaan aan de cultureel-historische setting van de Bijbel, maar dat Gods Woord niet is opgesloten in die culturele omstandigheden. Met name wordt in dit verband gesteld: “Bij een te grote nadruk op de culturele context van de Bijbel als een hermeneutische


20 Zie A.5.2.
21 ZieA.3.
22 Dit blijkt uit een drietal gegevens. Ten eerste gaat in beide rapporten de bezinning op de hermeneutiek aan de exegese vooraf. Daarin wordt de uitgangshouding bepaald voor de lezing van de Schriften. Ten tweede is die bezinning uitvoerig. Tenslotte — en dat met name onderstreept de betekenis van deze hermeneutische bezinning — gaan het meerder- en minderheidsstandpunt in het hoofdstuk over hermeneutiek uiteen.
23 Zie voor het meerderheidsrapport V&A, 48-57 en voor het minderheidsrapport V&A, 102-108.
24 Zie V&A respectievelijk 54-57 en 107. Beide rapporten sluiten aan bij de leesregels die door H.G.L. Peels zijn opgesteld in het artikel Het Woord is leven — over de Heilige Schrift, in Gegrond geloof, Kernpunten uit de geloofsleer. In bijbels, historisch en belijdend perspectief, red. G. van den Brink, M. van Campen & J. van der Graaf, Zoetermeer 1996, 81-86.

|59|

belemmering voor het verstaan van de openbaring van God, dreigt het gevaar van een onkritisch omgaan met het eigen culturele klimaat.”25
Het minderheidsrapport spreekt uit, dat de blijvende relevantie van de Schriften niet in de scheppingsordeningen gelegen is, maar in het grote continuüm van de Schriften, dat is de trouw van God, die schepping, verzoening en voltooiing verbindt. Het concentratie- en zwaartepunt van de bijbelse boodschap is de Here Jezus Christus en het in Hem gekomen heil. Hij is de weg en de waarheid en het leven. Zijn kruis en opstanding zijn de dragende grond van de werkelijkheid. Ja, zij zijn de nieuwe werkelijkheid.27

Overzien we de bezinning die binnen de CGK heeft plaatsgevonden, dan blijkt ook die te gaan over de (hermeneutische) vraag die Arnhem stelde: wat is het blijvende en wat is het tijdelijke in de bijbelse voorschriften?28

Omdat hermeneutische argumenten in de bezinning op de vrouw in het ambt zo’n belangrijke rol spelen en omdat verschillende kerken de wens uitspreken daaraan goede aandacht te geven, gaan we hieronder in op de vraag of en zo ja in welke mate in dit rapport een bezinning op de hermeneutische argumenten gewenst is. Met het oog op lezers die zelden of nooit in aanraking gekomen zijn met ‘hermeneutiek’ willen we echter eerst wat dieper ingaan op het verschijnsel ‘hermeneutiek’ als zodanig.

 

5.2 Hermeneutiek als Schriftverstaan

5.2.1 Begripsbepaling

Het woord ‘hermeneutiek’ stamt af van een Grieks werkwoord hermeneuein, dat onder andere uitleggen en verklaren, vertalen en vertolken betekent.29 De Van Dale omschrijft het woord ‘hermeneutiek’ onder meer30 als de theorie van de exegese.31 Deze omschrijving wordt door het rapport van Arnhem overgenomen en aangevuld. Arnhem verstaat onder hermeneutiek “twee dingen: de regels van de exegese (de theorie van de exegese) en de vraag naar de horizon van een tekst. Dat laatste wil zeggen: elke tekst klinkt in een bepaalde situatie, zowel bij de schrijver als bij de hoorders.”32 Afgezien van de vraag of de wijze waarop Arnhem zich uitdrukt helemaal adequaat is, kan gezegd worden


25V&A, 54.
26V&A, 105.
27V&A, 106.
28 Het meerderheidsrapport, V&A, 51, stelt: “Ondanks de wisselende bedelingen en veranderende culturele omstandigheden zijn er zaken in de Schrift die hun geldigheid temidden van alle wijzigingen behouden.' Het minderheidsrapport stelt in hetzelfde verband de vraag: 'Wat is de constante?”, V&A, 104.
29 H.W. de Knijff schrijft: “Hermes — wiens naam met het woord hermeneutiek samenhangt — is de naam van de bode, die de boodschap der goden aan de mensen overbrengt. Hij deelt niet een onbegrijpelijk orakel mee, maar is de uitlegger van de goddelijke bevelen en wel op zodanige wijze, dat mensen op menselijke manier, in taal en aards begrip, de boodschap verstaan”, Zie Sleutel en slot. Beknopte geschiedenis van de bijbelse hermeneutiek, Kampen 19852, pag. 11.
30Van Dale, Groot woordenboek der Nederlandse taal, Utrecht/Antwerpen12 definieert ‘hermeneutiek’ als ‘leer van de regels en hulpmiddelen die bij de uitlegkunde gebruikt worden, de theorie van de exegese, m.n. van de bijbeluitlegging’.
31 Vermeldenswaard is in dit verband een verwijzing van ds. H. de Jong naar hetgeen H.J. Schilder opmerkte, die het op zijn beurt weer van S. Greijdanus had, namelijk “dat dit te theoretisch geformuleerd was. De indruk zou gewekt kunnen worden dat het mogelijk is hermeneutiek te kunnen bestuderen zonder te exegetiseren. In feite is het juist zo dat hermeneutiek alleen in de nauwste samenhang met de daadwerkelijke exegese geleerd kan worden.” Zie Hermeneutiek, 18.
32Acta Doorn 1998, 188-189.

|60|

dat bovengenoemde aanvulling kenmerkend is voor de ontwikkeling die de bijbelse hermeneutiek heeft doorgemaakt.

Gesteld kan worden dat niet iedereen onder ‘hermeneutiek’ hetzelfde verstaat. In het algemeen kunnen we zeggen dat ‘hermeneutiek’ zich bezig houdt met de methoden en vooronderstellingen met behulp waarvan wij proberen een tekst te verstaan. Als het gaat om het verstaan van de Bijbel, komen daarbij de volgende aandachtsvelden aan de orde:
• In de eerste plaats maakt de bezinning op de exegese, de uitleg van de Bijbeltekst deel uit van de hermeneutiek; waarbij onder exegese wordt verstaan: 'het handwerk van de exegese', het met behulp van grammatica, concordantie, lexica, commentaren en kennis van de historische, sociale en culturele achtergronden ophelderen van de betekenis van een tekst voor de tijd waarin deze geschreven werd.
• In de tweede plaats maakt de bezinning op de theologische vooronderstellingen waarmee de Bijbel gelezen wordt deel uit van de hermeneutiek. Vooronderstellingen, die binnen de gereformeerde hermeneutiek op lezing en herlezing van de Bijbel zelf gebaseerd zijn. Deze zijn onder andere de overtuiging dat de hele Bijbel het Woord van de levende God is. Verder ook, dat de Bijbel een eenheid is, waarvan de delen verstaan dienen te worden binnen het geheel. Een centraal aspect van deze overtuiging is, dat alles in de Heilige Schrift in verband met Christus gezien en verstaan moet worden.33
• Tenslotte richt de aandacht binnen de hermeneutiek zich ook op de ontvangst van de Bijbeltekst door de lezer. Hoe kan de Schrift door mensen uit een geheel andere tijd en wereld verstaan en in het leven geïntegreerd worden?34

Als commissie zien we er vanaf om met een eigen omschrijving van hermeneutiek te komen. Het is niet nodig in het kader van ons rapport en het zal ook niet meevallen een omschrijving te bieden die alle theologen en filosofen bevredigen zal. Wel hebben we terwille van de werkbaarheid een onderscheid gemaakt tussen wat wij noemen Schriftuitleg (exegese) en Schriftverstaan (hermeneutiek). Aan dit onderscheid ligt de gedachte ten grondslag dat er na de Schriftuitleg nog een weg te gaan is alvorens het komt tot Schriftverstaan. In de Schriftuitleg richt de aandacht zich op het Schriftdeel zoals dat begrepen dient te worden binnen zijn eigen context. In het Schriftverstaan richt de aandacht zich op het uitgelegde Schriftdeel zoals dat begrepen dient te worden in onze context, en wel op een dusdanige wijze, dat recht gedaan wordt aan het geheel van de Schriften.
Deze twee, Schriftuitleg en Schriftverstaan, kunnen onderscheiden worden, omdat elk van beide andere vragen aan (de tekst van) de Schrift stelt. In het eerste geval luidt de vraag “Wat staat er?”, in het tweede geval “Wat betekent datgene wat er staat voor ons en onze tijd?” Deze twee vragen hebben elk een eigen blikrichting. Tegelijk willen we ook de nauwe samenhang tussen Schriftuitleg en Schriftverstaan beklemtonen. Zoals er bij de uitleg van de Bijbel een voortdurende wisselwerking moet zijn tussen de kleinste eenheid en het grootste geheel binnen een tekst, zo dient er ook een zelfde wisselwerking te zijn tussen Schriftuitleg en Schriftverstaan. Hierdoor wordt enerzijds voorkomen


33 Zie Greijdanus, S., Schriftbeginselen ter Schriftverklaring, Kampen 1946, 121vv. De inhoudsopgave van dit nog altijd lezenswaardige boek op pag. 222 en 223 biedt een goed overzicht van de uitgangspunten die nog steeds kenmerkend zijn voor de gereformeerde hermeneutiek.
34 Juist dit aspect van de hermeneutiek is de afgelopen anderhalve eeuw in het centrum van de belangstelling komen te staan. Een goed overzicht van deze ontwikkeling biedt het — in noot 29 genoemde — boek van Knijff, H.W. de, Sleutel, 73-81 en 104-115.

|61|

dat exegese een techniek wordt, en anderzijds dat hermeneutiek een eigen leven gaat leiden.

We zijn ons er als commissie overigens van bewust, dat een mens de Bijbel nooit zo kan lezen, dat hij zichzelf geheel losmaakt van de eigen tijd, kennis en levenservaring. Hoewel we met dit inzicht in dit rapport niet veel zullen doen, kunnen we er wel van leren dat we de Schriften steeds weer biddend dienen te lezen, bewust zowel van onze mogelijkheden als van onze beperkingen en in gemeenschap met de kerk van alle plaatsen en alle tijden.

5.2.2 Schriftverstaan in Bijbel en kerkgeschiedenis

De aandacht voor het Schriftverstaan is geen vinding van de 20ste eeuw. Die is al zo oud als de Bijbel zelf en heeft door heel de kerkgeschiedenis heen de lezing, uitleg en toepassing van de Bijbel beïnvloed.

Voor wat betreft de Bijbel zelf willen we ten eerste wijzen op Mc. 12: 28-31. Een schriftgeleerde vraagt Jezus: “Welk gebod is het eerste van alle?” Hierop antwoordde Jezus: “Het eerste is: Hoor, Israël, de Here, onze God, de Here is één, en gij zult de Here, uw God liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht. Het tweede is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.” Jezus beantwoordt deze vraag met een verwijzing naar Deut. 6: 4,5 en Lev. 19: 18. Dit is niet allereerst een staaltje van exegetische bekwaamheid. Nee, wie uit de veelheid het ene weet aan te wijzen waar alles om draait, léést niet alleen intens, maar lééft ook heel intens, en vooral met de HERE.
Boeiend in dit verband is lezing van de parallelle passages in Mat. 22: 34-40 en Luc. 10: 25-28.
In Mat. 22: 40 voegt Jezus aan het gezegde toe: “Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten”. Jezus brengt hier het totaal van de bijbelse geboden onder de koepel van de liefde. De liefde is de bron waaruit alle voorschriften voortvloeien, de liefde is het zuurdesem dat alle geboden doortrekt, de liefde is de maatstaf waaraan God heel het leven meet. Daardoor verliezen de afzonderlijke geboden hun relevantie niet, zij worden echter wel in een dienende relatie tot het liefdegebod geplaatst. Van belang is hier dat de sleutel tot het verstaan binnen de Schrift zelf gevonden wordt. Door het naar voren halen van het dubbelgebod van de liefde wordt de Schrift geen vreemde leesregel opgelegd.
In Luc. 10:25vv is het een wetgeleerde die het dubbelgebod van de liefde noemt als antwoord op de vraag van Jezus: “Wat staat in uw wet geschreven? Hoe leest gij?” Hoe leest gij, dat is de grondvraag van het Schriftverstaan.

In de tweede plaats wijzen we op het veel gebruikte, maar altijd weer treffende Bijbelgedeelte Hand. 8: 26-40. De Ethiopische eunuch is op de weg terug naar zijn vaderland verdiept in de profetieën van Jesaja. De lettertekens en de woorden kan hij lezen, maar verder doolt hij rond in de tekst. Dan stuurt de Here hem een gids, Filippus. Uitgaande van dat Schriftwoord predikt die hem Jezus. Vraagtekens worden tot uitroeptekens dankzij het inzicht dat baan breekt. Dit heeft als consequentie dat de eunuch zich laat dopen en zijn weg met vreugde vervolgt.

Uit de kerkgeschiedenis brengen we het volgende naar voren.
Van de hand van de kerkvader Augustinus stamt één van de oudste en meest invloedrijke boeken over het lezen en begrijpen van de Bijbel.35 Het verdient de aandacht, dat Augustinus aan deze verhandeling over het lezen van de Bijbel een schets van de centrale inhoud van het christelijk geloof vooraf laat gaan. Waarover gaat het in de Bijbel? Augustinus’ antwoord luidt: om het dubbelgebod van de liefde. En dan schrijft hij: “Iedereen die dus denkt de Schrift of een willekeurig gedeelte daarvan te hebben begrepen, maar ondanks dat begrip de tweevoudige liefde, voor God en de naaste, niet heeft opgebouwd, heeft de Schrift nog niet begrepen. Iedereen die er een idee aan ontleent dat nuttig is voor de


35De doctrina christiana, recentelijk voor het eerst in een Nederlandse vertaling verschenen onder de titel Wat betekent de bijbel? Christelijke scholing in tekstbegrip en presentatie, De doctrina christiana, ingeleid, vertaald en toegelicht door Jan den Boeft en Ineke Sluiter, Amsterdam 1999.

|62|

opbouw van deze liefde, maar die niet onder woorden brengt wat de auteur van de bewuste passage kennelijk bedoeld heeft, maakt geen fatale vergissing en liegt absoluut niet.”36 En: “De conclusie is deze: wanneer men tot het inzicht is gekomen dat ‘het doel van de vermaning liefde is, uit een rein hart, uit een goed geweten en een ongeveinsd geloof’, zal men heel zijn begrip van de Schrift op die drie factoren oriënteren en zich vol vertrouwen gaan wijden aan de studie van de Bijbel.”37

Het hanteren van een hermeneutiek gaat dus op de Bijbel zelf terug. En het kan niet anders — zo blijkt uit de kerkgeschiedenis — dat iedereen die de Heilige Schrift leest voor zichzelf bezig is met de vraag hoe die verstaan moet worden. Dat is met het op schrift stellen van Gods Woord gegeven. In een bepaalde tijd, op een bepaalde plaats, hebben bepaalde mensen, in een bepaalde cultuur en situatie, in een bepaalde heilshistorische bedeling, de woorden van God opgeschreven, vastgelegd. Dit historische karakter van de Godsopenbaring maakt een bezinning op het Schriftverstaan onontkoombaar. Een bezinning die steeds weer vrucht draagt als die zich voltrekt in het nauwste en meest persoonlijke gesprek met de HERE, Zijn Woord, de verwerking van dat Woord door de kerk van alle plaatsen en eeuwen en de tijd waarin wij geplaatst zijn. Zo kan de hermeneutiek een sleutel worden die de deur naar het Schriftverstaan opent, hoezeer we er steeds ook op bedacht dienen te zijn dat juist in de hermeneutiek de deur naar het Schriftverstaan ook dichtgedaan kan worden.38

 

5.3 Programma van een gerichte hermeneutische bezinning

Paragraaf 5.1 sloten we af met de vraag of en, zo ja, in welke mate, een bezinning op de hermeneutische argumenten gewenst is.
Gelet op de rol die hermeneutische argumenten in de discussie spelen, is ook naar onze mening een verdere bezinning op ons omgaan met de Bijbel gewenst. Wat betreft de mate waarin dit dient te gebeuren kunnen we onszelf echter beperkingen opleggen. Niet de hele hermeneutiek hoeft aan de orde te komen, een gerichte bezinning volstaat. Onze kerken hanteren immers in hoge mate dezelfde uitgangspunten voor de omgang met en uitleg van de Bijbel.39 Daarom is het onnodig daar in dit rapport nog eens uitvoerig bij stil te staan. Ook is het niet moeilijk om het centrale punt van de gewenste bezinning aan te geven. Dat is de vraag wat in de bijbelse voorschriften omtrent de verhouding tussen man en vrouw het blijvende en het tijdelijke is.
Bij de bezinning op deze vraag concentreren we ons op drie thema’s:
• De contextbepaaldheid van de bijbelse voorschriften en in het bijzonder die van de apostel Paulus als het gaat om de plaats van de vrouw in de gemeente.


36Wat betekent, 67.
37Wat betekent, 69.
38 Van betekenis is een nuchtere opmerking van H.W. de Knijff, die schrijft: “Het hermeneutische grond-kader is een sleutel — oude naam voor een hermeneutiek! — die de toegang opent, maar evenzeer een slot, dat de deur dicht houdt. Zo gezien krijgen in de hermeneutiek zowel de mogelijkheden als de onmogelijkheden van het mens-zijn, in zijn pogingen tot het verstaan van het woord Gods, gestalte. Er is geen reden om in de hermeneutiek te gloriëren en haar als het één en al te beschouwen ... evenmin, om haar achteloos weg te werpen en daarmee ruimte te geven aan het gevaar, door onhelderheid en gebrek aan bezinning aan de boodschap van de bijbel voor deze tijd voorbij te horen, juist terwijl men dacht haar te vernemen.”, Sleutel, 7-8.
39 De in het rapport van de Christelijke Gereformeerde Kerken geformuleerde uitgangspunten — zie hierboven in 5.1.4 — liggen ook ten grondslag aan de reacties die we uit onze kerken ontvingen.

|63|

• De betekenis van ‘de scheppingsorde’ in de Bijbel en in het bijzonder de betekenis daarvan in de voorschriften die Paulus gaf met betrekking tot de plaats van de vrouw in de gemeente.
• De plaatsing van het gegeven dat, ondanks de inspanningen om zorgvuldig te luisteren naar de Bijbel, in de weg van de exegese geen duidelijkheid en eenduidigheid wordt gevonden.
Het laatste thema komt direct voort uit het resultaat van onze bezinning op de Schriftuitleg in hoofdstuk 4. De vraag dringt zich op hoe we dit resultaat moeten plaatsen in het licht van de Bijbel en welke gevolgen het heeft voor de wijze waarop we ons op de Bijbel beroepen.

In hoofdstuk 6 gaan we in op de contextbepaaldheid van bijbelse voorschriften en op het beroep op de schepping. Verder komen aan de orde de menselijke verantwoordelijkheid en in relatie daarmee het karakter van de Bijbel.
In hoofdstuk 7 volgt een toespitsing op het verstaan van enkele van Paulus' voorschriften met betrekking tot de plaats van de vrouw in de gemeente. Ook wordt in dat hoofdstuk ingegaan op in onze kerken levende vragen over een eventuele wereldgelijkvormigheid van de kerk.

Rapport VOP (2003) H6

|64|

 

6 Bezinning op het Schriftverstaan

 

Het vorige hoofdstuk sloot af met het formuleren van een programma voor hermeneutische bezinning. In dit hoofdstuk gaat het achtereenvolgens over de contextbepaaldheid, het beroep op de scheppingsorde en het karakter van de Bijbel in relatie tot de menselijke verantwoordelijkheid.

 

6.1 Bijbelse voorschriften in hun context

In deze eerste paragraaf willen we laten zien dat er een sterke verwevenheid bestaat tussen de bijbelse voorschriften en de context waarbinnen zij gegeven zijn. Dat loopt uit op het op een rij zetten van een aantal consequenties hiervan.

6.1.1 Uitgangspunt

Wij geloven, dat de Bijbel niet is voortgekomen uit de wil van een mens, maar dat mensen, door de Heilige Geest gedreven van Godswege gesproken hebben (2 Pet. 1: 21). Daarom aanvaarden wij “al deze boeken, en deze alleen, als heilig en canoniek om ons geloof daarnaar te richten, daarop te gronden en te bevestigen” (Nederlandse Geloofsbelijdenis, art. 5). En “wij geloven dat de Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat en dat al wat de mens heeft te geloven om behouden te worden, daarin voldoende geleerd wordt” (idem, art. 7). Deze belijdenis beslist over onze houding tegenover heel de Bijbel: ons past slechts een eerbiedige luisterhouding. Zoals de jonge Samuël het zei, op advies van Eli: “Spreek HERE, want Uw knecht hoort”. Diezelfde ontvankelijke houding kenmerkt de Psalmdichter: “Open mijn ogen, opdat ik aanschouw de wonderen van Uw wet” (Ps. 119: 18). Die houding past ook ons, omdat middels de Bijbel “het levende en blijvende woord van God” (1 Pet. 1: 23) tot ons komt.

6.1.2 Context: cultuur en (heilshistorische) situatie

Richten we de aandacht echter op de Bijbel zoals die in alle concreetheid voor ons ligt, dan blijkt de Bijbel onmiskenbaar ook een boek te zijn, dat afkomstig is uit andere werelden en andere tijden, dan die waarin wij leven. Ook de talloze geboden, leefregels en voorschriften in de Bijbel zijn gestempeld door hun context.
Onder de context verstaan we het totaal aan omstandigheden waarin de bijbelse voorschriften gegeven werden. Daaraan zijn verschillende facetten te onderscheiden1, die elk hun stempel op die voorschriften hebben gezet, te weten:
1. de cultuur;
2. de situatie;
3. de specifiek heilshistorische situatie.
Hieronder gaan we op elk van deze drie facetten nader in.

6.1.3 Bijbelse voorschriften in hun culturele context

Het Woord van God komt tot ons in het gewaad van een cultuur die in talloze opzichten anders is dan de onze. Veel in de Bijbel draagt het stempel van de wisselende culturen waarin het oude Israël en de eerste christelijke kerk leefde. Dat geldt ook voor de wijze waarop in de Bijbel de positie van man en vrouw wordt getekend.

De samenleving waarin de Bijbel ontstaan is, kan als patriarchaal getypeerd worden.2 Via de oudtestamentische gegevens, de wetten van Mozes incluis, krijgen we daarvan het


1 Zie hoofdstuk 5, noot 3.

|65|

volgende beeld.3 De samenleving is opgebouwd uit families. Elke familie heeft een hoofd, te weten de (groot)vader. Hij is verantwoordelijk voor de familie, heeft grote bevoegdheden over de overige familieleden en vertegenwoordigt de familie in aangelegenheden die het geheel aangaan. Tot de centrale familiebelangen behoort het instandhouden van de naam, de familie en — in verband hiermee — het familiebezit. De man is de heer van zijn vrouw, hij mag haar — mits met een scheidbrief — wegzenden en haar geloften teniet doen. Zonen blijven na hun huwelijk tot de familie behoren, dochters worden uitgehuwelijkt en gaan — na het betalen van een bruidsschat — over tot de familie van de man. De zorg voor een mannelijke nakomeling is van dusdanig groot belang, dat het uitblijven van de geboorte van een mannelijke erfgenaam de mogelijkheid opent voor ‘alternatieve relatievormen’. Mocht de vrouw geen kinderen krijgen, dan kan een bijvrouw genomen worden. Mocht de man sterven voordat hij een zoon ter wereld heeft gebracht, dan dient zijn vrouw te huwen met zijn broer of een andere mannelijke bloedverwant. Temidden van de mannelijke nakomelingen heeft de eerstgeborene een voorrangspositie. Slechts de mannelijke nakomelingen zijn erfgenaam. De weduwe van de overledene en zijn dochters zijn geen erfgenaam, tenzij er geen mannelijke nakomelingen geboren zijn.
Om misverstanden te voorkomen: het is bepaald niet zo, dat de Bijbel deze samenleving als ideaal afschildert. Uit de bijbelse geschiedenissen blijkt hoeveel spanningen deze polygame samenleving, waarin voortplanting zo'n centrale waarde was, bij de leden daarvan opriep. Ook geven de bijbelse voorschriften het hoofd van de familie geen vrij spel. De wetgeving biedt wel degelijk rechtsbescherming aan dochters en vrouwen en anderen dan eerstgeborenen!
Tenslotte waren vrouwen niet volstrekt passief en afwachtend. De initiatieven van Sara, Ruth en de dochters van Selofchad (Num. 27: 1-11), van Debora en de vrouw uit Spr. 31, en de tekening van het meisje in het Hooglied maken dat duidelijk.
Feit is echter, dat binnen de oudtestamentische samenleving het mannelijke deel van de bevolking een meer vooraanstaande en bevoorrechte positie had dan het vrouwelijke deel. Ter illustratie hiervan valt te wijzen op het feit, dat vrouwen normaal gesproken in geslachtslijsten niet opgenomen worden, bij volkstellingen niet worden meegeteld en in wet en wijsheid niet rechtstreeks worden aangesproken. Zelfs worden er in de wet soms regelingen getroffen, die ons discriminerend aandoen. De wet op de jaloersheid (Num. 5: 11-31), hoewel ongetwijfeld bedoeld om de vrouw rechtsbescherming te bieden, is voor ons besef toch merkwaardig eenzijdig geformuleerd.
Deze gegevens tonen hoe anders de status van man en vrouw in de oudtestamentische samenleving was. Dit heeft ertoe geleid dat de geboorte van een zoon meer gewaardeerd werd dan de geboorte van een dochter. De zoon immers was naamdrager, erfgenaam, zaakwaarnemer etc. In Ps. 127: 3-4 wordt hieraan heel expliciet uitdrukking gegeven: “Zie, zonen zijn een erfdeel des HEREN ...” Onmiskenbaar spreekt hieruit een waardering van zonen boven dochters, zoals dat in sommige culturen nog het geval is. Dat betekent niet, dat ouders met de geboorte van een dochter per definitie ongelukkig waren. Daarvan legt bijvoorbeeld de mooie meisjesnaam ‘Abigail’ getuigenis af: “Mijn vader juicht!”4

In het Nieuwe Testament treedt dit alles minder op de voorgrond. De centrale waarden die de nomadische en later agrarische samenleving droegen, zijn op de achtergrond getreden. Polygamie heeft in Israël, net als in veel omringende volken, afgedaan. Toch vinden we ook in het Nieuwe Testament sporen van de patriarchale samenleving terug. Vrouwen en kinderen worden herhaaldelijk niet meegeteld. Mannen hebben het recht hun vrouwen weg te zenden (van het omgekeerde is geen sprake) en op de vaders rust de plicht hun dochters uit te huwelijken.


2 Zie Vaux, R. de, Hoe het oude Israël leefde. De instellingen van het Oude Testament. Deel 1, Utrecht 19783, 49.
3 Vaux, R. de, Het oude Israël, 47-107. De Vaux geeft hier een uitvoerige beschrijving van het familieleven van het oude Israël, met daarin talloze bijbelse gegevens verwerkt.
4 Aldus de verklaring van deze naam in Reicke, B. en Rost, L., Bijbel-historisch woordenboek I, Utrecht-Antwerpen, 1969.

|66|

6.1.4 Bijbelse voorschriften in hun situatie

Niet alleen de wisselende culturen van het Oude Oosten hebben hun stempel gezet op de concrete bijbelse voorschriften. Die worden in meer of mindere mate ook gekleurd door de mensen aan wie en de situaties waarbinnen zij gegeven werden.

Aan de situatiebepaaldheid van de bijbelse voorschriften zitten verschillende facetten. Om te beginnen kan gewezen worden op de grote situatiegevoeligheid waarvan de wetgeving blijk geeft. De Torah bevat niet alleen geboden als “Gij zult niet doodslaan” en “Gij zult niet stelen, maar behandelt ook allerlei bijzondere gevallen waarin op de een of andere wijze sprake is van een overtreding van die geboden. In Ex. 21: 12-36 bijvoorbeeld vinden we voorschriften die een nadere uitwerking van het gebod “Gij zult niet doodslaan” genoemd kunnen worden. Aangegeven wordt hoe in allerlei situaties gehandeld moet worden met degene die (het leven van) zijn naaste ernstige schade heeft berokkend. Afhankelijk van de intentie van de dader, de omstandigheden, en de ernst van de toegebrachte schade wordt de strafmaat bepaald. Het geheel geeft blijk van een situatiegevoeligheid, die in verband gebracht kan worden met het fenomeen ‘wijsheid’ dat in het Oude Testament zo’n belangrijke plaats heeft. ‘De wijsheid’ immers kenmerkt zich door een genuanceerde benadering van de werkelijkheid; zij heeft een scherp oog voor de verhouding tussen het algemene in elke situatie en het bijzondere van elke situatie.

Ook wordt van nogal wat voorschriften de concrete aanleiding verteld. Zie bijvoorbeeld Lev. 24: 10-23 (aanleiding: een concrete Godslastering), Num. 9 (aanleiding: een verontreiniging voorafgaande aan de Paschaviering), 15: 32-36 (aanleiding: het schenden van de sabbat), 27: 1-11 en 36: 1-13 (het erfrecht van de dochters). Hiermee wil niet gezegd zijn dat dergelijke voorschriften geen blijvende geldigheid zouden hebben, maar wel dat nieuwe situaties vragen om steeds weer nieuwe toepassingen van het bestaande recht en de bestaande regelgeving.

Tenslotte zijn sommige wetten dusdanig nauw met hun ontstaansgeschiedenis en met bepaalde bijzondere omstandigheden verweven, dat ze daarvan niet losgemaakt kunnen worden. We denken hier onder andere aan de tabernakelwetgeving in Exodus en aan andere specifieke voorschriften die het volk ontving in de woestijn (Ex. 13: 13-31; Num. 1-4). In toegespitste zin geldt dit voor het gebod om de gedachtenis aan Amalek uit te roeien (Deut. 25: 17-19), dat onlosmakelijk verbonden is met het goddeloze optreden van Amalek in de woestijn, zie Ex. 17: 8-16. Ook de uiterst radicale en in zekere zin zelfs inhumane maatregelen die Ezra — in Ezra 9 en 10 — neemt tegen de gemengde huwelijken, houden verband met de bijzondere omstandigheden waarin het volk zich op dat moment bevindt. Na en ten gevolge van de ballingschap is er niet alleen sprake van een ‘vrezen voor de HERE’, maar zelfs van een ‘beven voor het woord van de HERE’ (zie Ezra 9: 4 en 10: 3, vergelijk Jes. 66: 2,5). De angst voor de verschrikkelijke gevolgen van nieuwe ongehoorzaamheid aan de HERE (zie het gebed van Ezra in Ezra 9) leidt tot deze radicale toepassing van hetgeen in Ex. 23: 32-33 en Deut. 7: 2-3 geschreven staat.

Evenals in de wetgeving van het Oude Testament is ook in het Nieuwe Testament sprake van het stempel dat de situatie op de voorschriften zet. Dat heeft ook hiermee te maken dat veel voorschriften in brieven te vinden zijn.5 En hoewel de betekenis van die brieven ver uitstijgt boven de situatie waarin zij geschreven zijn, blijven het brieven, die in concrete situaties hun aanleiding vonden. Het gevolg hiervan is, dat tal van kwesties fragmentarisch aan de orde komen en dat aanwijzingen en regelgeving van kleur kunnen verschieten ten gevolge van veranderingen van situatie.

Twee voorbeelden ter onderbouwing van deze stelling.


5 Een evenwichtig betoog over zowel het actuele en situatiebetrokken karakter van de apostolische brieven, als de ver boven de situatie uitgrijpende inhoud daarvan, is te vinden in Schrage, W., Einzelgebote, 37-48.

|67|

Dat voorschriften gekleurd kunnen worden door een situatie blijkt uit een vergelijking van Kol. 4: 5-6 en 1 Pet. 3: 15. In beide verzen gaat het om de wijze waarop de gemeenteleden als getuigen van Christus in de wereld hebben te staan. In het ene geval wordt een actieve houding aanbevolen (“Gedraagt u als wijzen ten opzichte van hen die buiten staan, maakt u de gelegenheid ten nutte”), in het andere geval een afwachtende houding (Weest “altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt..”). Dit accentverschil laat zich verklaren uit de situatie waarin de brieven geschreven zijn. Petrus’ lezers leefden ‘in de vreemdelingschap’, in een situatie waarin de buitenwereld christenen afwijzend en zelfs agressief bejegende. Een actief evangeliserende opstelling zou het de christenen alleen maar moeilijker maken. Uit niets in de brief aan de Kolossenzen echter blijkt dat de lezers bedreigd worden door de buitenwacht. Dit maakt een initiatiefrijker opstelling mogelijk.

Hoe sterk de situatie van invloed kan zijn op de regelgeving, blijkt uit een vergelijking tussen de adviezen die Paulus in 1 Kor. 7 geeft en de richtlijnen die te vinden zijn in 1 Tim. 5. In 1 Kor. 7 adviseert Paulus om ongehuwd te blijven respectievelijk niet te hertrouwen. Immers, de tijd is kort, de HERE is nabij, laat een ieder die de gave heeft om ongehuwd te blijven of niet te hertrouwen zich daarom wijden aan de zaak van de Here (1 Kor. 7: 26-33). Ten gevolge van de ongunstige ervaringen die hij met een bepaalde groep jonge weduwen heeft opgedaan (1 Tim. 5: 11-14) legt hij in zijn brief aan Timoteüs een ander accent: “Ik wil daarom, dat de jonge weduwen huwen, kinderen krijgen, haar huis bestieren, en niet door lasterpraat aan de tegenpartij vat op zich geven. Uit deze vergelijking blijkt dat voorschriften ten gevolge van de omstandigheden zelfs een zekere tegenstrijdigheid kunnen gaan vertonen.

6.1.5 Bijbelse voorschriften in hun heilshistorische situatie

De voorschriften van het Oude Testament zijn gegeven in het kader van de bijzondere verhouding die de HERE met zijn volk Israël is aangegaan. Deze bijzondere verhouding heeft in sterke mate zijn stempel gezet op het geheel van de voorschriften en op tal van voorschriften afzonderlijk. In Christus echter is “de genade Gods ... verschenen, heilbrengend voor alle mensen” (Tit. 2: 11). Hij “is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft” (Ef. 2: 14-15). Dit betekent dat alle voorschriften, waardoor Israël als volk van God afgezonderd werd gehouden van de volken, in een ander perspectief zijn komen te staan en in Christus moeten worden toegepast. Het betekent ook dat wij niet meer onder de wet zijn, maar onder de genade. Het betekent kortom, dat wij leven in een nieuwe werkelijkheid, die van Christus is (Kol. 2: 17).

Aangezien de neerslag van het bovenstaande op vrijwel elke bladzijde van het Nieuwe Testament te vinden is, menen we dat een onderbouwing van deze stelling met behulp van voorbeelden overbodig is.

6.1.6 Consequenties van de contextbepaaldheid van bijbelse voorschriften

De contextbepaaldheid van de bijbelse voorschriften heeft verschillende consequenties. Drie daarvan willen we noemen.
1. Allereerst dient bij de lezing van de Schrift elk voorschrift uitgelegd te worden binnen de culturele en (heilshistorische) situatie waarin het gegeven is.

Hoewel dit vandaag voor ons vanzelfsprekend is, is het nuttig hierbij steeds weer de vinger te leggen. Uit de kerkelijke kunst van alle tijden blijkt, dat de interpretatie van de bijbelse gegevens onontkoombaar gekleurd wordt door het referentiekader van de kunstenaar. Op vergelijkbare wijze wordt op een doorsnee bijbelkring de lezing van de Bijbel gekleurd door het eigentijdse referentiekader. Dit willen we op geen enkele wijze diskwalificeren.

|68|

Het rechte zicht op de bijbelse voorschriften krijgen we echter alleen als we ze allereerst uitleggen binnen de context waarin zij gegeven werden.

2. Ten tweede is er zo’n nauwe verwevenheid tussen tal van voorschriften en de context waarin zij gegeven werden, dat rechtstreekse toepassing daarvan onmogelijk of ongewenst is.

Ter illustratie en om aan te duiden dat hier een reële moeilijkheid ligt, geven we een voorbeeld uit zowel het Oude als Nieuwe Testament.
Het oude Israël kende het zogenaamde ‘zwagerhuwelijk’. We komen het gebruik tegen in Gen. 38 en in het bijbelboek Ruth (1: 11,13; 2: 20; 3 en 4). Hoewel het gebruik in sommige Afrikaanse culturen nog steeds in praktijk wordt gebracht6, druist het geheel in tegen de opvattingen die wij, in onze Westerse samenleving, over het huwelijk hebben. Toch staat het zwagerhuwelijk uitdrukkelijk in de oudtestamentische wetgeving voorgeschreven: Deut. 25: 6-10. Uit dat Schriftgedeelte blijkt, dat het als een ereplicht werd beschouwd. Weigerde iemand het zwagerhuwelijk, dan had het stadsbestuur de plicht hem op andere gedachten te brengen. Volhardde hij in zijn afwijzing dan had de weduwe van de overledene het recht haar zwager publiek te vernederen. Zelfs tot in lengte van jaren werd de schande van zijn harteloosheid hem en zijn huis nagedragen.
Binnen onze gereformeerde traditie is wel getracht het zwagerhuwelijk meer aanvaardbaar te maken door het in Messiaans licht te zien: vanuit de hoop een bijdrage te mogen leveren aan de komst van de Messias zou het zwagerhuwelijk geboren of geannexeerd zijn. De exegese biedt voor deze opvatting echter geen enkel aanknopingspunt. In Deut. 25 blijkt het instituut van het zwagerhuwelijk gedragen te worden door de gedachte dat op deze manier iemands naam onder Israël niet wordt uitgewist. Het gaat om het instandhouden van de naam, het bouwen van het huis van een gestorven broer. Het zwagerhuwelijk werd gezien als een daad van naastenliefde, die God in bepaalde omstandigheden van een mens vraagt. Daarmee lijkt het voor de hand te liggen om ook vandaag nog het zwagerhuwelijk als norm te beschouwen. Toch voert werkelijk niemand daarvoor een pleidooi. En dat niet alleen omdat wij in Christus een eeuwige naam hebben - hoewel ook dat gaandeweg gegroeide en diepere inzicht in de heilgeheimen van God zeker meespeelt. Veel zwaarder weegt het feit dat hier sprake is van een onoverkomelijk cultuurverschil. Het zwagerhuwelijk veronderstelt een andere samenleving, met andere waarden, andere belangen en andere familieverhoudingen. We moeten vaststellen dat de hele sociaal-culturele basis onder het zwagerhuwelijk is weggevallen.

Een voorbeeld uit het Nieuwe Testament ontlenen we aan de hierboven ook al genoemde voorschriften van Paulus met betrekking tot de weduwen. Jonge weduwen, zo zegt de apostel in 1 Tim. 5, mogen de bijzondere diaconale functie van 'weduwe' niet bekleden, maar zij dienen te huwen, kinderen te krijgen, enz. Dit voorschrift is zeer concreet en volstrekt helder geformuleerd en gemotiveerd. Toch zal in onze tijd een kerkenraad van een jonge weduwe niet vragen dat zij hertrouwt. En dat niet alleen omdat jonge weduwen in onze samenleving — gelukkig — minder vaak voorkomen dan in Paulus’ tijd, of omdat onze ervaringen met jonge weduwen minder ongunstig zijn dan die van Paulus. Hoewel ook die factoren zeker meespelen, is het toch bovenal zo, dat de hele cultuur rond het huwelijk dusdanig is veranderd, dat alleen daardoor al rechtstreekse toepassing onmogelijk is geworden. Daar komt dan nog eens bij dat ambtsdragers in onze tijd niet meer in de positie zijn om weduwen te kunnen voorschrijven dat ze moeten hertrouwen.
Opnieuw moeten we vaststellen, dat de sociaal-culturele basis om dit voorschrift rechtstreeks toe te passen ontbreekt.

3. Ten derde is uit het voorgaande één ding wel heel duidelijk geworden: de nauwe band tussen de bijbelse voorschriften en hun context vraagt om een hermeneutiek. Dat wil zeggen dat een antwoord gevonden moet worden op de vragen hoe deze


6 Zie Radcliffe-Brown, A.R. and Forde, Daryll (ed.), African Systems of kinship and marriage, London/New York/Toronto, 197010, 12, 26, 64, 97, 109, enz.

|69|

contextbepaaldheid in het licht van de Schrift zelf moet worden geduid en wat de richtlijnen kunnen zijn voor het juiste verstaan van deze voorschriften.

 

6.2 Hermeneutische verwerking van de contextbepaaldheid

Tallozen voor ons hebben hun gedachten laten gaan over de contextbepaaldheid van de bijbelse geboden en voorschriften en hoe daarmee om te gaan. Het is zinvol om een paar kernpunten uit die lange en veelzijdige bezinning naar voren te brengen. Dat helpt de gedachten te oriënteren en het biedt handvatten voor het vormen van onze eigen mening. Belangrijker nog is, dat we ons er zo van bewust worden dat onze bezinning op de actuele betekenis van met name Paulus’ voorschriften betreffende de plaats van de vrouw in de gemeente niet op zichzelf staat, maar onderdeel is van een veel bredere bezinning, die al eeuwen gaande is.

6.2.1 Voorschrift en beginsel

Om te beginnen willen we herinneren aan de wijze waarop onze vaderen — al ver voor de Reformatie — met de wetten en voorschriften uit de Torah omgingen. Zij brachten die onder in drie categorieën7:
• de morele wet (dat zijn de tien geboden)
• de burgerlijke wetten (alle voorschriften die het samenleven van het volk Israël betroffen)
• en de ceremoniële wetten.
De morele wet (zedenwet) gold als Gods blijvende en eeuwige wil.
De burgerlijke wetten golden in hun totaliteit als tijdelijk; zij bevatten de wil van God voor het oude Israël, toegepast in die specifieke culturele en historische situatie.
De ceremoniële wetten tenslotte werden gezien als vervuld in Christus.

Uit het reliëf dat op deze wijze in de oudtestamentische geboden en voorschriften werd aangebracht blijkt:
• dat ook onze vaderen voor de vraag stonden welke bijbelse voorschriften van blijvende en welke van voorbijgaande betekenis waren;
• dat zij deze vraag beantwoordden door bij de voorschriften een bepaalde hermeneutiek te leveren8 en
• dat zij onderscheid maakten tussen de principes die aan de geboden en voorschriften ten grondslag liggen — Gods blijvende bedoelingen — en de cultuur- en situatiebepaalde realiseringen daarvan.

Het verdient in dit verband de aandacht, dat Calvijn expliciet onderscheid maakt tussen de inhoud en de vorm. Hij stelt, dat het beginsel (de ‘ratio’) van alle wetten ‘de eeuwige


7 Zie Aquino, Thomas van, Summa der Theologie. Zusammengefasst, eingeleitet und erlautert von Joseph Bernhart. Zweiter Band. Die Sittliche Weltordnung, Stuttgart 19853, 425-510 (= Summa Theologiae I/II 90-108); Calvijn, Johannes, Harmonie van de laatste vier boeken van Mozes. Eerste deel. Uit het Latijn vertaald door ds. J. van den Heuvel, Goudriaan/Kampen, 1984, 5-8; Idem, Institutie of onderwijzing in den christelijken godsdienst. Uit het Latijn vertaald door Dr. A. Sizoo, Delft 1931, IV, 20, 14-16; Polyander, Johannes (e.a), Synopsis purioris theologiae, Leiden 1881 (editio sexta), 155-161; Douma, J., Verantwoord handelen. Inleiding in de christelijke ethiek, Kampen 199710, 57vv; Idem, Grondslagen. Christelijke ethiek deel 1, Kampen 1999, 109vv.
8 Zie Velema, W.H., Wet en Evangelie, Kampen 1987: “Duidelijk is dat de verschillende schrijvers gezocht hebben naar een hermeneutische sleutel, met behulp waarvan zij verantwoording proberen af te leggen van wat zij nog wel en wat zij niet meer van kracht achten in het oudtestamentische gebod”, 76.

|70|

regel der liefde’ moet zijn, ook als de vorm (de ‘forma’) per volk varieert.9 Dat doet hij in een discussie met degenen die menen dat de wetten van Mozes onverkort gehandhaafd moeten blijven. Calvijn vindt deze opvatting onjuist en dwaas. Alleen de morele wet (de tien geboden) is voorgeschreven aan alle volkeren en voor alle tijden. In de burgerlijke wetten echter zit niet alleen iets van de liefde, die door Gods eeuwige wet geboden wordt, maar ook iets dat onderscheiden is van dat gebod der liefde. Calvijn onderscheidt tussen het concrete voorschrift en het beginsel dat daaraan ten grondslag ligt: “Alle wetten, die naar die regel (commissie: te weten van de morele wet) gemaakt, op dat doel gericht en door die grens afgebakend zijn, bieden geen reden dat wij ze zouden afkeuren, ook al verschillen zij van de Joodse wet of van elkander.”10

Tot op de dag van vandaag wordt gebruik gemaakt van het onderscheid dat Calvijn hier — in navolging van anderen — maakt. Een recent voorbeeld daarvan is te vinden in het rapport van de deputaten van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt over echtscheiding. Naar aanleiding van de Bergrede van onze Heiland schrijven zij: “De echtscheidingspraktijk, de hantering van de eed, en de beperking van de naastenliefde, zoals deze in Israël bestonden, geven Hem materiaal om iets van de morele consequenties van het evangelie van het koninkrijk te laten zien. Wij moeten deze contextualiteit van zijn woorden niet vergeten door vervolgens de ethiek geheel te bouwen op concretiseringen, die illustratief bedoeld zijn. Het is belangrijk om daarachter terug te vragen naar het onderliggende beginsel en zo zelf in lijn met de richting die Jezus wijst, op alle terreinen van het leven morele gevolgen te verbinden aan het evangelie van het koninkrijk.”11

Het bovenstaande geeft de richting aan waarin de gedachten zich in verleden en heden hebben bewogen. We constateren dat er gezocht werd en wordt naar die geboden en voorschriften die binnen het geheel een spilfunctie vervullen. Geboden die als concentratiepunten zijn van waaruit lijnen naar het heden getrokken kunnen worden, of beginselen, principes, die aan al die contextbepaalde voorschriften ten grondslag liggen. Veelal worden in dit verband het dubbelgebod van de liefde en de tien geboden genoemd.
Deze zoektocht naar ‘beginselen’ die aan de concrete voorschriften ten grondslag liggen, was onvermijdelijk12 en volstrekt legitiem. Ze is gegeven met het historische karakter van de Godsopenbaring en begint al in de Bijbel zelf.

Terecht worden de tien geboden wel als een ‘grondwet’ getypeerd. Gelet op de vooraanstaande plaats die de tien geboden tot twee keer toe in de Torah ontvangen, gelet op de vorm waarin ze gegoten zijn en gelet op het feit dat de HERE ze in steen gegrift heeft, is hier alles voor te zeggen. Gelet op meerdere schriftplaatsen waarin Gods volkomenheden


9Institutie, IV, 20, 15. Het onderscheid dat Calvijn hier maakt tussen ‘beginsel’ en ‘vorm’ staat niet op zichzelf. Het speelt zowel in de Institutie als in zijn commentaren een belangrijke rol in met name zijn bezinning op de verhouding tussen het Oude en Nieuwe Testament. Op tal van plaatsen schrijft Calvijn, dat de ‘substantia’, het wezen, de zaak van het Oude en Nieuwe Testament dezelfde is, te weten Christus, maar dat de ‘administratio’, de bediening en de vorm van de dienst verschillen.
10Institutie, IV, 20, 16.
11 Zie Rapport Deputaten Echtscheiding, 39.
12 Zelfs degenen die met kracht opkomen voor de normativiteit van de oudtestamentische geboden maken gebruik van dit onderscheid. W.H. Velema spreekt van ‘gehalte en gestalte’, ‘norm en vorm’. Hoewel hij het probleem van een dergelijke wijze van spreken onderkent (Wet, 91vv), omdat vorm en inhoud, gehalte en gestalte niet los van elkaar kunnen worden gezien, wil hij op deze wijze “het blijvend normatieve onderscheiden van de vormgeving, die door een bepaalde tijd noodzakelijk wordt gemaakt” (Wet, 93).
13 Zie Velema, W.H., Wet, 77; Douma, J., Grondslagen, 114; Houtman, C, Exodus. Deel III, Exodus 20-40 (Commentaar op het Oude Testament), Kampen 1996, 19.

|71|

het uitgangspunt voor de regelgeving zijn (zie bijv. Lev. 19: 2 en 1 Kor. 14: 33) is het verantwoord om achter de regels terug te gaan tot de kern, die aan de regels ten grondslag ligt. En terecht wordt dan — gelet op bijbelgedeelten als Mat. 22: 34-40, Rom. 13: 8-10, 1 Kor. 13 en 1 Joh. 4: 7vv — het dubbelgebod van de liefde als de blijvende kern van alle geboden gezien.

Geen probleemloze weg
Wel willen we er de vinger bij leggen dat deze benadering — hoe redelijk en bruikbaar ze in theorie ook klinkt — in de praktijk niet zonder problemen is. Hoe verhouden zich het beginsel en de concrete uitwerking, de ‘norm’ en de ‘vorm’ tot elkaar?14 Laten die zich altijd onderscheiden? Kan uit een concreet voorschrift altijd een werkbaar beginsel gedestilleerd worden? En gesteld dat dit mogelijk is, hoe moet zo’n ‘beginsel’ in onze tijd dan worden toegepast op een zodanige wijze dat we ermee in de lijn blijven van het concrete voorschrift? Vragen als deze bepalen ons bij moeilijke en ten dele zelfs onoplosbare problemen.

We willen dit met twee voorbeelden illustreren.
We wezen op de instelling van het zwagerhuwelijk in het oude Israël, en we typeerden die als een daad van naastenliefde. ‘Het eeuwige beginsel van de liefde’, maar dan toegepast op die situatie, in die cultuur, binnen de verhouding van de familiesfeer. Het principe is duidelijk. Maar tegelijk is dit principe zo algemeen, dat het nauwelijks ‘werkbaar’ te noemen valt; voor vergelijkbare situaties in een heel andere cultuur zijn op basis van dit principe niet direct concrete alternatieven te bedenken. En als zo’n alternatief wel valt te bedenken, zal het — als actualisering van het zwagerhuwelijk — niet boven discussie verheven zijn. Om dichtbij huis te blijven: hoe bijvoorbeeld zou het principe achter het zwagerhuwelijk geactualiseerd kunnen worden binnen onze cultuur, op zo’n wijze dat we in de lijn blijven van het voorschrift? Misschien zou iemand de lijn zo willen doortrekken dat — in de situatie waarin een echtpaar ongewild kinderloos is en ook hulpmiddelen als IVF (in-vitro-fertilisatie = reageerbuisbevruchting) niet tot zwangerschap leiden — KID (= kunstmatige inseminatie met behulp van een zaaddonor) te rechtvaardigen valt, of zelfs de medewerking daaraan door familie- of vriendenkring als een ereplicht beschouwd zou moeten worden. De kans is echter groot dat een ander van mening is, dat zo'n overstap van het zwagerhuwelijk naar KID een metabasis eis allo genos is, ofwel het vergelijken van appels met peren. Kortom, zelfs al lijkt het beginsel volstrekt duidelijk, dan nog zal het concreet doortrekken van de lijn aanleiding geven tot veel discussie.

Soms echter laat het beginsel, dat men gevonden meent te hebben zich — uit zowel praktisch als ethisch oogpunt — onmogelijk toepassen in de lijn van het voorschrift. In Deut. 21: 10-14 wordt tot in detail beschreven hoe de Israëlitische man zich in oorlogstijd jegens een krijgsgevangen vrouw heeft te gedragen. Het uitgangspunt is dat hij haar tot de zijne mag maken; maar de wijze waarop dit zal gebeuren dient tot in detail te getuigen van respect voor het lot dat haar overkomt. Gelet op de gruwelen die vrouwen in oorlogstijd overkomen, is dit ‘protocol’ zonder meer als rechtsbescherming op te vatten; ‘Gerechtigheid jegens vrouwen, zelfs in oorlogstijd’, zou hier het beginsel genoemd kunnen worden. Dat laat zich ook in onze tijd toepassen, en het is dringend gewenst dat dit gebeurt. Echter: hoe pas je dit toe in de lijn van het voorschrift? In de ‘Universele verklaring van de rechten van de mens’, vastgesteld in de algemene vergadering van de Verenigde Naties op 10 december 1948, lezen we in artikel 16b dat een huwelijk slechts gesloten kan worden met de vrije en volledige toestemming van de aanstaande echtgenoten. Naar de huidige maatstaf is toepassing van het bovengenoemd beginsel in de lijn van het voorschrift dus onaanvaardbaar. Dat geldt te meer daar ‘de huidige maatstaf’ ook de onze is geworden: een toepassing in de lijn van Deut. 21: 10-14 gaat tegen ons rechtvaardigheidsgevoel in!


14 Voor de hier gebruikte termen zijn tal van varianten beschikbaar. In de reformatorische wijsbegeerte wordt gesproken van ‘normen’ en ‘positiveringen’. Tegenwoordig wordt bij voorkeur gesproken over ‘waarden’ (dat zijn de vastliggende uitgangspunten, de beginselen) en de daarvan afgeleide ‘normen’ (de gedragsregels die daaruit voortvloeien).

|72|

Conclusie: hoewel het onvermijdelijk is om te onderscheiden tussen het beginsel en de concrete uitwerking daarvan, is er geen enkele reden om te menen dat met behulp van dit onderscheid alle problemen met de toepassing van de bijbelse voorschriften zijn opgelost. Het Woord van God komt tot ons in het gewaad van de oudoosterse cultuur, maar die cultuur is geen jasje dat zomaar uitgedaan kan worden. Het eeuwige Woord van God en de menselijke cultuur vormen één weefsel en er bestaat uiteindelijk geen procédé waardoor we die twee van elkaar los kunnen tornen.

6.2.2 God daalt neer tot de mens

Een andere — niet onbelangrijke — gedachte die heeft meegedaan en nog steeds meedoet in de bezinning op de omgang met en toepassing van de bijbelse geboden en voorschriften, is de overtuiging dat de HERE zich in zijn openbaring heeft aangepast aan het begrip, het bevattingsvermogen van zijn kinderen. Juist om Zijn eigen Woord — dat niet ‘naar het vlees’ is! — te spreken, heeft God de taal van de mens gesproken. De klassieke term hiervoor is ‘accommodatio Dei’.

De bezinning op de ‘accommodatio Dei’ heeft een hele geschiedenis doorlopen. Iets daarvan willen wij in het onderstaande zichtbaar maken. Het verdient echter de aandacht dat het toepassingsbereik van de ‘accommodatio Dei’ niet bij iedere auteur gelijk is. Tevens verdient het goede aandacht, dat het spreken over de ‘accommodatio Dei’ soms teruggaat op een beeld van God, dat meer aristotelisch — God als ‘onbewogen Beweger’ — dan bijbels is.15 Echter, ook degenen die heel kritisch staan tegenover de term en de zaak waarvoor die staat, ontkomen zelf niet aan het gebruik daarvan.16

Al vanaf de eerste eeuw na Christus hebben christenen zich beziggehouden met het spanningsveld tussen enerzijds het onmiskenbaar ‘menselijke’ karakter van de Bijbel en anderzijds de belijdenis dat de eeuwige God Zichzelf middels de Bijbel aan ons openbaart. Sommigen namen aanstoot aan deze verwevenheid van het Woord van God en het menselijke. De gedachte dat de eeuwige God werkelijk zou zijn ingegaan in deze tijdelijke, beperkte, wereld werd volstrekt strijdig met Zijn verhevenheid en heiligheid geacht. Maar anderen — om te beginnen Irenaeüs — spraken van accommodatie, aanpassing.17 De HERE God heeft zich in Zijn openbaring vaak aangepast aan het menselijke bevattingsvermogen en aan de menselijke draagkracht. Hij heeft, omwille van de omgang en het contact met de mens, de taal van de mens willen spreken. Niet om daarin te blijven hangen, maar uit pedagogische motieven, om op te voeden en verder te komen.18 God heeft zich in de geschiedenis geopenbaard, niet bij wijze van spreken (zoals het docetisme leert), maar werkelijk, reëel, totaal. Hij heeft onder ons mensen willen wonen, Zijn heerlijkheid afgelegd en is uiteindelijk vlees geworden.

Deze gedachte speelt in Calvijns uitleg van en omgang met de Bijbel een belangrijke rol. Op tal van plaatsen spreekt hij ervan dat God tot de mens is neergedaald. Hij heeft over


15 Hierover o.a. Visee, G., Over het ‘anthropomorfe’ spreken Gods in de Heilige Schrift, in Onderwezen in het koninkrijk der hemelen. Keuze uit de persarbeid van ds. G. Visee, Kampen 1979, 1-51, in het bijzonder 19vv.
16 Visee, G., Het ‘anthropomorfe’ spreken, 37: “Men kan inderdaad zinvol van een aanpassing Gods spreken. (..) Hij schikt zich tot wat wij op een bepaald moment kunnen ‘dragen’.”
17 Een dogmahistorisch overzicht van het principe van accommodatie in de openbaringstheologie is te vinden in Jong, J. de, Accommodatio Dei. A theme in K. Schilder’s theology of revelation, Kampen 1990, 16-62. Vergelijk ook Kuitert, H.M., De mensvormigheid Gods. Een dogmatisch-hermeneutische studie over de anthropomorfismen van de Heilige Schrift, Kampen 19693, 88-99. Over m.n. Calvijn, zie Battles, Ford Lewis, God was accommodating Himself to human capacity, in Interpretation 31 (1977), 19-38.
18 Zie Jong, J. de, Accommodatio, 17.

|73|

Zichzelf tot de mens gesproken, zoals een voedster met een klein kind spreekt: stamelend, babbelend.19 Overigens, niet alleen het spreken over Zichzelf, heel de omgang van God met de mens kenmerkt zich door een aanpassing aan de menselijke mogelijkheden. Herhaaldelijk noemt Calvijn in dit verband heel de wijze waarop in het Oude Testament ‘de ceremoniën’ gestalte hebben gekregen.

Binnen onze kerken heeft C. Vonk, bij zijn bespreking van de Mozaïsche wetgeving in ‘De Voorzeide Leer’, ook op deze aanpassing van God gewezen. Kenmerkend zijn de volgende zinsneden: “Niemand verwachte in het verbondsboek allerlei opzienbarende nieuwigheden te zullen lezen. Juist niet. God heeft Israël ‘gevonden’ als Oosters volk, levend naar zeden en gewoonten, recht en regels, die het van z’n voorvaderen geërfd en veelszins met zijn naburen gemeen had”20 en “Hij ‘vond’ Israël in die dagen nu eenmaal in het bezit van zekere vormen en manieren, taal, kleding, gewoonten enz. en paste Zich daarbij aan.”21

Het goed recht om in deze richting te denken laat zich met één enkel voorbeeld onderbouwen. De HERE heeft omgang met het volk Israël gezocht in een cultuur waarin polygamie algemeen aanvaard was. De HERE sprak zijn Woord in die cultuur en Hij heeft die zelfs gebruikt om Zichzelf aan Zijn volk te openbaren en Zijn plan door de tijd te trekken. Uit polygamie (inclusief het gebruik van bijvrouwen) immers zijn de twaalf stamvaders van Israël geboren. En de profeet Ezechiël gebruikt het gegeven van de polygamie om in Ez. 23 Gods bijzondere verhouding tot zowel Samaria als Jeruzalem te tekenen. Dat de polygamie zelf echter geen goddelijke norm is voor alle plaatsen en eeuwen, blijkt onder andere uit Gen. 2: 24, Mat. 19: 4vv en 1 Tim. 3: 2.

Hoever deze aanpassing van God aan zeden en gewoonten van de oudoosterse cultuur kon gaan, blijkt uit 2 Sam. 12: 8. Nadat David zich vergrepen heeft aan Batseba en Uria, geeft de Here, bij monde van de profeet Natan, een opsomming van alles wat Hij voor David had gedaan. We lezen onder andere: “Ik heb u gegeven het huis van uw heer, en de vrouwen van uw heer in uw schoot.” Het voor ons besef aanstootgevende feit dat David de vrouwen van Saul heeft opgenomen in zijn eigen harem wordt hier rechtstreeks teruggevoerd op God zelf! Zowel de wijze waarop God David heeft gezegend, als de wijze waarop Hij David vervolgens straft (vers 11), zijn geheel in overeenstemming met de ‘taal’ van die tijd.

We zouden het zo kunnen samenvatten: Gods openbaring en het menselijke gaan in de Schriften geheel samen, maar zij vallen niet samen. Dit inzicht is zowel klassiek christelijk als oergereformeerd. Dankzij dit hulplijntje kan enerzijds met grote kracht worden beklemtoond de volle betekenis van de Bijbel als onmisbare, onschatbare en blijvende bron van kennis van God en zijn wil voor ons leven, terwijl anderzijds binnen de Bijbel onderscheiden kan worden waarop het aankomt.

Als commissie menen we dat het zicht op deze verwevenheid van het Goddelijke en het menselijke in de Bijbel van betekenis is voor het gewicht dat zowel voor- als tegenstanders van de vrouw in het ambt aan deze kwestie kunnen hechten. Een enkele keer wordt de indruk gewekt dat niets minder dan het doorkomen van Gods Woord in onze tijd afhangt van de wijze waarop deze kwestie beslist wordt. Het besef dat God steeds weer wil afdalen tot en ingaan in de wereld van de mens brengt dan een heilzame ontspanning te weeg. Gods Woord is doorgekomen in een patriarchale samenleving. Het is doorgekomen in een antieke samenleving. Dan zal het ook kunnen doorkomen in onze


19 Zie Institutie 1.13.1. Overigens sprak Philo (een uiterst invloedrijke Joodse filosoof die leefde aan het begin van onze jaartelling) al op een vergelijkbare wijze. Zie Kuitert, H.M., Mensvormigheid, 89vv.
20Genesis-Exodus, 325.
21Genesis-Exodus, 313.

|74|

samenleving, ook al zou die voluit geëmancipeerd zijn. Daarmee doen we niets af van de noodzaak om ten aanzien van de vrouw in het ambt een grondige bezinning te voeren. Het kan ons echter wel helpen om die bezinning binnen de juiste proporties te blijven zien.

6.2.3 Leven uit de volheid van Gods openbaring

In de bovenstaande hermeneutische overwegingen ging de aandacht met name uit naar de vraag of en zo ja hoe de bijbelse wetten en voorschriften in het heden toegepast kunnen worden. Hiervan kan de verkeerde suggestie uitgaan, dat het bijbels gehalte van de ethiek vooral afhankelijk is van de beantwoording van deze vraag. Scherp dienen we echter te zien dat een leven in bijbels licht door zoveel meer gevormd wordt dan door een leven bij voorschriften alleen. Heel de openbaring van de levende God doet mee bij de inrichting van het leven. Een openbaring die uit veel meer bestaat dan uit wet- en regelgeving alleen.

In onze kring is dit de afgelopen decennia meer dan eens benadrukt.
Zo sprak K. Schilder in zijn omschrijving van het vak ethiek over de ‘constante rationes’, de vaste gronden.22 Daarmee bedoelde hij dat er in de Schrift fundamentele zaken genoemd worden die hun geldigheid behouden te midden van alle veranderingen. De mens is schepsel, in het verbond met God opgenomen. Hij is beeld van God, dat wil zeggen hij representeert God in deze wereld die hij moet beheren. God is Koning, de mens is onderkoning.
Het meerderheidsrapport van de CG Deputaten spreekt op vergelijkbare wijze.23 Van belang voor ons rapport is, dat het meerderheidsrapport ook ‘de scheppingsordeningen’ rekent tot “de door God ingestelde patronen die blijvend zijn”.24

Een mooie opmerking vinden we in het rapport van de Deputaten Echtscheiding van de GKV. Naar aanleiding van Rom. 12: 1vv schrijven zij: “Maar christelijke keuzen komen niet tot stand door in te zetten bij de Tien Geboden, die geacht worden het hele veld in kaart te brengen en waaruit ons handelen dus kan worden afgeleid. Die afleiding neemt daarbij dan de vorm aan van een verstandelijke redenering. Christelijke keuzen ontstaan doordat Gods werken in Christus ons stempelen en wij daarop met een vernieuwd denken antwoord leren geven in het onderscheiden van goed en kwaad.”25
Ook noemt dit rapport een hele reeks factoren die morele keuzen behoren te sturen, waaronder het inzicht in Gods scheppingsbedoeling.26 Daaraan wordt toegevoegd: “Van groot


22 Schilders definitie van ethiek luidt: “Ethiek is de wetenschap van de constante rationes, de wisselende oeconomieën en de actueel concrete bepaaldheid der obligatie van de wil des mensen tot gehoorzaamheid aan Gods geopenbaarde wil.” Zie Dictaten kompendium der ethiek I-VI. Samengevat door G.J. Bruijn, Kampen 1980, 16. Zie hierover Douma, J., Verantwoord handelen, 59vv en Grondslagen, 102vv.
Douma: “Juist de kennis van de constante factoren zoals de Schrift daarover spreekt, verhindert ons te denken dat we in allerlei nieuwe ontwikkelingen als christen verlegen zouden staan.”, Grondslagen, 103.
23 “Ondanks de wisselende bedelingen en veranderende culturen zijn er zaken in de Schrift, die hun geldigheid temidden van alle wijzigingen behouden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de verzoening (in Oude en Nieuwe Testament in een verschillende gestalte, maar met gelijke inhoud) en het bestaan van de kerk ...”, V&A, 51.
24V&A, 52.
25Rapport Deputaten Echtscheiding, 38.
26Rapport Deputaten Echtscheiding, 41: inzicht in Gods scheppingsbedoeling (Mat. 19: 4-8 over het huwelijk), inzicht in de betekenis van Jezus’ werk (Rom. 12: 1-2), wegwijzende woorden van Jezus (1 Kor. 7: 10v), wat de Geest aan de kerk heeft duidelijk gemaakt (Hand. 15: 28v), het onderwijs van de apostelen (1 Tess. 4: 1-6), de Tien geboden (1 Tim. 1: 8-11), burgerlijke en ceremoniële wetten uit het Oude Testament (1 Kor. 9: 9v), geschiedenissen of personen uit het Oude Testament die een lerend of waarschuwend voorbeeld geven (1 Kor. 10: 6), de gangbare zede en maatschappelijke verhoudingen (1 Kor. 11: 13-15; ➝

|75|

belang is ook het gebed (persoonlijk, samen, voor elkaar). Daarbij gaat het niet alleen om gebed als begeleidend verschijnsel waarin wij bidden om kracht voor het doen van het goede dat wij al kennen. Gebed vormt een centraal instrument om inhoudelijk te ontdekken wat dat goede in onze situatie is (Fïl. 1: 9; Kol. 1: 9v, Jak. 1: 5).”27

Opnieuw is het ons erom te doen de richting aan te geven die binnen het gereformeerde protestantisme wordt aangehouden in de bezinning op de inrichting van het leven. Duidelijk mag zijn dat het gereformeerd protestantisme het uitgangspunt niet alleen in de geboden heeft genomen, maar — terecht — in de volle breedte en diepte van de openbaring van God. Slechts binnen het kader van de volheid van de Godsopenbaring kunnen wij komen tot het rechte zicht op de toepassing van de (afzonderlijke) geboden en voorschriften.

Te wijzen valt in dit verband onder andere op het kader waarbinnen de bijbelse geboden en voorschriften gegeven worden. De inleiding op de tien geboden luidt: “Ik ben de HERE, uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis geleid heb.” Deze zinsnede is van grote betekenis voor de manier waarop de Decaloog begrepen wordt.28 Deze heilsopenbaring van God werkt ook door in de concrete voorschriften zelf. Een voorbeeld daarvan lezen we in Lev. 19: 33-34: “En wanneer een vreemdeling bij u in uw land vertoeft, zult gij hem niet onderdrukken. Als een onder u geboren Israëliet zal u de vreemdeling gelden die bij u vertoeft; gij zult hem liefhebben als uzelf, want gij zijt vreemdeling geweest in het land Egypte.
Ook de voorschriften van het Nieuwe Testament staan in het kader van Gods heilsopenbaring. Men lette er slechts op dat Paulus' vermaningen veelal volgen op zijn Christusprediking! Zie heel sprekend Rom. 12vv; Ef. 4vv; Kol. 3v. Hoezeer die heilsopenbaring doorwerkt in de regelgeving als zodanig blijkt uit Ef. 4:32-5:1: “Weest dan navolgers Gods! ...”

 

6.3 Het beroep op de schepping

In de bovenstaande paragraaf hebben we een beeld gegeven van de wijze waarop in met name de Gereformeerde traditie omgegaan wordt met de contextbepaaldheid van de bijbelse voorschriften. Uit dit beeld blijkt, dat de volheid van Gods openbaring in de Schriften meedoet in de wijze waarop die voorschriften uitgelegd en toegepast worden. Op dit punt komen we echter wel opeens midden in de problematiek terecht die ons in dit rapport bezig houdt. Immers in het bovenstaande werd meer dan eens gesteld dat ‘de scheppingsordeningen’ van blijvende betekenis voor ons zijn. Vanwege de grote betekenis die de scheppingsorde voor man en vrouw voor sommigen heeft29, willen we daaraan in deze paragraaf aandacht besteden.
Hoewel het in dit rapport gaat om de betekenis van Paulus’ beroep op Gen. 1-3, menen we dat het voor het juiste perspectief goed is om hier eerst enkele algemene opmerkingen


➝ 14: 35; Fil. 4: 8v), de praktijk in andere kerken (1 Kor. 11: 16; 14: 36), ethische inzichten uit de cultuur (‘huistafels’ in Ef. 5: 22-6: 9; Kol. 3: 18-4: 1), ‘burgerlijke deugden’ (Rom. 13: 3; 1 Pet. 2: 11v).
27 Vergelijk Douma, J., Grondslagen, 116vv.
28 Zie, als één van de velen, Houtman, C., Exodus III, 27vv, die n.a.v. de aanhef schrijft: “De context bepaalt het karakter van JHWH’s voorschriften” en “De verordeningen worden erdoor gekwalificeerd. Ze zijn afkomstig van de God, aan wie Israël zijn vrijheid te danken heeft. Van de voorschriften van zo’n God mag men verwachten dat het regels ten leven zijn. De zelfpresentatie is tevens een krachtige uitnodiging de verordeningen van harte na te leven.”
29 Zie voor een overzicht van wat er onder de scheppingsorde voor man en vrouw verstaan dient te worden, van de wijze waarop daarover de afgelopen honderd jaar in het Nederlandse gereformeerde protestantisme gesproken is en van de betekenis daarvan voor de bezinning op de verhouding tussen man en vrouw, Mudde, J.M., ‘Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt ...’ De betekenis van de spreukenwijsheid voor de bezinning op de man-vrouwverhouding, in Vrouwen op een zij-spoor? Emancipatie van de vrouw en het verstaan van de Schrift in gereformeerd perspectief Amsterdam 1998, 137-173.

|76|

te maken over het veel gehanteerde begrip ‘scheppingsordeningen’. In hoofdstuk 7 zal dan speciaal worden ingegaan op de betekenis van het beroep dat Paulus doet op Gen. 1-3.

6.3.1 Scheppingsorde

Wij belijden dat God de Schepper is van hemel en aarde. De hele Schrift spreekt en zingt daarvan. Wij geloven ook, dat Hij de wereld niet als een baaierd heeft geschapen, maar ter bewoning (Jes. 45: 18). Daartoe heeft Hij in de wereld een orde aangebracht, die getekend wordt in Gen. 1 en 2, maar ook in bijvoorbeeld Ps. 104. God heeft deze orde in zijn wijsheid aangebracht (Ps. 104: 24; Spr. 8: 22-31), zodat er leven op aarde mogelijk zou zijn. In dankbare verwondering spreken en zingen de Schriften hierover op de verhoogde toon van de lofprijzing.
Een enkele keer wordt er rechtstreeks gesproken van ‘ordeningen’ die God de schepping heeft meegegeven. Zo lezen we in Spr. 8: 29, dat God aan de zee haar perk stelde, “opdat de wateren zijn gebod niet zouden overtreden”. En in Jer. 31: 35 en 33: 25v wordt in verband met het ritme van dag en nacht gesproken van de “verordeningen van hemel en aarde”. Aanknopend bij deze terminologie zijn sommigen op een gegeven moment van scheppingsordeningen gaan spreken.
Toch heeft het woord ‘scheppingsorde’ ook een meer toegespitste betekenis. Binnen de gereformeerde traditie wordt daarmee met name gedoeld op bepaalde inzettingen, die God de mens bij de schepping heeft meegegeven: de vruchtbaarheid, de arbeid, de sabbat, het huwelijk. En ook de gedachte dat de man het hoofd is van de/zijn vrouw wordt onder de scheppingsordeningen gerekend.

In Gen. 1: 28 lezen we: “Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels ...” In Gen. 2: 3: “En God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht.” In Gen. 2: 15: “En de HERE God nam de mens en plaatste hem in de hof van Eden om die te bewerken en te bewaren.” En in Gen. 2: 24: “Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en zij zullen tot één vlees zijn.” De voortplanting, de sabbat, het huwelijk, en de arbeid worden daarom scheppingsordeningen genoemd.

Van belang is dat in deze gedachtegang het negeren van de scheppingsordeningen schadelijk is voor de mens. Zij zijn, als alle inzettingen van de HERE, voor het welzijn van de mens geschapen. Verder wordt binnen de gereformeerde traditie gesteld, dat de scheppingsordeningen Gods norm voor het menselijke samenleven van alle tijden bevatten, omdat zij teruggaan op zijn goede schepping.30
De vraag is echter of en zo ja in welke zin ‘de scheppingsordeningen’ norm zijn voor ons.

6.3.2 Is ‘de schepping’ normatief?

Om een antwoord op deze vraag te formuleren verdedigen we hier twee stellingen.31


30 Zie de definitie die J. van den Berg geeft in de Christelijke Encyclopedie VI, Kampen 19612, 61: het zijn die structuren en verbanden “die door God met de Schepping gegeven zijn in het kader van een door Hem gestelde vaste, zedelijke wereldorde en die ook na de zondeval door Hem gehandhaafd zijn en die door ons dienen te worden geëerbiedigd als uitdrukkingen van zijn wil.” Met name die laatste woorden verdienen in dit verband de aandacht: zij dienen door ons “te worden geëerbiedigd als uitdrukkingen van zijn wil.” Vergelijk Mudde, J. M., Gij hebt, 137-138.
31 Deze tweeheid is terug te vinden zowel bij Douma, J., Grondslagen, 139, als bij Loonstra, Bert, Zo goed en zo kwaad. Naar een ethiek van de christelijke gemeente, Zoetermeer 2000, 75-99, als bij Mudde, J.M., Gij hebt, 152vv.

|77|

Stelling 1: Een wijs mens verheugt zich in de door God geschapen orde, wil daaraan recht doen en houdt daarmee volop rekening bij de inrichting van het leven.

Een wijs mens verheugt zich in al Gods werken, zijn scheppingswerken voorop. De psalmen loven Gods macht en wijsheid in de schepping, niet in algemene, maar in hoogst concrete termen. Geroemd worden de degelijkheid van het geheel, de grootsheid, de variatie, de bijzondere plaats die elk levend wezen in het door God geschapen bestel inneemt (Ps. 8; 19: 1-7; 104; 147 en 148). Al Gods werken zingen zijn lof. Een wijs mens houdt dan ook 'feeling' met de schepping. Met name het Spreukenboek gaat hierin voor en gebruikt de wetmatigheden in de schepping als argumenten in de opvoeding. Het houdt rekening met de werking van de seizoenen, de zwaartekracht, de wetten van oorzaak en gevolg.32

Van belang is ook dat in de Schrift, ter onderbouwing van een bepaald gebod, meer dan eens wordt teruggegrepen op het begin, de schepping. In het bijzonder valt te denken aan de motivering van het sabbatsgebod in de Decaloog in Ex. 20: 11. En Jezus grijpt in zijn gesprek met de Farizeeën over de echtscheiding in Mat. 19: 1-12 terug op de schepping van man en vrouw en het woord uit Gen. 2: 24 om daarmee beslissend het verbod op echtscheiding te onderbouwen. God bracht man en vrouw tot elkaar, en wat God samengevoegd heeft scheide de mens niet! Eens en voor altijd is dit in het begin duidelijk gemaakt.

Concluderend kunnen we daarom zeggen, dat ‘de schepping’ volop dient mee te doen in de bezinning op de inrichting van het leven. En onder schepping verstaan wij — in de lijn van de bijbelse gegevens — zowel de schepping waarvan wij lezen in Gen. 1 en 2, als de geschapen werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet.

Stelling 2: De door God geschapen orde kan niet normatief genoemd worden, in dezelfde zin als bijvoorbeeld de tien geboden of het dubbelgebod van de liefde normatief zijn.

De volgende argumenten willen we voor deze stelling naar voren brengen:
1. In de Schrift zelf vinden we vele malen een andere prioriteit dan die van het handhaven van ‘scheppingsordeningen’33. Dit punt met name is in een hermeneutische bezinning van groot belang.
Om dit te onderbouwen komen we hier eerst nog eens terug op enige opmerkingen die we naar aanleiding van de schepping van Adam en Eva maakten over het ‘eerste-zijn’, zie 4.3.3.5. In het oude Israël was dit ‘eerste-zijn’ een scheppingsmatig gegeven. Zo deed de geschapen werkelijkheid zich aan de mensen voor en zo duidden zij dit eerste-zijn als een prioriteit die de HERE zelf stelde. Overzien we echter Gods openbaring in haar totaliteit, dan geldt juist van dit gegeven hoezeer het keer


32 Eén van de belangrijkste wetmatigheden is “Wat eens mensen handen volbrengen, keert weder tot hem” (Spr. 12: 14). Dit is een diepe levenswijsheid waarvan de speukendichters talloze illustraties geven. Het is de hoeksteen van de opvoeding. Wie zijn naaste goed doet zal zegen beërven (Spr. 11: 18b; 12: 14), wie zijn naaste kwaad doet zal de rotte vruchten daarvan plukken. Deze ‘wetmatigheid’ is niet alleen gebouwd op levenservaring, maar vooral op de diepe overtuiging dat God de Schepper ook rechter is over hemel en aarde. We vinden haar nog terug in het Nieuwe Testament waar Paulus schrijft: “Wat een mens zaait, zal hij ook oogsten” (Gal. 6: 7vv).
33 Zie Mudde, J.M, Gij hebt, 152vv en 162vv en Loonstra, B., Zo goed, 94vv.

|78|

op keer in de omgang van God met zijn volk gerelativeerd wordt. Het als eerste ter wereld komen bevat geen norm voor alle plaatsen en alle eeuwen. Ook willen we wijzen op de manier waarop Jezus Christus met de sabbat omging. Die omgang was principieel verschillend van die van zijn Farizeese tijdgenoten. Hij genas, geheel tegen de voorschriften in, op de sabbat patiënten waarvan de genezing gerust een dag uitgesteld had kunnen worden. Ook stond Hij het zijn leerlingen toe om aren te plukken op de sabbat. Toen Hij daarop werd aangevallen, verweerde Hij zich: “De sabbat is gemaakt om de mens en niet de mens om de sabbat. Alzo is de Zoon des mensen heer ook over de sabbat” (Mc. 2: 27,28). Hieruit blijkt dat de sabbat geen doel in zichzelf is; het is middel tot het bereiken van een doel, te weten het heil, de heling van de mens.
We kunnen deze lijn doortrekken naar de wijze waarop Paulus met ‘de scheppingsordeningen’ omgaat. Paulus zelf was ongehuwd en adviseerde anderen ongehuwd te blijven (1 Kor. 7), hoewel God op de zesde scheppingsdag sprak: “Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar....
Een ander voorbeeld. Ps. 104: 22-23 bezingt het heilzame ritme dat de HERE God ook voor de mens in de schepping gelegd heeft: “Gaat de zon op, dan (trekken de nachtdieren zich terug in hun holen, maar) de mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot de avond toe. Paulus stemde zich hierop echter niet af, maar werkte dag en nacht (1 Tess. 2: 9; 2 Tess. 3: 8). Zelfs het huwelijk heeft bij Paulus — maar ook verder in de Bijbel (zie Ezra 9 en 10) — niet die onaantastbaarheid die het krachtens de schepping zou moeten hebben; zie 1 Kor. 7: 12-16. De vraag rijst waarom Paulus adviseerde ongehuwd te blijven en waarom hij dag en nacht werkte. Het antwoord luidt, dat er voor hem hogere belangen op het spel staan dan het handhaven van de scheppingsorde. Christus’ heil is verschenen, en zijn dag is nabij. De tijd is kort! (1 Kor. 7: 26-31)

2. Wij zijn niet in staat om de gevolgen van de zondeval zodanig in kaart te brengen dat wij op grond daarvan kunnen zeggen wat God na de zondeval heeft gehandhaafd en wat niet.34 We denken aan een in dit verband fundamenteel woord van de apostel Paulus, als hij zegt “dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is” (Rom. 8: 22). Er is alle reden om dat woord in z’n volle zwaarte te nemen. De zonde is, bijbels gesproken, meer dan een laagje vuil op iets dat daaronder nog gaaf bleef. Vanuit de (gevallen) wereld waarin wij leven hebben wij geen rechtstreekse toegang meer tot de schepping. Dat maakt dat we ernstig beperkt worden in onze mogelijkheden om uit de geschapen werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet, normatieve scheppingsbedoelingen af te leiden.

3. Tenslotte is de hele geschiedenis door het beroep op de schepping problematisch en zelfs hachelijk geweest. Het is meer dan eens voorgekomen dat vooraanstaande theologen uit bepaalde natuurlijke gegevens Goddelijke normen of voorschriften afleidden. Zo concludeerde A. Kuyper uit het feit dat er ongeveer evenveel mannen als vrouwen geboren worden, dat het Gods bedoeling is, dat in principe iedereen trouwt. En H. Bavinck meende dat vrouwen ongeschikt waren voor een universitaire opleiding, omdat menstruatieproblemen haar te veel zouden ophouden. Hoe redelijk deze argumenten de beide mannen ook in de oren geklonken mogen hebben, inmiddels zullen ze slechts weinigen nog overtuigen. Het afleiden van normen uit de


34 Douma, J., Grondslagen, 135 en 139; Loonstra, B., Zo goed, 78.

|79|

natuur blijft iets van willekeur houden. Dat geldt ook voor het afleiden van een norm uit de scheppingsordeningen van Gen 1 en 2. Zo gebiedt God in Gen. 1: 28 zijn zegen over de mens: “Vermenigvuldigt u en wordt talrijk. In het verleden zijn deze woorden naar voren gebracht als argument tegen geboorteregeling en het gebruik van voorbehoedmiddelen. Aangezien slechts weinigen dit tegenwoordig nog voor hun rekening zullen nemen, kunnen we ook dit naar voren brengen als een bevestiging van onze mening dat het beroep op de schepping in veel gevallen problematisch en discutabel is.

6.3.3 Conclusie

Onze conclusie is dat het beroep op de schepping volop mee heeft te doen in de bezinning op de verhouding tussen man en vrouw, maar dat dit beroep nooit als het eind van alle discussie naar voren gebracht mag worden. De prioriteit in de Schrift ligt daarvoor te zeer bij de voortgang van het heil in Christus. Kern van de bijbelse boodschap is niet het handhaven van ‘scheppingsordeningen’, maar het vestigen van Gods heerschappij in het leven van de mens. En stellig kunnen de van God gegeven ordeningen van het leven (huwelijk, ouderschap, etc) daaraan dienstbaar zijn en heel dikwijls zijn ze dat ook, maar doel in zichzelf zijn ze niet.
Terzijde: de betekenis van deze conclusie voor de interpretatie van Paulus’ beroep op Gen. 1 tot 3 zal in hoofdstuk 7 aan de orde komen.

 

6.4 Tussenbalans

Na deze lange gedachteketen vatten we de grote lijn van het voorgaande samen. Vervolgens willen we die aan een korte evaluatie onderwerpen.

6.4.1 Samenvatting

Uit het vorige hoofdstuk bleek, dat een centraal punt van bezinning binnen de gereformeerde gezindte de vraag is wat het blijvende en wat het tijdelijke is in de bijbelse voorschriften betreffende de man-vrouwverhouding. Van de in 5.3 genoemde thema’s kwamen in dit hoofdstuk tot nu toe met name de eerste twee aan de orde, te weten:
• de contextbepaaldheid van de bijbelse voorschriften en
• de betekenis van de scheppingsorde in de Bijbel.
De vraag rijst wat de bovenstaande behandeling van deze twee thema’s aan gezichtspunten heeft opgeleverd. We zetten een aantal zaken op een rij:
1. Het staat vast, dat in de Bijbel een nauwe verwevenheid bestaat tussen concrete voorschriften en de context waarbinnen zij gegeven werden.
2. Deze verwevenheid hangt samen met het karakter van de openbaring van God. God is met zijn openbaring ingegaan in het bestaan van mensen, Hij heeft hen opgezocht waar ze zitten, en heeft Zich aangesloten bij de cultuur waarin zij leefden.
3. Deze verwevenheid heeft tot gevolg dat een rechtstreekse toepassing van concrete bijbelse voorschriften in deze tijd veelal niet mogelijk en niet gewenst is.
4. Deze verwevenheid heeft niet tot gevolg, dat al die contextbepaalde voorschriften geen betekenis meer voor ons hebben. Een Schriftwoord kan in soms geheel andere omstandigheden een verrassend licht over het leven laten opgaan.
5. Deze verwevenheid heeft ook niet tot gevolg, dat wij daardoor in het onzekere verkeren omtrent Gods bedoeling met ons leven. Gods wil voor de mens van alle tijden en plaatsen is overal in de Bijbel met de handen te tasten. God Zelf, Zijn liefde en gerechtigheid en Zijn trouw en goedheid die Hij geopenbaard heeft in Zijn Zoon, vormen het kloppende hart van heel de Schrift.

|80|

6. Hoewel ook de schepping en de daarin gelegde ordeningen richtinggevend zijn voor de inrichting van het (sociale) leven van de mens, staat het vast, dat in de bezinning op de inrichting van het leven met het beroep op de schepping en de daarin gelegde ordeningen niet het laatste woord gesproken is.

6.4.2 Nieuwe overwegingen

Met de bovenstaande algemene gezichtspunten hebben we stellig een aantal wezenlijke zaken geformuleerd. Daarmee zouden we nu de overstap kunnen maken naar de voor dit rapport zeer wezenlijke vraag wat deze punten opleveren voor de bezinning op Paulus’ voorschriften betreffende de plaats van de vrouw in de gemeente. Wij zijn echter van mening dat nog steeds niet al het materiaal naar voren is gebracht dat nodig is om deze bezinning tot een bevredigend einde te brengen. We wijzen op enkele aspecten die door de bovenstaande hermeneutische uitgangspunten niet gedekt worden:
1. De bovenstaande uitgangspunten helpen ons in onvoldoende mate om de uitkomst van het exegesehoofdstuk een plaats te geven. We hebben wel gezien dat in de Bijbel op veel plaatsen Gods wil wordt bekendgemaakt op een wijze die sterk gestempeld is door de toenmalige cultuur, situatie en heilshistorische context. Maar hoe duiden we het gegeven, dat vanuit de exegese op verschillende manieren naar de kwestie gekeken kan worden?
2. Ook missen we nog een bezinning op de rol van het menselijke beoordelings- en onderscheidingsvermogen in de hele bezinning. Want — dat is inmiddels duidelijk — in heel het traject waarop we ons bevinden zijn wij mensen nadrukkelijk aanwezig. Biddend en werkend, lezend en luisterend, interpreterend en beslissingen nemend zijn wij mensen met de Schrift bezig. Onze rol is al met al heel groot. Te groot in bijbels licht?
3. Dit punt valt toe te spitsen op een heel ander aspect dat naar onze mening in de bezinning een rol moet spelen: de doorwerking van de emancipatie in het leven van veel christenen. Te denken valt allereerst aan het huwelijk. Het blijkt, dat de meeste christenen in onze samenleving daarin als gelijkwaardige partners met elkaar omgaan. De nieuwtestamentische ‘grondwet’ van de houding die een vrouw ten opzichte van haar man heeft in te nemen (“Vrouwen, weest uw man onderdanig”, Ef. 5: 22; Kol. 4: 18; Tit. 2: 5 en 1 Pet. 3: 1) speelt in de praktijk (vrijwel) geen rol meer. Ook zien zowel mannen als vrouwen niet waarom en hoe zij deze woorden gestalte zouden moeten geven. Binnen deze gelijkwaardige verhouding hebben ze een harmonie gevonden waarvoor ze God dankbaar zijn. Om het op de wijze van Rom. 14: 6 te zeggen: “Wie in het huwelijk gelijkwaardig met elkaar omgaan doen het om de Here, want zij danken God. En wie dat niet doen laten het na om de Here en ook zij danken God.” Te denken valt ook aan de wijze waarop mannen en vrouwen binnen onze kerken met elkaar omgaan in de (kerkelijke) vergaderzaal en op de bijbelkring. In de volle breedte van vrijwel het gehele kerkelijke leven doen zowel mannen als vrouwen volop mee in de gezamenlijke bezinning op de Schrift, op het beleid en op de uitvoering daarvan, zonder dat het geweten knaagt.


35 Ter illustratie hiervan een citaat uit het rapport van Rapport Deputaten Echtscheiding: “Zelfs de meest klassiek denkende vrouwen binnen de kerk zijn vandaag zelfstandiger en mondiger dan zij vroeger geweest zouden zijn” (20). Te wijzen valt ook op de uitkomst van de enquête, die in 1997 onder de achterban van de Evangelische Omroep gehouden is; zie Stoffels, H.C., Standvastig, maar niet onbewogen, in: De boodschap en de kloof. Communicatie van het Evangelie in een postmoderne tijd (samenstelling A.G. Knevel), EO 1997, 29-50.

|81|

In deze context is het begrijpelijk dat verschillende vrouwen ook hun gaven willen gebruiken in het ambtswerk van Christus’ kerk. Sommige vrouwen hebben gaven op diaconaal gebied, anderen vallen op door hun pastorale capaciteiten en weer anderen hebben gaven van inzicht en onderscheid der geesten, gebed en voorbede, bijbelkennis en -onderricht, wijsheid en profetie, bestuur en bemoediging. De veranderde verhouding tussen mannen en vrouwen nodigt ertoe uit om deze gaven op elk niveau voor de gemeente in te zetten.
De vraag is hoe we deze positieve beleving door christenen van een geëmancipeerde man-vrouwverhouding en de gevolgen daarvan moeten beoordelen. Moeten we die op het conto schrijven van de vervreemding van God en de ongehoorzaamheid, of mogen we deze veranderingen in de verhouding tussen man en vrouw nemen zoals we ze beleven, te weten als een zegen van God?

De positieve waardering geldt niet alleen de man-vrouwverhouding, maar ook de veranderde positie van de vrouw in de maatschappij.
In de laatste eeuw is ook aan meisjes de mogelijkheid geboden tot het volgen van beter en hoger onderwijs. Veel talenten en capaciteiten, door God aan vrouwen gegeven, konden vroeger niet tot ontwikkeling komen en bleven daardoor verborgen. Door de grote vlucht van het onderwijs in de laatste decennia aan meisjes en vrouwen zijn veel gaven tot ontwikkeling en ontplooiing zijn gekomen.
Daarbij kwamen nog enkele andere ontwikkelingen, waardoor vrouwen meer tijd kregen voor zaken die buiten de zorg voor gezin en kinderen liggen. De verbeteringen en uitvindingen op medisch gebied zorgden voor minder ziekte en gehandicapten in de gezinnen. De uitvinding van de pil en andere voorbehoedsmiddelen hadden als gevolg minder zwangerschappen en kleinere gezinnen. De mechanisatie van de huishoudens verminderde de tijd, die nodig was voor voorziening en bereiding van voedsel en zorg voor kleding en het schoonhouden van de woning. Door al deze ontwikkelingen heeft de vrouw meer tijd om buitenshuis te werken in de sector waarvoor zij is opgeleid en waar haar interesse ligt. Afgezien van het feit dat de verhouding tussen de zorg voor het gezin en het werk buitenshuis nog niet in alle gevallen ideaal te noemen is, voelen veel vrouwen zich gelukkiger nu zij haar gaven en specifieke capaciteiten in breder verband, ook buitenshuis kunnen inzetten.

Niets wijst er op, dat we in de hierboven genoemde ontwikkelingen met een voorbijgaand verschijnsel te maken hebben. Herman Bavinck heeft al aan het begin van de 20ste eeuw ingezien, dat met de opkomst van de vrouwenbeweging een onomkeerbaar proces op gang is gekomen.36 Hij schrijft: “De ziel der vrouw is ontwaakt, en geen macht ter wereld brengt haar terug tot de onbewustheid van weleer.”37 Met die ontwaking tot zelfbewustzijn is een proces begonnen, “dat zich doorzet en niet te keren is.”38 Van belang is, dat hij dit gegeven in een wijd historisch verband plaatst: “Wordt in de Schrift de verhouding van overheid en onderdanen, meesters en slaven, ouders en kinderen, man en vrouw nog op één lijn gesteld, in de loop van de tijd zijn al deze verhoudingen gewijzigd.”39 En: “Gezag en onderwerping... staan toch lang niet zoo scherp tegenover elkaar als in vorige tijden; ze naderen elkaar en komen tot zeker vergelijk.” En: “Overal en op elk gebied wordt de waarde en het recht der persoonlijkheid beter dan vroeger erkend.”40 Als de zaak er een kleine eeuw geleden al zo voorstond, hoeveel te meer is dat nu het geval.


36 In De vrouw in de hedendaagsche maatschappij, Kampen 1918.
37De vrouw, 74.
38De vrouw, 74.
39De vrouw, 76.
40De vrouw, 77.

|82|

Met de algemene gezichtspunten die we in dit hoofdstuk op het spoor zijn gekomen, zijn we wel enigermate, maar niet geheel in staat de bovenstaande vragen te beantwoorden. Daarom zetten we de bezinning op het Schriftverstaan nog verder voort.

 

6.5 De mens en zijn verantwoordelijkheid

In het voorgaande hebben we laten zien dat de bijbelse voorschriften nauw verweven zijn met de context waarbinnen zij gegeven werden. In de lijn van de christelijke traditie hebben we dit gegeven onder meer geduid vanuit de ‘accommodatio Dei’. We menen echter dat er nog een invalshoek is van waaruit we naar de contextbepaald van de Schriftgegevens kunnen kijken. Op basis van de bijbelse gegevens mag gesteld worden, dat er van Godswege niet alleen sprake is van een aanpassing aan de mens, maar ook van een ernstig nemen van de mens. De Almachtige past Zich aan ter wille van het verstaan, maar Hij houdt ook rekening met de positie die Hij de mens op aarde gegeven heeft. Hij heeft de mens naar Zijn beeld en gelijkenis geschapen, hem een koninklijke positie gegeven binnen zijn schepping. Daarmee heeft Hij aan de mens ook een eigen verantwoordelijkheid gegeven, en in het verlengde hiervan een bepaalde mate van vrijheid om zelf beslissingen te nemen, keuzes te maken en vorm aan het leven te geven. En daarop komt Hij, ondanks de diepe val van de mens, niet terug.
Hier loopt een lijn door de Bijbel, die begint op de eerste bladzijde van het Oude Testament en voltooid wordt op de laatste bladzijde van het Nieuwe Testament.

6.5.1 Het Oude Testament

In Ps. 115: 16 vinden we een woord, dat kenmerkend is voor de verhouding waarin de HERE God en de mens, de hemel en de aarde vanaf het begin van de schepping tot elkaar staan: “De hemel is de hemel van de HERE, maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven. Dat is nogal wat: de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven! Dat betekent niet, dat hemel en aarde los van elkaar staan. God, de Schepper en Onderhouder van de aarde, is juist ten zeerste betrokken op mens en wereld:
De HERE schouwt uit de hemel,
Hij slaat alle mensenkinderen gade;
uit zijn woonplaats ziet Hij
naar alle bewoners der aarde,
Hij, die hun aller harten vormt,
die al hun werken doorgrondt
” (Ps. 33: 13-15).
Hij zoekt de mens op, sluit verbonden, wil temidden van zijn volk wonen, zelfs Zelf Mens onder de mensen zijn, om uiteindelijk in de mens te komen, totdat de nieuwe hemel en de nieuwe aarde komt, waar de tent van God is bij de mensen en waarop zijn dienstknechten als koningen mogen heersen tot in alle eeuwigheden. Toch, ondanks deze intense verbondenheid van de hemel met de aarde en de volstrekte afhankelijkheid van de aarde van de hemel, geeft God de mens een bepaalde mate van zelfstandigheid ten opzichte van de hemel. Dat heeft te maken met de eigen plaats die God de mens op aarde heeft toebedeeld. De mens is door God geschapen als degene die in beperkte zin en heel in het klein mag doen wat de eeuwige God soeverein en in het groot doet: regeren over de schepping.

Verre van triomfalistisch, eerder verbijsterd, maakt Ps. 8 er notitie van dat God de mens met luister en heerlijkheid heeft gekroond. Alle misbruik van deze grote woorden wordt voorkomen door het refrein dat deze psalm omsluit: “O HERE, onze HERE, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde. Tot meerdere eer en glorie van God is de mens naar Gods beeld geschapen.

|83|

De relatieve zelfstandigheid van de mens binnen de schepping wordt in Gen. 2 nader uitgewerkt en geconcretiseerd. Te wijzen valt op Gen. 2: 5 (“er was nog geen mens om de aardbodem te bewerken”) en het bekende Gen. 2: 15 (“om die te bewerken en te bewaren”), maar sprekender nog is Gen. 2: 19: “En de HERE God formeerde uit de aardbodem al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels. Ook bracht Hij het tot de mens, om te zien hoe deze het noemen zou. De HERE God spelt de mens niet voor hoe hij de dieren noemen moet, maar geeft de ruimte om zelf een stempel op het geheel te zetten. Opvallend is het vervolg van deze zin: “... en zoals de mens elk leven wezen noemen zou, zo zou het heten. Dat God onze taal wil spreken is zijnerzijds geen concessie, maar ligt besloten in de plaats die Hij ons gegeven heeft.
Dit ernstig nemen van de mens spreekt verder uit tal van Schriftgegevens. Te denken valt bijvoorbeeld aan de gesprekken die Hij voert met Mozes (Ex. 3: 4-4: 17; 32 en 33; Num. 11: 10-17), enzovoort, enzovoort.
Kroongetuige voor de gedachte dat de HERE de mens ernstig neemt en volop laat meedoen bij de inrichting van het leven, is de wijsheidsliteratuur van het Oude Testament. In met name het Spreukenboek doen de menselijke levenservaring en oordeelsvorming volop mee in de bezinning op wat heilzaam is en wat niet.41 De mens die de HERE vreest wordt niet uitgeschakeld, maar met al zijn verstandelijke vermogens en met elk zintuig ingeschakeld bij het vinden van heilzame wegen door het leven.

6.5.2 Het Nieuwe Testament

Het Nieuwe Testament is de voortzetting en vervulling van het Oude. God zoekt zijn volk op. Hij zoekt de gevallen wereld op en brengt in Zijn Zoon verzoening tot stand. Vanuit de verzoening in Christus komt het echter ook tot vernieuwing. De mens wordt weer gezet op het spoor van de roeping waartoe hij door God geschapen is. Ook dit is in geen enkel opzicht cultuuroptimistisch bedoeld, noch triomfalistisch. Hoe zou dat kunnen, nu de weg tot deze vernieuwing loopt via het kruis van Jezus Christus! En toch zien we dat de gevallen mens die met Christus mocht opstaan uit het zondegraf door de Heilige Geest gebracht wordt tot een nieuw leven waarin hij de drager wordt van nieuwe en grote verantwoordelijkheden.

Om te beginnen wijzen we op Joh. 20: 21vv. Christus zendt zijn leerlingen de wereld in, zoals de Vader Hem zond. Hij geeft daartoe Zijn Geest, want zonder Zijn Geest kunnen zij niets doen. En dan geeft Christus een bevoegdheid die tekenend is voor de enorme verantwoordelijkheid die Hij Zijn kerk toevertrouwt: “Wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend” (vergelijk Mat. 16: 19 en 18: 18: “Wat gij op aarde binden zult, zal gebonden zijn in de hemelen, en wat gij op aarde ontbinden zult, zal ontbonden zijn in de hemelen”). Hierin proeven we iets van een op het allerhoogste niveau doortrekken van Gen. 2: 19 (“en zoals de mens elk levend wezen noemen zou, zo zou het heten”). De mens die in Christus is wordt hier tot medearbeider (1 Kor. 3: 9) van God gemaakt. In de uitvoering van deze taak ligt een enorme verantwoordelijkheid besloten. Een verantwoordelijkheid die slechts gedragen kan worden door mensen die leven uit Christus’ Geest.

Te denken valt hier zeker ook aan de centrale gedachten van Paulus in zijn brief aan de Galaten. Hij schrijft, dat wij door het geloof in Christus geen onmondige kinderen meer zijn (4: 1vv), geen slaven, maar zonen (4: 7). “Gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus” (3: 26). Het zoonschap wordt hier afgezet tegen de slavernij, die het gevolg is van de aanklagende functie van de wet; de wet, die de mens bepaalt bij zijn zonde (3: 10-13). Maar dat zoonschap, dat ons dankzij Christus ten deel is gevallen en dat wij dankzij de uitstorting van de Heilige Geest beleven (4: 6), behelst niet alleen een vrij zijn van de vloek van de wet, maar ook een vrij zijn van de wet zelf! Tenminste, van de wet als stelsel van regels en voorschriften, de “wet der geboden, in inzettingen bestaande” (zo interpreteren


41 Zie Mudde, J.M., Gij hebt, 148-151.

|84|

wij overeenkomstig Ef. 2: 15). Richtsnoer voor de christen blijft wel datgene waarvan “de gehele wet” (Gal. 5: 14) getuigt: de liefde, Gods liefde. Toch wordt het zoonschap in Christus nadrukkelijk niet getypeerd als een leven naar de wet, maar als een “wandelen door de Geest”. “Indien gij u echter door de Geest laat leiden, dan zijt gij niet onder de wet” (5: 18). Dit impliceert dat een mens niet doet “wat hij maar wenst” (5: 17), want dat is een werk van ‘het vlees’. Maar iemand die Christus Jezus toebehoort, heeft juist het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd (5: 24). “De vrucht van de Geest echter is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing” (5: 22). Tegen zodanige mensen is de wet niet (5: 23).

In dit verband willen we er met name de vinger bij leggen, hoe serieus in dat nieuwe leven het eigen ken- en beoordelingsvermogen van Christus’ volgelingen genomen worden. In Rom. 14: 1-15: 6 wordt de mens die leeft en sterft voor de Here (14: 7-8) zo volstrekt ernstig genomen, dat Paulus kan stellen: “Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd” (14: 5), en: “Zalig is hij die zich geen verwijten maakt bij hetgeen hij goed acht” (14: 22), en: “al wat niet uit geloof is, is zonde” (14: 23). En zelfs schrijft hij: “Ik weet en ben overtuigd in de Here Jezus, dat niets uit zichzelf onrein is; alleen voor hem die iets onrein acht is het onrein” (14: 14).

Terzijde: mochten we ons van de mate waarin we hier op aarde als mensen tot ontplooiing komen een al te optimistische voorstelling maken, dan houdt het gebed dat de Heer ons doet bidden ons wel met beide benen op de grond: “Vergeef ons onze schulden” en “Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. En de vaderen leren ons “dat zelfs de allerheiligsten in dit leven niet meer dan een klein beginsel van gehoorzaamheid hebben” (Heidelbergse Catechismus, Zondag 44, antw. 114). Een pijnlijke waarheid is hiermee onder woorden gebracht. Maar hoewel we in zekere zin steeds weer terug naar af moeten, naar het kruis van Christus namelijk, blijft tegelijk staan dat we zijn beelddragers zijn, geschapen in waarachtige gerechtigheid en heiligheid.

6.5.3 De bredere actualiteit van de bezinning op de menselijke verantwoordelijkheid

De bovenstaande gedachten zijn niet nieuw. Het thema van de menselijke verantwoordelijkheid heeft de laatste decennia ook binnen de kerken wel een bijzondere aandacht gekregen. Blijkbaar dringt het zich op, wordt het als vanzelf opgeroepen door de vragen waarvoor we staan.

Blijven we binnen de traditie waarbinnen wij zelf staan, dan kan gewezen worden op het gedachtegoed van K. Schilder, waarbinnen de eigen verantwoordelijkheid van de mens als beelddrager van God een heel centrale plaats heeft.42 Ook J. Douma benadrukt in zijn ethiek de mondigheid van de christen en de leiding door de Heilige Geest.43 Een mondigheid die niet individualistisch, maar binnen de gemeenschap der heiligen over tijd en plaats heen beleefd wordt.
Te wijzen valt op het werk van H.G. Geertsema, die in zijn beschouwingen een grote nadruk legt op de mens die door God geschapen is om antwoordend en verantwoordelijk te leven. A. van der Dussen heeft in het kader van de bezinning op de vrouw in het ambt


42 Zie Veldhuizen, P., God en mens onderweg. Hoofdmomenten uit de theologische geschiedbeschouwing van Klaas Schilder, Leiden 1995, 161-165, in het bijzonder 164.
43Verantwoord handelen, 60-61. Zie ook Grondslagen, 115-119. Passages uit dit boek werken ook door in Rapport Deputaten Echtscheiding, 48.
44 Zie o.a. Geertsema, H.G., Homo respondens. Het historische karakter van de menselijke kennis, in Het menselijk karakter van ons kennen, Amsterdam 1992, 102-156, m.n. 131vv; Idem, Achtergronden van en uitweg uit de impasse van de gereformeerde theologie, in Brink, G. van den, Geertsema, H.G., Hoogland, J. e.a., Filosofie en theologie, een gesprek tussen christenfilosofen en theologen, Amsterdam 1997, 82-105. Maarten J. Verkerk heeft in Sekse als antwoord, Amsterdam 1997, 209-234 de gedachten van Geertsema vruchtbaar gemaakt voor zijn bezinning op het man en vrouw-zijn.

|85|

gepleit voor de erkenning van ‘de christelijke autonomie’.45 Deze christelijke autonomie mag niet verward worden met die van de natuurlijke mens. Ze ligt in de lijn van Rom. 8: 1546 en is vrucht van een leven van omgang met de HERE.47 Ook bij J.M. Mudde staat de aandacht voor de eigen menselijke verantwoordelijkheid en de wijze waarop die gedragen dient te worden, centraal. Hij typeert die als een verantwoordelijkheid in afhankelijkheid.48 Tenslotte stelt ook B. Loonstra in Zo goed en zo kwaad voortdurend de menselijke verantwoordelijkheid en de mondigheid van de mens aan de orde.49 De wijze waarop hij hierover spreekt ligt in de lijn van het bovenstaande.50
Waar het om gaat, is dat de gedachten gestuwd lijken te worden in de richting van mondigheid en verantwoordelijkheid. Maar dan wel een verantwoordelijkheid, die door de mens gedragen wordt op een wijze die God behaagt.

 

6.6 Relevantie van de bezinning op de menselijke verantwoordelijkheid

De vraag rijst welke winst deze bezinning op het bijbelse mensbeeld en in het bijzonder die op de eigen menselijke verantwoordelijkheid oplevert.
We herinneren hier aan paragraaf 6.4.2, waar we vaststelden dat er drie voor onze bezinning relevante vragen overbleven die met behulp van de daarvóór geformuleerde hermeneutische uitgangspunten nog niet beantwoord konden worden:
1. Hoe moeten we het in het licht van de Bijbel duiden dat vanuit de exegese op verschillende manieren naar de kwestie van de vrouw in het ambt gekeken kan worden?
2. Is de menselijke inbreng niet veel te groot?
3. Wat te doen met het gegeven dat de geëmancipeerde wijze waarop mannen en vrouwen in onze samenleving met elkaar omgaan in huwelijk en kerk door talloze christenen als een zegen ervaren wordt?
We menen dat zicht op de eigen verantwoordelijkheid, die de mens van God gekregen heeft, kan helpen om deze vragen te beantwoorden.

6.6.1 Het open karakter van de Bijbel

Hoofdstuk 4 mondde uit in de conclusie dat het — naar de mening van de commissie — noch voor- noch tegenstanders van de vrouw in het ambt gelukt is om alle Schriftgegevens betreffende de plaats van de vrouw in de gemeente in één overtuigend totaalplaatje onder te brengen. Voordat we aan deze conclusie consequenties verbinden, willen we er met nadruk op wijzen dat zij niet op zichzelf staat. Zou dat wél het geval zijn en zouden we hier dus met een incident te maken hebben, dan ligt het voor de hand om over te gaan tot een nog grondiger en intensiever bestudering van de Schriftgegevens. In


45 Zie Apostolisch gezag. Een pleidooi voor christelijke autonomie, in Kontekstueel 13/5 (1999)5, 11-15.
46 Dussen, A. van der, Apostolisch gezag, 15.
47 Dussen, A. van der, Apostolisch gezag, 16.
48 Mudde, J.M., Verantwoordelijkheid in afhankelijkheid, in Opbouw 41 (1997) nr. 10-13.
49 Loonstra, B., Zo goed, 76vv, 91-96; 161-165 en in de samenvatting van de belangrijkste resultaten van het boek op 216.
50 “De schepping van de mens naar Gods beeld blijkt het toekennen van verantwoordelijkheid in te houden, in de eerste plaats ten opzichte van God, om zijn vertegenwoordiger te zijn in het beheer over de schepping, en vervolgens ten opzichte van elkaar. Het dragen van verantwoordelijkheid brengt met zich mee: rekenschap geven van je daden, of je hebt beantwoord aan je opdracht.” (Zo goed, 76). “Uit de woorden van Jezus is af te leiden dat iedere gelovige een eigen verantwoordelijkheid heeft tegenover Hem. ... Het ouderlijke gezag en het ambtelijke gezag hebben deze eigen verantwoordelijkheid te respecteren. Uit de benadering door Paulus van kwestieuze zaken in de gemeente blijkt dat ook hij die eigen verantwoordelijkheid respecteert.” (Zo goed, 161)

|86|

werkelijkheid echter staat deze conclusie niet op zichzelf. Wie in alle ernst z’n leven wil inrichten op basis van de Bijbel, Gods Woord, stuit op het feit dat het dikwijls niet meevalt om precies te bepalen wat in tal van aangelegenheden in de meest rechtstreekse zin van het woord ‘bijbels’ is.

Dat heeft een aantal oorzaken:
1. De reeds uitvoerig besproken contextbepaaldheid van de bijbelse regels en voorschriften, zie hoofdstuk 6.1.
2. De moeite die er bestaat, om in de weg van de exegese de bijbelse gegevens met elkaar sporend te krijgen. Naar onze mening is dat niet alleen het geval ten aanzien van de vrouw in het ambt, maar ook van andere niet onbelangrijke kwesties. Te denken valt bijvoorbeeld aan de manier waarop de sabbat en de zondag zich tot elkaar verhouden; de posities die binnen de kerken ingenomen worden, vertonen opmerkelijke parallellen met die welke verdedigd worden ten aanzien van de vrouw in de gemeente. Sommigen menen op grond van met name Gen. 1 en Ex. 20: 8-11, dat het onderhouden van de sabbat een scheppingsordening is. Anderen ontkennen dit, met name op grond van Ex. 31: 12-17, de vergelijking van Ex. 20: 11 met Deut. 5: 14b-15, Ez. 20: 10-24 en Kol. 2: 16-17. Uit deze Schriftplaatsen maakt men op, dat de sabbat het verbondsteken was voor het volk van het oude verbond, dat niet meer geldig is voor het volk onder het nieuwe verbond. Een scheppingslijn en een heilshistorische lijn, zo blijkt. Onze neiging zal zijn te gaan kiezen en — net als bij de kwestie van de vrouw in het ambt — de gegevens van de ene lijn te gaan inpassen binnen het raamwerk van de ander. Maar lukt dat ooit geheel? Ook andere niet onbelangrijke onderwerpen zijn er, waarvan het de kerk van Christus niet wil lukken om op basis van gezamenlijke en grondige exegese tot een eensgezind standpunt te komen. Te denken valt onder andere aan de Schriftgegevens betreffende de eed, de doop, de visie op Israël, het spreken in tongen, en de ambten.
3. Dan zijn er tal van niet-onbelangrijke zaken waarin ons onvoldoende Schriftgegevens ter beschikking staan om tot een precieze bepaling te komen van wat bijbels is. Te denken valt bijvoorbeeld aan de vraag of kinderen deel mogen nemen aan het avondmaal. Sommigen menen dat de kinderen van de gemeente, om dezelfde reden als waarom zij gedoopt worden, ook deel moeten nemen aan de viering van het avondmaal. Anderen echter menen op grond van 1 Kor. 11: 28vv dat kinderen dat niet mogen, omdat zij een gebrek aan onderscheidingsvermogen hebben. Feitelijk echter zijn er dusdanig weinig Schriftgegevens die rechtstreeks op deze aangelegenheid betrekking hebben, dat het onmogelijk is op basis van exegese alleen een standpunt in deze kwestie te bepalen. Een ander punt is de vraag hoe de gemeente van Christus aan ambtsdragers komt. Wie de Bijbelse gegevens hierover op een rijtje zet komt tot de conclusie dat er niet één manier is waarop dit kan of dient te gebeuren. Men leze respectievelijk Hand. 1: 21-26 (het lot werpen), 6: 3-6 (door de gemeente laten kiezen), 9: 15 (door de Heer laten aanwijzen), 13: 2 (door de Heilige Geest aangewezen); 1 Tim. 3: 1 (zelf naar ‘solliciteren’) en Tit. 1: 5 (door een andere ambtsdrager laten aanstellen).
4. Tenslotte staan we voor het feit, dat in onze tijd tal van ethische kwesties aan de orde zijn, die onmogelijk met een direct beroep op de Schrift beslecht kunnen worden, om de eenvoudige reden dat die zaken toen niet speelden. Te denken valt bijvoorbeeld aan het gebruik van massavernietigingswapens — een kwestie die ook de orthodoxe christenheid een 20-tal jaren geleden ernstig verdeelde. We denken ook aan de ethische vragen rond geboorteregeling, IVF, KID, homofilie en dergelijke.

Inzicht in Gods bedoeling met de mens helpt ons om dit fragmentarische en tegelijk open karakter van de Schrift te plaatsen en op zijn waarde te schatten. Bij Gods bedoeling met de mens past geen Bijbel, die ons zin voor zin voorschrijft hoe te leven. Dat is — boud gesproken — beneden de stand, beneden het niveau waarop God met ons wil omgaan. J. Douma schrijft: “Dat we over veel dingen moeten nadenken en niet overal een antwoord op hebben, is geen schande, maar juist onze eer.”51


51 Verantwoord handelen, 70.

|87|

Dat betekent niet — we voegen het er ten overvloede aan toe — dat de Bijbel ons in het ongewisse zou laten over Gods bedoeling met ons leven. De Bijbel verschaft de mens een basis en bevat meer dan genoeg oriëntatiepunten om ons te helpen het leven te leven op het niveau van Gods diepste bedoelingen, zie 6.2.3. En het machtige van de Bijbel is dat juist de talloze (contextbepaalde) details van dit Boek ons voortdurend op nieuwe gedachten brengen en verassende perspectieven openen.

6.6.2 De menselijke inbreng

Het laat zich indenken, dat er christenen zijn die de neiging voelen afstand te nemen van het voorgaande. Immers: wat is de rol van het menselijke beoordelings- en onderscheidingsvermogen in deze hele bezinning groot. Karikaturaal gesproken leidt dat tot het volgende: ‘Neem een bijbels voorschrift, trek daar de cultuur van af, bepaal vervolgens de invloed van de (heilshistorische) situatie, houdt daarbij rekening met de andere bijbelse grondlijnen en de eigen situatie waarin wij leven en wat je dan overhoudt is de wil van God voor ons leven ...’ Mogen we zo met de Bijbel, met Gods Woord, bezig zijn? Kan het niet geestelijker, profetischer, rechtstreekser en daardoor krachtiger?
Dit gevoel zal door velen herkend worden. Toch, gegeven de evidente contextbepaaldheid van de bijbelse voorschriften en het open karakter van de Bijbel, is het onmogelijk de menselijke inbreng in de omgang met de Bijbel en de bijbelse voorschriften uit te schakelen. Niemand kan daar omheen. Wij benadrukken echter dat vanuit de Bijbel zelf een heilzaam licht over ons bezig-zijn valt. De menselijke inbreng ligt in het verlengde van de verantwoordelijkheid die de HERE de mens heeft gegeven, en het zweten en zwoegen zijn de ‘dorens en distels’ waarmee hij of zij in elke arbeid te maken heeft.52 Maar elke arbeid kan op een gegeven moment vrucht dragen. Naar we hopen ook deze.
Hierover ook nog het volgende. In het bovenstaande schetsten we een karikatuur van hoe ons rapport opgevat zou kunnen worden. Alsof de bezinning op het Schriftverstaan en in het bijzonder de toepassing van de bijbelse voorschriften in ons leven niet meer dan de toepassing van een technisch procédé zou zijn. Er is echter geen sprake van dat de inbreng en inzet van de mens losgedacht mag worden van een voortdurende overdenking van het geheel van de Schriften zelf en een voortdurend gebed om en ontvankelijkheid voor de leiding van de Heilige Geest. Die liggen ook aan de basis van dit rapport.

6.6.3 Ruimte voor beproefde ervaringen

De derde vraag luidde hoe de positieve beleving van de geëmancipeerde man-vrouwverhouding beoordeeld moet worden. Veel christenen ervaren het als een geschenk van God, dat vrouwen in deze tijd in staat gesteld worden hun gaven en talenten, die zij bij hun geboorte van hun Schepper hebben meegekregen, kunnen ontwikkelen en die naast de man breed kunnen inzetten voor kerk en maatschappij. Is dit een teken van vervreemding van de Schrift en ongehoorzaamheid aan God? Wij denken van niet. Als we letten op wat de Bijbel ons leert over de mens en de eigen verantwoordelijkheid die de HERE God hem geschonken heeft, menen wij als commissie dat deze positieve beleving in de bezinning juist een rol mag spelen. Het feit dat vrome christenen, die geleerd hebben de zonde te haten en de gerechtigheid lief te hebben, de veranderde man-vrouwverhouding als een weldaad ervaren, mogen we laten meewegen. Van belang is,


52 Ds. G. Visee schreef hierover een waardevol artikel waarin op treffende wijze zowel de moeite van de menselijke kennisverwerving als de betekenis daarvan onder woorden wordt gebracht. Zie ‘Enkele vragen betreffende de Goddelijke en de menselijke factor in de Heilige Schrift’, in de bundel Onderwezen in het Koninkrijk, Kampen 1979, 307-331.

|88|

dat deze positieve beleving niet het gevolg is van de waan van de dag. We hebben met beproefde ervaringen te maken. En beproefde ervaringen, die verwerkt zijn in de ‘vreze des HEREN’, mogen — zo blijkt uit de wijsheid van het Spreukenboek — volop meedoen bij de inrichting van het leven. Het is één van de manieren waarop een mens ‘feeling’ houdt met de schepping (zie in 6.3.2 onder stelling 1).

Aandacht verdient in dit verband wat J. Douma heeft geschreven over allerlei veranderingen die door christenen als evidente verbeteringen worden ervaren, hoewel ze niet rechtstreeks op de Schrift terug te voeren zijn. “Mannen en vrouwen, ouders en kinderen, overheid en onderdanen gaan nu anders met elkaar om dan in bijbelse tijden.”53 Ten gevolge van de verandering in familieverhoudingen, de ontwikkeling en verfijning van de juridische wetgeving, de opkomst van de mensenrechten, de doorwerking van de democratie is het ook onmogelijk geworden om nog terug te keren naar omstandigheden die we in de bijbelse tijd aantreffen. Douma: “In het aan ons ‘opdringen’ van ontwikkelingen die wij evident goed vinden, mogen we het werk van God en zijn Geest bespeuren. Wij kennen God uit de bijzondere openbaring in de Heilige Schriften; maar wij kennen Hem ook zoals Hij zich in de schepping en in de geschiedenis van de wereld openbaart.” Nadrukkelijk stelt Douma overigens dat dit geen kwestie is van wat ‘men’ goed vindt. "Maar er zijn ook zaken die zich aan anderen en aan ons als goed opdringen, terwijl wij ze tegelijk in verband kunnen brengen met Gods leiding van de geschiedenis, tot beteugeling van het kwaad en tot ontplooiing van het goede.”54 Hoewel Douma de beleving van de geëmancipeerde man-vrouwverhouding in dit verband niet expliciet noemt, sluiten wij niet uit dat hij ook hieraan denkt, gegeven zijn opmerking dat ook mannen en vrouwen anders met elkaar omgaan dan in bijbelse tijden.55

 

6.7 Conclusie

In het bovenstaande hebben we uiteengezet dat wij, mensen, die naar het beeld van God geschapen zijn, een verantwoordelijke positie hebben gekregen binnen Gods schepping. We mogen — voorbij het kruis van Jezus Christus — deelnemen aan Gods werk met inzet van alle aan ons geschonken gaven. We mogen meedoen, luisterend naar Gods Woord en elkaar, dicht bij de schepping levend, biddend en zwoegend en ons open stellend voor Gods Geest, die ons steeds weer wegen wijst door de tijd.
Deze conclusie helpt ons het in menig opzicht zowel fragmentarische als open karakter van de bijbelse regelgeving te plaatsen en op zijn waarde te schatten. De Bijbel is geen spoorboekje, omdat bij Gods bedoeling met de mens geen Bijbel past, die de mens zin voor zin voorschrijft hoe te leven.
Deze conclusie is ook van betekenis voor onze omgang met de bijbelse voorschriften en de wijze waarop wij die toepassen in ons leven. ‘Bijbels’ is niet gelijk aan het — met uitschakeling van de eigen kennis, gevoelens en ervaring — zo rechtstreeks mogelijk toepassen van de bijbelse voorschriften. ‘Bijbels’ is het om te leven met Gods Woord en uit de volheid van de Godsopenbaring, met inschakeling van alle door de HERE God ons gegeven mogelijkheden.

Laten we nu zien welke winst de bezinning op het schriftverstaan in dit en in het voorafgaande hoofdstuk oplevert voor de kwestie van de vrouw in het ambt.


53Grondslagen, 99vv.
54Grondslagen, 100.
55Grondslagen, 99.

Rapport VOP (2003) H7

|89|

 

7 Bezinning op Schriftuitleg en Schriftverstaan

 

7.1 Inleiding en opzet

Eerder in dit rapport1 hebben we benadrukt dat er tussen exegese en hermeneutiek, Schriftuitleg en Schriftverstaan een voortdurende wisselwerking moet bestaan. Zo wordt enerzijds voorkomen dat de exegese een uitsluitend technische aangelegenheid wordt en anderzijds dat de hermeneutiek een eigen leven gaat leiden. Het is om deze reden dat we in dit hoofdstuk niet onmiddellijk, op basis van de hierboven gevoerde hermeneutische bezinning, doorstoten naar algemene conclusies; we gaan eerst nog een keer terug naar de bijbelgedeelten die in de discussie over de vrouw in het ambt zo'n centrale rol spelen; in het bijzonder naar die gedeelten op grond waarvan gesteld wordt dat de vrouw in het ambt tegen de Schrift ingaat, dus met name 1 Kor. 11 en 1 Tim. 22. We gaan die hier niet nog eens aan een grondige exegese onderwerpen, maar we willen ze lezen zoals zij ‘begrepen dienen te worden in onze context, op een dusdanige wijze dat recht gedaan wordt aan het geheel van de Schriften’.3 De uitkomsten van onze bezinning op het Schriftverstaan zullen bij deze herlezing volop meedoen. We verwachten dat die ons helpen kunnen om ook nu nog een zowel verantwoord als vruchtbaar gebruik van deze bijbelgedeelten te maken.

De opzet van dit hoofdstuk is als volgt:
In 7.2 willen we laten zien dat er een nauwe verwevenheid bestaat tussen de genoemde voorschriften en de maatschappelijke en culturele context waarbinnen zij gegeven werden.
In 7.3 richt de aandacht zich op de toepassing van Paulus’ concrete voorschriften. Onze conclusie zal zijn, dat rechtstreekse toepassing van deze voorschriften niet geboden en niet mogelijk is, niet nodig en in onze omstandigheden zelfs niet gewenst is.
Deze paragraaf roept twee vragen op:
1. Welke actuele betekenis heeft Paulus’ vermaan nog voor ons?
2. Leidt ons standpunt niet tot wereldgelijkvormigheid?
In 7.4 en 7.5 gaan we op deze vragen in.

 

7.2 Paulus’ voorschriften en hun context

7.2.1 1 Korintiërs 11: 2-16

In hoofdstuk 4 is een aantal aspecten van 1 Kor. 11:2-16 uitvoerig aan de orde gekomen4, maar aan andere zijn we in dat hoofdstuk voorbij gegaan. Dat geldt met name voor de eigen context waarbinnen dit bijbelgedeelte verstaan moet worden. Die komt in dit hoofdstuk aan de orde. Eerst echter geven we 1 Kor. 11: 2-16 in zijn totaliteit weer.


1 Zie hoofdstuk 5.2.1.
2 In het licht van onze typering van 1 Kor. 14 als een ‘onopgelost raadsel’ (zie 4.6.3.4) zal men kunnen begrijpen waarom we dit bijbelgedeelte hier buiten beschouwing hebben gelaten.
3 Zo omschreven wij ‘Schriftverstaan’, zie 5.2.1.
4 In 4.3.2.1 gingen we in op de betekenis van de exegese van Gen. 1: 27 voor de lezing van 1 Kor. 11: 7. In 4.5 gingen we in op de betekenis die het profeteren van vrouwen in 1 Kor. 11: 5 heeft voor de bezinning op de vrouw in het ambt. In 4.6.3 gaven we een kort overzicht van de actuele bezinning op het woord ‘hoofd’. Ook kwam de vraag aan de orde waar in Paulus’ betoog het zwaartepunt ligt: bij de argumenten die hij ontleent aan de schepping, of bij die welke hij ontleent aan zede en smaak. In 4.6.3.2 stond centraal of het in 1 Kor. 11 om gehuwde of om ongehuwde vrouwen gaat.

|90|

(2) Ik prijs het in u, dat gij in alles aan mij gedachtig blijft en aan de overleveringen zó vasthoudt, als ik ze u overgegeven heb. (3) Ik wil echter, dat gij dit weet: het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd der vrouw is de man, en het hoofd van Christus is God. (4) Iedere man, die bidt of profeteert met gedekten hoofde, doet zijn hoofd schande aan. (5) Maar iedere vrouw, die blootshoofds bidt of profeteert, doet haar hoofd schande aan, want zij staat gelijk met ene, die kaalgeschoren is. (6) Want indien een vrouw zich het hoofd niet dekt, moet zij zich ook maar het haar laten afknippen. Doch indien het een schande is voor een vrouw, als zij zich het haar laat afknippen of zich kaal laat scheren, dan moet zij zich dekken. (7) Want een man moet het hoofd niet dekken: hij is het beeld en de heerlijkheid Gods, maar de vrouw is de heerlijkheid van de man. (8) Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man. (9) De man is immers niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man. (10) Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben vanwege de engelen. (11) En toch, in de Her e is evenmin de vrouw zonder man iets, als de man zonder vrouw. (12) Want gelijk de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; alles is echter uit God. (13) Oordeelt zelf: is het voegzaam, dat een vrouw met ongedekte hoofde tot God bidt? (14) Leert de natuur zelf u niet, dat, indien een man lang haar draagt, dit een schande voor hem is, (15) doch dat, indien een vrouw lang haar draagt, dit een eer voor haar is? Immers, het haar is haar tot sluier gegeven.
(16) Maar, indien het er iemand om te doen is gelijk te hebben, wij hebben zulk een gewoonte niet, en evenmin de gemeenten Gods.

Kernpunten
Van de vele keuzeproblemen die bij de uitleg van 1 Kor. 11: 2-16 aan de orde zijn hebben we geen overzicht geboden, zoals we dat wel hebben gedaan over 1 Kor. 14: 34-36 en 1 Tim. 2: 12-15 (Bijlage B). Een dergelijk overzicht zou dit toch al forse rapport helemaal uit zijn voegen hebben doen barsten. Dat betekent niet, dat een dergelijk overzicht niet nuttig zou zijn. Ook over de uitleg van 1 Kor. 11: 2-16 bestaat in menig opzicht geen eensgezindheid. Het is zelfs zo dat de uitleg van sommige zinsneden voor onoplosbare problemen plaatst.

We willen dit met één sprekend voorbeeld illustreren. In 1 Kor. 11: 10 schrijft Paulus: “Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben vanwege de engelen.” Gelet op de gang van zijn betoog biedt Paulus in dit vers dé reden waarom vrouwen het hoofd bedekt moeten houden. Dit kan dus als een sleutelvers betiteld worden. Echter: de meningen zowel over de betekenis van het woord ‘macht’ (exousia) als over de functie van de engelen lopen ver uiteen. We beperken ons tot het weergeven van enkele interpretaties van exousia. Traditioneel werd het woord exousia, (vol)macht, opgevat als een verkorte zegswijze van ‘een teken van de (mannelijke) macht’. De strekking van de tekst luidt dan: Omdat de vrouw de heerlijkheid van de man is, moet zij als teken van de volmacht die de man over haar heeft een hoofdbedekking dragen. Maar tegenwoordig achten veel exegeten deze uitleg op grammaticale gronden onjuist of zelfs onmogelijk. De uitdrukking ‘exousia hebben’ duidt in de ons bekende teksten altijd iemands eigen (vol)macht aan en nóóit de exousia die een ander over hem of haar heeft. Vervolgens echter zijn degenen die deze mening zijn


5 Een goed overzicht van de verschillende interpretaties van exousia geeft Fitzmeyer S.J., Joseph A., A feature of Qumran angelology and the angels of 1 Cor. 11: 10, in The Semitic Background of the New Testament, Grand Rapids/Cambridge/Livonia 19972, 191-194.
6 Calvijn schreef al: “In het woord macht is een metonymia of overnoeming, omdat hij daaronder het teken verstaat, waarmee de vrouw betuigt dat zij onder de macht van de man is”, zie Calvijn, Johannes, Uitlegging op de eersten en tweeden zendbrief van Paulus aan de Corinthiërs. Naar de uitgaven der Oude Hollandse overzetting van J.D., in de tegenwoordige spelling, door A.M. Donner, Goudriaan 19722, 188. Ook H. de Jong vertaalt exousia als “teken van gezag(serkenning)”, Paulus’ gebruik, 71.

|91|

toegedaan verre van eensgezind over de verklaring ervan in 1 Kor. 11. Sommigen menen dat Paulus’ betoog hier een uiterst verrassende wending krijgt. Hoewel op basis van de context te verwachten zou zijn dat Paulus nu de hoofdbedekking van de vrouw ten tonele gaat voeren als teken van de mannelijke volmacht, maakt hij daar het teken van de eigen volmacht van de vrouw van.7 J. van Bruggen — en hij staat hierin niet alleen — vertaalt vers 10 als volgt: “Daarom behoort de vrouw macht te hebben over haar hoofd” en hij geeft daarvan de volgende parafrase: “Omdat de vrouw er is om de man, behoort zij niet haar eigen hoofd te volgen, maar zich te schikken onder de man als haar hoofd: zij moet zo haar hoofd in be-dwang houden en zichzelf onder controle hebben als vrouw.”8 D. Holwerda echter heeft grammaticale bezwaren tegen de vertaling van Van Bruggen. Het woord dat Van Bruggen vertaalt met ‘over’ moet zijns inziens weergegeven worden als ‘op’. Met de exousia op het hoofd van de vrouw is dan wel haar hoofdbedekking bedoeld, maar die dient beschouwd te worden als teken van de volmacht die zij aan haar man ontleent, omdat zijn gezag en aanzien op haar afstraalt.9
Het komt er op neer dat we geen zekerheid hebben omtrent de uitleg van één van de sleutelverzen in dit bijbelgedeelte. En dan hebben we nog niet eens gesproken over de betekenis die de verwijzing naar de engelen in dit verband zou kunnen hebben!

Dit betekent niet dat heel de uitleg van dit bijbelgedeelte zo problematisch is. Twee punten kunnen met zekerheid vastgesteld worden:
1. Het is Paulus hier te doen om de hoofdbedekking en/of haardracht van de (gehuwde?) vrouw in de samenkomst van de gemeente.
2. In Paulus’ behandeling van deze kwestie speelt ook de bijzondere verhouding waarin de man en de (gehuwde?) vrouw tot elkaar staan een belangrijke rol.

7.2.2 De contextbepaaldheid van Paulus’ betoog in 1 Korintiërs 11: 2-16

De invalshoek van waaruit wij nu naar deze verzen willen kijken is die van de contextbepaaldheid ervan. Deze benadering dringt zich vanzelf op. Elke exegeet immers trekt de conclusie dat 1 Kor. 11: 2-16 in meer of mindere mate gestempeld wordt door de (culturele) context waarin het geschreven werd. Zelfs degenen die zich sterk maken voor een zo rechtstreeks mogelijke toepassing van dit bijbelgedeelte, maken onderscheid tussen elementen in de tekst die cultuur- en situatiebepaald zijn, en elementen die dat niet zijn.10 Zelf zouden we op een viertal punten willen wijzen.

7.2.2.1 De zaak

Hét aandachtspunt in deze verzen is de hoofdbedekking en de haardracht van vrouwen tijdens het bidden en profeteren van de gemeente. Door middel van een keur aan


7 Zie Fee, Gordon D., First Epistle, 520.
8 Bruggen, J. van, Emancipatie, 65.
9 Holwerda, D., Man en Vrouw, 605-612.
10 Enkele citaten: In 1 Kor. 11: 3 “stelt Paulus de regel, die voor altijd geldt. Gewoonten kunnen veranderen, de haartooi kan zich wijzigen, wat gepast en ongepast is, is niet in alle eeuwen gelijk. Maar naar Gods bestel is de man in het huwelijk het hoofd van de vrouw”, Jager, H.J., De eerste brief aan de Korinthiërs. College-dictaat, Kampen 1978, 250. “Het gaat in deze teksten daarom in wezen niet om een hoofdbedekking of haardracht van de vrouwelijke gemeenteleden, maar om haar vrouw-zijn en vrouw-blijven”, Pop, F.J., De eerste brief van Paulus aan de Corinthiërs (De Prediking van het Nieuwe Testament), Nijkerk 1965, 232. Idem, 233: “Evenals in de bespreking van het vorige vers kan ook nu weer de opmerking worden gemaakt, dat het uiterlijke teken (ongedekt of bedekt hoofd) naar gelang van de culturele opvattingen kan wisselen, zodat het man-zijn (vrouw-zijn) ook in andere uiterlijke verschijnselen kan blijken. Maar wat in alle culturen bewaard moet blijven, is de uitspraak, dat de man het beeld en de heerlijkheid Gods is.” Zelfs J. van Bruggen, die verreweg het meest terughoudend is in het maken van dergelijke onderscheidingen, maakt uiteindelijk onderscheid tussen ‘de grondgedachte’ en ‘het gebruik’, Emancipatie, 97.

|92|

argumenten probeert Paulus de (getrouwde?) vrouwen van de gemeente te bewegen tot het dragen van een hoofdbedekking of een bepaalde haardracht. De specifieke eisen die hij hier aan de hoofdtooi van de vrouw stelt, kunnen niet losgezien worden van de cultuur van zijn dagen en de gevoelswaarde die de hoofdomslag en een bepaalde haardracht daarin hadden. Hierover zijn de bijbeluitleggers het eens, al lopen de meningen omtrent de gevoelswaarde van de hoofdomslag wel uiteen.11
Het is een gegeven, dat hetgeen Paulus hier voorschrijft geen directe aansluiting vindt bij onze (Westerse) cultuur. De specifieke symbooltaal die voor Paulus en zijn tijdgenoten aan de hoofdbedekking verbonden was, wordt door ons gesproken noch verstaan. Wel zijn wij sinds de komst van honderdduizenden Moslims naar Nederland iets meer van de ideologische betekenis van een hoofdomslag of sluier gaan beseffen.

7.2.2.2 De argumenten

Ook de argumenten die Paulus hanteert om de vrouwen van de gemeente te bewegen tot het dragen van een hoofdbedekking of een bepaalde haardracht, zijn — op meer dan één manier — nauw verweven met de toenmalige cultuur.
1. Een opvallende rol in Paulus’ argumentatie spelen noties als ‘schande’ en ‘heerlijkheid’/‘eer’, zie de verzen 4-6, 7 en 14. In elke samenleving — ook in de onze — spelen dergelijke noties een rol in het maatschappelijke verkeer. In het algemeen echter kan gezegd worden dat ‘eer’ en ‘schande’ in de (oud)oosterse samenleving een andere en meer dominante rol spelen dan in de onze. ‘Eer’ houdt verband met de status die iemand in de samenleving heeft en het aantasten van die eer heeft daarom gevolgen voor iemands positie in de samenleving.12 Binnen deze context laat zich de — in Westerse ogen — opvallende rol van het eergevoel in 1 Kor. 11: 2-16 goed plaatsen.13
2. Ook als we naar de argumenten afzonderlijk kijken valt de cultuurbepaaldheid daarvan ons op. In vers 5 lezen we: “Maar iedere vrouw, die blootshoofds bidt of profeteert, doet haar hoofd schande aan, want zij staat gelijk met ene, die kaalgeschoren is.” En in vers 6 redeneert Paulus aldus: “Want indien een vrouw zich het hoofd niet dekt, moet zij zich ook maar het haar laten afknippen. Doch indien het een schande is voor een vrouw, als zij zich het haar laat afknippen of zich kaal laat scheren, dan moet zij zich dekken.” De Jong schrijft hierover: “Waarom het een schande (..) voor


11 Zie Bruggen, J. van, Emancipatie, 45-46: “(..) de palla was van huis uit het teken voor de vrouwelijke onderdanigheid en teruggetrokkenheid. Niet de man, maar de vrouw, moest zich omhullen. En ook al was er in de hellenistische wereld veel veranderd in de positie van de vrouw en al was het geen eis meer om in het openbaar de palla over het hoofd te dragen, de gevoelswaarde van deze dracht bleef gelijk.” D. Hol-werda stemt expliciet in met deze zinsnede en voorziet haar van een treffende illustratie. Zie Man en vrouw, 605vv. Niet iedereen echter is van mening dat het dragen van een hoofdbedekking teken van onderdanigheid was. Andrew Perriman meent dat een hoofdbedekking teken van zedigheid en kuisheid was, Speaking, 38. En Thiselton, A.C., First Epistle, 801-802, volgt degenen die stellen: “respectable women did nothing to draw attention to themselves. (..) A veil or hood constituted a warning: it is signified that the wearer was a respectable woman and that no man dare approach without risking (..) penalties. (..) the veil constitutes 'also a badge of honour, of sexual reserve, and hence of mastery of the self.”
12 De uit Somalië afkomstige politicologe Ayaan Hirsi Ali zei (in een documentaire) over haar cultuur: “Eer is het hoogste wat er is. Het schenden van de eer is het ergste dat er is. Mijn vader was een man die veel in de politiek deed, groot gezag had. Dan kan het niet, een dochter hebben die je niet onder controle hebt. Dus verwerp je haar. Dat is het systeem waarin je zit.” Dat betekent niet dat in onze cultuur kinderen hun ouders door hun gedrag niet te schande kunnen maken. Maar zowel de beleving als de implicaties daarvan zijn in de Oosterse cultuur anders dan in de onze.
13 Perriman, Andrew, Speaking, 36, schrijft: “It’s because the man holds the pre-eminent position in the patriarchal family, because he represents the family in the public sphere, that he is susceptible to disho-nour brought upon him by his wife’s behaviour.”

|93|

de vrouw is het haar af te (laten) knippen of af te (laten) scheren, wordt verder niet duidelijk gemaakt. Blijkbaar gaat Paulus hier terug op een zedelijk gevoel dat in de gemeente vóór en onafhankelijk van de evangelie-prediking reeds bestond.”14
3. Eveneens sterk cultuurbepaald is wat Paulus in vers 13-15 verstaat onder “hetgeen voegzaam is” en “hetgeen de natuur leert”.15

De zeggingskracht van Paulus’ appèl op het eergevoel, de bestaande zede en de natuur, moeten we niet onderschatten. Wat hij hier zegt waren in zijn context werkelijk objectieve ‘is-uitspraken’. Maar wat toen een ‘schande’, een ‘eer’, ‘voegzaam’ en ‘natuurlijk’ was, is het in onze samenleving niet meer. Hierdoor voelen wij essentiële elementen van Paulus’ argumentatie, ook als het gaat om de verhouding tussen man en vrouw, niet meer aan.16

7.2.2.3 Het Schriftberoep

In Kor. 11: 7-9 onderbouwt Paulus zijn betoog met wat in het Oude Testament staat over de schepping van man en vrouw. Hij schrijft (vers 7-9):
Hij (de man) is het beeld en de heerlijkheid Gods,
maar de vrouw is de heerlijkheid van de man.
Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man.
De man is immers niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man
.”

Het heeft er veel van dat dit de meest vergaande uitspraak is die Paulus doet over het manen vrouw-zijn. Het gaat hier immers niet om wat beiden doen of hoe zij functioneren, maar wie zij krachtens hun wezen zijn. De man noemt hij dan “het beeld en de heerlijkheid van God, de vrouw “de heerlijkheid van de man. Hoewel hij — naar algemeen wordt aangenomen — mogelijke misverstanden wegneemt door de toevoeging van vers 11 en 1217, blijft het in deze verzen om zijnsuitspraken gaan. Volgens velen is in deze verzen daarom voor alle tijden vastgelegd hoe man en vrouw ten opzichte van elkaar staan.

Het valt niet te betwijfelen dat Paulus met dit beroep op de schepping van man en vrouw zijn vermaan kracht heeft willen bijzetten. Toch legt hij ten opzichte van de oudtestamentische gegevens in meer dan één opzicht een eigen accent; met name geldt dit zijn opmerking dat de man het beeld en de heerlijkheid van God is, terwijl de vrouw de heerlijkheid van de man genoemd wordt. We maken daarover twee opmerkingen.


14 Jong, H. de, Paulus’ gebruik, 69. Vergelijk Perriman, Andrew, Speaking, 198: “Glory and shame, ho-wever, are public qualities; they draw upon what is generally accepted to be right and wrong. While they cannot fully be relativized — righteousness is a source of glory, unrighteousness a source of shame — neither can they be entirely separated from the prevailing ethos. What brings shame in one culture may be a matter of indifference in another.”
15 Wat Paulus hier onder ‘natuur’ verstaat komt dicht in de buurt van wat wij onder ‘cultuur’ verstaan. J. Calvijn, 1 Corinthiërs, 190, merkt bij vers 14 op: “Wederom stelt hij hun de natuur voor ogen, tot een leermeesteres der welgevoeglijkheid. En hij noemt natuurlijk, wat toen met aller gewoonte en bewilliging aangenomen was (cursivering door de commissie) en zelfs bij de Grieken, want lang haar is niet altijd de man tot oneer geweest. De historiën verhalen dat voorheen, dat is, in de eerste eeuwen, de mannen alom lang haar hebben gedragen (..) Ja, het zou zowel voor de mannen als de vrouwen schandelijk geweest zijn, het haar te korten of geschoren te worden. Maar omdat het in Griekenland weinig mannelijk was, lang haar te dragen, zodat dezulken als verwijfd werden geacht, daarom houdt hij die gewoonte, die nu bevestigd was, van de natuur.”
16 Terecht zegt Pop, F.J., 1 Corinthiërs, 239, bij 11:13-15: “Zijn (= Paulus’) beroep (op de natuur) gaat dan ook alleen op zolang en waar deze gewoonte als natuurlijk beleefd wordt.”
17En toch, in de Here is evenmin de vrouw zonder man iets, als de man zonder vrouw. Want gelijk de man uit de vrouw is, zo is ook de man door de vrouw.”

|94|

1. We wijzen weer op de opvallende rol die het woord ‘eer’ (doxa) in deze verzen speelt. Paulus heeft dat ingeweven in zijn verwerking van de oudtestamentische gegevens met het oog op de doelstelling die hij met zijn vermaan heeft. Hij lijkt te willen voorkomen dat in de samenkomsten mannen Christus en vrouwen mannen te schande maken en beklemtoont daarom dat de man tot eer van God en de vrouw tot eer van de man geschapen is.
2. Dan noemt Paulus de man hier “het beeld en de heerlijkheid van God” en de vrouw “de heerlijkheid van de man. Hij brengt daarmee — waarschijnlijk op grond van zijn duiding van Gen. 1: 26-27 in het licht van 2: 18-2518 — een gelaagdheid aan in datgene wat in Gen. 1: 26-27 als een eenheid gepresenteerd wordt. Hoewel hij niet ontkent dat ook de vrouw naar Gods beeld geschapen is, wordt zo toch de indruk gewekt dat de man meer of anders naar het beeld en de heerlijkheid van God geschapen is, dan de vrouw. In het zinsverband van Gen. 1: 26-27 pleit echter niets ervoor om bij ha-’adam uitsluitend aan de man te denken. Hier wordt gesproken over het menselijk geslacht in zijn totaliteit. Dat is naar Gods beeld geschapen en dat geslacht weerspiegelt de heerlijkheid en luister van God, zie Ps. 8: 6. Ook dit wijst er op, dat Paulus’ Schriftberoep op de één of andere manier context bepaald is.

Onze conclusie is, dat we hier niet te maken hebben met een tijdloze exegese, maar met een teruggrijpen op het Oude Testament dat mede bepaald is door de cultuur en/of de situatie. De wijze waarop Paulus spreekt over hoofdbedekking en haardracht van de vrouw en over de relatie waarin man en vrouw tot elkaar staan, lijkt niet minder ontleend te zijn aan de toenmalige cultuur, dan aan de exegese van de oudtestamentische gegevens.19

Wij kunnen ons indenken dat sommigen er moeite mee hebben dat wij Paulus' verwerking van de oudtestamentische gegevens mede door de context gekleurd achten. Toch is dit niet ongebruikelijk in het Nieuwe Testament. Eén overtuigend voorbeeld hiervan willen we geven, passend bij het onderwerp van ons rapport.
In 1 Pet. 3: 1-7 schrijft ook Petrus de vrouwen voor hun mannen onderdanig te zijn. Deze onderdanigheid dient een missionair doel, namelijk “opdat, ook indien sommigen aan het woord niet gehoorzaam zijn, zij door de wandel hunner vrouwen zonder woorden gewonnen worden.” Later bekrachtigt Petrus dit vermaan met een verwijzing naar “de heilige vrouwen, die hoopten op God, onderdanig aan haar mannen, zoals Sara Abraham gehoorzaamde en hem heer noemde; en haar dochters zijt gij, als gij goed doet en u geen schrik laat aanjagen.”
Petrus richt zich in dit bijbelgedeelte met name tot vrouwen die zich tot Christus bekeerd hebben, zonder dat hun man hierin is meegegaan. Niet eens tussen de regels door valt te lezen hoe moeilijk zij het hebben. Om de indruk te vermijden dat vrouwen die Christus als Kurios (Heer) aanvaard hebben vervolgens geen aardse heerschappij meer erkennen, stelt Petrus deze vrouwen daarom Sara ten voorbeeld, die haar man als ‘kurios’, ‘heer’ aansprak, zie Gen. 18: 12. Uit niets blijkt dat Petrus deze aanhaling ironisch bedoelt, ondanks de wat smalende wijze waarop Sara spreekt.


18 Paulus lijkt in dit vers verschillende oudtestamentische gegevens te verwerken: Gen. 1: 26-27, 2: 18-25 en — mogelijk — 5: 1. Veel uitleggers menen — wel terecht — dat Paulus in 1 Kor. 11: 7 Gen. 1: 26,27 (“naar Gods beeld schiep Hij hem”) interpreteert in het licht van Gen. 2 (eerst de man geschapen, dan de vrouw, uit de rib van de man). Een argument hiervoor is hetgeen Paulus toevoegt in vers 8-9.
19 Jong, H. de, Paulus’ gebruik, 69, schrijft, zij het in een iets ander verband: “Het is dus in dit gedeelte niet zo dat Paulus op grond van de bijbelse gegevens (met name uit de eerste hoofdstukken van de Schrift) een bepaald gedrag voor mannen en vrouwen in de gemeentelijke samenkomst voorschrijft en daarna invoert, maar dat hij een bestaand en op andere gronden vaststaand gebruik schriftuurlijk onderbouwt.”

|95|

Hoe treffend dit beroep op de Schrift in die situatie ook is geweest, wij mogen er voor onze tijd geen argument aan ontlenen om van een vrouw te verlangen dat zij haar man ook nu nog ‘kurios’ noemt, ook al zou manlief dat nog zo graag willen. Daarvoor is dit Schriftberoep van Petrus te selectief en (dus) te zeer gekleurd door de situatie. Dat blijkt vooral, wanneer we ons realiseren dat Petrus evengoed had kunnen wijzen op de zeer zelfstandige houding die Sara meer dan eens tegenover Abraham innam (zie Gen. 16: 1vv en 21: 8vv). Zelfs zegt God tegen Abraham: “in alles wat Sara tot u zegt, moet gij naar haar luisteren” (Gen. 21: 12). De situatie van Petrus’ lezeressen vroeg echter om een ander accent.

7.2.2.4 De visie op man en vrouw

Het bovenstaande roept de vraag op of ook Paulus’ spreken over de man als hoofd van de/zijn vrouw gestempeld is door de context waarbinnen hij zijn brief heeft geschreven. Sommigen ontkennen dit ten stelligste. Zij menen dat het hoofd-zijn van de man het blijvend geldende principe is en dat de voorschriften betreffende hoofdbedekking en haardracht de cultuurbepaalde toepassing van dat principe zijn. Vers 3 bevat volgens deze uitleg de voor alle tijden geldende norm, terwijl de verzen 7 tot 9 de schriftuurlijke onderbouwing vormen van deze norm.
Anderen echter zijn van mening dat de aanduiding van de man als hoofd van de/zijn vrouw niet prescriptief is (dat wil zeggen: geen voorschrift hoe het moet), maar descriptief (dat wil zeggen: beschrijving van hoe het feitelijk is). Paulus zou met deze uitdrukking enkel onder woorden brengen hoe de verhouding tussen man en vrouw in zijn dagen was.20

Ook binnen gereformeerde kring vonden we een opvallende verdediging van de stelling dat de toenmalige cultuur haar stempel heeft gedrukt op de wijze waarop in sommige brieven van het Nieuwe Testament gesproken wordt over de verhouding tussen man en vrouw. Tijdens een bespreking van het huwelijksformulier op de synode van de Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt) van Berkel en Rodenrijs (1996) wees ds. M. van Veelen erop dat over de onderdanigheid van de vrouw alleen in de brieven van het Nieuwe Testament gesproken wordt. Deze brieven waren gericht aan gelovigen in een niet-joodse omgeving, in de Romeinse maatschappij. Die Romeinse ‘familia’ bestonden in Israël niet en zo verklaarde Van Veelen de afwezigheid van de onderdanigheidsgeboden in de rest van de Bijbel. Deze geboden zijn volgens hem niet bedoeld voor de huidige huwelijksstructuur, net als het dragen van een hoofdbedekking niet op grond van de Bijbel verplicht kan worden gesteld.21

De opvatting dat het hoofd-zijn van de man een níet door de cultuur bepaald scheppingsgegeven is, maakt een deugdelijke indruk.
• De formulering van vers 3 heeft iets absoluuts, lijkt — tijdloos — op zichzelf te staan.
• Ook is het verdedigbaar dat de verzen 7 tot 9 de nadere onderbouwing van vers 3 zijn. Omdat de man het beeld en de heerlijkheid van God is, is Christus zijn hoofd. En omdat de man niet uit de vrouw is, maar de vrouw uit de man, is de man het hoofd van de vrouw.
• Onmiskenbaar grijpt Paulus hier terug op de oudtestamentische gegevens en borduurt hij daarop voort. De man en niet de vrouw is als eerste geschapen.


20 Een verdediger van deze opvatting is Andrew Perriman is zijn reeds vermelde boek. “When he (Paul) says that ‘a man is head of the woman’ (Eph. 5: 23), he is not in the first place, invoking some scriptural or theological norm but making an observation about how things are.” Speaking, 199.
21 Deze opvatting van Van Veelen is niet terug te vinden in de Acta van de synode van Berkel en Rodenrijs, maar wel in een verslag van de synode in het Nederlands Dagblad, 20 juni 1996. Uit persoonlijk contact met Van Veelen is gebleken, dat het Nederlands Dagblad een correcte weergave van zijn zienswijze heeft gegeven.

|96|

Er zijn naar onze indruk echter goede argumenten om in Paulus’ typering van de man als hoofd van de vrouw minstens iets cultuurbepaalds te horen.
• De formulering die hij in vers 3 gebruikt is — gelet op andere Schriftgegevens — betrekkelijk.22 Want Christus is ook het hoofd van de vrouw, rechtstreeks en niet via de man. Hij is immers het hoofd van het hele lichaam, zijn gemeente. Dit pleit ervoor om deze absolute manier van spreken in verband te brengen met de maatschappelijke context van die tijd. In die context immers is Paulus’ formulering helemaal ‘to the point’. De man was in die samenleving het hoofd van de vrouw. Hij droeg de verantwoordelijkheid voor zijn vrouw en had gezag over haar. Haar functioneren had consequenties voor zijn status in de samenleving en zijn functioneren had consequenties voor Christus’ status in de samenleving.23 Dat waren de vanzelfsprekendheden van het leven. Het hoofd-zijn van de man was om zo te zeggen een natuurlijk gegeven, net als lang haar dat was voor de vrouw (zie vers 14).24
• We willen er ook op wijzen dat de typering van de man als ‘hoofd van de vrouw’ op zichzelf al iets heeft van een door een specifieke historische en culturele context gestempelde vertaling van Gen. 1 en 2.25 Zeker, de man is als eerste geschapen en dat is niet zonder betekenis.26 Maar tussen het als eerste geschapen zijn in Gen. 2 en het hoofd-zijn van de man in 1 Kor. 11: 3 en Ef. 5: 23 valt geen is-gelijk-teken te plaatsen, zeker niet als we ‘hoofd-zijn’ als gezaghebbend hoofd-zijn duiden. Feit is ook, dat nergens elders in de Bijbel de man het hoofd van zijn/de vrouw genoemd wordt. Om deze redenen hebben wij de vrijmoedigheid om het woord ‘hoofd’ te beschouwen als een nauw bij de toenmalige maatschappelijke verhoudingen aansluitende ‘vertaling’ van Gen. 2.

Een bevestiging hiervoor vinden we in de wijze waarop Paulus in 1 Kor. 11: 7 de gegevens van Gen. 1 en 2 verwerkt heeft. Hij noemt uitsluitend de man “het beeld en de heerlijkheid van God, terwijl de vrouw getypeerd wordt als “de heerlijkheid van de man. In deze formuleringen is aantoonbaar iets gebeurd met de gegevens van Gen. 1 en 2; hier heeft een evidente vertaling plaatsgevonden van de oudtestamentische gegevens naar de context van Paulus’ tijd.


22 Hierop wijst ook SR91, 63 (zie eerder in ons rapport, hoofdstuk 4, noot 48).
Dit geldt met name als we in ‘hoofd’ gezag over en verantwoordelijkheid voor horen doorklinken. Zo schrijft J. van Bruggen, Emancipatie, 37: “Maar hoofd-zijn is een ambt waarin men verantwoordelijk wordt gesteld. De man ontvangt in de bijbel een verantwoordelijke plaats voor en boven de vrouw, waarbij hij Christus boven zich heeft en God verantwoording schuldig is.” In de lijn van SR91 willen we er echter op wijzen dat deze verantwoordelijkheid van de man voor en over zijn vrouw, bezien in het licht van geheel de Bijbel, betrekkelijk is. Dat blijkt o.a. uit Gen. 3 waarin de vrouw door de HERE God direct aangesproken wordt en aansprakelijk gesteld voor haar daden. Zo zal het ook zijn op de jongste dag.
23 Dit wordt heel expliciet bevestigd in Paulus’ brief aan Titus. Titus moet als oudsten aanstellen “mannen die onberispelijk zijn, één vrouw hebben, die gelovige kinderen hebben, die niet in opspraak zijn wegens losbandigheid of niet van tucht willen weten. Want een opziener moet onberispelijk zijn ...” (1: 6-7). ‘Onberispelijk’ heeft hier alles te maken met het oordeel dat anderen over de betreffende man hebben, zijn aanzien. Een aanzien dat mede bepaald wordt door de naam die zijn kinderen hebben! In één lijn hiermee liggen ook de vermaningen die aan vrouwen en slaven gegeven worden. Zie Tit. 2: 5: Jonge vrouwen moeten aan haar man onderdanig zijn, “opdat het woord Gods niet gelasterd worde.” En Tit. 2: 9-10: “. ..om de leer van God, onze Heiland, in alles tot sieraad te strekken.”
24 Zie Perriman, Andrew, Speaking, 198.
25 Zie wat we schreven in hoofdstuk 4, noot 25. Daar haalden we H.G.L. Peels aan, die stelt: “Wat in Genesis 2 verhalenderwijs, meer impliciet geleerd wordt, wordt in het Nieuwe Testament lerenderwijs, meer expliciet gepredikt.” Wij stemden hiermee in en stelden de vraag wat Paulus ertoe bracht om dit eerste zijn op deze manier en zo nadrukkelijk te expliciteren.
26 Zie hoofdstuk 4.3.3.5.

|97|

We willen niet beweren dat het hoofd-zijn van de man een uitsluitend cultuurbepaald gegeven is. Wel menen we dat er doorslaggevende argumenten zijn om de uitdrukking “het hoofd van de vrouw is de man” als een contextbepaalde verwerking van de scheppingsgegevens te beschouwen.

7.2.3 De contextbepaaldheid van Paulus’ betoog in 1 Timoteüs 2: 11-15

We willen op de (mogelijke) contextbepaaldheid van 1 Tim. 2 minder uitvoerig ingaan dan op die van 1 Kor. 11. Om te beginnen willen we bij één — niet onbelangrijk — punt de vinger leggen: de wijze waarop Paulus de zondeval van de vrouw in zijn vermaan verwerkt.
Paulus schrijft (vers 14): “Adam heeft zich niet laten verleiden, maar de vrouw is door verleiding in overtreding (parabasis) gevallen.” Drie opmerkingen:
• Opmerkelijk is het argument als zodanig: nergens elders in de Schrift wordt uit de verleiding van Eva door de slang de conclusie getrokken, dat zij daarom aan de man onderdanig heeft te zijn. Dat prikkelt tot nadenken over de reden die dit kan hebben.
• Ook nu legt Paulus’ beroep op de Schrift een accent, dat niet geheel spoort met de gegevens uit Gen. 3. Hoewel de vrouw door de slang verleid wordt (Gen. 3: 1-6,13), lezen we ook: “zij nam van zijn vrucht en at, en zij gaf ook haar man, die bij haar was, en hij at.” Adam was bij zijn vrouw, toen zij verleid werd, en hij heeft haar niet weerhouden. Tezamen zijn zij ontaard.
• Tenslotte: in een ander verband kan Paulus dezelfde Schriftgegevens op een heel andere wijze toepassen. In 2 Kor. 11: 2-3 past hij de verleiding van Eva door de slang op het geheel van de gemeente toe. En in Rom. 5: 12-21 legt hij het volle accent op de zonde, de ongehoorzaamheid en de overtreding (parabasis!) niet van Eva, maar van Adam.
Dit zijn sterke aanwijzingen, dat Paulus’ Schriftberoep niet alleen in 1 Kor. 11: 2-16, maar ook in 1 Tim. 2: 11-15 gekleurd wordt door de situatie.

Dat brengt ons als vanzelf bij een tweede punt. Want als er verband bestaat tussen Paulus' vermaningen in deze verzen en de context waarbinnen ze gegeven zijn, welke reden kan de apostel dan gehad hebben om uitgerekend hier dit volstrekt eigensoortige argument te gebruiken?
Lezing van zijn brief biedt aanknopingspunten. Gewezen zou kunnen worden op 1 Tim. 5 :13vv, waar Paulus de jonge weduwen voorschrijft te huwen, kinderen te krijgen, etc. Een vermaan dat in de richting gaat van 1 Tim. 2: 15. Paulus’ argument is dat zij “niet door lasterpraat aan de tegenpartij vat op zich geven. Want reeds zijn sommigen afgeweken, de satan achterna.” De woorden ‘tegenpartij’ en ‘satan’ kunnen hier in verband gebracht worden met twee ex-leden van die gemeente die door Paulus aan de satan zijn overgegeven (verg. 1 Kor. 6 :5), Alexander en Hymeneüs (zie 1 Tim 1: 19-20 en 2 Tim. 4: 14-15). Uit andere gegevens in de pastorale brieven blijkt dat juist vrouwen een willig oor hebben voor de leer van tegenstanders (zie 2 Tim. 3:6-8). Al met al valt de herinnering aan de verleiding van Eva door de satan in 1 Tim. 2:13 helemaal op zijn plaats juist binnen deze context.

N.B. Het kan er de schijn van hebben, dat we nu toch op het vlak van de exegese knopen doorhakken. We willen echter niet suggereren dat deze exegese de enig juiste is. Daarvoor zijn en blijven er ook nu te veel onduidelijkheden. Wel menen we te kunnen staven, dat er sterk rekening mee gehouden moet worden dat ook in deze verzen Paulus’ vermaan contextbepaald is.

|98|

7.2.4 Conclusie

We zijn van mening dat zowel de zaak die Paulus in zijn fundamentele betoog van 1 Kor. 11 aan de orde stelt, als de wijze waarop hij die behandelt, ten nauwste verweven zijn met de cultuur van zijn tijd.
Vooral op grond van de volstrekt eigensoortige argumentatie in 1 Tim. 2: 13-14 menen we dat dit ook geldt voor het verbod in 1 Tim. 2: 12.

Het is verleidelijk om dieper in te gaan op de vraag of ook andere factoren dan die van de cultuur invloed hebben uitgeoefend op de door Paulus in 1 Kor. 11 en 1 Tim. 2 gegeven voorschriften, en zo ja, welke.
Op slechts één mogelijke factor van betekenis willen we hier wijzen: het ‘missionaire motief’ waarover we schreven in hoofdstuk 4.6.3.1. Paulus heeft in zijn eigen bediening uiterst contextgevoelig geopereerd. Hij is de Joden een Jood en de Grieken een Griek geworden. Hij heeft zich voortdurend aangepast, ‘geaccommodeerd’, om zoveel mogelijk mensen voor Christus te winnen. Mede daarom is er hem ook alles aan gelegen dat christenen zich niet te schande maken. Want christenen die zichzelf te schande maken, maken immers Christus te schande. Het is goed denkbaar dat deze missionaire gedrevenheid van invloed is geweest op zijn voorschriften in 1 Kor. 11 en 1 Tim. 2.27

De vraag rijst, wat deze conclusie betekent voor de toepassing van Paulus’ voorschriften in onze cultuur en in onze tijd.

 

7.3 Paulus’ voorschriften en onze context

In deze paragraaf willen we vier opmerkingen maken met betrekking tot de toepasbaarheid van Paulus' voorschriften over de hoofdbedekking van de vrouw (1 Kor. 11) en van zijn verbod op didaskein en authentein (1 Tim. 2; in de NBG-vertaling weergegeven als ‘onderricht geven’ en ‘gezag hebben’).
Wat dat laatste betreft: het exegese-hoofdstuk heeft laten zien dat de meningen over de exacte betekenis van dit verbod op didaskein en authentein ver uiteen lopen. We kunnen dit echter laten voor wat het is. Immers, omdat wij van mening zijn dat de concrete voorschriften van Paulus nauw verweven zijn met de context waarin zij gegeven werden, zijn wij voor het rechte zicht op de mogelijke toepassing ervan minder afhankelijk geworden van de precieze exegese. We krijgen daardoor de ruimte om met deze voorschriften op dezelfde manier om te gaan als we dat ook met (tal van) voorschriften uit het Oude Testament doen.28

7.3.1 Rechtstreekse toepassing niet geboden

Allereerst zijn wij van mening dat rechtstreekse toepassing van Paulus’ voorschriften in onze cultuur en situatie geen voorschrift van de Here is. Paulus heeft in zijn cultuur en situatie, uitgaande van het hoofd-zijn van de man, met Gods gezag richtlijnen gegeven die toen rechtstreeks toegepast dienden te worden. De Here vraagt niet van ons dat wij deze contextbepaalde voorschriften ook rechtstreeks in onze cultuur en situatie toepassen.
Dat geldt nog te meer, wanneer we hierbij die andere Schriftgegevens betrekken, die spreken van een eigen bediening van vrouwen in de gemeente van Christus, tengevolge van de vervulling met de Heilige Geest. Naarmate (om hermeneutische redenen) de ruimte die de concrete voorschriften van Paulus opeisen kleiner wordt, wordt de ruimte


27 Zie in dit hoofdstuk ook noot 23.
28 Zie hierover hoofdstuk 6.2.1.

|99|

overeenkomstig groter voor die gegevens, waaruit blijkt dat vrouwen zonder onderscheid betrokken worden bij de bediening van de Heilige Geest.

7.3.2 Rechtstreekse toepassing niet mogelijk

Een rechtstreekse toepassing van deze voorschriften is niet alleen niet geboden, maar voor ons besef ook niet mogelijk. Dit is geen waardeoordeel, maar een constatering. De symbooltaal van hoofdbedekking en haardracht, de functie van gezag en autoriteit, de verhouding tussen man en vrouw, en het functioneren van de vrouw in kerk en samenleving zijn in onze cultuur dusdanig gewijzigd ten opzichte van die in Paulus' dagen, dat zijn voorschriften in onze tijd alleen maar in schijn toegepast kunnen worden, zelfs al zouden vrouwen een hoofdbedekking dragen en de ambten voor vrouwen gesloten blijven.

Graag willen we ons op dit punt nader verklaren.
De Nederlands Gereformeerde Kerken maken deel uit van de Nederlandse samenleving van de 21ste eeuw. Dat heeft minimaal twee consequenties:
1. Wij draaien volop mee in onze samenleving waarin de vrouw geëmancipeerd is. Wij spreken de taal van de samenleving, niet alleen met de mond, maar ook met het hart. Wij zijn vergaand geëmancipeerd. Op zijn hoogst kunnen we daarom voor het kerkelijke een uitzonderingspositie creëren, een reservaat waarin we de schijn hooghouden, dat we anders zijn.
2. De emancipatie werkt ook door in het kerkelijke leven. Op alle mogelijke niveaus — uitgezonderd veelal het ambtelijke — nemen vrouwen deel aan het gemeenteleven. Hun inbreng is volstrekt gelijkwaardig aan die van mannen. Zij nemen deel aan Bijbel- en gesprekskringen, spreken en stemmen mee in gemeentevergaderingen, roepen ouderlingen ter verantwoording, beoordelen preken van predikanten in beroepingscommissies, functioneren als pastoraal bezoeker, enzovoort, enzovoort. Kortom, de Nederlands Gereformeerden zijn geëmancipeerd en de Nederlands Gereformeerde Kerken zijn dat ook. Dat is zo vanzelfsprekend voor ons, dat we — op de wijze van 1 Kor. 11: 14 — zouden kunnen zeggen dat de natuur zelf ons dit leert.

Maar, zou iemand kunnen tegenwerpen, als het niet mogelijk is om sommige van Paulus’ voorschriften rechtstreeks toe te passen, dan kunnen we toch proberen om ze indirect toe te passen? Niet naar de letter, maar naar de geest? Deze benadering sluit aan bij het onderscheid tussen ‘norm’ en ‘vorm’ dat we eerder bespraken.29 De norm zou dan zijn dat de man het (gezaghebbende) hoofd is van de vrouw. En die norm zou dan op een voor onze samenleving geëigende wijze vorm moeten krijgen. Hoewel deze benadering uit hermeneutisch oogpunt verdedigbaar is, menen we er toch verschillende kritische kanttekeningen bij te kunnen plaatsen.
• Niet verdisconteerd is dat ook Paulus’ spreken over het hoofd-zijn van de man niet los stond van de cultuur van zijn tijd. Van het als eerste geschapen zijn van Adam in Gen. 2 tot het hoofd-zijn in 1 Kor. 11: 3 en Ef. 5: 22 is er nog een weg te gaan. Alleen al om deze reden moeten we er terughoudend in zijn om ‘het hoofd-zijn van de man’ als grondgedachte van dit bijbelgedeelte te bestempelen.
• Wij zijn het die onderscheiden tussen norm en vorm, het beginsel en de uitwerking daarvan. We ontkomen daar niet aan. De vorm verandert, de norm blijft. Het moet echter gezegd worden, dat de argumenten die Paulus in 1 Kor. 11 gebruikt om de vrouwen een hoofdbedekking te laten dragen van een zwaar kaliber zijn. Hij voert noties op van eer en schande, 'de schepping', de engelen, hetgeen voegzaam is, en de natuur. Ook kenmerkt zijn betoog zich door een bepaalde logica die maar één uitkomst kan hebben, namelijk dat vrouwen een hoofdbedekking hebben te dragen. Binnen de tekst zelf valt dus geen aanknopingspunt te vinden voor de gedachte dat vrouwen het in andere culturen en tijden wel zonder hoofdbedekking zouden kunnen stellen! Ofwel, vanuit exegetisch


29 Zie 6.2.1.

|100|

oogpunt is de letterlijke toepassing eigenlijk de enige manier waarop Paulus voorschrift 'naar de geest' kan worden toegepast!
• In het verlengde hiervan ligt een meer algemeen probleem.30 Hoe kan de grondgedachte die aan Paulus’ voorschrift ten grondslag ligt, in de lijn van het voorschrift toegepast worden? Gesteld dat dit beginsel inderdaad het (gezaghebbend) hoofd-zijn van de man is, dan komt voor Paulus dit hoofdschap tot uitdrukking in het dragen van een hoofdbedekking voor de vrouw onder het bidden en profeteren. Is hiervoor een gelijkwaardig alternatief in onze erediensten? Een ‘vertaling’ die anders is en toch eender? Het is ons niet gelukt er een te bedenken. En daarom, hoewel we niet zonder het onderscheid tussen ‘norm’ en ‘vorm’ kunnen, valt het ook in deze aangelegenheid nauwelijks werkbaar te noemen.

Hier zou iemand tegenin kunnen brengen dat de bovenstaande argumenten wel opgaan voor hoofdbedekking en haardracht, maar niet voor het didaskein en authentein van 1 Tim. 2. Het verbod daarop kan door ons toch gewoon overgenomen en toegepast worden? We gaan hier voorbij aan de (exegetische) moeite die er bestaat om precies aan te geven wat er onder didaskein en authentein verstaan moet worden. Maar ook als we precies zouden weten wat die woorden inhouden, dan kleven aan bovenstaande redenering bezwaren van verschillende aard:
• Deze benadering gaat voorbij aan de vraag waarom de concrete toespitsingen die Paulus in 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 geeft wel zo rechtstreeks mogelijk toegepast moeten worden en de even concrete toespitsingen in 1 Kor. 11 niet. Als het gaat om Paulus’ vermaan inzake hoofdbedekking en haardracht, dan onderscheiden wij tussen norm en vorm, hoewel dat vermaan gedragen wordt door argumenten van het zwaarste kaliber. Als het gaat om Paulus’ vermaan inzake het spreken en leren van de vrouw in de gemeente, dan wordt dit onderscheid blijkbaar niet meer gemaakt.
• Een overgrote meerderheid van de christenen aanvaardt zonder enige principiële moeite, dat vrouwen in onze samenleving meespreken, meebeslissen, leiding geven en gezag dragen. Dat een vrouw koningin is, rechter, directrice van een verpleeginrichting of vrijwilligersorganisatie, docente op een universiteit of hoofd van een afdeling is volledig aanvaard. Echter, eenmaal op het kerkelijke erf gekomen, benadrukken sommigen opeens, dat vrouwen geen leiding mogen geven aan de gemeente van Christus.

Onze conclusie luidt, dat het niet alleen onmogelijk is om in onze samenleving de voorschriften van Paulus ‘naar de letter’ toe te passen, het is ook feitelijk onmogelijk ze ‘naar de geest’ toe te passen, tenminste, als met ‘naar de geest’ bedoeld wordt dat de man het gezaghebbende hoofd van de/zijn vrouw is.

7.3.3 Rechtstreekse toepassing niet nodig

Maar een rechtstreekse toepassing wordt volgens ons ook niet van ons verwacht. We herinneren er hier aan dat de meer gelijkwaardige verhouding waarin mannen en vrouwen ten gevolge van de emancipatie in gezin, kerk en samenleving zijn komen te staan, door veel christenen als een zegen beleefd wordt. Dat geldt ook voor christenen die niets anders willen dan leven met de Here. Christenen die enigermate hebben geleerd de zonde te haten en die daarom met Christus willen ondergaan in zijn dood om met Hem op te staan in een nieuw leven. Christenen die zich steeds weer openstellen voor Woord en Geest, om daardoor geleid te worden. We herhalen, dat we deze inmiddels beproefde ervaring mee mogen laten doen in de bezinning op de plaats van de vrouw in de gemeente van Christus. En dat te meer omdat Paulus zelf in 1 Kor. 11: 13-14 de Korintiërs betrekt bij zijn betoog: “Oordeelt zelf: is het voegzaam, dat een vrouw met ongedekten hoofde tot God bidt? Leert de natuur zelf u niet...” Juist als het gaat om de inrichting van ons leven mag onze eigen oordeelsvorming in Christus ook meedoen. Dat is een uiterst belangrijk gegeven dat we blijvend van 1 Kor. 11 kunnen leren.


30 We stelden dit in 6.2.1 reeds aan de orde.

|101|

7.3.4 Rechtstreekse toepassing niet gewenst

Eigenlijk behoeft het bovengenoemde kopje een nuancering. Als commissie willen we niet in het algemeen zeggen dat rechtstreekse toepassing van Paulus’ voorschriften niet gewenst is. Er kunnen omstandigheden, culturen en subculturen zijn, waarin dit een slag anders ligt. In onze samenleving echter verdient rechtstreekse toepassing van Paulus’ voorschriften globaal genomen geen aanbeveling. Dat hangt samen met de reacties die we daarop uit onze samenleving krijgen.
Wanneer de kerk de vrouw voorschrijft dat zij het hoofd bedekt moet houden, zwijgen moet in de gemeentelijke samenkomsten, en geen gezag mag dragen over de man en hem niet onderrichten31, dan roept dit weerstand en zelfs ergernis op in de samenleving.

Dit wordt geïllustreerd door de reactie van onze samenleving op het dragen van een hoofdbedekking door vrouwen. Wij kennen de hoofddoek vooral uit de (fundamentalistische) Moslimcultuur en associëren die daarom al gauw met een achterstelling van de vrouw.

Nu kan het zijn dat christenen ‘de smaad van Christus’ moeten dragen (Heb. 10: 32-33 en 11: 26). Zij moeten daartoe ook bereid zijn (Heb. 13: 13). Wij betwijfelen echter of de ergernis die opgeroepen wordt door het in praktijk brengen van Paulus’ voorschriften betreffende de vrouw in de gemeente, geduid mag worden als ‘de smaad van Christus’. Het rechtstreeks toepassen van deze voorschriften heeft naar onze mening alleen tot gevolg dat onze wereld verder vervreemdt van evangelie en kerk vanwege een minder wezenlijk of zelfs oneigenlijk onderwerp. Zelfs valt te vrezen dat de wereld, door de aanstoot die de kerk op een dergelijk punt geeft, al helemaal niet vermag door te dringen tot de ware aanstoot, die besloten ligt in het evangelie van de gekruisigde Christus. Door dit zo te stellen wordt in één oogopslag duidelijk wat de prioriteit van Christus’ kerk heeft te zijn: mensen tot Hem brengen, de Christus der Schriften. We hebben al eerder gezien dat Paulus juist hierom flexibel was. Hij was de Joden een Jood en de Grieken een Griek.32 Het is daarom in de lijn van dit ‘missionaire motief’ om op het punt van de vrouw in het ambt de Nederlander een Nederlander te worden, indien dit drempelverlagend werkt naar het evangelie en de kerk van Jezus Christus.

7.3.5 Conclusie en nieuwe vragen

Onze conclusie is nogal beslist: rechtstreekse toepassing van Paulus’ voorschrift is naar onze overtuiging niet geboden, niet mogelijk, niet nodig en — in onze samenleving — zelfs niet gewenst.
Deze conclusie roept enkele vragen op:
1. Als de zaak er zo voor staat, welke betekenis hebben deze voorschriften dan nog voor ons? Kunnen wij dergelijke bijbelgedeelten dan niet net zo goed missen?
2. Leidt de ruimte die hier ten opzichte van de concrete voorschriften geboden wordt niet tot datgene waar een aantal kerken voor vreest, namelijk wereldgelijkvormigheid?

Met een beantwoording van deze vragen willen we dit hoofdstuk afsluiten.


31 We plaatsen ons hier even op het standpunt van degenen die tegen de vrouw in het ambt zijn.
32 Zie 4.6.3.1 en hierboven 7.2.

|102|

7.4 Van blijvende betekenis

7.4.1 “Elk van God ingegeven schriftwoord is nuttig”

We kunnen ons goed indenken dat sommigen zich — na lezing van paragraaf 7.3 — afvragen welke betekenis de behandelde Schriftdelen van Paulus nog voor ons hebben. Betekent hun contextbepaaldheid dat zij gelaten kunnen worden voor wat ze zijn, of dat ze in mindere mate Woord van God voor ons zijn geworden? ‘Geenszins’, om met Paulus te spreken.

Het is zinvol hier een parallel te trekken tussen de manier waarop wij omgaan met de zogenaamde ‘burgerlijke wetten’ uit het Oude Testament en met de door ons besproken voorschriften van de apostel Paulus.
Het is opmerkelijk dat een behandeling van die burgerlijke wetten volgens dezelfde principes als waarmee wij hierboven Paulus gelezen hebben, ons geen enkele zorg baart. En dat, terwijl de dichter van Ps. 119 het toch echt over deze wetten heeft in zijn loflied op Gods Thora! Dat dit ons geen zorgen baart, komt, omdat we ervan uitgaan, dat deze wetten uiteindelijk niet voor ons, maar voor het volk Israël bestemd zijn. Calvijn zei zelfs van de burgerlijke wet: “Ze is ons nooit gegeven”!33 Dit belette hem overigens niet, om in zijn bijbelcommentaar nauwgezette aandacht aan al deze geboden te geven. En ook wij — hoewel wij vrijwel geen van deze geboden nog rechtstreeks (kunnen) toepassen in onze tijd — lezen deze wetten en leren daar nog steeds van.34 Steeds weer geeft de Bijbel de ontvankelijke hoorder te denken. Kortom, het onderscheid ‘blijvend-tijdelijk’ laat zich goed verantwoorden, mits we dat maar niet gebruiken om een bloemlezing van bijbelverzen met blijvende betekenis te vormen.

Al zijn Paulus’ voorschriften contextbepaald, we ontvangen die als woorden van God, die over de tijden heen ook tot ons komen. Elk woord van de Schrift, elke zin, elk voorschrift — of we dat nu als tijdbediend, tijdgebonden, tijdbepaald, situatiegericht, contextueel bepaald of hoe dan ook typeren — blijft meedoen en dient tot de komst van Christus beklopt en beluisterd te worden met als doel daardoor opgevoed te worden tot gerechtigheid.
De contextbepaaldheid van Paulus’ voorschriften in 1 Kor. 11, inclusief de gevolgen daarvan voor hun toepasbaarheid, mag dus niet in mindering gebracht worden op de betekenis die dit vermaan voor ons houdt. Sterker, juist het erkennen van de contextbepaaldheid van Paulus’ betoog kan ons helpen om weer des te ontvankelijker te luisteren naar datgene wat daarvan nog steeds te leren valt!

Om dit te onderstrepen, willen we op een aantal punten concreet aangeven wat er volgens ons nog steeds van Paulus’ vermaan in 1 Kor. 11: 2-16 geleerd kan worden.

Paulus spreekt in 1 Kor. 11: 3 over de verhouding tussen man en vrouw. En met alle vragen die er voor ons blijven, poneert hij hier iets, dat in het licht van Gods schepping van blijvende betekenis is voor de mens van alle plaatsen en tijden. Mannen zijn mannen en vrouwen zijn vrouwen. Zij zijn niet onderling uitwisselbaar. Zij zijn eender en anders. Dat is de natuurlijke verscheidenheid, waarin wij de wijze en machtige hand van onze Schepper zien.35 Krachtens hun anders zijn hebben de man en de vrouw daarom, binnen het geschapen


33 Calvijn, J., Institutie IV, 20, 16.
34 Te denken valt bijvoorbeeld aan de uitvoerige en waardevolle bijdragen die vanuit onze kring C. Vonk (in Genesis-Exodus en in De Voorzeide Leer. Deel 1b, Leviticus, Numeri, Deuteronomium, Barendrecht 1963) en H. de Jong (Deuteronomium: de evangelische wet. Deel 1 en 2, Kampen 1987) — ieder op een eigen wijze — aan de bezinning op de wetgeving geleverd hebben.
35 Een tijdlang leek de emancipatie zover doorgeschoten dat op zinnen als deze vrijwel een taboe rustte. Inmiddels is het tij gekeerd en vinden boeken met als titel Vrouwen komen van Venus en mannen komen van Mars grote aftrek.

|103|

bestel, van God ieder een verschillende rol toebedeeld gekregen. Zo heeft de HERE God het gewild, zo heeft Hij het ten uitvoer gebracht bij de schepping. Laten we Hem loven om zijn wijsheid en Hem eren om de eigen rol die het leven voor man en vrouw in petto heeft.

Paulus verzet zich in 1 Kor. 11: 3-16 overigens niet alleen tegen een monocultuur, hij benadrukt ook dat man en vrouw ten opzichte van elkaar niet in een gelijke verhouding staan. Hij spreekt immers over het hoofd-zijn van de man. Hoewel wij menen dat deze typering niet rechtstreeks op Gen. 1 en 2 valt terug te voeren, zit er toch iets in dat te denken geeft. Wat is er de reden van, dat de man — ook in onze geëmancipeerde samenleving — veelal nog ‘de eerste’ is? Is dat alleen omdat mannen per definitie ‘haantjes’ en vrouwen van nature wat minder — of anders — dominant zijn? Is het een gevolg van de zondeval? Of hangt dit op de één of andere manier toch ook samen met de wijze waarop in Gen. 2 de schepping van man en vrouw onder woorden wordt gebracht? We stippen deze vragen aan, niet om daarop in te gaan, maar om te laten zien dat Gods Woord, hoe contextbepaald het soms ook is, altijd prikkelt tot nadenken.

1 Kor. 11: 2-16 zet ook aan het denken over woorden als ‘eer’ en ‘schande’ en de betekenis daarvan in onze context. In het bijzonder willen we dit toespitsen op datgene waardoor wij als kerk onze Here Christus te schande (kunnen) maken. Juist nu is dat actueel. Er is de laatste decennia een tijd geweest dat de houding van de samenleving ten opzichte van God, godsdienst en kerk dusdanig onwelwillend was, dat het oordeel over godsdienst en kerk sterk door onbillijkheid gekleurd was. Wat dat betreft lijkt het tij momenteel kerend te zijn. Er zou wel eens een tijd van nieuwe ontvankelijkheid kunnen komen. Een reden te meer om ons als kerken er uiterst bewust van te zijn dat wij ook een belangrijke publieke functie hebben. Als representant van Christus hebben wij een bemiddelende rol in het tot elkaar brengen van Christus en de wereld.

Ook willen we wijzen op de heel verschillende typen argumenten die Paulus in dit bijbelgedeelte hanteert om de gemeente van de juistheid van een bepaalde gewoonte te overtuigen. Hij voert noties van eer en schande op, beroept zich op de Schrift, op de schepping, verwerkt het eigen beoordelingsvermogen van de gemeente, spreekt over de engelen, hetgeen ‘voegzaam’ is, ‘de natuur’ en ‘het kerkverband’36. Van die typen argumenten kunnen we blijvend leren, ook als de uitkomst daarvan in onze cultuur anders is.

In het onderstaande willen we op één punt in het bijzonder aangeven wat wij ook nu nog heel concreet van Paulus' vermaan kunnen leren.

7.4.2 “En het hoofd van Christus is God”

We willen hier de vinger leggen bij hetgeen in 1 Kor. 11: 3 geschreven staat: “Het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd der vrouw is de man, en het hoofd van Christus is God.

Met de functie van de eerste twee woordparen blijken veel exegeten goed uit de voeten te kunnen. Door middel van het tweede (“het hoofd der vrouw is de man”) zou Paulus het vervolg voorbereiden, terwijl hij door het eerste (“Het hoofd van iedere man is Christus”) de steeds dreigende zelfverheffing van de man zou beteugelen. Maar welke betekenis en functie heeft het laatste woordpaar: “en het hoofd van Christus is God” in relatie tot de vorige woordparen? De weinige uitleggers die hierover wat zeggen37 houden het er meestal op, dat Christus hier aan de vrouw ten voorbeeld wordt gesteld. Benadrukt het eerste


36 Zie 1 Kor. 11: 16.
37 Veel uitleggers richten hun aandacht vooral op de vraag hoe de uitdrukking, dat het hoofd van Christus God is, verstaan dient te worden in het licht van de christologie van het Nieuwe Testament.

|104|

woordpaar dat Christus het hoofd van de man is, via het laatste woordpaar komt Hij als het ware naast de vrouw te staan, om aan te geven dat het niet erg is om aan een hoofd onder-worpen te zijn.38

Voor het verstaan van heel de nieuwtestamentische Godsopenbaring is deze zegswijze kenmerkend en van alomvattende betekenis. Paulus dompelt hier de bijzondere verhouding waarin man en vrouw krachtens de schepping en/of krachtens de cultuur van zijn tijd tot elkaar staan helemaal onder in de openbaring van Jezus Christus. Dit ligt geheel in de lijn van wat we elders in het Nieuwe Testament lezen: “Want in Hem (= Christus) zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn ... alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; en Hij is vóór alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem” (Kol. 1: 16-17). Van alles wat God geschapen heeft geldt, dat het door en tot Christus geschapen is, ook de verhouding van man en vrouw. In de herschepping worden de verhoudingen daarom niet beheerst door ‘de cultuur’ of ‘de natuur’ en zelfs niet door ‘de schepping’, maar door Christus alleen.
De betekenis van dat laatste zinsdeel (“het hoofd van Christus is God”) is hiermee echter nog niet uitgeput. Hier worden voor ons besef man en vrouw samen tot de Vader en de Zoon gebracht om van hun onderlinge verhouding af te lezen hoe zij hun onderlinge verhouding hebben te verstaan. Zoals in Ef. 5: 22-33 de verhouding tussen Christus en zijn gemeente het model is voor de man-vrouwverhouding, zo is dat hier de verhouding tussen God en Christus! Als dit inderdaad het geval is, dan komt naar onze mening het volle gewicht niet meer te liggen op de precieze betekenis van het woord ‘hoofd’. Evenmin wordt de centrale vraag of dit hoofd-zijn van de man al dan niet teruggaat op de schepping van man en vrouw. Het volle licht komt te vallen op de bijzondere verhouding tussen God de Vader en God de Zoon, tussen Hem die in liefde zijn hart opende, en Hem die in liefde Zichzelf ontledigde. We treden daarmee een wereld binnen waarin woorden als ‘gezag’ en ‘onderdanigheid’ — die ook nu gebruikt mogen worden (zie 1 Kor. 15: 28) — een heel eigen kleur krijgen.

We menen dat we hier stuiten op het meest wezenlijke van Paulus’ visie op man en vrouw. Man en vrouw mogen samen mens zijn op het hoogste niveau en krijgen de ruimte om in de allernauwste onderlinge verbondenheid de ander een heel eigen rol te laten vervullen. De bijzondere verhouding waarin God en Christus tot elkaar staan, mag voor man en vrouw het oriëntatiepunt zijn. Tegelijk wordt een perspectief op hun onderlinge functioneren geboden, dat bestand is tegen de tand én de geest des tijds!

 

7.5 Over kerk en wereld

In de reacties die we vanuit de kerken op het stuk van Arnhem kregen, werd herhaaldelijk de vraag gesteld of de openstelling van het ambt voor zusters geen symptoom van wereldgelijkvormigheid is.39 Met een bezinning op die vraag en wat daarmee samenhangt willen we dit hoofdstuk afronden.

7.5.1 Wereldgelijkvormigheid

Om te beginnen willen we erop wijzen dat deze vraag van groot belang is. Paulus vermaant immers nadrukkelijk: “Wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt


38 Zo Grosheide, F.W., De eerste brief van den apostel Paulus aan de kerk te Korinthe (Kommentaar op het Nieuwe Testament), Amsterdam 1932, 366; Jager, H.J., 1 Korinthiërs, 250 en Schlatter, A., Paulus der Bote Jesu. Eine Deutung seiner Briefe an die Korinther, Stuttgart 19694, 310.
39 Zie 5.1.2.

|105|

hervormd door de vernieuwing van uw denken” (Rom. 12: 2; vergelijk Ef. 4: 17-24). Maar wat is wereldgelijkvormig en wanneer is daarvan sprake?
We moeten hier goed onderscheiden. Met wereldgelijkvormigheid bedoelt de apostel een leven in de duisternis van de zonde waarin de wereld nog verkeert. ‘Gelijkvormig aan de wereld’ wordt geplaatst tegenover ‘het goede, welgevallige en volkomene’. In Ef. 4 stelt Paulus de oude mens, die ten verderve gaat naar zijn misleidende begeerten, tegenover de nieuwe mens, die naar de wil van God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid. Het is echter niet zo dat hij alle overeenkomsten tussen ‘kerk’ en ‘wereld’ op de noemer brengt van wereldgelijkvormigheid. Hoe zou hij zelf anders ooit de Joden een Jood en de Grieken een Griek geweest kunnen zijn?
Tussen wereldgelijkvormigheid en het mens-zijn dat christenen en niet-christenen delen, moet en kan een onderscheid worden gemaakt. De cultuur waarin mensen leven en waaraan zij samen bouwen, is wel doortrokken van de duisternis van de zonde, maar valt daarmee niet samen. Te wijzen valt in dit verband op Gen. 4. De grote cultuurbouwers blijken de nazaten van Kaïn te zijn. Toch worden de vruchten van hun cultuurar-beid ook door de nazaten van Seth geplukt. Hieruit blijkt dat het resultaat van de cultuurarbeid van de wereld zich laat onderscheiden van de motieven waardoor de wereld gedreven wordt. ‘De kerk’ kan daarom leren van de kundigheid, de kennis en de ervaring van ‘de wereld’.
Tussen het nageslacht van Seth en het nageslacht van Kaïn, tussen Israël en de volken, de kerk en de wereld, christenen en niet-christenen zijn op het menselijke vlak talloze overeenkomsten en dwarsverbindingen. Zeker, er is één diep verschil, en dat verschil is uiteindelijk het verschil tussen dag en nacht, licht en duisternis. Dat verschil is het geloof in de ene ware God en in zijn Zoon Jezus Christus. Wie Christus kent, mag zich in het licht weten. Wie Christus niet kent, leeft nog in de duisternis. En diep werkt dit verschil door in de motieven waarom de mens zich ontplooit, de wijze waarop hij dat doet en het resultaat dat eruit voortkomt. Desondanks blijven er talloze verbindingslijnen en herkenningspunten. Horen we wellicht zelfs de eschatologische echo van deze gedachte in Openb. 21: 24,26?

7.5.2 Ontmoetingsplaats van kerk en wereld

De ontmoetingsplaats van ‘kerk’ en ‘wereld’, het veld waarop zowel in oud- als in nieuwtestamentische tijden christenen en niet-christenen elkaar ontmoeten, is dat van ‘de wijsheid’.40 Treffend blijkt dit uit 1 Kon. 4: 29-34: “En God gaf Salomo wijsheid en zeer veel verstand en een begrip, zo wijd als het zand aan de oever der zee, zodat de wijsheid van Salomo groter was dan die van allen uit het Oosten, en dan al de wijsheid van Egypte. Ja, hij was wijzer dan alle mensen ...En uit alle volken kwamen er om de wijsheid van Salomo te horen, van al de koningen der aarde, die van zijn wijsheid gehoord hadden.” De wijsheid van Salomo en de wijsheid van de volken worden hier niet tegen elkaar uitgespeeld. Salomo’s wijsheid is groter, niettemin wordt ook bij de volken wijsheid gevonden. De wijsheid van Salomo wordt door de volken ook niet ontkend, maar erkend. Men komt zelfs om van Salomo te leren (1 Kon. 10: 1-13). Vergelijk ook Deut. 4: 6: Vanwege de inzettingen en verordeningen van de HERE zullen de andere volken Israël “een wijze en verstandige natie” noemen.
Tussen de wijsheid van Israël en de wijsheid van de volkeren bestaan ook tal van overeenkomsten, zowel qua vorm als qua inhoud. De Egyptenaren herkenden Jozef als een wijze. Omgekeerd werd Mozes onderwezen in de wijsheid van de Egyptenaren (Hand. 7: 22). Van de raad die Jetro, de priester van Midjan, aan Mozes gaf (Ex. 18: 19), trok het Godsvolk profijt. Zelfs mag niet uitgesloten mag worden dat we in Spr. 22: 17-23: 11 een Schriftdeel


40 Een beknopt, maar helder beeld van de wijsheid van het oude Oosten biedt Tuinstra, E.W. Spreuken I (De Prediking van het Oude Testament), Baarn 1996, 21-25.

|106|

vinden dat door de Egyptische wijsheid (de levensleer van Amenemope namelijk) is beïnvloed.
Ook kan er onder de volken sprake zijn van een zuiver rechtsgevoel. Een opmerkelijke illustratie daarvan vinden we in Gen. 20. ‘De kerk’ valt daar zo pijnlijk tegen en ‘de wereld’ valt enorm mee, althans voor wie een zwart-wit beeld van wereld en kerk heeft. Abraham veroorlooft zich een leugentje om bestwil en brengt koning Abimelek daardoor in grote problemen. Abimelek wordt door God ter verantwoording geroepen, maar deze verweert zich dan aldus: “HERE, zult Gij dan een rechtvaardig volk doden? ...In onschuld mijns harten en reinheid mijner handen heb ik dit gedaan. En God zei tot hem in de droom: Ik weet ook, dat gij het in onschuld uws harten gedaan hebt” (Gen. 20: 5,6). Zo stemt de Rechter van hemel en aarde in met de onschuld van een heidense koning! Bijzondere aandacht verdient de formulering ‘rein van handen en zuiver van hart’. Die functioneerde in Israëls eredienst als wachtwoord voor de toegang tot het heiligdom (zie Ps. 24: 4). Dat ook ‘de wereld’ menslievendheid in praktijk kan brengen — méér soms dan ‘de kerk’ dat doet — blijkt heel sprekend uit Jona 1: 7-16, Luc. 10: 31-36 en Hand. 28: 2.

7.5.3 Emancipatie en wereldgelijkvormigheid

Wij menen dat gegevens als deze van belang zijn voor een bezinning op de mogelijke wereldgelijkvormigheid van de kerk. Waarover praten we dan precies? Hebben we dan een leven ‘naar het vlees’ op het oog? Een leven zoals dat getekend wordt in Ef. 4: 17-22 en 5: 3-7? Als dat zo is, dan is de zorg voor wereldgelijkvormigheid volstrekt gerechtvaardigd. Het verdient echter geen aanbeveling om het emancipatieproces van de afgelopen eeuw in die zin als wereldgelijkvormigheid te bestempelen.
Het emancipatieproces kan ook gezien worden als één van de manieren waarop mensen aan het leven vorm geven, een ‘cultuurproduct’ dus, een uiting van wijsheid — in de oudtestamentische zin van het woord. Op basis van een bepaald gevoel voor recht en billijkheid hebben mensen vorm gegeven aan de verhouding tussen man en vrouw. In dit proces spelen ook de technische mogelijkheden en beperkingen van de mens een rol. Wat betreft het gevoel voor recht en billijkheid: in de beginjaren is de vrouwenbeweging een hoognodige reactie geweest op de evidente en pijnlijke rechtsongelijkheid die er bestond tussen mannen een vrouwen.41 Dankzij dit gevoel voor recht en billijkheid hebben ook vrouwen mogelijkheden gekregen om met behulp van scholing de hun gegeven gaven te ontplooien en breed in de samenleving in te zetten. Wat betreft de rol van technische mogelijkheden: de veranderde verhouding tussen man en vrouw is mede mogelijk geworden door een enorme toename van de welvaart en door vindingen als de pil en talloze technische hulpmiddelen die tot een ander rolpatroon van man en vrouw hebben kunnen leiden.
Gelet op deze — ook zegenrijke! — kanten die er aan het emancipatieproces zitten verdient het geen aanbeveling om dat als zodanig als wereldgelijkvormigheid te kwalificeren.

7.5.4 De heilzaam-kritische functie van het evangelie

Deze zowel nuchtere als welwillende beoordeling van het emancipatieproces houdt echter geen kritiekloze acceptatie in van de emancipatie en de vruchten daarvan. Emancipatie is als elk mensenwerk feilbaar en van zonde doortrokken. De Bijbel scherpt het oog hiervoor en helpt ons dit te benoemen. In het emancipatieproces zoals dat in Nederland zijn beslag heeft gekregen is die doorwerking van de zonde ook duidelijk aanwijsbaar.
• Om te beginnen heeft het emancipatiestreven in Nederland — zeker in een bepaalde fase — een hoog ‘baas in eigen buik’-gehalte gehad. Uitgangspunt was en is de zelfbeschikking, de zelfstandigheid en de zelfontplooiing van de vrouw. Dit uitgangspunt


41 Dat signaleerde H. Bavinck al, De vrouw, 45-68 en 73-74.

|107|

staat haaks op Gods scheppingsbedoeling en op de gerechtigheid en gemeenschapstrouw waarvan de Bijbel spreekt.
• Ten tweede heeft het emancipatieproces in Nederland concrete kwalijke gevolgen gehad. Het is opgenomen in een indidividualiseringsproces en in het streven van overheid én burger naar meer welvaart. Het gevolg hiervan is dat enkele uiterst wezenlijke kanten van het leven verwaarloosd zijn en worden. Lange tijd is sprake geweest van een onderwaardering van het moederschap en een overwaardering van het betaalde werk. De betekenis van een gezonde gezinsvorming voor zowel de enkeling als de samenleving als geheel is onderschat, de betekenis van individuele vrijheid overschat. De negatieve gevolgen hiervan voor de kwaliteit van de opvoeding, het huwelijk en voor de tijd en ruimte die genomen wordt voor het omzien naar kwetsbare groepen in de samenleving zijn niet uitgebleven.
Voor het evangelie blijft in onze samenleving daarom een zowel kritische als heilzame functie weggelegd.42 In feite is het zo dat ook onze geëmancipeerde samenleving — al wil ze daar nu niet aan — hunkert naar een onderdompeling in de openbaring van Jezus Christus. De woorden van Paulus “Het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd der vrouw is de man, en het hoofd van Christus is God” bevatten ook in onze tijd alles wat man en vrouw nodig hebben om heilzaam samen te leven.

Als commissie menen we dat de schaduwzijden van het emancipatieproces meegenomen moeten worden in de bezinning op de vrouw in het ambt. Er zal bij openstelling van de ambten voor vrouwen, blijvend bezinning nodig zijn op de gevolgen daarvan voor de wijze waarop mannen en vrouwen in gezin en gemeente met elkaar omgaan en de hun toevertrouwde taken verdelen.

7.5.5 Samenvatting

De veranderde verhouding tussen man en vrouw is niet meer of minder dan de traditionele verhouding tussen man en vrouw opgenomen in de strijd van het licht tegen de duisternis. Zowel de wijze waarop de verhouding tussen man en vrouw vorm gegeven werd in de patriarchale samenleving, als de wijze waarop die vorm krijgt in een traditioneel ingerichte of geëmancipeerde samenleving is mensenwerk. Aan elk mensenwerk zitten zowel heilzame als minder heilzame kanten. Maar ondergedompeld in de liefde van Christus, kan ook de geëmancipeerde verhouding tussen man en vrouw een zegenrijke rol vervullen in ons persoonlijke, maatschappelijke en ook kerkelijke leven.


42 Verschillende publicaties kunnen vermeld worden waarin vanuit christelijk perspectief zowel opbouwend als kritisch naar de ontwikkelingen in de Nederlandse samenleving gekeken wordt. We noemen een — al wat oudere — uitgave van het Centrum voor Reformatorische Wijsbegeerte: Individualisering en solidariteit, met daarin lezingen van respectievelijk H. de Jong, S. Griffioen, E. Schuurman en A.K. Koekkoek, Amsterdam 1988. Van recenter datum is Steensma, D.J., M. Verhage-Van Kooten, J. Westert (e.a.), Individualisering en gezinsbeleid. Gezin, arbeid, opvoeding en zorg in het licht van christelijke politiek (Publicatie nr. 25. Uitgave van de Marnix van St. Aldegonde Stichting), Nunspeet 1998.

Rapport VOP (2003) H8

|108|

 

8 Terugblik en conclusie

 

In het voorgaande hoofdstuk zijn we tot een afronding gekomen van de inhoudelijke bezinning op de openstelling van de ambten van ouderling en predikant. In de volgende hoofdstukken gaan we in op nog resterende elementen van onze opdracht. Eerst echter willen we de balans opmaken van wat de exegetische en de hermeneutische bezinning ons hebben opgeleverd en formuleren tot welke hoofdconclusie ons dat brengt.

Als commissie hebben we onszelf in dit rapport als doel gesteld om ten aanzien van de openstelling van de ambten van ouderling en predikant tot een conclusie te komen waarvan we kunnen zeggen: dit is een omgang met deze kwestie, die uit Gods Woord zelf opkomt en voor Gods aangezicht kan bestaan.

De weg die wij bewandeld hebben om tot een dergelijke conclusie te komen is in eerste instantie die van de bijbeluitleg (hoofdstuk 4). We hebben het exegetische materiaal dat we uit de kerken ontvingen geanalyseerd en getoetst en daaruit is onder meer gebleken,
• dat het ons inziens niet is gelukt om alle bijbelse bouwstenen op een bevredigende wijze in één bouwwerk onder te brengen;
• dat het ons inziens zelfs mogelijk is om op basis van integere en deskundige exegese tot verschillende exegetische bouwwerken te komen.

Vervolgens hebben wij ons bezonnen op een aantal aspecten van de hermeneutiek, het Schrift verstaan (hoofdstuk 5 en 6), te weten:
• de contextbepaaldheid van de bijbelse voorschriften;
• de betekenis van scheppingsgegevens in de bezinning op de inrichting van het leven;
• de eigen verantwoordelijkheid die de mens van de HERE God heeft gekregen, inclusief de rol die de eigen wijsheid, kennis en ervaring daarin spelen;
• het in menig opzicht open en fragmentarische karakter van de bijbel dat met die verantwoordelijkheid samenhangt.

Uit deze bezinning is ons gebleken dat ‘bijbels blijven’ niet hetzelfde is als het zo rechtstreeks mogelijk in onze tijd toepassen van de bijbelse voorschriften en geboden. Steeds dienen we rekening te houden met de contextbepaaldheid van die voorschriften en geboden. Steeds dienen we het geheel van de bijbelse boodschap in rekening te brengen. Steeds óók dienen we te verstaan dat we van de Here een eigen verantwoordelijkheid hebben gekregen om in onze tijd zijn Woord gestalte te geven. De ons gegeven wijsheid en de door ons opgedane ervaring mogen wij daarbij inbrengen.

Wij zelf ervaren de ruimte die onze God en Vader ons biedt voor de inbreng van de eigen wijsheid, kennis en ervaring als een verrijking. Hierdoor komt het zwaartepunt in de bezinning niet langer te liggen bij de steeds wisselende (detail)exegeses, zoals dat momenteel het geval is. In de huidige bezinning op de vrouw in het ambt maken exegetische vakspecialisten teveel de dienst uit. Steeds grotere zoekprogramma’s worden losgelaten op het Griekse en Hebreeuwse idioom. Steeds groter wordt de afhankelijkheid van voor niet-specialisten nauwelijks op hun merites te toetsen beweringen. Wij geloven niet dat dit de bedoeling van de Here is. Zó is het Sola Scriptura niet bedoeld. De Schrift biedt niet alleen ruimte aan schriftgeleerden, maar ook aan wijzen, profeten en anderen met gaven van hoofd en hart. Hierdoor kan een veel groter deel van de gemeente van Christus deelnemen aan het gesprek over en een bijdrage leveren aan de bezinning op de verhouding tussen man en vrouw en de plaats van de vrouw in de gemeente van Christus hebben. Dat is winst.

|109|

Tenslotte hebben we — met gebruikmaking van de inzichten die we opgedaan hebben bij onze bezinning op het Schriftverstaan — opnieuw aandacht gegeven aan Paulus’ voorschriften die het optreden van vrouwen in de gemeente van Christus beperken. Toen bleek, dat zowel die voorschriften als de argumenten waarmee Paulus die voorschriften onderbouwt, dusdanig contextbepaald zijn, dat het rechtstreeks toepassen van deze voorschriften in onze tijd niet geboden, niet nodig, niet mogelijk en zelfs — gegeven de context waarin wij leven — niet aan te bevelen is (hoofdstuk 7).
Deze stellingname schept ruimte voor die Schriftgegevens, die er een onmiskenbare aanwijzing van zijn dat vrouwen in gelijke mate als mannen delen in de gaven van de Geest. Deze stellingname schept ook ruimte voor de door veel christenen als goed beleefde kanten, die er aan de emancipatie zitten, zonder dat dit op welke wijze dan ook in mindering gebracht wordt op de kritische functie die het evangelie óók in een geëmancipeerde samenleving heeft en moet hebben.

Overzien we dit traject van bezinning dat we als commissie hebben afgelegd, dan kunnen we tot maar één conclusie komen:
De ambten van ouderling en predikant kunnen ook voor zusters worden opengesteld.

Wij bedoelen hiermee niet te zeggen dat de keuze voor de vrouw in het ambt ‘bijbels’ en de keuze tegen de vrouw in het ambt ‘onbijbels’ is. Een dergelijke stelling doet geen recht aan het niveau waarop wij met de bezinning in de voorgaande hoofdstukken zijn uitgekomen. Dat niveau ligt op de hoogte van het onderricht dat de apostel Paulus geeft in Rom. 14: 1-15: 7. Wij zouden deze verzen als volgt kunnen weergeven:
Wie voor de vrouw in het ambt is, minachte hem niet die tegen de vrouw in het ambt is;
en wie tegen de vrouw in het ambt is oordele hem niet die wel voor de vrouw in het ambt is, want God heeft hem aanvaard.
Deze is voor, gene tegen de vrouw in het ambt. Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd.
Wie voor is, doet het om de Here en wie tegen is doet het om de Here, want hij dankt God;
en wie niet voor is, laat het na om de Here en ook hij dankt God.
Want het Koninkrijk van God bestaat niet in voor of tegen de vrouw in het ambt, maar in vrede, gerechtigheid en blijdschap door de Heilige Geest.

Op dit niveau besluit men niet tot een simpel voor of tegen de vrouw in het ambt. Het gaat niet aan om met een beroep op de Bijbel gewetens, hetzij de ene, hetzij de andere richting op te dringen. Het gaat ook niet aan om in tal van verschillende contexten de ander voor te schrijven op welke wijze die het leven heeft in te richten. Het gaat erom, dat wij levend voor Gods aangezicht overwegen wat op de plaats waar Hij ons gesteld heeft, dienstbaar is aan het Koninkrijk van God, dat bestaat in vrede, gerechtigheid en blijdschap door de Heilige Geest.

Zalig is hij, die zich geen verwijten maakt bij hetgeen hij goed acht” (Rom. 14: 22b).

Rapport VOP (2003) H9

|110|

 

9 Kerkelijke aspecten van de besluitvorming

 

9.1 Inleiding

Nu we als commissie de hoofdconclusie van onze inhoudelijke bezinning hebben vastgesteld, rest ons nog om de kerken van advies te dienen over de besluitvorming. Voordat we daartoe overgaan, staan we in dit hoofdstuk stil bij enkele kerkelijke aspecten waarmee bij de besluitvorming rekening gehouden dient te worden. De aanleiding hiervoor is allereerst gelegen in onze opdracht. Die houdt onder meer in, dat we ons rapport voor commentaar voorleggen aan de Deputaten Eenheid Gereformeerde Belijders van de CGK en de Deputaten Kerkelijke Eenheid van de GKV. Hieruit blijkt dat onze kerken niet zonder contact met de CGK en de GKV tot besluitvorming in deze kwestie willen overgaan. Verder hebben ook enkele kerken in hun reactie met nadruk om aandacht van de commissie gevraagd voor aspecten van kerkelijke draagkracht en voor de relaties met de CGK en de GKV.

 

9.2 Christelijke vrijheid

In 1994 en 1995 hebben onze kerken besloten het ambt van diaken open te stellen voor zusters der gemeente. Daarbij werd het in de vrijheid van de plaatselijke kerken gelaten om hiertoe daadwerkelijk over te gaan. Nu zijn we op het punt gekomen, dat aan onze kerken een heldere conclusie over de andere ambten wordt voorgelegd. Die luidt dat de ambten van ouderling en predikant ook voor zusters kunnen worden opengesteld. Als commissie hebben we een lange weg afgelegd om tot deze conclusie te komen. Daarbij hebben we geprobeerd recht te doen aan de soms diepgaande verschillen van mening over deze kwestie. We verwachten als commissie niet dat onze conclusie, of alle argumenten die daaraan ten grondslag liggen, algemene instemming zullen krijgen. Toch hebben wij wel de hoop dat onze aanpak en de resultaten daarvan zodanig overtuigend zullen blijken te zijn, dat er in de kerken een grote mate van instemming zal ontstaan met onze conclusie. Als dat op de LV 2004 inderdaad het geval blijkt te zijn, dan komt daarmee ook de openstelling van de ambten van ouderling en predikant op het vlak van de christelijke vrijheid te liggen. De punten die vervolgens aan de orde moeten komen, cirkelen rond de centrale vraag hoe we in die situatie als kerken verder zullen gaan.
Maar ook als de hoofdconclusie van onze commissie onvoldoende instemming binnen onze kerken zou krijgen, moet de vraag beantwoord worden hoe we in dat geval als kerken verder gaan. Uiteraard liggen de betreffende aandachtspunten in dat geval anders.

 

9.3 Kerkelijke wijsheid

9.3.1 Enkele vragen

Op een besluit van de LV om de ambten van ouderling en predikant al dan niet voor zusters open te stellen, volgt de vraag wat — gegeven dat besluit — uit kerkelijk oogpunt wijs is. Hierbij gaat het niet primair om ‘technische’ uitvoeringsaspecten maar om de gevolgen voor de onderlinge verhoudingen. Het gaat bij de openstelling van de ambten voor vrouwen immers om een zaak waarover diepgaande verschillen van mening bestaan en mogelijk ook zullen blijven bestaan. Dit geldt behalve binnen onze eigen kerken ook in de relaties daarbuiten, die we hier kort aanduiden met de ‘kleine oecumene’. Ook voor contacten met buitenlandse kerken kan een besluit tot openstelling gevolgen hebben.

|111|

Gegeven het feit dat ons rapport primair de basis vormt voor besluitvorming op landelijk niveau, beperken we ons hieronder tot enkele overwegingen die op dat niveau aan de orde zijn. Allerlei overwegingen die daar eventueel nog bij komen voor plaatselijke kerken en regionale verbanden, laten we goeddeels liggen. Die moeten volgens onze commissie in een later stadium op het plaatselijke en op het regionale niveau aan de orde worden gesteld.

Eén van de twee mogelijkheden, die we in 9.2 noemden, is dat de hoofdconclusie van ons rapport onvoldoende instemming binnen de kerken zal krijgen. In dat geval zullen de kerken zich moeten beraden op het gegeven, dat een behoorlijk aantal kerken inmiddels vrouwelijke ouderlingen kent en dat andere kerken aangegeven hebben graag tot de aanstelling daarvan over te willen gaan. De verdere overwegingen die dan aan de orde komen moeten we hier laten rusten, omdat die te sterk afhankelijk zijn van de beoordeling van de dan ontstane situatie in onze kerken.

De andere mogelijkheid is, dat onze hoofdconclusie wel een grote mate van instemming krijgt. In dat geval geven wij de kerken bij het uitstippelen van een vervolgtraject onder meer de volgende vragen in overweging:
• Verdient het geen aanbeveling om bij openstelling stapsgewijs te werk te gaan: eerst vrouwelijke ouderlingen en later vrouwelijke predikanten?
• Zal een besluit om tot openstelling over te gaan de voortgang van de ‘kleine oecumene’ ernstig belemmeren? En zo ja, is dat een reden om voorlopig elk besluit tot openstelling uit te stellen?
• Moet de contactoefening met buitenlandse kerken in een proces van een verdergaande besluitvorming een eigen plaats krijgen?
We maken een paar kanttekeningen bij deze vragen.

9.3.2 Stapsgewijze openstelling?

Als de LV besloten heeft dat openstelling van de ambten schriftuurlijk verantwoord is, en zij ook over wil gaan tot verdere besluitvorming, dan is het volgens onze commissie wijs om openstelling van de ambten van ouderling en van predikant apart te behandelen. De implicaties van beide verschillen immers aanzienlijk.

Vrouwelijke ouderlingen
De kerkelijke aspecten, die een rol spelen bij een eventueel besluit om het ambt van ouderling open te stellen, verschillen volgens ons nauwelijks met die welke speelden bij de besluitvorming over vrouwelijke diakenen.
Het ambtelijk functioneren van ouderlingen is primair plaatselijk. Wel is er in beperkte mate sprake van ambtelijk optreden buiten de eigen gemeente, bijvoorbeeld bij afvaardiging naar meerdere vergaderingen. Of deze consequentie van openstelling tot spanningen zal leiden is niet bekend. Mogelijk zal dat niet voor alle regio’s gelijk liggen. Echter als commissie vertrouwen we erop dat de kerken zeer wel in staat zijn om op plaatselijk en op regionaal niveau respectvol met deze kwesties om te gaan, met een goed oog voor gevoeligheden. Dat vertrouwen is gebaseerd op (beperkte) informatie over de huidige praktijk in regio’s waar kerken zijn met vrouwelijke ouderlingen en op de ervaringen die zijn opgedaan na de openstelling van het diakenambt.

Voor wat betreft een eventuele besluitvormingsprocedure, die leidt tot openstelling van het ambt van ouderling voor vrouwen, ligt het volgens ons dan ook voor de hand om

|112|

terug te kijken naar de besluitvorming over vrouwelijke diakenen in 1994 en 1995. De wijze van motiveren en de formulering van de uiteindelijke besluiten hebben toen tot een grote mate van instemming binnen onze kerken geleid.

Vrouwelijke predikanten
Ten aanzien van predikanten geldt dat een besluit tot openstelling veel sterkere regionale en landelijke implicaties heeft dan wanneer het gaat om ouderlingen. Dit hangt samen met verschillen in het ambtelijk functioneren, maar ook met andere aspecten. Dat zijn bijvoorbeeld de toelating tot kerkelijke onderzoeken en het aanpassen van rechtspositionele regelingen. Een gevolg daarvan is, dat ook ‘bezwaarde’ plaatselijke kerken en regionale vergaderingen te maken krijgen met de consequenties van het toelaten van vrouwelijke predikanten. De stap naar de openstelling van het ambt van predikant zal dus meer vergen van de draagkracht van ons kerkverband, dan de openstelling van het diakenambt en van het ouderlingenambt. Daarnaast zijn er dan ook nog de ‘technische’ aspecten, die speciaal aan de toelating van vrouwelijke predikanten zijn verbonden. Onze commissie voelt zich niet competent en ook niet gedrongen om over de bovengenoemde zaken verdere analyses op tafel te leggen.

Gezien de aanzienlijke verschillen in consequenties lijkt het onze commissie niet goed mogelijk, dat de LV 2004 een verantwoord besluit tot openstelling van het ambt van predikant kan nemen. Mocht de LV 2004 dit gevoelen delen en is er niettemin een duidelijke wens om ook hiertoe over te gaan, dan ligt het voor de hand dat de vergadering een nieuwe commissie benoemt. Die zou dan moeten inventariseren welke gevolgen de openstelling van het ambt van predikant voor de kerkelijke verhoudingen heeft. Tevens zou deze commissie zich kunnen verdiepen in de kerkrechtelijke en rechtspositionele aspecten van deze openstelling.

9.3.3 Belemmert ‘openstelling’ de ‘kleine oecumene’?

Over deze vraag past ons een grote temghoudendheid. Wij zijn niet de commissie die op landelijk niveau spreekt over de kerkelijke relaties met de betreffende deputaten van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Wel zullen we, als we die ontvangen, hun reacties op ons conceptrapport aan de LV 2004 in een apart schrijven rapporteren.

Op het niveau van de plaatselijke kerken zijn er, naar ons bleek uit de reacties die we ontvingen of uit persberichten, uiteenlopende consequenties als het gaat om openstelling van het diakenambt en het ouderlingenambt. Wij willen hier echter niet ingaan op wat behoort tot de verantwoordelijkheid van de plaatselijke kerken.

Wat betreft de verhoudingen op landelijk niveau beperken we ons hier tot twee uitspraken, beide van de Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland 1998.

De eerste uitspraak is het besluit van deze synode met betrekking tot de vrouw in het ambt. In ons rapport hebben we op vele punten en uitvoerig aandacht besteed aan het meerderheidsrapport van de CG Deputaten, waarop dit besluit gebaseerd is. Kernpunt met betrekking tot de kerkelijke verhoudingen is, dat op het huidige standpunt van de Christelijke Gereformeerde Kerken, de ambten van diaken, ouderling en predikant niet opengesteld kunnen worden voor vrouwen. Daaraan ligt ten grondslag het

|113|

oordeel: “dat uit het geheel van het spreken van de Heilige Schrift duidelijk is dat het gezaghebbend leiding geven aan de gemeente aan de man en niet aan de vrouw toekomt” (zie verder in 2.4). Dit standpunt staat dus tegenover een eventueel besluit tot openstelling door onze kerken van de ambten van ouderling en predikant.

De tweede uitspraak van deze synode die we hier vermelden, heeft betrekking op het contact met onze kerken. Daarover werd onder meer geconstateerd: “(..) dat het besluit van de Landelijke Vergadering inzake de openstelling van het diakenambt voor zusters der gemeente vanwege de wijze waarop dit besluit is tot stand gekomen alsmede doordat ook de theologische fundering ervan (die niet aanvaard werd), vragen opriep, een belemmering blijft op weg naar eenheid.”1

Bij verdergaande besluiten tot openstelling van de ambten, moeten onze kerken dus de mogelijkheid onder ogen zien, dat op landelijke niveau de genoemde belemmering op weg naar kerkelijke eenheid met de Christelijke Gereformeerde Kerken zou kunnen voortduren.

9.3.4 Belemmert ‘openstelling’ de contactoefening met buitenlandse kerken?

Om een overeenkomstige reden als die hierboven genoemd is, past het onze commissie om ook over deze vraag zeer terughoudend te zijn.
We hebben onze “Commissie voor contact en samenspreking met andere kerken — Sectie Buitenland” gevraagd of het beknopt valt samen te vatten, hoe er door buitenlandse kerken is gereageerd naar aanleiding van de openstelling van het diakenambt in onze kerken. Het antwoord dat we ontvingen volgt hieronder.
“De reacties vanuit het buitenland zijn zeer open. Men is geïnteresseerd in de manier waarop wij in onze kerken met deze materie omgaan. Er worden soms indringende vragen gesteld, maar deze zijn niet kritisch afwijzend. Voor de Christian Reformed Church in North America en voor de Églises Reformées Évangeliques Independantes de France geldt, dat zij alle ambten ook voor vrouwen hebben opengesteld. Voor een aantal andere kerken geldt, dat zij zich op dezelfde manier met de betreffende vragen bezighouden als wij doen en daarbij belangstellend kennis nemen van onze rapporten.”

 

9.4 Samenvatting

Mochten de kerken instemmen met de hoofdconclusie van dit rapport, dan is de openstelling van de ambten van ouderling en predikant voor vrouwen in onze kerken een kwestie van christelijke vrijheid geworden. Bij verdere besluitvorming dient de vraag aan de orde te komen wat uit kerkelijk oogpunt wijs is. Aandachtspunten daarbij zijn volgens de commissie:
• het al of niet overgaan tot daadwerkelijke openstelling;
• het al of niet gefaseerd openstellen van de ambten: eerst voor ouderlingen en op termijn voor predikanten;
• de invloed van openstelling op de ‘kleine oecumene’ en op de contacten met buitenlandse kerken.


1Acta van de Landelijke Vergadering van de Nederlands Gereformeerde Kerken te Amersfoort 2001, 122.

Rapport VOP (2003) H10

|114|

 

10 Adviezen voor besluitvorming

 

In dit slothoofdstuk formuleren we adviezen ten dienste van de besluitvorming op de Landelijke Vergadering 2004. Deze adviezen bevatten geen voorstellen voor besluitteksten, maar zijn bedoeld om structuur en richting te geven aan de behandeling door de LV. Uitgangspunt voor de formulering van de adviezen is, dat een heldere prioriteitstelling en fasering in de behandeling van ons rapport van groot belang zijn. Om de verschillende vragen die beantwoord moeten worden voldoende tot hun recht te laten komen, denken wij dat de besluitvorming globaal genomen in twee stappen zou moeten plaats vinden.
In de eerste stap komt de LV tot een inhoudelijke standpuntbepaling inzake de openstelling van de ambten voor zusters van de gemeente.
In de tweede stap bepaalt de LV hoe zij op basis van de uitkomst van de eerste stap verder zal gaan. In deze fase dient de LV ook aandacht te geven aan de kerkelijke aspecten van de besluitvorming.
Elk advies wordt gevolgd door een beknopte toelichting.

Advies 1:
De Landelijke Vergadering spreekt eerst een oordeel uit over het al of niet toereikend zijn van de uitvoering van de opdracht door de commissie Vrouwelijke Ouderlingen en Predikanten.

Toelichting
• Kenmerkend voor de aanpak van onze commissie is de geringe aandacht die is besteed aan argumenten die zouden kunnen worden ontleend aan een ‘ambtsvisie’. De zwaartepunten in ons rapport liggen bij de exegetische en de hermeneutische argumenten.
• Voorafgaande aan het vormen van een inhoudelijk oordeel over de deelconclusies en hoofdconclusie van het commissierapport, is het goed om vast te stellen of er cruciale aspecten zijn waaraan geen of onvoldoende aandacht is besteed.

Advies 2:
De Landelijke Vergadering vormt zich een oordeel over de in de hoofdstukken 4, 6 en 7 van dit rapport te vinden deelconclusies.

Toelichting
• We adviseren de LV zich voor wat betreft de oordeelsvorming te beperken tot de conclusies. Zo wordt voorkomen dat de LV zich een oordeel gaat vormen over alle argumenten die in dit rapport naar voren zijn gebracht. Hoewel de kerken in de bespreking vanzelfsprekend de ruimte hebben om op elk argument - hoe gedetailleerd ook - in te gaan, lijkt het ons wenselijk dat de LV zich voor wat betreft de oordeelsvorming beperkt tot de hoofdlijn.
• De omvangrijke exegetische studie van onze commissie heeft haar tot de conclusie gebracht, dat er geen overtuigend sluitende exegetische basis is gevonden voor een standpunt vóór of tégen de vrouw in het ambt. Deze conclusie verlegt het zwaartepunt in de bezinning van de exegetische naar de hermeneutische argumenten. De vraag die hier beantwoord dient te worden is of er binnen de kerken voldoende overeenstemming over deze conclusie bestaat, om de daarop volgende beweging van de exegese naar de hermeneutiek mee te maken.
• De bezinning op het Schriftverstaan in hoofdstuk 6 kent een drietal speerpunten: de contextbepaaldheid van de bijbelse voorschriften, de normatieve betekenis van de 'scheppingsorde' in de Bijbel en de menselijke verantwoordelijkheid. De vraag op dit punt is of de conclusies waartoe de overwegingen van de commissie leiden — zie hoofdstuk 6.4.1 en 6.7 — door de LV erkend kunnen worden als bijbels verantwoord en blijvend binnen de kaders van de gereformeerde belijdenis.
• In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op enkele bijbelgedeelten die van grote betekenis zijn voor de visie op de vrouw in het ambt. Zij worden besproken in het licht van de hermeneutische bezinning die in hoofdstuk 6 heeft plaatsgevonden. Uit deze bespreking

|115|

trekt de commissie conclusies betreffende de noodzaak, mogelijkheid en wenselijkheid om deze bijbelgedeelten rechtstreeks toe te passen. Deze conclusies zijn van invloed op de hoofdconclusie die in hoofdstuk 8 van het rapport te vinden is. De vraag rijst of deze conclusies volgens de LV de toets van de kritiek kunnen doorstaan.
• In hoofdstuk 7.5 wordt ook een opvatting omtrent de wereldgelijkvormigheid van de kerk naar voren gebracht, die van betekenis is voor de taxatie die de commissie van het emancipatieproces geeft. De kern hiervan is, dat de doorwerking van de emancipatie in het kerkelijke leven op zich niet wereldgelijkvormig genoemd kan worden. Indien de geëmancipeerde verhouding tussen man en vrouw wordt ondergedompeld in de openbaring van God in Jezus Christus kan deze een zegenrijke rol vervullen in ook het kerkelijke leven. De hier te stellen vraag is in welke mate de kerken deze opvatting delen.

Advies 3:
De Landelijke Vergadering komt tot een oordeel over de hoofdconclusie van het commissierapport, zoals geformuleerd in hoofdstuk 8: “De ambten van predikant en ouderling kunnen ook voor zusters worden opengesteld.”

Toelichting
• Een bijzonder aandachtspunt in dit verband is de verhouding tussen deze hoofdconclusie en het voortraject dat tot deze conclusie leidt. Het is niet onmogelijk dat sommige kerken het eens zullen zijn met de hoofdconclusie, maar zich niet kunnen vinden in (onderdelen van) het betoog dat daaraan vooraf gaat. Het omgekeerde is natuurlijk ook mogelijk, maar op dit punt van de bespreking gekomen, minder relevant. De vraag rijst of gebrek aan overeenstemming over de deelconclusies tot noodzakelijk gevolg heeft, dat de LV zich van een oordeel over de hoofdconclusie onthouden moet.

Advies 4:
In het geval dat de Landelijke Vergadering niet instemt met de hoofdconclusie van het commissierapport, neemt zij een beslissing over hoe verder te handelen.

Toelichting
• Als de LV niet instemt met de hoofdconclusie van onze commissie, hoeven er weliswaar geen verdere besluiten genomen te worden in de richting van een feitelijke openstelling van de ambten voor zusters, maar blijft wel over de vraag wat de consequenties zijn voor die plaatselijke kerken die tot openstelling van het ambt van ouderling reeds zijn overgegaan of daartoe willen overgaan. De LV zou er dan goed aan doen zich daarover uit te spreken.

Advies 5:
In het geval dat de Landelijke Vergadering wel instemt met de hoofdconclusie van het commissierapport, neemt zij vervolgens een beslissing over de uitvoering van dit besluit en daarmee over de feitelijke openstelling van de ambten voor zusters.

Toelichting
Bij deze verdergaande besluitvorming moet een aantal aspecten worden meegewogen. We noemen:
• Binnen onze eigen kerken zal een zorgvuldige afweging moeten worden gemaakt tussen enerzijds de aandrang die de kerken hebben om de ambten metterdaad voor vrouwen open te stellen en anderzijds de beoordeling van de draagkracht binnen ons kerkverband.
• In de relatie met andere kerken (zowel in binnen- als buitenland) ligt het voor de hand dat de LV 2004 aan de ‘Commissie voor contact en samenspreking met andere kerken’ hierover om informatie en eventueel advies vraagt. Daarbij zal ook het in een later stadium aan de LV te rapporteren commentaar van de Deputaten van CGK en GKV een rol spelen.

|116|

Advies 6:
De Landelijke Vergadering neemt een beslissing over de vraag of, en zo ja hoe een fasering dient te worden aangebracht in de uitvoering van het besluit tot openstelling van de ambten voor zusters.

Toelichting
• In 9.3.2 is aangegeven waarom er belangrijke verschillen zijn in de consequenties voor het kerkelijk samenleven bij de openstelling van het ambt van ouderling en dat van predikant.
• Ten aanzien van besluitvorming over eventuele openstelling van het ambt van predikant, zou de LV kunnen overwegen om een voorbereidingscommissie te benoemen.

Advies 7:
De Landelijke Vergadering besluit, dat een uitspraak in een gewichtige zaak als deze het karakter heeft van een voorlopig oordeel in de zin van art. 38 van het AKS. Een definitief besluit wordt pas genomen door een in dat artikel bedoelde Voortgezette Landelijke Vergadering, waarin alle kerken rechtstreeks vertegenwoordigd zijn.

Toelichting
• In 1994/1995 is dezelfde procedure gevolgd bij de besluitvorming over de openstelling van het ambt van diaken.
• Vastgesteld moet worden welke uitspraken een dergelijke procedure rechtvaardigen. Onze indruk is dat in elk geval een besluit om in te stemmen met de hoofdconclusie van ons rapport en een besluit om tot daadwerkelijke openstelling van een der betreffende ambten over te gaan, hiertoe behoren.

Rapport VOP (2003) BA

|117|

 

Bijlage A: Samenvatting van ‘Arnhem’ en van de reacties uit de NG kerken

 

A.1 Overzicht

Deze bijlage bevat een samenvatting van de brief met bijlagen van de NGK te Arnhem aan de LV van Doorn 1998 en samenvattingen van reacties die onze commissie uit de kerken ontving.

In paragraaf A.2 staat een samenvatting van de stukken van Arnhem (1996). Deze stukken vormden de aanleiding voor het instellen van onze commissie. Hoewel ze te vinden zijn in de Acta van de LV van Doorn 1998, is hieronder toch een samenvatting ervan opgenomen. De lezer van dit rapport heeft zo direct toegang tot de achtergrond waartegen een aantal van de reacties uit de kerken gelezen moet worden.

In december 1998 verzocht onze commissie, in overeenstemming met haar opdracht, de kerken om te reageren op de stellingnamen van ‘Arnhem’.
In de paragrafen A.3 en A.4 staan de samenvattingen van de brieven die kerkenraden ons toestuurden. Er werd door 38 van de 91 aangeschreven kerken geantwoord. Daarvan gingen er 10 speciaal op ‘Arnhem’ in. Van de kerken die dit niet deden, stuurde een aantal ons wel een inhoudelijke stellingname over de vrouw in het ambt.
Ten aanzien van een eventuele openstelling van alle ambten voor zusters der gemeente laten de brieven de volgende verdeling zien:
Geen standpunt — 16 kerken
Wel standpunt — 22 kerken
Tegen — 5 kerken
Voor — 15 kerken (8 daarvan hebben het ambt van ouderling opengesteld)
Andere nuance — 2 kerken
Paragraaf A.5 bevat de samenvattingen van studierapporten, besluiten en andere bijlagen, welke we van tien kerken ontvingen.
De samenvattingen in A.3-A.5 zijn alfabetisch op plaatsnaam gerangschikt en meerdere malen is een breed betoog nogal beknopt weergegeven.

 

A.2 CGK/NGK Arnhem (1996)

In juni 1997 stuurde Arnhem een brief met een aantal bijlagen aan de Landelijke Vergadering der NGK 1998. De brief bevat het principebesluit van de CGK/NGK Arnhem uit 1996 tot openstelling van de ambten voor zusters der gemeente. De bijlagen bestaan uit een kopie van een brief aan de kerken in de Regio Arnhem en verder uit: A. De motivatie voor het besluit. B. De weergave van het proces van besluitvorming in kerkenraad en gemeente.

Principebesluit
a. De kerkenraad meent dat niet uit de Schriften kan worden afgeleid dat de Here het vervullen van de ambten in de gemeente door zusters voor alle tijden verbiedt en dat het in overeenstemming is met het geheel der Schriften om zusters der gemeente te roepen tot de ambten.
b. De kerkenraad is ervan overtuigd dat de Here aan bepaalde zusters de gave gegeven heeft om leiding en onderricht te geven. Het zou niet goed zijn van deze gaven slechts gedeeltelijk gebruik te maken.

|118|

c. Bij het uitwerken van dit standpunt zal het heil van de gemeente voorop staan en zal terdege rekening worden gehouden met de positie in de Christelijke Gereformeerde en Nederlands Gereformeerde kerkverbanden.

A. Motivatie
A.l. Gaven van God
Het is tegenwoordig normaal dat vrouwen in de samenleving leidinggevende posities vervullen, en dat zij regelmatig in het openbaar spreken. Hierdoor klinkt ook in de kerk steeds luider de vraag waarom de zusters de gaven die zij van God ontvangen hebben in de gemeente niet of slecht selectief [namelijk buiten het ambt en de eredienst] mogen benutten.

A.2. Wereldgelijkvormigheid
We moeten ons afvragen of God in deze tijd nog van ons vraagt om deze situatie te handhaven. Enerzijds waarschuwt de Schrift ons voor wereldgelijkvormigheid, anderzijds worden we ook gewaarschuwd ons in de samenleving niet aanstootgevend te gedragen.

A.3. Argumenten tegen de vrouw in het ambt
De belangrijkste argumenten die tegen de vrouw in het diakenambt zijn aangevoerd zijn de teksten 1 Kor. 14: 34 en 1 Tim. 2: 12 en teksten zoals 1 Kor. 11 en Ef. 5, die daaraan ten grondslag zouden liggen. We stellen daarbij vast dat de eerste twee teksten in het huidige kerkelijke leven alleen met betrekking tot de vrouw in het ambt worden toegepast.

A.4. De vrouw in het (diaken)ambt
De diakenen geven leiding en geven bijbels onderricht over het werk van de barmhartigheid. Daarom hebben we eerst gesproken over de vraag of vrouwen in de gemeente leiding mogen geven en spreken en in het verlengde daarvan over de openstelling van de ambten.

A.5. Conclusies
1. God geeft bepaalde zusters gaven van leiding en onderricht geven; het zou niet goed zijn die in onze tijd slechts gedeeltelijk te gebruiken.
2. We zijn tot de conclusie gekomen, dat de bijbel ons niet verbiedt in deze tijd de ambten voor vrouwen open te stellen.
3. Uit het functioneren van de gemeenten in het Nieuwe Testament blijkt, dat de zwijgteksten en het verbod om te leren en gezag uit te oefenen, geen universeel geldende normen zijn en waren.
4. In onze kerkverbanden wordt hier verschillend over gedacht. Daarom leggen wij ons standpunt voor aan de CG classis en de NG regiovergadering, met de vraag of zij bezwaren zouden hebben als wij ons standpunt in concreet beleid omzetten.

B. Weergave van het proces van besluitvorming in kerkenraad en gemeente
B.1.-B.4. Proces van besluitvorming
Naar aanleiding van de besluiten van de LV van Apeldoorn 1995 over het diakenambt, heeft de kerkenraad een stappenplan opgesteld om met de gemeente te spreken over vrouwelijke ambtsdragers. Via twee gemeentevergaderingen, vijf wijkavonden en vier exegeseavonden is het nemen van het principebesluit voorbereid.

B.5. Wijkavonden o.l.v. de predikanten
Doel was om de gemeente te horen over de vraag hoe men dacht over de openstelling

|119|

van de ambten voor vrouwen en of men daarbij onderscheid zou willen maken tussen vrouwelijke diakenen en de andere twee ambten. Ook was een vraag of men dit een zaak vindt die de kern van het geloof raakt, of dat het een bijzaak is. Verder werd gevraagd of men vindt dat de bijbel zich duidelijk tegen openstelling uitspreekt en of dat tot gewetensnood zou kunnen leiden bij openstelling. Ten slotte werd gevraagd welke betekenis het standpunt van de landelijke verbanden zou moeten hebben voor plaatselijke besluitvorming. Het overgrote deel van de aanwezigen was van mening dat men over deze zaak geen breuk met de landelijke kerkelijke verbanden zou moeten riskeren. Echter als men dat aspect even buiten beschouwing laat dan waren er grote meerderheden voor de diverse varianten van openstelling. Opvallend daarbij was dat er zowel bij voor-als tegenstanders van openstelling vaak grote moeite was om hun standpunt vanuit de Schrift te motiveren. Men heeft wel enkele bijbelse argumenten, maar men heeft grote moeite om alle gegevens op één lijn te krijgen. Bij openstelling van het diakenambt zou er voor niemand van de aanwezigen gewetensnood ontstaan, bij de andere ambten zou dit voor circa 10% wel het geval zijn. Niemand ziet de vraag ‘vrouw in het ambt’ als een centraal geloofspunt. De belangrijke punten zijn: de manier waarop het gezag van de Schrift functioneert, en het afwijken van de praktijk in de kerk van wat in de samenleving als normaal wordt gezien. Als de Schrift niet van ons vraagt de gangbare praktijk te handhaven, dan zijn er belangrijke argumenten voor openstelling. Dit zijn openheid naar de wereld om ons heen en het niet onbenut laten van gaven die God geschonken heeft.

B.6. Evaluatie wijkbesprekingen
Voorlopige principe uitspraak: Naar aanleiding van de uitkomst van de wijkavonden nam de kerkenraad een voorlopig principebesluit met een positieve uitspraak over openstelling van de ambten. Tevens werd besloten exegeseavonden te houden ter verdieping van de studie van de betrokken Schriftgedeelten.

B.7.1. Eerste exegeseavond: Gen. 1-3 en het gebruik ervan in het NT (ds. J. van ’t Hof)
Gen. 1-3
Gen. 1: 26-29: Gelijkwaardigheid in de schepping. Samen beeld van God. Samen de opdracht om de aarde te onderwerpen. Gen. 2: 4b-7 en 2: 18-3: 24: Hulp/Helper wijst niet op ondergeschiktheid. De volgorde van het geschapen worden speelt in dit hoofdstuk geen rol.
Gen. 3: 18: ‘Heersen’ is hier een onderdeel van de beschrijving van de gevolgen van de vloek. Pas als het mis gaat, blijkt er dat een gezagsrelatie tussen man en vrouw is ontstaan.
Gebruik van Gen. 1-3 in het NT
1 Tim. 2: 13: Paulus gebruikt de tijdsvolgorde bij de schepping als argument om de hiërarchische relatie tussen man en vrouw aan te tonen. Twee mogelijkheden: Onze eerder gegeven interpretatie van Gen. 2 is onjuist of Paulus geeft hier geen bindende uitleg van Gen. 2.
1 Tim. 2: 14: Heeft Adam zich niet laten verleiden? Hij schoof wel de schuld af op Eva. In Rom. 5: 14 spreekt Paulus ook heel anders over de rol van Adam. Die tegenstrijdigheid levert opnieuw de vraag naar de aard van Paulus' argumentatie.
1 Kor. 11: Paulus relativeert zijn uitspraak van vers 8-9 in vers 11. In vers 16 laat hij blijken dat in deze perikoop geen wezenlijk kernpunt aan de orde is.
We moeten in rekening brengen dat Paulus in zijn brieven ingaat op concrete vragen en problemen. Daarbij gebruikt hij geen verzameling leerstellige uitspraken, maar een bonte verzameling van argumenten. Het is waarschijnlijk dat hij in 1 Tim. 2 reageert op

|120|

vreemd gedrag (bijvoorbeeld vrouwen die hun huwelijksproblemen via openbare kerkelijke functies proberen uit te spelen), op hetzelfde niveau, d.w.z. met vreemde argumenten.

B.7.2. Tweede exegeseavond: 1 Kor. 14: 26-40 en 1 Tim. 2: 1-15 (ds. M.W. Vrijhof)
Exegese en hermeneutiek
Exegese (uitleg) komt tot stand door goed te kijken wat er staat en door te kijken naar de context (genre, culturele context e.d.). Die context speelt een belangrijke rol in de volgende bespreking. Naast de exegese is er nog de hermeneutiek. Daarbij gaat het om de regels voor de exegese en om de horizon van een tekst. Dat laatste wil zeggen, dat elke tekst in een bepaalde situatie klinkt. Zowel bij de schrijver als bij de hoorders. Er is geen brief van Paulus zonder dat zijn leefwereld erin meeklinkt. Er is ook geen uitleg van ons zonder dat onze leefwereld erin meeklinkt. Op de vierde avond komt dit expliciet terug.
Vrouwen in Korinte
Genre: Zowel in 1 Kor. als in 1 Tim. gaat het om brieven, waarin Paulus op heel concrete situaties in die gemeenten ingaat.
1 Kor. 11: 2-16: In de gemeente van Korinte bidden en profeteren de vrouwen in de samenkomsten; wat Paulus bestrijdt is het demonstratieve karakter van bepaald gedrag bij (waarschijnlijk) bepaalde vrouwen. Deze kwestie heeft te maken met de orde die er is. Paulus spreekt over God die het hoofd is van Christus, Christus die het hoofd is van de man, de man die het hoofd is van de vrouw. 'Hoofd' wil hier niet zeggen: staatshoofd, dus regeerder, maar bepaler. Hoofd kan ook meer in de zin van volgorde dan van rangorde worden verstaan.
1 Kor. 14: 26-40: In 1 Kor. 12 begint Paulus over de Geestesgaven en het lichaam van Christus. De centrale vraag is: wat bouwt de gemeente van Christus, die zijn lichaam is? In 14: 26-40 komt aan de orde, dat alles in de samenkomsten tot stichting moet geschieden (spreken in tongen, profeteren, spreken van vrouwen). De problematiek die in 1 Kor. 14 aan de orde komt is niet: welke plaats is er voor de vrouw in de gemeente? Ook niet: mag een vrouw een ambt bekleden? Waar het om gaat is: hoe zullen de samenkomsten stichtelijk (opbouwend) verlopen. Vrouwen moeten zich daarbij schikken naar de orde die God wenst (met het oog op de goede doortocht van het Evangelie) en naar het fatsoen (zoals dat in zijn dagen gold).
Vrouwen in 1 Timoteüs
In de ‘pastorale brieven’ (1 en 2 Timoteüs en Titus) wordt nogal wat over vrouwen gezegd (1 Tim. 3: 11; 5: 1-16; 2 Tim. 1: 5; 3: 6; Tit. 2: 3-5). Ze zijn vatbaar voor dwalingen: 1 Tim. 5: 14vv, 2 Tim.3: 6. De leiders van de gemeente moeten extra aandacht hebben voor jonge vrouwen, zie 1 Tim. 5: 14; Tit. 2: 3vv.
1 Tim. 2:1-15
1. Het niet mogen onderwijzen en gezag hebben van vrouwen staat in het kader van het gebed voor de samenleving, wat op zijn beurt weer tot doel heeft dat de gemeente stil en rustig in de samenleving zal kunnen leven, opdat zo het evangelie zijn loop heeft.
2. Het verbod om onderricht te geven en gezag te hebben over de man is niet gebaseerd op het vrouw-zijn, maar op het gehuwd-zijn. We zullen de verzen 13 en 14 niet moeten lezen als een leeruitspraak. Het is meer een onderstreping in een betoog. In een bepaalde situatie wordt de schepping erbij gehaald. Niet om daarmee te zeggen dat dit de betekenis is van wat in Genesis staat.

|121|

3. Of de onderdanigheid hier ook te maken heeft met ‘het zich stellen in de goede orde, namelijk van de opbouw van de gemeente’ is niet duidelijk.
4. In 1 Tim. 2 liggen de zaken moeilijker dan in 1 Kor. 14.

B.7.3. Derde exegeseavond: Onderdanigheid (ds. J. van ’t Hof)
In 1 Pet. 2: 11-3: 7 lezen we over onderdanigheid van onderdanen aan de overheid (2: 14), van slaven aan hun meesters (2: 18) en van vrouwen aan hun mannen (3: 1). Het doel wordt in 2: 15 genoemd, nl. het tot zwijgen brengen van de kritiek van de buitenwereld. Het gaat hier om menselijke instellingen (2: 13). De onderwerping geschiedt om “des Heren wil”.
De belangrijkste vraag hier is: Noemt het NT de onderdanigheid van de vrouw, omdat God die onderdanigheid op zich wil, of omdat God ter wille van de verbreiding van het evangelie de zusters vraagt om deze onrechtvaardige situatie te tolereren? Vergelijk met de slavernij. Bij onderdanig blijven (hypo = onder, tassestai = opstellen, zetten, plaatsen) kunnen we denken aan zich voegen onder, iemands gezag erkennen, een van iemand afhankelijke plaats innemen. Zo wordt er van gemeenteleden gevraagd, zich aan de ambtsdragers te onderwerpen. Als men met behulp van het ‘elkander’ uit Ef. 5: 21 stelt dat mannen ook aan vrouwen onderdanig moeten zijn, dan wordt onderdanig zijn zo geformuleerd dat we er weinig moeite mee hebben. We kunnen dat echter niet zo op de kinderen en slaven toepassen, en de vraag is of dit in de tijd van het NT zo ervaren is. In de samenleving waarin de positie van de vrouw duidelijk aan die van de man ondergeschikt was, heeft onderdanigheid waarschijnlijk toch een scherpere klank. Op twee plaatsen wordt de onderdanigheid in verband gebracht met het gemeentelijk functioneren (1 Kor. 14: 34 en 1 Tim. 2: 11). Wat is de gevoelswaarde van onderdanigheid in deze teksten en wordt die gevraagd, omdat die in zichzelf goed is of omdat het nog niet de geschikte tijd is dat de verhouding tussen man en vrouw gesaneerd wordt? Wat betreft het antwoord op de tweede vraag wordt vaak verwezen naar de uitspraak van Paulus, dat de man het hoofd van de vrouw is. We vinden deze beeldspraak in 1 Kor. 11: 2-16 en Ef. 5: 22-33. In 1 Kor. 11 heeft dit beeld gevolgen voor alle vrouwen, ook de ongehuwde. In Ef. 5 kan het niet anders dan gaan om de man-vrouw relatie binnen het huwelijk. Op grond van deze twee teksten zelf, kunnen we niet vaststellen dat ‘hoofd-zijn’ hier de betekenis heeft van ‘de baas-zijn’. Zo kan erop gewezen worden dat de LXX (Griekse vert. OT) in het woord kefalè (hoofd) blijkbaar niet primair de gezagsrelatie ervaren heeft. ‘Hoofd’ in Ef. 5 en 1 Kor. 11 lijkt geen uitsluitsel te geven over het begrip onderdanig.
“(..) Als ik het geheel overzie, lijkt het mij het meest waarschijnlijk dat het Paulus vooral te doen is om sanering van de relatie tussen mannen en vrouwen in en buiten het huwelijk. Centraal staat voor hem een harmonieuze respectvolle omgang/relatie die past in zijn tijd. En vooral met dat laatste 'die past in zijn tijd' zit een behoorlijk stuk hiërarchie ingebakken. (..) Gelet op de gewijzigde denkbeelden in de samenleving lijkt het mij, voor ons nu, een grote fout om die sanering nog langer uit te stellen.(..)”

B.7.4. Vierde exegeseavond (ds. M.W. Vrijhof)
Op deze laatste avond komen eerst een aantal teksten uit het OT en NT ter sprake, waarin de positie van vrouwen ter sprake komt. Vervolgens komt de vraag aan de orde of je aan het Woord van God kunt merken dat het in een bepaalde tijd gesproken is; en als dat zo is (en het Woord dus de geur van een bepaalde tijd en cultuur aan zich heeft) of je dan kunt zeggen dat ook die cultuurbetrokkenheid behoort bij het gezaghebbende van het Woord van God.

|122|

De positie van de vrouw in het OT
Ongunstige en gunstige uitspraken worden naar voren gehaald.
Enkele ongunstige: 1) Lev. 12 verschil in duur van onreinheid na geboorte van zoon (40 dagen) en van dochter (80 dagen). 2) Num. 5: proef met het bittere water (wet op de jaloersheid). Alleen de man heeft het recht zijn vrouw aan die proef te onderwerpen, omgekeerd niet. 3) Tiende gebod (Ex. 20) ‘opgezet’ vanuit de man als ‘bezitter’.
Enkele gunstige: 1) Vijfde gebod (Ex. 20: 12): Eer uw vader en uw moeder. 2) Idem Lev. 19: 3 met de moeder voorop. 3) Num. 27, Mozes honoreert de vraag van de dochters van Selofchad. 4) Spr. 31. 5) Enkele met name genoemde vrouwen met een grote betekenis voor het volk Israël.
De positie van de vrouw in het NT
Jezus ging onbekommerd met vrouwen om. Ook gebruikt Hij in zijn prediking en gelijkenissen voorbeelden, waarbij een vrouw een hoofdrol speelt. Opmerkelijk in contrast met tijdgenoten, maar daarom nog niet revolutionair. Jezus stelde geen vrouwen tot discipelen of apostelen aan. We weten niet waarom niet, al kunnen we een aantal mogelijkheden gissen. Op belangrijke momenten in het evangelie treden er vrouwen op. Zo zijn vrouwen de eerste getuigen van de opstanding. Ook in het boek Handelingen spelen vrouwen een belangrijke rol en in de brieven van Paulus als medewerkers en medestrijders. Tot slot wijzen we nog op Gal. 3: 28. In Christus is er een nieuwe orde, waarbij alleen geloof en doop (vs. 26) van belang zijn. Te concluderen uit deze woorden, dat Paulus hier alleen zou beweren dat door Jezus Christus zowel Joden als Grieken, slaven als vrijen, mannen als vrouwen behouden kunnen worden is ontegenzeggelijk een verenging van zijn uitspraak.
Over het verstaan van de bijbel
De vraag naar de tijdbetrokkenheid van de bijbel komt op als we ons afvragen wat de plaats van de vrouw in de bijbel betekent voor haar plaats in de kerk van vandaag. De bijbel is het Woord van God. In de (hele) bijbel klinkt de stem van God. Tegelijkertijd is de bijbel door mensen geschreven. Op elke bladzijde tref je de cultuur aan waarin de bijbel is geschreven. De bijbel, als Woord van God in menselijk gewaad, heeft tot doel de mensen Gods daden voor ogen te stellen, opdat mensen in geloof voor zijn aangezicht gaan leven en behouden worden. Voor dat doel is de bijbel genoegzaam duidelijk. Dat laat onverlet dat we bij het verstaan ook op vragen stuiten: tegenstrijdigheden, die je ook oneffenheden kunt noemen; ordening uit het oogpunt van een bepaalde doelstelling, maar niet volgens een historische maatstaf; een bepaald wereldbeeld; een cultuurpatroon van de oosterse wereld. Dat is te merken in de taal, maar ook in de relaties van mensen: het dominante belang van het stamlid zijn, het patriarchaat en de polygamie.
Daarbij komt dan de vraag op hoe het doel van de bijbel (zie hierboven) zich verhoudt tot de cultuurbetrokkenheid ervan. Met andere woorden: moeten we om aan het doel van de bijbel vast te houden ook de hele cultuursituatie voor onze rekening nemen? Concreet: als we vaststellen dat er in de bijbel sprake is van een patriarchaal cultuurpatroon en in onze tijd niet meer, zijn we dan gebonden aan wat de bijbel ons daarover vertelt? “Mijn opvatting is dat dat niet het geval is. Net zo min als wij nog slaven willen houden en net zomin als wij nog over onze vrouw als ons bezit willen denken, net zomin willen wij aan de vrouw de gelijkwaardigheid aan de man ontzeggen ook in haar maatschappelijke situatie.” Hiervan zijn vele voorbeelden te geven. Ons cultuurpatroon wijkt op vele punten af van dat in de bijbel. Daarbij gaat het niet zomaar om beter tegenover slechter.

|123|

Een soort balans
Gebleken is dat er op de keper beschouwd geen grond is om in deze tijd aan de vrouw het bekleden van de ambten te ontzeggen. De gegevens over de schepping wijzen geen ondergeschiktheidspatroon aan. De ‘zwijgteksten’ functioneren in een bepaald verband, waarbij gehuwde vrouwen niet tegenover hun mannen moeten komen te staan. De ‘onderdanigheidsteksten’ geven niet aan dat de vrouw per definitie de tweede is. Ten slotte zijn er vele teksten, die laten zien hoe vrouwen intensief hebben meegewerkt aan de arbeid van de verkondiging. In Christus is noch mannelijk noch vrouwelijk. Leggen we daarnaast het cultuurpatroon (niet tot het doel van de bijbel behorend) dan stellen we vast dat wij in een andere culturele situatie leven. Voor ons is het leidinggeven van vrouwen geen probleem. We hebben dit vanuit de gelijkwaardigheid aanvaard. Daarom is er ook vanuit onze cultuurbeleving geen bezwaar om de vrouwen in deze tijd toe te laten tot het bekleden van de ambten.

B.8.-B.10. Afronding in een gemeentevergadering.
Principebesluit. Benadering kerkelijke vergaderingen.

 

A.3 Reacties waarin geen inhoudelijk standpunt werd gegeven

Amersfoort
Heeft nog geen standpunt. Stuurt rapport mee dat in 1994 in Amersfoort is opgesteld tijdens de discussie over de vrouw in het diakenambt (zie A.5.1).

Apeldoorn
Vindt het momenteel, net als in 1997 (voorbereiding LV ’98) niet verstandig om de discussie te openen over alle ambten, nu die over het diakenambt nog maar amper is verstomd. De vorige discussie heeft veel tijd gevergd. Er is tijd nodig om binnen de gemeente een breed draagvlak te krijgen. Laat de commissie maar met een voorstel komen.

Barendrecht
Het ambt van diaken is nog niet opengesteld voor zusters der gemeente, laat staan dat van ouderling of predikant. De kerkenraad maakt zich zorgen over de manier waarop de agenda van de kerkenraad van buitenaf en van bovenaf wordt bepaald. Je wordt gedwongen tot een standpuntbepaling. Het ambt van ouderling en van predikant is volgens de Schrift een en hetzelfde ambt. Dus het ambt van ouderling kan niet in de vrijheid der kerken gegeven worden zonder consequenties voor zustergemeenten. De raad “vindt dat de hermeneutische discussie terdege gevoerd moet worden. Want blijven de blijkbaar veranderde inzichten in de hermeneutiek wel zonder gevolgen voor andere terreinen van ons geloof?”

Bilthoven
De kerkenraad heeft de gemeente om reacties op onder meer het ‘rapport van Arnhem’ gevraagd. Tijdens een gemeentevergadering waren de reacties erg verdeeld, met een lichte voorkeur voor openstelling. Hoopt op een weldoordacht besluit.

Dalfsen
De kerkenraad heeft nog niet inhoudelijk over de stukken van Arnhem gesproken. Net als bij de besluitvorming over vrouwelijke diakenen het geval was, wil de kerkenraad belangstellende gemeenteleden betrekken bij de voorbereiding van besluitvorming. Het afgelopen half jaar was onvoldoende tijd beschikbaar voor een dergelijke behandeling. In plaats daarvan heeft de kerkenraad gemeenteleden gelegenheid gegeven op de stukken

|124|

te reageren. De twee schriftelijke reacties, die daarop zijn binnengekomen, zijn aan de commissie V.O.P. meegestuurd.

Dronten
Door omstandigheden is de bespreking van ‘Arnhem’ die in juni zou plaatsvinden uitgesteld tot na de zomer. Het resultaat zal alsnog worden gestuurd.

Ede
De kerkenraad besloot om geen brede discussie te beginnen naar aanleiding van het commissieverzoek om reacties op de stellingnamen ‘Arnhem’, maar prioriteit te geven aan andere onderwerpen die voor de gemeente in Ede de aandacht vragen. Echter voor de bespreking in de kerkenraad van het commissieverzoek, is aan enkele gemeenteleden gevraagd om hun visie te geven. Drie brieven daarover zijn ter informatie meegestuurd.

Enschede-Zuid
Heeft geen standpunt gevormd. Is nog niet klaar met standpunt over vrouwelijke diakenen.

Ermelo
Heeft de stukken wel gelezen, maar nog niet inhoudelijk besproken. Zal op de vergadering van de regio Harderwijk op 19 mei '99 de vraag aan de orde stellen of het kerkverband geweld wordt aangedaan als een gemeente ambten openstelt voordat de LV hierover een besluit genomen heeft.

Haarlemmermeer O.Z.
Geen standpuntvorming in verband met het net op gang komen van enige samenwerking met de CGK te Aalsmeer.

Den Helder
Geen standpuntvorming wegens veel werk in eigen kleine gemeente.

Hoorn
De zaak is niet actueel in eigen gemeente.

Maassluis
Het onderwerp ‘vrouwelijke ouderlingen en predikanten’ leeft niet erg in de gemeente. Invoering van vrouwelijke diakenen in 1997 is volledig geaccepteerd. Vrouwelijke diakenen geven mee leiding ook op bestuurlijk en pastoraal vlak. Een bespreking van het rapport van ‘Arnhem’ kan niet eerder dan in het voorjaar 2000 worden geagendeerd, waarna de kerkenraad zijn zienswijze aan de commissie zal meedelen.

Rijswijk
Ziet geen schriftuurlijke bezwaren tegen vrouwelijke diakenen. Komt in september 1999 met het voorgenomen besluit in een gemeentevergadering om in het vervolg ook zusters tot het diakenambt te roepen. Heeft uit een enquête geconcludeerd, dat een discussie over de vrouw in alle ambten tot grote onrust zal leiden. Verzoekt de commissie bij het voorstel aan de LV de spankracht van de gemeenten mee te wegen.

Veenendaal
Ziet geen kans om aan dit onderwerp de daarvoor benodigde tijd te besteden.

Zwolle II
Heeft geen standpunt gevormd. Is nog niet klaar met een standpunt over vrouwelijke diakenen.

|125|

A.4 Reacties met een inhoudelijk standpunt

Almere
De Nederlands en Christelijke Gereformeerde Kerk te Almere heeft eerdere discussies over de vrouw in het ambt nooit beperkt tot het diakenambt. Bij de voorbereiding van de LV Doorn 1998 heeft de kerkenraad de ‘stukken van Arnhem’ met instemming gelezen, wat ook op de Regio Kampen is meegedeeld.

Amstelveen
De kerkenraad heeft het rapport van Arnhem bestudeerd en besproken. De in het rapport genoemde argumenten voor openstelling van alle ambten hebben de kerkenraad overtuigd. Deze zou daarom een besluit van de LV daartoe in principe ondersteunen en aan de gemeente voorleggen. Logischerwijze komen in het rapport de argumenten ‘pro’ uitvoeriger aan bod dan die ‘contra’. Aan een betere weergave van die laatste categorie is wel behoefte.
Wat het rapport betreft, was het aanbrengen van een cultuurbetrokkenheid bij het verstaan van en omgaan met de bijbel voor een aantal kerkenraadsleden nieuw. De kerkenraad onderschrijft de volgende punten uit het rapport:
1. In de schepping is er geen ondergeschiktheid tussen man en vrouw.
2. De ‘zwijgteksten’ zijn geschreven voor een specifieke situatie, waarbij het vooral belangrijk was om als christen géén aanstoot te geven aan de niet-christelijke omgeving.
3. Met de typering dat de man hoofd is van de vrouw wil Paulus de nadruk leggen op een invulling van de man-vrouw-relatie, zoals die past in een bepaalde tijd. In die tijd zou het aanleiding hebben gegeven tot laster, als de man niet hiërarchisch boven de vrouw zou staan. In onze tijd, waarin de relatie man-vrouw volledig anders is, halen we met het in standhouden van deze hiërarchie mogelijk zelfs de laster van de huidige samenleving over ons heen.
4. Bepaalde zusters hebben de gave van onderricht en leidinggeven ontvangen. Het zou niet goed zijn als de gemeente daarvan geen gebruik zou maken.
5. Met de komst van Christus is er een nieuwe orde gekomen; in Hem zijn allen, man en vrouw, één.
Wat de gemeente betreft, deze zal evenals het geval was met de openstelling van het diakenambt voor vrouwen, opnieuw een groeiproces moeten doormaken voordat tot openstelling zou kunnen worden overgegaan.
Wat het kerkverband betreft, als niet alle gemeenten instemmen kan dit op een aantal punten (bijvoorbeeld preekconsent, examens) tot problemen leiden.
Wat de samenwerking met de CGK betreft, het risico bestaat dat door dit onderwerp de plaatselijke en landelijke samenwerking onder (extra) spanning komt te staan.

Amsterdam-Centrum
De kerkenraad heeft in 1996 besloten het ambt van diaken open te stellen voor vrouwen en dat van ouderling niet. Bijgevoegd is een commissierapport met het advies dat door de kerkenraad is opgevolgd (zie A.5.2).

Assen
Er is niet opnieuw breed over het onderwerp gesproken, omdat in Assen al jaren vrouwen ouderling en diaken kunnen worden. Wel is doorgesproken over vrouwelijke predikanten, als nieuw element. Zonder tot een formeel standpunt te komen is het gevoelen, dat er geen principiële drempel is om tot verruiming over te gaan. Assen kan zich vinden in beargumentering door Arnhem (1996) en Eindhoven (30 januari ’99). Echter

|126|

een daadwerkelijk besluit, zeker ten aanzien van vrouwelijke predikanten zal voor veel kerken gevoelig liggen en kan alleen met grote zorgvuldigheid en voldoende draagvlak worden genomen.

Baarn, Soest e.o.
De ambten van ouderling en predikant staan open voor alle geschikt geachte personen.

Culemborg
Sinds augustus 1992 functioneren er vrouwelijke diakenen en hun werk wordt als een zegen voor de gemeente ervaren. Van september 1997 tot november 1999 heeft de kerkenraad, na meerdere verzoeken daartoe uit de gemeente, gesprekken gevoerd over de openstelling van alle ambten voor zusters. Na uitvoerige gedachtewisseling tussen kerkenraad en gemeente en na peiling van de opvattingen bleken er geen overwegende bezwaren tegen openstelling van alle ambten. Wel werd gevraagd om een verantwoording in het licht van de Schrift en van onze gezamenlijke traditie.
Een dergelijke verantwoording (zie A.5.3) is opgesteld en goed ontvangen. Na afronding van deze discussies nam de kerkenraad het besluit dat in principe de vervulling van alle ambten en de daaraan verbonden taken in de gemeente van Culemborg ook door vrouwen mogelijk is. Dit besluit zal worden geëffectueerd wanneer daar geen gegronde bezwaren tegen worden ingebracht. Op 16 januari 2001 schreef Culemborg aan onze commissie, dat zulke bezwaren nog niet werden ingebracht. De kerkenraad spreekt daarom de hoop uit dat ook de dienst van zusters in een ander ambt dan dat van diaken de gemeente tot zegen zal zijn. Ook vertrouwt hij erop dat dit besluit de samenleving met andere kerken niet zal bemoeilijken. De praktijk ten aanzien van andere kerken, die Culemborg voorgingen, rechtvaardigt die verwachting.

Dordrecht
In 1996 is het ambt van ouderling opengesteld voor zusters in de gemeente. Momenteel functioneren er twee vrouwelijke ouderlingen, terwijl kort geleden een vrouwelijke jeugdouderling is gekozen en benoemd.
Een in 1994 ingestelde werkgroep heeft ter voorbereiding van een advies aan de kerkenraad onder meer rapporten van Groningen, Oegstgeest en Utrecht bestudeerd. Men kon zich het beste vinden in het rapport van Utrecht. Tevens is tweemaal een gemeentegespreksavond gehouden. Resultaat was een eindrapport (zie A.5.4) en een advies om het ambt van ouderling ook voor zusters open te stellen. Het rapport van Utrecht, dat hieronder in A.5.9 is samengevat, vormde een van de bijlagen bij het eindrapport.

Eindhoven
In januari 1999 is besloten om ook vrouwen kandidaat te stellen voor ouderling. Bijgevoegd is de verantwoording aan de kerken over dit besluit (zie A.5.5).

Emmeloord
De discussie over de ‘brief van Arnhem’ wordt als volgt samengevat:
• De raad onderkent het spanningsveld dat er is ten aanzien van de positie van de vrouw in de maatschappij en in de kerk.
• Tussen de drie ambten bestaat ons inziens geen principieel verschil; een geleidelijke invoering van de ambten voor zusters is verstandig.
• Onze verwachting is dat de ambten op termijn opengesteld worden voor vrouwen.
• We vinden het moeilijk een goed gebruik van bijbelse argumenten te vinden.
• Als een gemeente de ambten voor zusters wil openstellen, is het juist om een stappenplan op te stellen.

|127|

Den Haag
Bij de bespreking van ‘Arnhem’ waren er zowel opvattingen die pleiten voor als tegen openstelling. In de drie punten a-c van het principebesluit van Arnhem kan men zich goeddeels vinden. Echter niet met het tweede deel van punt a: Als je niet uit de Schriften kunt afleiden dat de Here het vervullen van ambten door zusters verbiedt, dan kun je ook niet afleiden dat het geheel met de Schriften in overeenstemming is om de zusters wel tot het ambt te roepen.
Omdat er nauwe samenwerking is met de CGK van Den Haag-Zuid, zal de kerkenraad zich voortdurend moeten afvragen wat het heil van beide gemeenten het meest dient. De onderlinge liefde moet ook hier getoetst worden aan de Schrift, waarbij de Heilige Geest onmisbaar is.

Heemstede/Haarlem
Deze kerk kent sinds 1992 vrouwelijke diakenen. In 1997 heeft de kerkenraad besloten om het gesprek over de vrouwelijke ouderling in de gemeente aan te gaan. Een notitie van de kerkenraad diende hierbij als leidraad (zie A.5.6). De kerkenraad heeft in goed overleg en met brede steun van de gemeente besloten om met ingang van de talstelling in het voorjaar 2000 ruimte te geven voor vrouwelijke ouderlingen. De NG zusterkerken zullen hierover worden geïnformeerd.
Dit besluit volgt op een eerder genomen besluit dat “zusters der gemeente in principe kunnen worden geroepen tot het ambt van ouderling” (brief aan gemeente d.d. 19 februari 1998). De grond voor dit eerdere besluit is: “dat de kerkenraad van oordeel is dat wat de bijbel over vrouwelijke ouderlingen zegt in onze tijd, cultuur en situatie, niet automatisch naar de letter moet worden toegepast. De kwestie van de vrouw in het ambt raakt immers niet het fundament van ons geloof zelf: Jezus Christus en die gekruisigd, maar het leven op dat ene onvervangbare fundament. Dat betekent dan, dat wij de vrijheid hebben om als het gaat om de plaats van de vrouw in de gemeente, in wijsheid te zoeken naar mogelijkheden, óók ambtelijke. In tegenstelling tot de bijbelse tijd en cultuur zien we vandaag dat vrouwen doorgaans even goed zijn opgeleid als mannen. Ze functioneren in het maatschappelijk leven ook in leidinggevende functies. Christenvrouwen vormen daarop geen uitzondering. Ook in het kerkelijk leven zijn vrouwen al ingeschakeld bij bijvoorbeeld het onderwijs aan de kinderen der gemeente. En tijdens gemeentevergaderingen en wijkavonden verheffen zij regelmatig hun gewaardeerde stemmen. Kortom onze tijd, cultuur en situatie zijn zo anders dan die waarin Paulus het ambtelijk functioneren van vrouwen in het ambt van oudste verbood, dat een klakkeloze toepassing van die voorschriften onrecht zou doen aan onze eigen verantwoordelijkheid hier en nu te zoeken naar eigentijdse toepassing van de bijbelse boodschap”.

Langerak
De kerkenraad heeft de conclusies overgenomen van een commissie, die het vraagstuk over de plaats van de zusters in de gemeente heeft bestudeerd. Het schrijven van deze commissie, inclusief de conclusies, wordt meegestuurd als bijdrage ten behoeve van het werk van onze commissie V.O.P. (zie A.5.7). De samenvattende conclusies zijn:
1. De Bijbel geeft aan, dat het hoofdschap — en daarmee het regeerambt — voorbehouden is aan de broeders. Openstelling van het ambt van ouderling voor zusters zou dan ook niet moeten plaatsvinden.
2. De taak van ouderling bevat meer dan het hoofdschap (regeerambt). Daarbij komt dat de broeders ook beperkt zijn voor wat betreft vermogen en tijd. Daarom zou een aanvulling, als hulp tegenover, wenselijk kunnen zijn. Hier zouden zusters wellicht

|128|

veel kunnen betekenen. Vraag is hoe we de gaven van zusters zo optimaal mogelijk ten dienste van de gemeente kunnen stellen.
3. Voorop staat, en stond ook in de tijd van het Oude en Nieuwe Testament, dat de gemeente gediend wordt. Uitgangspunt is dat het regeerambt door broeders wordt vervuld, maar indien dit niet voldoet, zijn de zusters geroepen de gemeente te dienen (Richt. 4). We zijn ons ervan bewust, dat deze conclusie wellicht niet door alle zustergemeenten gedeeld wordt. Hoewel we het belangrijk vinden onze visie als advies mee te geven, vinden we een en ander niet een zodanige hoofdzaak dat de relatie met andere gemeenten er op zou mogen breken.

Leerdam
Kern van het vraagstuk is dat nergens in het OT en NT een vrouw in oudtestamentische of nieuwtestamentische zin een kerkelijk ambt heeft bekleed. De hoge charismatische positie die sommige vrouwen hebben gekend, maakt duidelijk dat de vrouw absoluut meetelt in de weg die God gaat met zijn kerk. Maar zij die profetessen worden genoemd en anderen met al hun bijzondere en charismatische vragen zijn daarmee nog geen ambtsdrager geweest.
Omdat het een vraagstuk is dat zich opdringt in kerken van allerlei denominatie, vraagt het om gedegen studie. Laten we vooral luisteren naar de bijbel, naar de wezenlijke literatuur over de oude kerk en naar mensen die er werkelijk iets van afweten.
Met betrekking tot CGK en GKV moeten we als kerken ernst maken met Mat. 5: 41 (één mijl, twee mijl).

Lelystad
In april 2001 heeft de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Kerk en Nederlands Gereformeerde Kerk in meerderheid uitgesproken, dat de openstelling van de kerkelijke ambten voor de vrouw, niet in strijd is met wat de Schrift als Woord Gods leert, noch met de belijdenis der kerk die op de Schrift gegrond is. Voorafgaande aan dit besluit werd kennisgenomen van het eindrapport van de Deputaten voor de vragen rond vrouw en ambt, uitgebracht aan de Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken in 1998, van de standpunten van de LV mb.t. tot de vrouw in het diakenambt in de NGK en van studiemateriaal van de plaatselijke Commissie Kerkelijke Eenheid en Vrouw in het Ambt. Tevens werd besloten een openstelling vooralsnog niet te effectueren, gelet op spanningen op landelijk niveau tussen CGK en NGK, ter voorkoming van zulke spanningen op plaatselijk niveau en in afwachting van nadere ontwikkelingen binnen de kerken, zowel met betrekking tot samenwerking als met betrekking tot openstelling van het ambt voor zusters der gemeente.
Contact zal worden gezocht met enkele andere samenwerkingsgemeenten. Nieuw beraad over effectuering zal plaatsvinden na kennisneming van een uitspraak van de LV 2004 over deze zaak. Aan de CG classis Zwolle en aan de NG regio Kampen worden de genomen besluiten meegedeeld.

Middelburg
De kerkenraad onderschrijft de stellingnamen van Arnhem en Eindhoven. Sinds begin 80-er jaren zijn er vrouwelijke diakenen. In de kerkenraad van vier personen doen ze feitelijk hetzelfde werk als ouderlingen.

Nieuwegein
Deze samenwerkingsgemeente stuurde een afschrift van de “instructie met betrekking tot de openstelling van het (diaken)ambt voor de zusters der gemeente”, die in 1997 is ingediend bij de CG Classis Utrecht. Deze instructie vraagt aan de classis om het aan de

|129|

vrijheid van de gemeente over te laten het ambt van diaken open te stellen voor de zusters der gemeente en om de instructie over te nemen en aan de orde te stellen in de meerdere vergaderingen van de CG Kerken. De kerkenraad is ervan overtuigd dat de voorgestelde openstelling niet tegen de wil van de Here ingaat en dat dit het heil van de gemeente dient en haar niet onnodig in opspraak brengt in de wereld. De instructie begint met te constateren, dat de gaven van vrouwen, die ze van de Here hebben ontvangen, voor een deel niet kunnen worden aangewend, omdat het bijzondere ambt niet voor hen open staat. Dit doet afbreuk aan de opbouw en aan de goede naam van de gemeente en is schadelijk voor de eenheid van de gemeente.
Als overwegingen worden genoemd:
1. Dat aan de Schrift geen dwingende argumenten kunnen worden ontleend om in ieder geval het diakenambt niet open te stellen.
2. Dat in de gemeente een sterk en breed gedragen verlangen leeft om de gaven van zusters in het bijzondere ambt te kunnen gebruiken.
3. Dat om die reden door de kerkenraad op de LV van de NGK ook is gestemd voor de openstelling van het diakenambt.
4. Dat in eigen CG kerkverband hierover verschillend wordt gedacht.
Deze instructie ging vergezeld van een toelichting (zie A.5.8). Hoewel de instructie de vrouwelijke diaken betreft, doet de toelichting ook een uitspraak over de andere ambten: “We willen in deze toelichting eerst aangeven wat naar onze mening pleit voor de openstelling van het (diaken)ambt voor de zusters der gemeente en vervolgens nagaan wat er tegen zou kunnen zijn. Het zal duidelijk zijn na lezing van de hier volgende toelichting, dat er naar onze mening belangrijke schriftuurlijke redenen zijn om alle ambten open te stellen voor mannen en vrouwen gelijkelijk. Dat we in de instructie toch niet verder gaan dan het diakenambt heeft te maken met de kerkelijke positie waarin wij ons bevinden (als samenwerkingsgemeente) en met de overtuiging dat we elkaar in de kerk niet moeten overvragen.”

Urk
Onze commissie mocht gebruik maken van een ‘Appèl aan de Nederlands Gereformeerde zusterkerken in de Regio Kampen’ (maart 1999). Dit gaat over de besluitvorming rond de openstelling van het ambt van ouderling voor zusters der gemeente (met name van Eindhoven en Arnhem). In dit appèl worden de zusterkerken dringend uitgenodigd om zich opnieuw met de kerkenraad van Urk te verdiepen in zijn bezwaren en daarover te gelegener tijd door te spreken. Drijfveer van de kerkenraad is “een vruchtbare liefde voor Christus' gemeente en voor de doorbraak van Gods Koninkrijk in onze huwelijken en gezinnen, in onze kerken en in de samenleving”. De kerkenraad is met name bezorgd over de ontwikkelingen op het gebied van theologie en hermeneutiek. Hij denkt daartoe goed recht te hebben. Volgens hem wijst de Schrift andere wegen voor de Christelijke gemeente en voor het ambt dan die worden voorgestaan door een groeiend aantal gemeenten in ons kerkverband en daarbuiten.
Het eerste en grootste deel van het appèl reageert op het besluit van Eindhoven (zie ook onder Eindhoven). Urk maakt bezwaar tegen het spreken over een zogenaamd dubbelpatroon in de bijbel, namelijk van ondergeschiktheid en van gelijkwaardigheid. Niemand ontkent dat in de Kerk onder het Oude en Nieuwe Verbond vrouwen bijzondere gaven bezaten en taken vervulden en posities bekleedden. “Wij zijn echter van mening, dat de voorbeelden van zelfstandig optredende vrouwen in de Bijbel niet veel te zeggen hebben over de onderhavige kwestie. (..) Door algemene gevolgtrekkingen uit bijzondere situaties, wordt het zicht op de voortgaande geschiedenis van God met Zijn Kerk onder Oud en Nieuw Verbond op z'n minst vertroebeld. (..) Paulus zegt op een beslissend

|130|

moment in de Kerkgeschiedenis: “De vrouwen moeten in de gemeente zwijgen. (..) Zij moeten ondergeschikt blijven, zoals ook de Wet zegt. Ik sta niet toe dat een vrouw onderricht geeft of gezag over de man heeft (1 Kor. 14: 34; 1 Tim. 2: 12).”
Eindhoven heeft groot gelijk, wanneer men zegt, dat er meer in de Bijbel staat dan dat. Maar we kunnen een helder verbod van de Apostel Paulus niet ter zijde stellen of van minder gewicht achten ten gunste van een door ons al dan niet terecht waargenomen tendens in de Bijbelse geschiedenis. Het is aanvechtbaar om van teksten, die spreken over de ondergeschiktheid van de vrouw aan haar echtgenoot, te zeggen dat daar de OT-ische patriarchale samenleving doorwerkt. Het patriarchale hoort tot de puur verbondsmatige samenleving die men in het Nabije Oosten de eeuwen door altijd heeft gekend.
Individualisatie behoort tot de Westerse cultuurwereld; de wereld waarin het Evangelie goeddeels pas in de tijd na de apostolische vaders is doorgedrongen.
Galaten 3: 26v is onbruikbaar om het geschil over het ambt mee te beslechten. Paulus heeft het hier over de afwezigheid van verschillen als het gaat om het bekleed zijn met Christus. Hij wist echter verschillen tussen mannen en vrouwen niet uit. Hij geeft ook niet te kennen dat de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man gevolg is van de zondeval en nu, in Christus, verleden tijd dient te worden. Urk ontkent dat Gal. 3: 26v iets te maken heeft met de vraag of een vrouw in Christus’ gemeente mag onderwijzen en gezag dragen. Het kind-van-God-zijn brengt voor de vrouw geen verandering mee in het feit dat ze haar eigen man onderdanig moet zijn (Rom. 7: 2; 1 Kor. 11: 3, 7-9; Ef. 5: 22-24; 1 Pet. 3: 1,5,6) en ook niet in het feit dat ze in de gemeente geen onderricht mag geven en geen gezag mag hebben over de man (1 Tim. 2: 12).
Gezag hebben over de man mag een vrouw in Christus’ gemeente niet. Wat in de samenleving wel kan ligt in de kerk anders. Dat zegt de Apostel immers. Wat kan hij anders bedoelen, dan dat zusters in de Kerk niet gezagvol leiding mogen geven als diaken of ouderling in de kerkenraad?
De kerkenraad van Urk is de mening toegedaan, dat de huidige ontwikkelingen in de NG kerken gekeerd moet worden. “Het komt ons toch voor, dat zich een emancipatiedrang aangediend heeft, die de hermeneutiek (uitlegregels) en de exegese (uitleg) onder druk zet. Helaas is de discussie over het functioneel Bijbellezen, de ‘nieuwe’ hermeneutiek, niet voortgezet na de LV van Apeldoorn.” Daar moet dringend over worden doorgesproken. “Wat ons daarin vooralsnog stoort, is de manier waarop de cultuur-wereld van toen vergeleken met die van vandaag, min of meer als hermeneutische sleutel wordt aangewend. In de Bijbel is sprake van een ander cultuur-patroon dan dat in onze dagen en daarom zijn wij niet meer gehouden aan zaken die in de Bijbel cultuur-gebonden zijn. Vraag is dan wel: wie maakt uit wat wel of niet cultuur-gebonden is?”
Ten aanzien van de hedendaagse maatschappelijke ontwikkelingen vraagt Urk kritisch: “Was het wel goed, dat in de samenleving de positie van de vrouw werd, zoals ze geworden is? Zitten er alleen maar positieve kanten aan de emancipatie van de vrouw?”
In de hele discussie over de vrouw in het ambt, wordt ‘het ambt’ te hoog aangeslagen. Bepaalde mannen-broeders dragen hoofd-verantwoordelijkheid over het reilen en zeilen in de gemeente. Met die beperkte taak leven ze niet het leven voor de gemeente. Urk merkt te weinig, dat we met elkaar zoeken naar nieuw élan onder alle gemeenteleden.

Utrecht
Een studie-commissie heeft in de jaren 1988-1992 vier rapporten opgesteld over de vraag of het openstellen van het ambt van ouderling voor zusters der gemeente bijbels gezien al dan niet aanvaardbaar is. De commissie oordeelde dat er geen bijbelse gronden waren om het ambt van ouderling niet open te stellen. Een samenvattend rapport (zie A.5.9) is in de kerkenraad, de gemeentewijken en een gemeentevergadering besproken.

|131|

De conclusie van de commissie bleek een groot draagvlak in de gemeente te hebben. Het bleek dat het door de kerkenraad als minimaal voor invoering vereiste percentage van 85% van de gemeenteleden, instemde met deze conclusie. De raad besloot op 7 juni 1993 tot openstelling over te gaan. Sindsdien functioneren binnen de gemeente vrouwelijke ouderlingen.

Vlaardingen
De kerkenraad heeft vastgesteld dat het afwegingsproces binnen de Arnhemse zustergemeente met zorgvuldigheid en luisterend naar Gods Woord heeft plaatsgevonden. Daarom kan de raad de beslissing van Arnhem volledig respecteren. De raad is van oordeel, dat de onderhavige kwestie van het openstellen van de ambten voor zusters tot de zaken behoort waarin plaatselijke gemeenten vrij zijn hun eigen keuzes te maken.

Zaandam
De kerkenraad meent dat ‘Arnhem’ uitgaat van de vooronderstelling dat er geen bijbelse bezwaren zijn tegen de vrouw als ouderling. Om vanuit de samenleving (zie paragraaf A.2, 118 over wereldgelijkvormigheid) naar de bijbel te gaan lijkt Zaandam niet wenselijk. We zullen in de Bijbel bij het begin moeten beginnen, bij de scheppingsordeningen. Daar grijpt Paulus in 1 Tim. 2: 13 op terug. De commissie V.O.P. moet eerst de bijbelse gegevens onverkort laten spreken.
Ook het stuk over het verstaan van de bijbel (zie A.2, 122) wordt aanvechtbaar gevonden. Weten wij het vandaag allemaal beter? “Het evangelie verdraagt geen compromis met de samenleving. Dat compromis vinden we helaas in het rapport van ‘Arnhem’.” Zaandam hoopt dat de commissie V.O.P. alle ballast bij de studie aan de kant zet en zo onbevangen mogelijk probeert de Heilige Schrift te lezen om te verstaan of de Here zusters roept tot het ambt van ouderling.

Zalk en Veecaten
De kerkenraad heeft waardering voor het omvangrijke werk van Arnhem en voor de uitnodiging om mee te denken. De reactie moet helaas vooral kritisch zijn. Klopt de constatering, dat Arnhem vooral lijkt te wijzen op de risico's van wereldvreemdheid en de bedreiging van wereldgelijkvormigheid voor onze gemeenten geheel buiten beschouwing laat? “Dat wereldgelijkvormigheid een bedreiging voor onze gemeenten kan vormen — een aspect dat absoluut aandacht moet krijgen in de onderhavige discussie — laat men volledig buiten beschouwing.” Zet Arnhem niet een oneigenlijke druk op de discussie door te verklaren dat een discussie over vrouwelijke ouderlingen niet eindeloos kan worden uitgesteld, terwijl die nog maar sinds kort in onze kerken denkbaar is gebleken? Is het terecht dat Arnhem het heil van de plaatselijke gemeente wil laten prevaleren? Afgevaardigden naar regionale vergaderingen en gastpredikanten worden met de vrouwelijke ouderling geconfronteerd, ook als ze daar tegen zijn. Invoering van vrouwelijke predikanten zal bezwaarde gemeenten zeer in het isolement drijven. Zal overgaan tot het legaliseren van een tot nu toe gevolgde gedoogpraktijk ‘de emmer niet doen overlopen’? Zo’n besluit betreft het draagvlak van ons gereformeerde kerkverband. Daarom is het een illusie dat invoering is over te laten aan de plaatselijke gemeenten.
Het belangrijkste bezwaar is dat in het rapport hardop de vraag wordt gesteld of wij in dezen nog wel gebonden zijn aan wat de bijbel ons vertelt (zie A.2, 122). “Exegetisch, maar vooral hermeneutisch is er teveel af te dingen op het rapport. Natuurlijk is de Bijbel in een bepaalde cultuur geschreven. Maar de betreffende voorschriften van Paulus overstijgen nu juist de cultuur, doordat hij ze baseert op de nog ongecultiveerde schepping.”

|132|

Kunnen we elkaar nog in de stijl van het Koninkrijk van God aanspreken? Kan Arnhem niet in plaats van eigen belang te zoeken, allen (allereerst de eigen bezwaarde gemeenteleden) in alles ter wille zijn?
Samengevat:
1. Onthaasting in plaats van jakkeren is meer in de stijl van de Geest van Christus.
2. Meer studie is nodig van het feit, dat Paulus op de schepping terugvalt als boven-cultureel moment.
3. Serieuze NG studie is gewenst over wereldgelijkvormigheid en over de haat van de wereld jegens de volgelingen van Jezus.
4. Veel consciëntieuzer dan tot nu toe het gemeenschappelijk belang van deze zaak een rol laten spelen.

Zeist
In november 1999 ontving onze commissie de Verantwoording voor het besluit van de kerkenraad van de NGK te Zeist inzake “vrouw in het ambt” (zie A.5.10). Deze dateert van 29 maart 1999. Het gaat daarbij om het volgende besluit:
“Na raadpleging van de gemeente heeft de kerkenraad het volgende besloten:
• dat voortaan alle ambten in de gemeente, ook door zusters die daarvoor gaven en bekwaamheden bezitten, vervuld kunnen worden,
• daarvan de zusterkerken in de regio mededeling te doen en hen deze verantwoording toe te zenden,
• terwille van en in contacten met zusterkerken en plaatselijke andere kerken wijs en behoedzaam te handelen.”
In november 1999 bestaat de indruk bij de kerkenraad, dat de reacties op de effectuering van het besluit en de mededeling ervan aan de regiokerken wijzen op een vrijwel algemene acceptatie.

 

A.5 Ontvangen rapporten e.d.

A.5.1 Amersfoort

(Bron: Enkele aspecten betreffende de vrouw in het ambt. Rapport van studiecommissie Vrouw in het Ambt (commissie VIA), nov. 1994)
Het rapport concentreert zich op het hoofdschap in de man-vrouw relatie en in verband daarmee op het lidmaatschap van de vrouwelijke diaken van de kerkenraad.

Reacties van de commissie VIA op het Studierapport (1991)
Bij Ef. 1: 22-23 en Kol. 2: 19 (Christus als hoofd) moeten we aan meer dan alleen ‘gezag’ denken. Het is het niet zozeer òf-òf, maar èn-èn, niet alleen gezag, maar ook bron, schenker van alle gaven, steungever, saambinder, zorg voor groei van de gemeente, etc.
Betekenissen van ‘rosj’ (Hebr. hoofd) in het OT? De commissie VIA schrijft: dit heeft nergens de betekenis ‘bron’.
Betekenissen van ‘képhalè’ (Gr. hoofd) in het NT? De commissie VIA schrijft: dit heeft nergens de betekenis ‘bron’.
Conclusie van de commissie VIA: Zowel in het OT als het NT bij ‘hoofd’ nooit aan ‘oorsprong/ bron’ denken.
Dit wil evenwel niet zeggen dat het hoofdschap slechts het aspect van gezag inhoudt. SR91, p.71, r. 15, zegt: “Paulus wil in Ef. 5: 22 de vrouw inprenten, dat ze zich niet als tegenspeelster van de man mag opstellen, maar als medewerkster zich voor hem beschikbaar stelt en haar schouders zet onder de taak die ze met hem deelt. Dat wil nog niet zeggen, dat er van een gezagsrelatie sprake zou zijn.”.

|133|

Reactie van de commissie VIA: Misschien moet zelfs gezegd worden: deze gedachte is in het licht van Ef. 5: 22-23; 6 :1,5 geheel onhoudbaar.

Twee opvattingen over de strekking van het hoofdschap binnen de commissie VIA
Vragen: Hoe is de ideale man-vrouw verhouding (paradijstoestand?, invloeden zondeval?, waarnaar nu te streven?).
Opvatting A: Hoofdschap van de man houdt in dat hij de eerste is in leidinggeven. De vrouw geeft leiding naast hem. In de gemeente betekent dat: de kerkenraad heeft de leiding en de ouderlingen vormen het ‘hoofd’. Prioriteit ligt niet bij het veranderen van structuren (niet verboden), maar bij gehoorzaam je taak uitvoeren in de geworden/verworden situatie.
Opvatting B: Dat Adam moest leiding geven aan mannin staat niet in Gen. 1 en 2. Sommige vrouwen krijgen ook van God de gave om leiding te geven. Zouden ze die niet mogen gebruiken? Nog steeds wordt met een beroep op bepaalde schriftgedeelten verklaard dat vrouwen geen diaken of ouderling mogen zijn. Is hier niet sprake van over het hoofd zien van de specifieke blikrichting van de betreffende teksten? Laat het voorbeeld van Priscilla al niet zien, dat we met een algemeen en permanente verbodsopvatting van 1 Tim. 2 vastlopen? (verwijzing naar Opbouw-artikel M. Biewenga, 14/8/92).

Vrouwelijke diakenen in de kerkenraad?
Er zijn in de commissie VIA twee visies op de verhouding tussen man en vrouw met betrekking tot gezag uitoefenen en leidinggeven. Daarom wordt verschillend gedacht over vrouwelijke diakenen als kerkenraadslid en over het ‘gelijkwaardig’ aan de ouderlingen deelhebben aan leidinggeven.

A.5.2 Amsterdam-Centrum

(Bron: Advies inzake de vrouw en het ambt. Rapport van de commissie ‘vrouw en ambt’, sept. 1996)

Oriëntatie
Eigen gemeente
In 1978 spreekt de kerkenraad zich uit voor openstelling diakenambt voor vrouwen, omdat de Schrift ook over vrouwelijke diakenen spreekt. Verdere studies zijn nodig mb.t. ouderlingenambt. In 1989 werd de openstelling voor vr. diaken geëffectueerd.

LV
Overzicht van LV-commissies en van rapporten (’85, ’88, ’91 + ’94) m.b.t. de kernvragen over de wijze van omgaan met de Schrift, over de man-vrouwverhouding en over vrouw en ambt (in het bijzonder dat van ouderling).

Kerkverband
Gemeenten die zich voor de vrouw in het ouderlingenambt hebben uitgesproken zijn Assen, Baarn, Eindhoven, Groningen, Oegstgeest, Utrecht en Zeist. Dan volgt een korte weergave van de motiveringen. Bij alle genoemde gemeenten komt naar voren dat de aanwezige gaven van de zusters gebruikt moeten worden. Er zijn een aantal vragen bij het tekstgebruik. Gal. 3: 28: Mag hier meer van gezegd worden, dan dat man en vrouw op dezelfde wijze delen in de genade? 1 Kor. 14: 34 en 1 Tim. 2: 12 zijn cultuur- en tijdgebonden. Maar is er daarnaast in deze hoofdstukken toch niet een aanwijzing te vinden voor de man-vrouwverhouding in het algemeen, dus ook nu nog geldend? In 1 Kor. 11 komt ook het hoofd-zijn van de man aan de orde. Men legt heel sterk accent op de

|134|

dienende kant. Maar heeft het woord ‘hoofd’ hier ook niet de betekenis van eerste, van toonaangever?

Gemeenteavond 1: Hoe gaan we om met de Schrift?
Er zijn vier benaderingen:
1. De Schrift is duidelijk en daar houden we ons aan.
2. De Schrift is duidelijk, maar wij zijn verder in de heilsgeschiedenis. Dit geeft nieuwe ruimte.
3. De Schrift is niet uitgesproken duidelijk; wij hebben ruimte.
4. De Schrift is niet uitgesproken duidelijk. Wij wachten op meer licht.
Discussie: De spanning tussen situatie in kerk en maatschappij kan een probleem zijn voor gemeenteleden. De wereld mag niet bepalen hoe wij de bijbel lezen.

Gemeenteavond 2: Hoe spreekt de Schrift over de verhouding man-vrouw?
Er zijn twee benaderingen:
1. Man en vrouw gelijkwaardig. Hierbinnen is er onderschikking van de vrouw ten opzichte van de man. Dit is zo van de schepping af tot nu toe. Dit vraagt om goed verstaan van die onderschikking.
2. Gelijkwaardig. Vóór de zondeval nevenschikking. Na de zondeval heersen van man over vrouw. In Christus man en vrouw gelijk. In de heilsgeschiedenis is er een ontwikkeling naar meer gelijk.
Vraag: Hoe toets je wanneer een ontwikkeling heilshistorisch mag heten? Andere vragen: Verschil tussen binnen en buiten het huwelijk? Verschil tussen binnen-de-gemeente en buiten-de-gemeente?
Ds. Zwarts: Na de zondeval treedt God regulerend op tegen de zonde, om de gevolgen zoveel mogelijk in te dammen (bijv. regeling van scheiding). Nu is de zonde nog steeds een realiteit. Je zou de gezagsverhouding kunnen zien als een noodverband om de gevolgen van de zonde in te dammen. Is dit cultuurgebonden? Paulus gaat toch wel heel vanzelfsprekend uit van het positieverschil. Cultuurverschillen kunnen wel eens kleiner zijn dan we denken.

Gemeente-avond 3: Hoe spreekt de Schrift over de ambten?
Een ambt is een taak/dienst/goed werk (1 Tim. 3: 1) waarvoor iemand wordt aangesteld. De taak van een oudste wordt omschreven in Hand. 20: 28, 1 Tim. 3: 5; 5: 17 en Tit. 1. We zien hier noties als zorgen voor de gemeente, leidinggeven, prediking, onderricht, vermanen, tegenspreken, weerleggen. Er is dus een ‘tegenover’ ten opzichte van de gemeente. Een wachtersfunctie. Gezag en dienst vormen hierbij geen tegenstelling.
Ds. Zwarts: De oudste heeft gezag in de gemeente, vanuit het Woord en krachtens aanstelling door de Heilige Geest. Dit gezag wordt gekleurd door woorden als dienst en nederigheid. Maar heeft dit gezag een mannelijke component? De gezagsstructuur is nodig na de zondeval, nog steeds. Als het goed is (Christus de ruimte krijgt) zal dit minder opvallen. Ook in een goed huwelijk valt het positieverschil nauwelijks op. Maar we leven niet altijd op dat niveau en daarom is correctie nodig. Het is een zaak van wijsheid om een structuur te gebruiken met mannelijke ouderlingen.

Overige overwegingen
Kerkverband
Vijf gemeenten (in 1996) zijn ertoe overgegaan het ouderlingenambt open te stellen. Behalve Assen betreft dit gemeenten, die zich niet aan het AKS hebben gebonden.

|135|

‘Kleine oecumene’
Openstelling ouderlingenambt voor vrouwen zal de betrekkingen niet vereenvoudigen.

Standpunt kerkenraad A’dam-C uit 1984
In een brief van de kerkenraad uit 1984 aan de LV over het verschil dat hij zag tussen openstelling voor zusters van het diakenambt en het ouderlingenambt, staat: “Wat de vrouwelijke ouderlingen betreft is het moeilijk om zonder het omstreden begrip van ‘tijdgebondenheid’ met de apostolische voorschriften van 1 Kor. 14: 34-36 en 1 Tim. 2: 11-12 klaar te komen. We zeggen niet dat dat onmogelijk is. We lieten al merken dat op dit punt ook onder ons de eenstemmigheid (nog) ontbreekt. Maar beiden, voor- en tegenstanders van de vrouwelijke ouderling, zijn het erover eens dat we het begrip ‘tijdgebondenheid’ als uitlegkundige sleutel, vooral in zijn gevolgen, niet kunnen overzien. Immers, hoe voorkomen we dat vitale delen van de Schrift met behulp van deze zelfde sleutel van hun kracht worden beroofd?”

Gemeenteavonden
In de gemeenteavonden (periode ’94-’96) bleken de vragen omtrent ‘tijdgebondenheid’ nog steeds actueel. “Is onze tijd en onze gemeente werkelijk verder en vrijer dan die waaraan de apostel Paulus zijn voorschriften bond? Hebben wij meer licht van de Geest ontvangen?”

Advies (1996): “Geen vrouwelijke ouderlingen”
Overwegingen bij dit advies:
1. Op grond van de bijbel kan niet worden gesteld dat ze voorkomen of moeten worden aangesteld. Cultuurgebonden, noch heilshistorische benadering overtuigen. Ef. 5 is belangrijk, omdat de man hoofd is van de vrouw, evenals Christus het hoofd is van zijn gemeente.
2. Ten aanzien van kerkverband en ‘kleine oecumene’ is het wijzer, in verband met gevoeligheid en vergroten van verschillen.
3. Gaven van vrouwen behoeven niet ongebruikt te blijven. Verwezen wordt naar het functioneren van vrouwelijke pastorale medewerkers in A’dam-C.
Het advies is unaniem, maar de motivatie loopt op onderdelen uiteen: van meer principieel tot meer het accent op wijsheidsoverwegingen.

A.5.3 Culemborg

(Bron: GEGRONDE VRAGEN — schets van een verantwoording van de vrouw in het ambt)

Schriftgezag laat zich kenmerken met twee woorden: de Schrift als bron en norm. Een bron om uit te putten en je aan te laven. Ook een norm: regel voor geloof en leven. De tijden door bevraagbaar op de vragen van de eigen tijd. En verstaan vanuit die vragen richting wijzend. Waar het gebruik als bron opdroogt, verstart de Schrift als norm. Echt gezag stroomt door de bedding van verrukking, bevlogenheid en ontroering.
Ruimte voor de eigen vragen in de omgang met de Schriften is een levensvoorwaarde voor de christelijke gemeente. Zo zijn de Schriften in twee, drie millennia door een verscheidenheid aan culturen heen getrokken en op steeds nieuwe wijzen verstaan. En meer dan eens hebben ontwikkelingen in de cultuur bevruchtend gewerkt op het lezen en verstaan van de Schriften. Meer dan eens moesten eerst een cultuur de schellen van de ogen vallen, moest er eerst aandacht voor maatschappelijke nood of een maatschappelijk tekort gevraagd en verworven worden, alvorens de ogen opengingen voor schatten in de Schriften waar eerder overheen gelezen was.

|136|

Zo staat ook de roep om de vrouw in het ambt niet los van de maatschappelijke emancipatie van de vrouw. Het valt alleen maar te waarderen wanneer de christelijke gemeente in een dergelijke ontwikkeling niet klakkeloos meegaat, maar wel royaal ruimte biedt aan het opnieuw bevragen van de Schriften.
Lange tijd is de vraag naar de vrouw in het ambt afgedaan met de bekende zwijgteksten (1 Kor. 14: 34 en 1 Tim. 2: 12). Deze teksten lijken op zich duidelijk. Echter dat is ook het geval met andere teksten, die in het verleden gebruikt zijn om bijv. het orgelspel uit kerkdiensten te weren, het dragen van een lange broek door vrouwen te verbieden, de achturige werkdag en de vijfdaagse werkweek af te wijzen. In lijn met het gelegenheidskarakter van de brieven van Paulus, kunnen de voorschriften in de ‘zwijgteksten’ worden opgevat als corrigerende opmerkingen aan het adres van vrouwen, die met veronachtzaming van andere verantwoordelijkheden een buitensporige en ongezonde claim dreigden te leggen op het leven van een gemeente toen en daar. Alleen al vanwege hun bijzondere blikrichting en zeer gerichte zeggenschap kunnen de zwijgteksten moeilijk nog langer als doorslaggevend beschouwd worden.
De Schriften kennen veel vrouwen op verantwoordelijke posities, daaronder vrouwen werkzaam in de prediking van het evangelie. Een dragende lijn in de Schrift is dat de mens is geschapen en bestemd om te worden herschapen, mannelijk en vrouwelijk naar het beeld van God. God stelt de vrouw als een hulpe tegenover de mens die Hij als eerste had geschapen (Gen. 2: 18-25). Alleen is hij maar eenzijdig. Hij behoeft een die tegenspel biedt, op alle terreinen van het leven. Dat is het perspectief in de richting waarvan de Schriften ons drijven (Joël 2: 28-29; Hand. 2: 17-18). Niet de vloek, maar de belofte is de bron waaraan de norm ontspringt. Het visioen van Joël 2 wijst de richting aan naar een gemeente zonder macht van rang of stand (Gal. 3:28).
Paulus geeft met de gelijkberechtiging van slaaf en vrije in de gemeente een aanzet tot de afschaffing van de slavernij, waar het pas veel later in de tijd van gekomen is. En met de gelijkberechtiging van man en vrouw in de gemeente opent hij op zijn minst de weg naar het dienen van de vrouw in alle ambten.

A.5.4 Dordrecht

(Bron: Verslag werkgroep ambten, november 1995)

Informatiebronnen
Navraag is gedaan bij Groningen, Oegstgeest en Utrecht naar motivatie en bevindingen mb.t. de openstelling van het ouderlingenambt voor vrouwen. Uit de ontvangen rapporten bleek, dat de argumenten voor openstelling onderling grote overeenkomst vertonen. In gesprekken met gemeenteleden uit de genoemde gemeenten is gebleken dat de ervaringen met vrouwelijke ouderlingen overwegend als positief gezien werden.

Overwegingen
De vraag of vrouwen in de gemeente in het ambt mogen dienen is eeuwenlang met ‘nee’ beantwoord. Dit lijkt te passen bij de toenmalige positie van vrouwen. Moet dit zo blijven nu die maatschappelijke positie sterk is veranderd? Verbiedt de bijbel dat de vrouw een verantwoordelijke positie heeft in de kerk of dat ze wordt toegelaten tot de ambten? We zien in de bijbel geen eenduidig beeld. Enerzijds lezen we dat er in Christus noch man noch vrouw is, en illustraties hiervan. Anderzijds zijn er diverse teksten die een leidende rol van de vrouw lijken te blokkeren. Het gebruik van deze 'anti-teksten' zit er bij ons diep in. Wie die teksten echter nauwkeurig bekijkt ziet dat ze ook een andere uitleg verdragen dan een die de vrouwen radicaal en voor altijd uit de ambten wil weren.

|137|

Ook moet erkend worden dat de Bijbelwoorden in een andere situatie werden gesproken dan die wij kennen. De slavernij wordt als gegeven geaccepteerd, zonder dat er stelling tegen wordt genomen. Anderzijds is een christelijke gemeenschap een tijdbom onder de slavernij. Zo was de positie van de vrouw in de dagen van Paulus anders dan in onze tijd. Zie ook de argumenten in het rapport van Utrecht, waar de werkgroep graag naar verwijst, (opm: dat rapport was toegevoegd als bij het rapport van de werkgroep).

Conclusies
• De gaven, die Christus geeft aan zijn gemeente zijn ook aan vrouwen gegeven.
• De verhouding tussen man en vrouw zoals die in Paulus’ dagen was, is verleden tijd.
• Niemand in de wereld om ons heen zal er aanstoot aan nemen als vrouwen als ambtsdragers dienen in de gemeente (dat was in Paulus’ dagen wel zo). Nu is het argument omgekeerd.
• De Schrift hoeft geen geweld aangedaan te worden om vrouwen toe te laten tot het ambt. Er is wel een ander verstaan.

A.5.5 Eindhoven

(Bron: Verantwoording van het besluit tot aanstellen van vrouwelijke ouderlingen, januari 1999)

Schriftgezag
Het bijbelwoord is voor ons gezaghebbend als het gaat om de openstelling van het ambt van ouderling voor vrouwen. Kom je dan niet in strijd met 1 Kor. 14: 34 en 1 Tim. 2: 12? Het is te simpel om met deze twee teksten de discussie af te doen. Er is in de bijbel een patroon te zien waarin vrouwen ondergeschikt zijn aan de man en een patroon van gelijkwaardigheid. Dit wordt toegelicht met voorbeelden. Over de verhouding daarvan wordt verschillend gedacht. De kerkenraad en de gemeente (E) menen in overgrote meerderheid, dat vrouwen ouderling en predikant kunnen worden. De motiveringen hiervoor zijn niet eensluidend:
1. Ondergeschiktheid is gevolg van zondeval. Door Christus is er herstel van de oorspronkelijke gelijkwaardigheid.
2. God heeft zijn woord geconcretiseerd in een patriarchale cultuur. Bij de onze hoort gelijkwaardigheid.
3. Ondergeschiktheid is beperkt tot het huwelijk.
De kerkenraad zag geen heil in nieuwe krachtsinspanningen om hierover op één lijn te komen.

Emancipatiebeweging
De vrouwenemancipatie heeft een aantal vruchten die ook door christenen dankbaar geplukt worden. Bovendien is het onmiskenbaar dat we onder invloed ervan de bijbel anders zijn gaan lezen. Toch liggen vrouwelijke ambtsdragers niet zomaar in het verlengde van die beweging. In de emancipatiebeweging zijn een aantal motieven zichtbaar, die vreemd zijn aan het evangelie. Christelijke dienstbaarheid is wezenlijk voor het ambt. Leidinggeven is enerzijds eervol, maar vraagt ook om zelfverloochening en brengt soms lijden aan de kerk mee. De motivatie om als vrouw dienst te doen als ouderling of predikant moet voortkomen uit de bereidheid om de Here Jezus na te volgen.

Kerkverband
Eindhoven is zich bewust dat het niet om een middelmatige zaak gaat. Waarom niet

|138|

langer wachten op overeenstemming en fiat van de zusterkerken? Eindhoven komt tot andere afweging. “De kerkenraad acht het niet verantwoord tegenover de Here als wij in onze eigen gemeente geen gebruik gaan maken van de gaven die Hij aan zusters geschonken heeft om leiding en onderricht te geven. Nog langer daarmee wachten zou te vervreemdend werken voor een groot deel van de gemeente.” Verder maakt het kerkverband duidelijk dat kerken waar men al jarenlang ouderlingen heeft, er helemaal bijhoren (één in geloof en belijden). Ook Assen (ondertekenaar AKS) is niet vermaand. Eindhoven hoeft zichzelf dus niet als onbetrouwbare partner te beschouwen met zijn besluit. De besprekingen in de regio hebben dit bevestigd.

CGK Eindhoven
Gaat niet mee met het besluit. Hoewel een meerderheid in de gemeente voorstander is van vrouwelijke ouderlingen en diakenen, laat men zich leiden door de situatie in het eigen kerkverband. Zorg is er bij CGK en NGK over gevolgen voor de verhouding van de CG zusterkerk met hun kerkverband. Echter de CG kerkenraad sprak de overtuiging uit dat de intentie om trouw te blijven aan de Schrift herkend wordt.

A.5.6 Heemstede/Haarlem

(Bron: Vrouwen in het ouderlingenambt? Een handreiking namens de kerkenraad, 1997)

A. Kerkenraadstandpunt: geen uitgesproken ja of nee
De kerkenraad wil de discussie niet leiden in de richting van een vooraf ingenomen standpunt. Hij is van mening dat het punt van vrouwelijke ouderlingen een ‘vrije kwestie’ is, die dus aan de vrijheid van de plaatselijke kerken kan worden overgelaten.

B. Uitgangspunt van de discussie
De kerkenraad vindt dat de discussie niet zou moeten gaan over de interpretatieverschillen bij allerlei relevante teksten. In de ogen van de kerkenraad is Paulus wel degelijk duidelijk over de plaats van de vrouw in de gemeente. De discussie moet vooral gaan over welke gelding die — op zichzelf duidelijke — teksten voor de gemeente vandaag hebben.

C. De structuur van de gemeente volgens het Nieuwe Testament
1. Een verkeerde vraag
De volgende vraag wordt wel gesteld: Kent de Schrift vrouwelijke ouderlingen? De tegengestelde antwoorden op deze vraag kunnen tot de conclusie leiden dat de bijbel onduidelijk is op dit punt. Een andere voor de hand liggende mogelijkheid is dat we de verkeerde vraag stellen. Uitgaande van wat de Schrift zegt over de plaats van de vrouw in de gemeente in het algemeen en in de ambten in het bijzonder willen we de Schrift de vraag stellen: Wat is de (ambtelijke) structuur van Christus’ gemeente in het Nieuwe Testament en welke plaats hebben zusters der gemeente daarin? We vinden de volgende gegevens:

2. Gaven en diensten in de gemeente
Er is geen blauwdruk voor de opzet van het gemeentelijk leven. Woorden als ambt en kerkenraad vinden we niet in de bijbel. De Here Jezus beschouwt leden van zijn gemeente als arbeiders in de wijngaard. De Heiland heeft de gemeente door zijn Geest toegerust met (genade)gaven en diensten.
a. Genadegaven: voor alle gemeenteleden
Genadegaven of gaven van de Geest worden gegeven, zonder dat er daarbij onderscheid is tussen mannen en vrouwen (1 Kor. 12: 1-11; Joël 2: 28-32; Hand. 2: 17-21). Doel ervan

|139|

is het kunnen functioneren van de gemeente, zoals van een door het kruis en de opstanding van Christus bevrijde en vernieuwde gemeenschap mag worden verwacht.
b. Diensten: voor sommige gemeenteleden
Naast genadegaven zijn er ook diensten (1 Kor. 12: 28; Ef. 4: 11) om de gemeente te besturen. Daarmee bedoelt het NT wat wij ambten zijn gaan noemen. Tussen gaven en diensten zijn de twee belangrijkste verschillen:
• dat gaven worden gegeven aan allen, terwijl in de diensten slechts sommige gemeenteleden functioneren (1 Kor. 12: 7,11,28);
• dat men voor het uitoefenen van een dienst aangesteld, erkend en bevestigd wordt, hetgeen een zekere afzondering van en het uitoefenen van gezag over de gemeente met zich meebrengt (Hand. 14: 23; 20: 28; Tit. 1: 5-9).
In deze bijbelse gegevens over de diensten (ambten) herkennen wij het werk, dat bij ons is ondergebracht in het ambt van ouderling. Voor de ambtelijke werkzaamheden, die wij in het ambt van diaken hebben ondergebracht, is het moeilijker duidelijke informatie aan de Schrift te ontlenen. Toch zijn er gegevens die wijzen in de richting van een officiële ambtelijke status (Filip. 1: 1; 1 Tim. 3: 1,8).
c. Duidelijke Schriftgegevens: geen vrouwelijke ouderlingen, wel vrouwelijke diakenen
Ouderlingschap. Paulus denkt hierbij niet aan vrouwen, maar aan sommige mannen. Zij gaan voor, vertegenwoordigen de gemeente en oefenen herderlijk gezag uit.
1 Kor. 11:3: het hoofd van de vrouw is de man
Bidden en profeteren behoren bij de categorie genadegaven en zijn geen ambtelijke activiteiten. In deze tekst brengt Paulus onder meer een rangorde aan in hun onderlinge verhouding en in die tot Christus. Hoofd-zijn geeft aan wie voorop gaat, voortrekker is, bepalend is voor wie na hem komen. Dit geldt niet alleen voor de huwelijksrelatie, maar hier juist voor het optreden in de gemeentesamenkomsten. Wat Paulus hier te berde brengt, betekent voor het ambt van oudste, dat immers gekenmerkt wordt door een bepaalde vorm van gezagsuitoefening, dat de gegeven rangorde tussen man en vrouw het volgens Paulus onmogelijk maakt, vrouwen als oudste te roepen. Dat zou die rangorde volledig in de war sturen.
1 Kor. 14:34-36: zwijgen in de gemeente
Paulus’ voorschrift aan vrouwen om te zwijgen, staat in het kader van allerlei regels om de goede orde in de gemeentesamenkomsten van de Korintiërs te waarborgen (vs. 26-40). Gezien de plaats die vrouwen ten opzichte van de man hebben, mogen zij van Paulus die ondergeschiktheid niet doorbreken. We hebben hier niet te doen met een absoluut zwijggebod. Het spreken-met-gezag is aan de mannen voorbehouden (uitleggen van tongen en profetieën) en dan moeten de vrouwen hun ondergeschiktheid in acht nemen en dus zwijgen van Paulus. Aangezien het onderwijs aan de gemeente een gezagstaak is en opgedragen aan de oudsten (ouderlingen), geeft deze tekst indirect aan, dat vrouwen, volgens Paulus, niet tot dit ambt geroepen kunnen worden: “Want het staat lelijk voor een vrouw te spreken in de gemeente.”
1 Tim. 2:11 en 12: (..) geen onderricht geven, geen gezag over de man (..) Wat in bovengenoemde teksten nog indirect bleek, wordt nu zonder omhaal van woorden expliciet en duidelijk door Paulus gezegd. Ook in deze tekst gaat het niet alleen maar over de huwelijksrelatie van man en vrouw, maar betreft het gezien het woordgebruik een algemene strekking. De regel waaraan Paulus ook hier vrouwen in de gemeente bindt is overduidelijk. Voor de apostel staat vast: vrouwen mogen niet tot het ambt van ouderling worden geroepen.

|140|

Tit. 1:5-6: (..) mannen aangesteld als oudsten
Uit deze tekst blijkt zonneklaar dat Paulus bij het ambt van oudste alleen aan mannen denkt.
Diakenambt: Rom. 16: 1 en 1 Tim. 3: 11 vormen duidelijke aanwijzingen dat er vrouwelijke diakenen waren, die een ambtelijke status hadden. 1 Tim. 3: 11 geeft aan dat Paulus hen toch wil onderscheiden van hun mannelijke ambtgenoten.
d. Samenvatting
• De bijbel maakt onderscheid tussen gaven en ambten.
• Oudsten moeten worden aangesteld voor onderwijs, opzicht en tucht, enz.
• Paulus denkt hierbij niet aan vrouwen, maar aan sommige mannen. Onderwijzen en gezag uitoefenen brengen dat met zich mee.
• Voor de hulpverlening in de gemeente werden zowel sommige mannen als vrouwen geroepen om diakenen te zijn.
e. Conclusie
Volgens Paulus is er wel ruimte om zusters der gemeente te roepen tot het ambt van diaken, maar nadrukkelijk niet tot dat van ouderling. Bij het ambt van ouderling (onderwijzen, vermanen) komt het onderdanig zijn van de vrouw aan de man, zoals Paulus dat voorschrijft, in gevaar.

D. De geldigheid voor ons van de Schriftplaatsen over de plaats van de vrouw in de gemeente
Als we besluiten het ouderlingenambt open te stellen voor vrouwen vinden we Paulus tegenover ons. De grote vraag is dan: hebben de betreffende teksten voor ons dezelfde geldigheid als voor de gemeenten, waaraan Paulus schrijft? Aan deze vraag zitten nogal wat haken en ogen.
1. Paulus’ woorden altijd geldig
We zullen deze uitspraak niet gauw op alle geboden, verboden en uitspraken toepassen (bijv. 1 Kor. 11: 2-16, 1 Tim. 2: 9; Tit. 1: 12, 13).
2. Paulus’ woorden cultuurgebonden
Sommigen wijzen op 1 Kor. 11: 13-15 en 1 Kor. 14: 35 voor de opvatting dat Paulus’ woorden moeten worden verstaan vanuit de culturele context. Paulus zou willen voorkomen dat de gemeente in een kwade reuk komt te staan op een in feite ondergeschikt punt.
3. Paulus’ woorden situatiegebonden
Deze opvatting wordt verdedigd met het argument dat de brieven ingaan op concrete situaties en omstandigheden. Zo zouden bijvoorbeeld in Korinte de vrouwen hebben bijgedragen aan de ongeregeldheden in de samenkomsten. Onze situatie is anders en daarom zouden wij in onze situatie anders mogen handelen dan Paulus toen voorschreef.
Een probleem met de opvattingen 2 en 3 is, dat voor Paulus de onderdanige positie van de vrouw ten opzichte van de man kennelijk meer is dan een natuurlijk of cultureel gegeven (1 Tim. 2: 13, 1 Kor. 11: 8,9); het is een met de schepping gegeven orde. Ook komt de vraag op of met het tijd- of situatiegebonden verklaren van de teksten over de plaats van de vrouw, we onszelf niet teveel vrijheid toekennen ten aanzien van de Schrift. Of zijn er criteria, die kunnen aangeven, welke bijbelse voorschriften door hun tijd- of situatiegebondenheid voor ons vandaag niet meer gelden en welke wel? Wat betekent in dat verband 1 Kor. 11: 13 voor ons?

|141|

E. Consequenties voor onze contacten met de CG kerken in Haarlem
Deze kerken hebben ons op last van hun particuliere synode gevraagd de weg van vrouwelijke ambtsdragers niet verder te bewandelen en zelfs die van de vrouwelijke diaken te verlaten. Als we besluiten ook vrouwen verkiesbaar te stellen voor ouderling, dan brengen de CG regels voor samenspreking met zich mee dat de CG kerken van Haarlem gedwongen worden de samenspreking met ons op te schorten.

A.5.7 Langerak

(Bron: Samenvatting van notulen van een commissievergadering mb.t het vraagstuk over de plaats van de zusters in de gemeente, 1999)

Kernbegrippen
Man en vrouw zijn beiden geschapen naar Gods beeld en stonden gelijk in de verhouding tot God (Gen. 1: 26-28).
Door Christus’ verlossingswerk vond wat dit betreft herstel plaats van hetgeen door de zondeval was aangetast (Gal. 3: 28).
Man en vrouw hebben — tegen de achtergrond van Gen. 1 — een verschillende rol en vullen elkaar aan (Gen. 2: 18-25; 1 Kor. 11: 11).
De man heeft t.o.v. de vrouw een beschermende taak (Ef. 5: 25-30).
De man is hoofd van zijn vrouw evenals Christus hoofd is van zijn gemeente: Hij is het die zijn lichaam in stand houdt (Ef. 5: 23, 1 Kor. 11: 3).
‘Heersen’: Heersen is het gevolg van de zondeval (Gen. 3: 16); dit is niet gelijk aan ‘hoofdschap’. Het ‘hoofdschap’ is aan broeders toegewezen, maar de gaven van de vrouw mogen niet onbenut blijven (Spr. 31: 10-31; Ri. 4; Ex. 15: 20; Hand. 21: 8-9; 1 Kor. 11; Hand. 2).

Kernteksten
(o.a. 1 Tim. 2: 11-12; 1 Kor. 14: 34: Ef. 5: 22-24; Kol. 3: 18; Gal. 3: 28). “Tijdens de avond over een aantal teksten concludeerden we, dat een aantal zaken, zoals letterlijk zwijgen, hebben betrekking gehad op een specifieke plaats en tijd (zie ook Ef. 6: 5). Het hoofdschap is echter gebaseerd op de schepping en derhalve niet aan tijd of plaats gebonden (1 Tim. 2: 13; 1 Kor. 11: 8-12). Dit hoofdschap is ten dienste van de gehele gemeente; niet om gediend te worden, maar om te dienen. Taken van ambtsdragers, die buiten regeren of hoofdschap vallen, o.a. op gebieden als onderwijs en pastoraat, kunnen ook door zusters vervuld worden. Dit hoeft niet perse binnen een bijzonder ambt, maar zou daar een goede aanvulling op zijn (‘Ambt aller gelovigen’).”

A.5.8 Nieuwegein

(Bron: Toelichting bij de INSTRUCTIE met betrekking tot de openstelling van het (diaken)ambt voor de zusters der gemeente aan de CG Classis Utrecht, maart 1997)

1. Motivatie
Reeds zo’n tien jaar staat het punt van de vrouwelijke ‘ambtsdrager’ op de agenda van de kerkenraad. Naar aanleiding van de LV te Dronten (1988) is de kerkenraad tot de conclusie gekomen dat er geen zwaarwegende schriftuurlijke bezwaren tegen de vrouwelijke diaken aan te voeren waren. Maar terwille van de bijzondere positie als samen-werkingsgemeente is besloten prioriteit te geven aan de opbouw van de eigen gemeente en niet teveel energie te steken in het aan de orde stellen van deze zaken in bredere kerkelijke vergaderingen. Op de LV van Apeldoorn/Utrecht 1995 hebben wij als kerkenraad

|142|

ingestemd met het voorstel om de openstelling van het diakenambt voor vrouwen in de vrijheid der kerken te laten. Tegen die achtergrond wordt voor ons de vraag dringender welke lijn we in onze gemeente willen volgen. In deze toelichting op de instructie geven we rekenschap van de bezinning en oordeelsvorming, die tot ons standpunt heeft geleid. Dit standpunt wordt gemeentebreed gesteund. We zijn eerst nagegaan wat naar onze mening pleit voor de openstelling van het (diaken)ambt voor de zusters der gemeente en vervolgens wat daartegen zou kunnen zijn. We hebben daarbij volstaan met verwijzingen naar de Schrift. Hoewel de instructie zich beperkt de vrouwelijke diaken, hebben onze conclusies betrekking op de openstelling van alle ambten.

2. Waarom ruimte voor de vrouwelijke diaken?
1. De Here heeft aan Zijn gemeente gaven gegeven om haar te leiden en te dienen. Daarbij wordt er geen onderscheid gemaakt tussen gaven alleen voor mannen of voor vrouwen.
2. Uit de Schrift blijkt uit vele voorbeelden, dat vrouwen in de geschiedenis van Gods volk en de gemeente van Christus een niet onbelangrijke plaats hebben ingenomen. Zeker gezien de positie van de vrouw in die tijd, is dat opmerkelijk.
3. In de nieuwe bedeling vallen verschillen tussen man en vrouw, die in de oude bedeling aanwezig waren, weg (2 Kor. 5: 17; Gal. 3: 28).
4. Er zijn twee plaatsen in het Nieuwe Testament waar mogelijkerwijs op directe wijze over vrouwelijke diakenen gesproken wordt (Rom. 16: 1; 1 Tim. 3: 11). Hoewel het wat ver gaat om uit deze teksten de conclusie te trekken dat de bijbel de vrouwelijke diaken heeft gekend, kan wel gesteld worden dat de vrouw in de gemeente ten volle in haar diensten is erkend.
5. De positie van vrouwen in de maatschappij is door allerlei oorzaken sterk veranderd. In die context wordt het in toenemende mate als onbegrijpelijk en onverteerbaar ervaren dat mannen en vrouwen in de kerk niet in alles op gelijke wijze kunnen functioneren. Moet dit gezien worden als de tijdgeest waartegenover wij ‘geheel anders’ moeten zijn? Wij menen van niet. Uitgerekend in de Schrift, wordt, waar het om de positie van de vrouw gaat, datgene wat in de toenmalige wereld betamelijk was, als argument gebruikt (1 Kor. 11: 14,15; 14: 35). In dat verband moet o.i. ook de matigende opstelling van de apostelen worden gezien tegenover alles wat als revolutionair zou kunnen worden opgevat.
Uit de Bijbel blijkt dus:
• dat de vrouw een belangrijk aandeel in de dienst van de Here heeft;
• dat dit wellicht ook plaats had in de vorm van een geordende dienst;
• dat de man/vrouw verhouding in de kerk niet losstaat van die in de wereld.

3. Welke bezwaren er (kunnen) zijn tegen de vrouwelijke diaken
1. Ook als we ons alleen tot het diakenambt beperken, willen we niet om de ‘zwijgteksten’ heen. De reden is dat we menen dat in de praktijk van onze gemeente de drie ambten van predikant, ouderling en diaken functioneren in gezamenlijke verantwoordelijkheid als het gaat om het leiding geven aan de gemeente.
In de zwijgteksten (1 Kor. 14: 34,35 en 1 Tim. 2: 12) verbiedt Paulus volgens ons alleen het spreken onder bepaalde omstandigheden. Vrouwen baden en profeteerden. Uit de gebruikte terminologie in 1 Kor. 14 (vs. 35 “te weten komen” is een technische term voor het vragen van consult) blijkt dat het hier gaat om het deelnemen aan discussies over de toepassing van het evangelie in de dagelijkse levenspraktijk. Voor vrouwen was dat in die tijd niet gepast. De apostel houdt daar duidelijk rekening mee en houdt de gemeente voor dat het lelijk is als vrouwen zich mengen in

|143|

dergelijke discussies. Het gebruik van het werkwoord dat Paulus in beide tekstgedeelten gebruikt (epitrepoo), vormt ook een aanwijzing dat hij niet aan een universeel verbod denkt. Het kan vertaald worden met: toestaan, verlof geven, en het wordt altijd gebruikt in situaties waarin rekening gehouden wordt met de omstandigheden (Mat. 19: 7,8; Luc. 8: 32; 9:5 9,61; Joh. 19: 38; Hand. 21: 39,40: Hebr. 6: 3). Wanneer de omstandigheden veranderen, vervalt ook de geldigheid van dit gebod. Wat te zeggen van de ‘onderdanigheidsteksten’ (Ef. 5: 22, 1 Kor. 11: 3, 1 Tim. 2: 13v, 1 Pet. 3: 1-7)? Al deze teksten staan in verband met de verhouding tussen man en vrouw in het huwelijk. Het lijkt ons niet juist deze verhouding te generaliseren en te stellen: de man is het hoofd van de vrouw.
Onze conclusie is dat noch aan de ‘zwijgteksten’ noch aan de ‘onderdanigheidsteksten’ argumenten ontleend kunnen worden om vrouwen uit te sluiten uit de ambtelijke dienst in de gemeente.
2. Hoe moeten we de kerkelijke traditie beoordelen, waarin vrouwen doorgaans uitgesloten waren van de ambten? Uiteindelijk is het zo dat de kerkelijke praktijk van het verleden geen doorslaggevend argument kan zijn om het in onze tijd zo te houden, als de Schrift het niet voorschrijft. Overigens vinden opvattingen van een bepaalde tijd altijd hun weerslag in de kerk. Niet ten onrechte. Zoals de Here in Christus mens geworden is en zoals Paulus de Joden een Jood en de Grieken een Griek geworden is, zo zal de kerk ook hebben te staan in de wereld.
3. Het zou schadelijk kunnen zijn voor de kerkelijke eenheid. De eenheid van de Kerk is gebaseerd op de eenheid in Christus. Eenheid hoeft niet te leiden tot eenvormigheid, zoals ook al in het Nieuwe Testament blijkt. Wat echter op de ene plaats goed en opbouwend is, is dat op de andere plaats niet. Daarom pleiten we niet voor uniforme openstelling van het diakenambt, maar om dit over te laten aan de vrijheid van de kerken.

A.5.9 Utrecht

(Bron: Vrouwelijke ouderlingen. Samenvatting van vier rapporten die in de jaren 1988-1992 zijn opgesteld door een studiecommissie van de NGK te Utrecht, bestaande uit ds. M.R. van den Berg, ds. W.G. Visser, D. Douw en W. van Rheenen.)

1. De rode draad: in Christus is geen sprake van mannelijk en vrouwelijk
Gal. 3: 28 grijpt terug op de situatie in ‘den beginne’ (Gen. 1: 27,28). Aan man en vrouw (beiden geschapen naar Gods beeld) wordt gelijkelijk de functie toebedeeld van het onderwerpen van de aarde en het heersen over de schepping. In het huwelijk — niet in de maatschappelijke en kerkelijke verhoudingen — is de man hoofd van de vrouw, maar daarbij gaat het niet over heersen, maar dienen (Ef. 5: 25). Het heersen van de man over de vrouw is geen scheppingsordening maar een straf op de zonde en daarom zeker geen norm. In het NT wordt teruggegrepen op Gods oorspronkelijke opzet, niet alleen ten aanzien van het huwelijk, maar ook ten aanzien van de plaats van de man en de vrouw in het algemeen. Daarbij worden aanzetten uit het Oude Testament uitgediept en gerealiseerd. Debora was een profetes die Israël richtte. Ze had een permanente en publieke functie als vrouwelijke rechter. Nergens wordt dit als rechter functioneren negatief geduid of als noodoplossing getypeerd. Ook enkele andere profetessen zijn bekend. Deze incidentele voorbeelden mogen worden gezien als een aanloop tot de nieuwe bedeling van de Geest, waarin mannen en vrouwen zonder onderscheid zullen profeteren. De Geest geeft zijn gaven evenzeer aan mannen als aan vrouwen. Paulus maakt daar

|144|

vrijmoedig gebruik van bij de prediking van het evangelie en bij de opbouw van de gemeente.

2. Tegenwerpingen: de vrouw regeert niet, maar zwijgt
Noch de afschaffing van de slavernij, noch de aanvaarding van vrouwelijke ouderlingen worden in het Nieuwe Testament met zoveel woorden voorgeschreven. Echter allebei liggen in het verlengde van de Nieuwtestamentische gegevens (zie Gal. 3: 28). Aan de belangrijkste tegenwerpingen wordt aandacht gegeven.
Vrouwen regeren niet
Het vaak gebruikte argument dat vrouwen geen ouderling kunnen zijn omdat ze geen leiding mogen geven, is sterk beïnvloed door een complex van misverstanden. In plaats van het bijbelse de man is het hoofd van zijn vrouw is men gaan zeggen: de man is het hoofd van de vrouw (in het algemeen). Daarbij werd het hoofd-zijn van de man ook nog eens ingekleurd volgens het ten onrechte als norm opgevatte heersen uit Gen. 3: 16. Eeuwenlang heeft het daardoor geen aandacht gekregen, dat volgens Gen. 1: 27,28, God het leiding geven en regeren in de schepping evenzeer aan de vrouw als aan de man heeft toegedacht.
Ambtelijk gezag
De Griekse woorden die er waren voor ‘ambt’ ontbreken in het NT. “Dat is niet zonder reden: alle gaven die Christus aan zijn gemeente geeft (..), vallen onder het hoofd: dienst, dienen. Het NT kent onze tegenstelling tussen genadegave (charisma) en ambt dan ook niet. Daarom zegt het ook nergens dat de ambten uitsluitend voor mannen gereserveerd moeten blijven (..). Bijbels gezien heeft niet 'het ambt' gezag, maar alleen het Woord van God dat de ambtsdragers brengen.”
Scheiding van ambten
Het NT noemt wel onderscheiden taken die aan ambtsdragers worden toegekend. Er is echter geen scherpe afbakening van de taken die bij het ambt van apostel, oudste en diaken horen. Het exclusief koppelen van bepaalde taken aan het ambt van ouderling, zoals later is gebeurd, kent het NT niet. Daarin ligt opgesloten, dat er geen principiële scheidslijn ligt tussen vrouwelijke diakenen en vrouwelijke ouderlingen.
Discipelen alleen mannen
Een soms gebruikt argument tegen vrouwelijke ambtsdragers is het feit dat Christus alleen mannen als apostelen uitkoos. Dit argument miskent de heilshistorische betekenis van dit gegeven. De twaalf apostelen vormen als het ware een fundament van de nieuwtestamentische kerk, net als de twaalf aartsvaders dat vormden voor de oudtestamentische kerk. Uit deze unieke positie kunnen geen generaliserende conclusies over vrouwen in het ambt worden getrokken. Dat doen we toch ook niet uit het feit dat Jezus de vrouwen die met hem meetrokken, niet bij de instelling van het Avondmaal betrok.
Zwijggebod voor vrouwen
De zwaarstwegende bezwaren tegen vrouwelijke ouderlingen worden ontleend aan 1 Kor. 14: 34 (In de gemeente moeten vrouwen zwijgen) en 1 Tim. 2: 12 (Ik sta niet toe dat een vrouw onderricht geeft of gezag over de man heeft). Dat het niet over een absoluut zwijggebod gaat, blijkt uit het feit dat vrouwen in de samenkomsten deelnemen aan profeteren en bidden (1 Kor. 11: 5; 1 Tim. 2: 9). Uit het tekstverband blijkt dat het gaat over het deelnemen aan discussies over de toepassing van het evangelie in de dagelijkse levenspraktijk. Binnen het bestaande cultuurpatroon was het deelnemen van vrouwen aan publieke discussies beperkt tot prostituees. Paulus’ voorschrift houdt hier rekening mee. Hij wil voorkomen dat de gemeente van Christus in opspraak komt door gedrag dat door buitenstaanders wordt geassocieerd met revolutionair optreden of met onzedelijkheid. Het is niet goed in te zien waarom deze teksten wel in stelling worden gebracht

|145|

tegen het openstellen van kerkelijke ambten voor vrouwen en niet tegen het deelnemen van vrouwen aan discussies binnen de gemeente.
Gebod of toestemming
Dat het bovengenoemde ‘zwijggebod’ niet is gebaseerd op een permanent geldig goddelijk gebod, blijkt ook uit een werkwoord dat zowel in 1 Kor. 14 als in 1 Tim. 2 wordt. Dit werkwoord is epitrepoo, en kan vertaald worden met toestaan, verlof geven, vergeven, toestemming geven. Het wordt in het NT steeds gebruikt in situaties waarin het al of niet geven van toestemming niet afhangt van een gebod van God, maar van de concrete omstandigheden van dat bepaalde moment, zie Mat. 19: 7,8; Luc. 8: 32; 9: 59, 61; Joh. 19: 38; Hand. 21: 39,40; Hebr. 6: 3. Het feit dat Paulus de vrouwen geen toestemming geeft in de publieke samenkomst van de gemeente deel te nemen aan de discussies, is dus niet gebaseerd op een altijd geldend goddelijk gebod, maar hangt af van de toenmalige omstandigheden. Zodra die omstandigheden niet meer van toepassing zijn, vervalt ook de daarop geënte regel.
Is onderschikking een scheppingsorde?
Bij het lezen van de eerste hoofdstukken van Genesis dient men onderscheid te maken tussen de plaats van de vrouw in de schepping (Gen. 1) en die in het huwelijk (Gen. 2). Het hoofd-zijn van de man is geen allesbeheersende scheppingsorde. Vaak wordt gedacht dat Adam in Gen. 2 als hoofd van het geschapene en dus ook (algemeen) van de vrouw getekend wordt. In zijn sleutelpositie representeert Adam wel al zijn nakomelingen, maar juist niet zijn vrouw. Eva zondigt zelf en nog wel als eerste. Evenmin valt uit Gen. 1-3 af te leiden, dat de man (Adam) gezag heeft over de vrouw (Eva), noch dat de man krachtens zijn hoofd-zijn de leiding behoort te hebben in de maatschappelijke orde. Gen. 2:19,20 functioneren in de context van Gen. 2 als inleiding op de schepping van de vrouw, waarbij niets erop wijst dat de vrouw een ondergeschikte positie zal innemen. Vóór de zondeval is er geen enkele aanwijzing dat de man hoofd is van zijn vrouw.

2. De man het hoofd van de vrouw: in het huwelijk
Vrouwen, weest uw man onderdanig, gelijk het betaamt in de Here. Mannen, hebt uw vrouw lief (Kol. 3: 18,19)

Paulus predikte dat in Christus de vrouw een gelijkwaardige positie naast de man krijgt. Echter het toenmalige maatschappelijke patroon was sterk doortrokken van de ondergeschiktheid van een vrouw aan haar man, die na de zondeval is ontstaan. Een vrouw die in Christus een gelijkwaardige positie naast haar man krijgt, moet er niet op uit zijn de maatschappelijke structuren revolutionair omver te werpen. Zij moet niet zichzelf zoeken, maar haar man. Zo moet het ook haar man niet om zichzelf gaan, maar hij moet het belang van zijn vrouw zoeken. Zo wordt niet de structuur van onderschikking overboord gegooid, maar van binnenuit afgebroken.
Jonge vrouwen moeten huishoudelijk zijn en aan haar man onderdanig, opdat het Woord Gods niet gelasterd worde (Tit. 2:5)
Jonge vrouwen moeten hun gezin niet verwaarlozen en zich ‘onderschikken’ aan hun man. Hoe ze dat moeten doen wordt hier niet gezegd, wel de motivering. Paulus is altijd heel erg op zijn hoede geweest voor het in de hand werken van een verkeerde beeldvorming omtrent het evangelie. Zijn oproep dat vrouwen zich moeten onderschikken aan haar man (ook 1 Kor. 14: 34) is er een waartoe de maatschappelijke context hem noopte. Nu in onze geseculariseerde maatschappij de consequenties van Gal. 3:28 veel eerder zijn getrokken dan in de kerk, is het hoog tijd dat we het accent gaan leggen op die bijbelgedeelten die de ondergeschiktheid van de vrouw van binnenuit uithollen en op losse schroeven zetten. Daarbij moeten we ons wel distantiëren van rivaliserende tendensen in de man-vrouwverhouding.

|146|

Het hoofd van de vrouw is de man (1 Kor. 11)
Ook dit gedeelte gaat uit van de onderschikking van de gehuwde vrouw aan haar man. Hoewel die rangorde hier wordt erkend, wordt die ook gerelativeerd (vs. 11,12). In Christus moet de man zich vanwege zijn hoofd-zijn niet op de borst kloppen, want hij is er alleen maar door de vrouw. Dat betekent concreet dat, anders dan in de synagoge, vrouwen in de samenkomsten mogen voorgaan in gebed en spreekbuis van God mogen zijn. Maar als ze door hun hoofdbedekking zich autonoom willen tonen, worden ze teruggefloten. Dat de bepalingen waar het hier om gaat, nauw samenhangen met het toen gangbare maatschappelijk patroon, blijkt wel als we ze vergelijken met de wijze waarop in het Oude Testament over hoofdbedekking van biddende mannen wordt gesproken.
Vrouwen, weest aan uw man onderdanig, (..) in alles (Ef. 5 vanaf vers 22)
De man is het hoofd van zijn vrouw, evenals Christus het hoofd is van zijn gemeente. Paulus gebruikt deze parallellie hier niet om het gezag en koningschap van Christus te benadrukken. Het enige wat hij over Christus als hoofd zegt is dat Hij zijn lichaam in stand houdt en zich voor zijn gemeente heeft overgegeven. De onderschikking van de vrouw wordt onmiddellijk geneutraliseerd door de man voor te houden dat hij het voorbeeld van Christus moet volgen.
Ik sta niet toe dat een vrouw onderricht geeft (1 Tim. 2 vanaf vers 11)
Het gaat er Paulus om dat de gehuwde vrouw in haar publieke optreden niet op een revolutionaire manier de toen gangbare patronen (epitrepoo) zou doorbreken. De daarop volgende argumenten (“Want eerst is Adam geformeerd, (..) En Adam heeft zich niet laten verleiden, maar de vrouw...”) zijn meer een speelse onderstreping, dan een beroep op een scheppingsordinantie. Vergelijk een andere manier van spreken door Paulus in Rom. 5: 14-21 en 1 Kor. 15: 21,22).
Zoals Sara Abraham gehoorzaamde (1 Pet. 3: 1-7)
Wat Petrus voorschrijft over de man-vrouwverhouding heeft dezelfde strekking als wat we bij Paulus vinden. Wel laat Paulus scherper uitkomen, dat het evangelie een radicale verandering van het leven in al zijn verbanden teweeg brengt.
Conclusie
In de hier besproken gedeelten van het Nieuwe Testament vinden we geen aanwijzingen, dat de man krachtens de scheppingsorde hoofd van de vrouw is in algemene zin. “De man is wel het hoofd van zijn eigen vrouw en dat impliceert een rangorde. Maar dat hoofd zijn dient in het evangelisch licht te worden gezien: als liefhebben en dienen.”

Nawoord
Na een uitvoerige bespreking in kerkenraad en gemeente gedurende een periode van vijf jaar, heeft de kerkenraad op 1 maart 1993 unaniem uitgesproken, dat hij geen dwingende bijbelse gronden ziet om de openstelling van het ouderlingschap voor vrouwen blijvend af te wijzen.

A.5.10 Zeist

(Bron: Verantwoording voor het besluit van de kerkenraad te Zeist inzake ‘vrouw in het ambt’, maart 1999)

1. Inleiding
Het onderwerp ‘Vrouw in het ambt’ is in Zeist — met tussenpozen — sinds 1981 in discussie. In 1991 is het diakenambt opengesteld voor zusters. In 1999 is in goed overleg met de gemeente een vervolgbesluit genomen, dat in het verlengde ligt van het in 1991 genomen besluit. De kerkenraad is van mening dat de bijbel ons in deze tijd niet verbiedt alle ambten voor zusters open te stellen. Deze verantwoording gaat in op vragen als:

|147|

• is deze mening niet een signaal van ‘wereldgelijkvormigheid’?
• wat is de ‘schriftuurlijke fundering’?
Hierbij kan de kerkenraad zich goed herkennen in de verantwoordingen van de NGK/CGK te Arnhem (1996) en in die van de NG kerk te Eindhoven (1998). Gedeelten daarvan zijn gebruikt.

2. Wereldgelijkvormigheid?
In aansluiting bij ‘Arnhem’: De Schrift waarschuwt ons voor wereldgelijkvormigheid, maar we worden ook gewaarschuwd in de samenleving niet onnodig aanstoot te geven. Voor velen is het feit dat vrouwen geen ambtsdrager kunnen worden een voorbeeld van schandelijke discriminatie van de vrouw. Vraagt God in deze tijd nog steeds van ons om het ambt voor zusters gesloten te houden?

3. Luisteren naar God
Tegen het duidelijke spreken van God hebben we niet in te gaan. Wat doe je dan met bijbelwoorden als in 1 Kor. 14: 34 en 1 Tim. 2: 12?
In aansluiting bij ‘Eindhoven’ (zie A.5.5 onder Schriftgezag): Het is veel te simpel om de discussie af te doen met een verwijzing naar die twee zwijgteksten. Men moet er oog voor hebben, dat patronen van ondergeschiktheid en van gelijkwaardigheid beide hun plaats hebben in de bijbel.
In aansluiting bij ‘Arnhem’ (zie A.2 onder B.7.2.): In 1 Kor. 14 gaat het niet om de problematiek van de vrouw in het ambt, maar om een ‘stichtend’ in plaats van aanstoot oproepend gedrag in de samenkomsten. In 1 Tim. 2 gaat het om een verbod, dat samenhangt met het gehuwd zijn en dat staat in het kader van vermaningen met betrekking tot het gebed voor de samenleving.

4. Over het verstaan van de Bijbel
Openstelling van het diakenambt kon nog op basis van exegetische motieven. De nu genomen stap heeft ook te maken met ons verstaan van de bijbel. Dan vervolgt de verantwoording met een uitgebreid citaat uit ‘Arnhem, blz. B.15 en B.16’ (zie in de huidige paragraaf A.2, punt B.7.2: Over het verstaan van de bijbel).

5. Visie op het ambt
“Niet ontkend kan worden, dat met name in het boek Handelingen (14: 23; 15: 6; 20: 28-31) wordt gesproken over ‘oudsten’, die verantwoordelijk zijn voor de koers van de gemeente. Naar onze mening doen we echter tekort aan de functies van het ambt als we alleen nadruk leggen op het ‘leiding geven’. Zou dit niet voortkomen uit een bepaalde visie op het ambt, waarbij sterke nadruk wordt gelegd op autoriteit en gezag? (..) Alle gaven die Christus aan zijn gemeente geeft (en dat zijn er nogal wat: Rom. 12: 6-8, 1 Cor. 12: 8-10, Ef. 4: 11) vallen onder het hoofd dienen-dienst (..). Bijbels gezien heeft niet ‘het ambt’ gezag, maar alleen het Woord van God, dat de ambtsdragers brengen.”

6. Standpuntbepaling t.o.v. het kerkverband
Waarom nu, waarom niet wachten? Het is in lijn met eerdere besluiten en met de ontwikkelingen in Zeist. Op de LV van Doorn 1998 heeft het door Zeist gesteunde voorstel van Arnhem het bij lange na niet gehaald en een definitieve besluitvorming kan nog lange tijd op zich laten wachten. Na overleg met de gemeente oordeelde de kerkenraad de tijd rijp om tot een vervolgbesluit te komen.
Verwijderen we ons of isoleren we ons daarmee van het kerkverband?
Zeist is een NG kerk, maar heeft het AKS niet ondertekend. In de regio Utrecht hebben de andere ‘vrije kerken’, te weten Baarn en Utrecht, eerder zulke besluiten genomen en

|148|

uitgevoerd. Het benoemen van vrouwelijke ouderlingen heeft binnen onze kerken gelukkig geen aanleiding tot daadwerkelijke verwijdering gegeven. Zeist wil één in geloof en belijden blijven met al de zusterkerken. Onderdeel van het besluit is dan ook om de zusterkerken te informeren, zowel regionaal als —indien gevraagd — landelijk.

7. Conclusie
De kerkenraad meent dat niet uit de Schriften kan worden afgeleid dat de Here het vervullen van ambten door zusters verbiedt, en dat het in overeenstemming met het geheel der Schriften is om zusters te roepen tot alle diensten in de gemeente, waaronder de ambten.
En hij is ervan overtuigd dat de Here ook aan zusters de gaven heeft gegeven tot dienen, tot het dragen van verantwoordelijkheid en tot het geven van onderricht en dat het niet goed zou zijn van deze gaven slechts gedeeltelijk gebruik te maken.

Rapport VOP (2003) BB

|149|

 

Bijlage B: Enkele keuzeproblemen bij de uitleg van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2

 

B.1 De beperkte doelstelling van deze deelstudie

In hoofdstuk 4 van ons rapport is nagegaan, welke exegetische onderbouwingen voor- en tegenstanders van de vrouw in het ambt geven voor hun standpunt. Ook is nagegaan of een van deze onderbouwingen zo sterk staat, dat die met gezag naar voren gebracht kan worden. Onze conclusie was, dat er aan beide kanten sprake is van een serieus luisteren naar de Schriften, maar dat duidelijkheid en eenduidigheid in de weg van de exegese niet gevonden zijn. Deze analyse en conclusie betreffen allereerst de belangrijkste argumentatielijnen. We vergeleken die met bouwwerken. Als we de afzonderlijke bouwstenen daarvan bekijken, de gebruikte Schriftgegevens, dan komen we in een aantal gevallen tot dezelfde conclusie.
Deze bijlage is bedoeld om voor de ‘zwijgteksten’ (1 Kor. 14: 34-35 en 1 Tim. 2: 11-15), meer gedetailleerd dan in hoofdstuk 4 mogelijk was, te laten zien hoe dat komt. We bespreken hoe in de discussie over de vrouw in het ambt wordt omgegaan met een aantal keuzeproblemen bij de uitleg ervan. Het gebruik van deze twee tekstgedeelten is onveranderlijk sterk omstreden als het gaat om het al of niet openstellen van de ambten voor vrouwen. Voor ons rapport vinden we het daarom relevant om opnieuw na te gaan hoe dat komt. Daarbij zal blijken, dat niet alleen tussen voor- en tegenstanders van de vrouw in het ambt de meningen over deze teksten fors verschillen, maar dat ook binnen beide groepen grote verschillen van mening bestaan. Dit geldt zowel exegetische als hermeneutische vragen bij deze bijbelgedeelten.

De deelstudie hieronder maakt vooral gebruik van vrij recente Nederlandse en Engelstalige publicaties uit gereformeerde en evangelicale kringen.1 Zelfs met die inperking worden we dan alleen al in de laatste vijftien jaar met een enorm aantal publicaties geconfronteerd. Verder beperken we ons zoveel mogelijk tot de argumenten die van exegetische aard zijn.
Onze bespreking volgt de indeling van de teksten. We kijken daarbij vooral naar de keuzeproblemen die te maken hebben met de aard, de betekenis en de redenen van Paulus’ voorschriften. Deze spelen in de discussie over de vrouw in het ambt immers de belangrijkste rol. Voorzover we beknopt commentaar geven, betreft dit vooral de verdedigbaarheid en de mate van waarschijnlijkheid van de keuzes die we aantroffen. In hoofdstuk 4 van ons rapport is op enkele onderdelen een wat verdergaande exegetische toetsing uitgevoerd dan in deze bijlage is gebeurd. Daar gebeurt dat binnen het kader van een bredere bezinning op het Schriftberoep.

 

B.2 1 Kor. 14: 34-35

34. Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen in de gemeenten zwijgen; want het is haar niet vergund te spreken, maar zij moeten ondergeschikt blijven, zoals ook de wet zegt. 35. En als zij iets willen te weten komen, moeten zij thuis haar mannen om opheldering vragen; want het staat lelijk voor een vrouw om te spreken in de gemeente.

Centraal in de onderstaande analyse staan de vragen naar de aard, de betekenis en de reden van het ‘zwijggebod’ in vers 34.


1 Deze deelstudie dateert grotendeels uit 1999.

|150|

B.2.1 De tekstkritische discussie over de verzen 34 en 35

Vragen: Behoren de woorden ‘Zoals in alle gemeenten der heiligen’ niet bij vers 33? Moeten vs. 34 en 35 niet na vs. 40 worden gelezen en zijn deze verzen wel authentiek?
Relevantie: Als de verzen 34 en 35 achter vs. 40 zouden kunnen worden gelezen of niet van Paulus zouden zijn, is dat niet zonder gevolg voor de mogelijke betekenis en voor het gebruik ervan in de discussie over ‘vrouw en ambt’.

1. De vraag of de woorden ‘Zoals in alle gemeenten der heiligen’ het slot vormen van vs. 33 of het begin van vs. 34, wordt verschillend beantwoord. Chrysostomus, Calvijn en de Statenvertaling zijn voorbeelden uit het verleden, waarbij in afwijking van de NBG-Vertaling, deze woorden op het voorafgaande betrokken worden. Onder hedendaagse exegeten gaan de standpunten nog steeds uiteen.2 Met betrekking tot de betekenis van vs. 34 en 35, speelt het antwoord op deze vraag vooral een rol in de hieronder te bespreken tekstkritische kwestie, over de juiste plaats en over de authenticiteit van deze verzen. Als vs. 34 en 35 na vs. 33 behoren te worden gelezen, lijkt het antwoord op de eerste vraag nauwelijks van belang voor de discussie over de vrouw in het ambt.
2. Een minderheid onder de verklaarders meent echter, dat na de woorden ‘gemeenten der heiligen’ de oorspronkelijke tekst waarschijnlijk verder ging bij (vs. 36): “Of is het woord Gods bij u begonnen?” Twee hedendaagse vertegenwoordigers van deze opvatting zijn D. Holwerda en Gordon D. Fee. Zij verdedigen dat de tussenliggende tekst (vs. 34 en 35) oorspronkelijk niet na vs. 33 stond, maar in de kantlijn van de tekst zou zijn toegevoegd.3 In verschillende groepen handschriften zijn deze verzen later in de tekst terechtgekomen, soms na vers 33 en soms na vs. 40. Fee4 vindt dat deze laatste groep niet kan worden afgedaan als ‘een paar handschriften’. Volgens hem vormen ze in feite “the whole of the known non-Vulgate, and therefore pre-Vulgate, evidence for the Western text. (..) We are dealing with the entire surviving evidence for the shape of the text in the West before 385 CE.” Holwerda pleit op grond van ‘inwendige’ aanwijzingen voor plaatsing na vs. 40. Fee gebruikt voor een deel dezelfde argumenten tegen plaatsing direct na vs. 33, maar verdedigt verder de opvatting dat hier sprake is van een tekstdeel dat vast niet van Paulus afkomstig is. Andere auteurs gaan uitvoerig en kritisch op een aantal van deze


2 Voor het behoren tot vs. 33 pleiten o.a. Holwerda en Fee. Zie Holwerda D., De omlijsting van 1 Cor. 14:34-35, in De Schrift opent een vergezicht, Kampen 1998, 543-544; Idem, Discussie-nota inzake vrouwelijke ambtsdragers, 586 n.3; Idem, Antwoord aan Ds. G. Janssen, 588; Fee, Gordon D., The First Epistle to the Corinthians, (The New International Commentary on the New Testament), Grand Rapids 1987, 697-698; Fee, Gordon D., God’s Empowering Presence: The Holy Spirit in the Letters of Paul, Carlisle 1994, 255-256.
Voor het behoren tot vs. 34 pleiten o.a. Carson en Perriman, Zie Carson, D.A., Silent in the Churches: On the Role of Women in 1 Corinthians 14:33b-36, in Recovering Biblical Manhood and Womanhood: A Response tot Evangelical Feminism, ed. J. Piper, W. Grudem, Wheaton, Illinois 1991, 140-141; Perriman, Andrew, Speaking of Women, Interpreting Paul, Leicester 1998, 107-108.
3 Holwerda D., De omlijsting, 540-552. Idem, Discussie-nota, 579-580, 586-587. Fee, Gordon D., First Epistle, 697-713. Fee, Gordon D., God’s Empowering Presence, 272-281.
4 Fee, Gordon D., God’s Empowering Presence, 274.

|151|

argumenten in5. Daarbij verdedigen ze zowel de authenticiteit van deze verzen, als de plaatsing ervan na vs. 33.
We hebben niet de indruk gekregen, dat deze vaak nogal specialistische discussie definitief is beslist. Het leek ons echter beter om als kerkelijke studiecommissie deze vragen maar te laten liggen waar ze horen, namelijk bij de ‘professionals’. Tegelijkertijd zagen we geen overtuigende reden om de vragen waartoe de handschriftgegevens aanleiding geven, te bagatelliseren respectievelijk te negeren. Echter het open laten van tekstkritische vragen heeft als consequentie, dat het aantal keuzeproblemen bij de betekenisbepaling van deze verzen groter wordt. In de verdere bespreking gaan we op zulke ‘extra mogelijkheden’ nauwelijks in. Maar met het niet uitsluiten van deze tekstkritische onzekerheid, relativeren we onvermijdelijk enigszins de gewichtige plaats die aan deze ‘zwijgtekst’ in de discussie over vrouw en ambt wordt toegekend.

B.2.2 Zwijgen en spreken

Vraag: Is het eenduidig vast te stellen welk soort spreken hier verboden wordt?
Relevantie: De woorden zwijgen en spreken worden hier absoluut (dat wil zeggen zonder beperkende kwalificaties) gebruikt. Echter slechts weinig verklaarders willen deze woorden als een absoluut zwijggebod opvatten. De grote meerderheid meent dat het hier om een bepaald soort spreken gaat. Voor deze deelstudie is vooral de vraag van belang met welke zekerheid de aanleiding voor en de aard van dit zwijggebod kunnen worden vastgesteld.

Twee van de argumenten waarom verreweg de meeste hedendaagse verklaarders het spreken en zwijgen niet absoluut opvatten zijn:
a. Er is dan strijdigheid met 1 Kor. 11. Daar blijkt dat vrouwen deelnamen aan het profeteren en het bidden in de samenkomsten van de gemeente.
b. Analogie-argument: Vs. 35 verbiedt toch ook niet in absolute zin aan vrouwen om in de samenkomsten iets te weten te komen? D. Holwerda schrijft: “Ik zou willen vragen: als een vrouw in de kerk geen mond mag opendoen (vs. 34 absoluut verstaan) èn er niets mag opsteken (vs. 35 absoluut verstaan), wat moet ze er dan nog? Kan ze dan niet beter thuisblijven?”
Alle verklaarders die dit voorschrift niet absoluut opvatten, moeten dus zoeken naar een specifieke betekenis voor het spreken en zwijgen. Bij het vinden van ‘oplossingen’ hiervoor worden argumenten ontleend aan de directe context, aan een vergelijkende interpretatie van andere schriftplaatsen en aan de fragmentarische kennis van de toenmalige zede. Unanimiteit hierbij is (ook onder orthodoxe exegeten) ver te zoeken.


5 Carson, D.A., Silent, 141-145 tegenover Fee (First Epistle, 697-713). Fee (God’s Empowering Presen-ce, 272-281) gaat uitvoerig in op de hiervoor genoemde kritiek van Carson. Andrew Perriman verdedigt ook plaatsing na vs. 33. Behalve op de hiervoor genoemde publicaties van Fee (First Epistle) en Carson (Silent) gaat hij tevens in op enkele recentere publicaties (Speaking, 103-107).
6 Respectievelijk H. de Jong, Paulus’ gebruik van Genesis 1-3 inzake de man-vrouw-verhouding, in Begeleidend schrijven. 25 jaar Theologische StudieBegeleiding, Amsterdam 1994, 75 en de rapporten van de CG Deputaten in de publicatie Vrouw en Ambt, (Uitgave onder verantwoordelijkheid van de Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland 1998), Amsterdam 1999. De kritiek van De Jong vormt een reactie op Opbouwartikelen van D. Holwerda uit 1978 (heruitgegeven in 1998: Discussie-nota, 575-587), niet op de latere artikelen van Holwerda over deze kwestie (heruitgeven in 1998: De omlijsting, 540-552).
7 Holwerda, D., Discussienota, 581.

|152|

Daarnaast geven de hierboven genoemde tekstkritische vragen een extra onzekerheid. Plaatsing van deze verzen na vs. 40 leidt bij D. Holwerda tot de mogelijkheid om vs. 34 te laten aansluiten bij het spreken in tongen van vs. 39.8

Tegenstanders van de vrouw in het ambt hebben gemeenschappelijk, dat ze zoeken naar een verklaring die past bij de overtuiging dat de Schrift leert dat de man hoofd is van de vrouw (1 Kor. 11: 3).
D.A. Carson is een van de velen, die menen dat Paulus hier het meedoen door vrouwen aan het beoordelen van de profetieën verbiedt. Over de ordelijkheid tijdens het profeteren gaat het in de voorafgaande verzen. In vers 34 gaat het over een activiteit die niet past bij het rollenpatroon dat volgt uit de scheppingsorde in Gen. 2:20b-24. Het zorgvuldig beoordelen van profetieën valt volgens Carson onder dezelfde ambtelijke functie waartoe ook het gezaghebbend leren aan mannen hoort. Dat is iets wat Paulus in 1 Tim. 2: 11v. aan vrouwen verbiedt.9
Voor het meerderheidsrapport van de CG Deputaten is de precieze aanleiding voor het zwijggebod niet echt duidelijk.10 Iedere vorm van ordeverstorend en gezagsondermijnend spreken wordt verboden. Het gaat hier om een vorm van spreken waardoor de orde die in alle kerken geldt (vers 33) wordt verstoord. “De aard en betekenis van dit apostolisch voorschrift reikt verder dan de huwelijksverhouding van gemeenteleden in Korinthe. Het raakt de orde die God in alle gemeenten wil zien, gegrond als zij is op gezagsverhoudingen die in de schepping gegeven zijn”.

Kijken we naar de voorstanders van de vrouw in het ambt, dan is de enige grote lijn die de meerderheid van hen verbindt, dat ze de bovengenoemde koppeling van het spreken aan het leidinggeven in de gemeente niet maken. Vooral de samenhang met elementen uit vers 35 wordt gebruikt om de specifieke betekenis van het ‘spreken’ in vs. 34 op het spoor te komen. Die elementen zijn het ‘willen te weten komen’, het ‘thuis haar mannen om opheldering vragen’ en het ‘lelijk’. Men komt dan voor de specifieke betekenissen van ‘spreken’ uit op ordeverstorende interrupties door vrouwen, het de eigen echtgenoot beleren of passeren door ongepaste vragen te stellen of door het deelnemen aan een publiek debat, enz. Zie hierover ook B.2.5 en B.2.6.

We vonden slechts enkele recente publicaties, die in afwijking van de hierboven genoemde verklaarders pleiten voor een bredere strekking van het hier gegeven zwijggebod.
Gordon D. Fee verdedigt een ‘absolute’ strekking, dat wil zeggen een algeheel verbod om zich uit te spreken in het openbaar. Echter voor hem is de kennelijke strijdigheid met 1 Kor. 11 geen probleem, gezien zijn tekstkritische opvatting dat vs. 34 en 35 vast niet van Paulus afkomstig zijn. De opvatting, dat het spreken uit vs. 34 specifiek zou slaan op het ‘beoordelen van profetieën’, bestrijdt hij.12 Ook Andrew Perriman doet dit laatste13 en ook hij meent dat het zwijggebod een veel wijdere strekking heeft dan dat het alleen zou slaan op ongepaste manieren van interrumperen of vragen stellen, of op


8 Holwerda, D., Discussienota, 580.
9 Carson, D.A., Silent, 152.
10 V&A, 76-79.
11 Fee, Gordon D., First Epistle, 705-707.
12 Fee, Gordon D., First Epistle, 703-704.
13 Perriman, Andrew, Speaking, 112.

|153|

meedoen aan een publieke discussie. Hij ziet echter geen tegenspraak met 1 Kor. 11. Hij meent dat het deelnemen door vrouwen aan alle vormen van gesprekken in de publieke samenkomst in die tijd als ongepast werd beschouwd. Alleen als ze opstonden en haar hoofd bedekten voor het uitspreken van gebed of profetie (1 Kor. 11) verviel deze ‘zwijgplicht’.14

Om vast te stellen of we aan vers 34 zelf doorslaggevende argumenten kunnen ontlenen om de aard van het zwijggebod vast te stellen, moeten we eerst de verdere toevoegingen in vers 34 bekijken.

B.2.3 “.. maar zij moeten ondergeschikt blijven ..”

Vraag: Aan wie of waaraan moeten de vrouwen ondergeschikt blijven?
Relevantie: Ook de toevoeging ‘ondergeschikt blijven’ wordt in de absolute vorm gebruikt. Veel verklaarders menen dat deze woorden op de plaats van de vrouw ten opzichte van de (of haar) man slaan. Anderen betrekken het ‘ondergeschikt blijven’ (of ‘zich onderschikken’) hier op de orde in de gemeente. Deze toevoeging, die bij de redengeving van het zwijggebod hoort, speelt in de discussie over de vrouw in het ambt dus een belangrijke rol bij de nadere bepaling van de aard van dat zwijggebod.

Bij de interpretatie 'onderdanig aan de (haar) man' heeft de verwijzing naar Gen. 3: 16 oude papieren. Een tegenwoordig breed gedeelde opvatting is echter dat Gen. 3: 16 geen ‘norm’ voor onderdanigheid bevat, maar een voorzegging is van een realiteit die gevolg is van de zondeval. Meerdere verklaarders, die menen dat het hier om onderdanigheid van de vrouw aan de (haar) man gaat, denken dan ook bij deze woorden niet primair aan een verwijzing naar Gen. 3, maar naar ‘de scheppingsordinantie’, die ze in Gen. 2 lezen. (Zie ook B.2.2)

We vonden echter ook enkele interpretatievarianten, die het ‘ondergeschikt blijven’ (of ‘zich onderschikken’) niet op de verhouding tussen man en vrouw betrekken, maar op de orde in de gemeente (verzen 33 en 40).15
B. Witherington denkt dat de aanleiding ligt bij vrouwen die tijdens de beoordeling van profetieën ongepaste vragen stellen of dit op ongepaste wijze doen. Vrouwen willen lering ontvangen, maar hun optreden leidt tot een aantasting van wat als gepast wordt beschouwd. Net als het eerder gecorrigeerde optreden, veroorzaken vrouwen hiermee wanorde (vs. 33) en ook nu heeft dat tot gevolg dat niet allen lering en opwekking ontvangen (vs. 29). Het ‘zich onderwerpen’ of ‘ondergeschikt blijven’, is volgens hem hier betrokken op het beginsel van ordelijkheid en betamelijkheid voor de samenkomsten van de gemeenten. Dit zou dan verklaren waarom hier de absolute vorm van ‘onderdanig blijven’ gebruikt wordt.16


14 Perriman, Andrew, Speaking, 120-121. Zie ook noot 16 hieronder.
15 D.A. Carson (Silent, 146) karakteriseert zulke varianten als onwaarschijnlijk. Perriman, (Speaking, 122) bestrijdt Carson.
16 Witherington III, B., Women in the Earliest Churches, Cambridge, U.K. 1988, 102-103. Perriman (Speaking) betrekt net als Whitherington de onderdanigheid op het gedrag in de kerkelijke samenkomst. Hieraan wordt volgens hem gerefereerd in de tekst en niet aan de aanwezigheid van de echtgenoten (122). Echter volgens hem hangt dit verbod wel nauw samen met het vrouw-zijn. Toenmalige beperkingen voor het publieke spreken van vrouwen lijken hem de voornaamste achterliggende reden voor het verbod. ➝

|154|

Ook het meerderheidsrapport van de CG Deputaten meent dat het mogelijk is om vs. 34 als ordemaatregel op te vatten. Maar volgens dat rapport betreft het dan een algemeen en blijvend geldende orde, niet het rechtzetten van een incident. Het zou de apostel gaan om het terugleiden van de gemeente van Korinte tot de orde die in alle kerken geldt (vers 33). “Voor het leidinggeven aan de gemeente heeft God gezagsverhoudingen gegeven, gegrond in de schepping. Vrouwen zijn niet uitgesloten van de Geestesgaven, maar het blijft hen verboden daar op zodanige wijze mee naar voren te treden in de gemeente, dat de van God gegeven orde zou worden verbroken. Het leidinggeven aan de gemeente is daarbij weggelegd voor de man. Het Griekse werkwoord hypotasssomai (ondergeschikt blijven, vers 34) betekent hier dan ook: een zich in gehoorzaamheid schikken naar de van God gegeven en door God gewilde taxis (orde, vers 40).”17 Een conclusie schorten we op tot na B.2.4.

B.2.4 “.. zoals ook de wet zegt...”

Vragen: Over welke wet gaat het en waar wordt met zoveel woorden gezegd, dat vrouwen moeten zwijgen in de samenkomsten en/of ondergeschikt moeten blijven?
Relevantie: Hoewel het hier om een bijkomende argumentatie lijkt te gaan, mogen deze woorden niet worden genegeerd als we een antwoord zoeken op de vraag naar de aard van het zwijggebod.18

Wat betekent wet hier? Op andere plaatsen waar Paulus zich in deze brief voor een gedragsregel beroept op de wet (9: 9; 14: 21) wordt een tekst uit het OT aangehaald. Hier niet. Vandaar dat er nogal uiteenlopende betekenissen aan deze woorden zijn gegeven. Omdat rechtstreekse aanwijzingen ontbreken, blijken de keuzes sterk afhankelijk te zijn van de strekking die men aan de gehele passage toekent. Geopperd zijn onder meer: de Romeinse wet, de wet van Mozes, de vijf ‘boeken van Mozes’, het Oude Testament, het OT én de rabbijnse traditie, en de rabbijnse traditie.
Volgens ons zijn voor de opvatting dat hier wordt verwezen naar buitenbijbelse wetgeving, noch hier noch elders bij voorschriften van Paulus, aanwijzingen te vinden.

Gaan we ervan uit dat het hier gaat om een verwijzing naar het Oude Testament, dan zijn er nog steeds meerdere mogelijkheden. In B.2.2 en B.2.3 noemden we al de verwijzingen naar Gen. 2 en 3. 


➝ Noch in de volksvergaderingen, noch in de synagogen was zoiets toegestaan. Door een te grote publieke vrijheid voor vrouwen liepen de gemeenten gevaar om geassocieerd te worden met uit moreel en religieus opzicht verwerpelijke toenmalige culten (119) en om onnodige drempels op te werpen voor de Joden (130). Ook het minderheidsrapport de CG Deputaten betrekt het ‘zich onderschikken’ op de orde in de gemeente. “En met die orde bedoelt Paulus zonder enige twijfel de regel van het goede en stichtelijke verloop van de samenkomst van de gemeente.” (V&A, 121) En n.a.v. vers 40: “Het woord orde (taxis) verwijst in de oude wereld naar wat op alle levensterreinen als de normale orde kan worden gezien ... Dus: wat netjes, fatsoenlijk, behoorlijk is.” (V&A, 135, n. 80).
17V&A, 78-79. Hier tegenover merkt Gordon D. Fee (First Epistle, 697) bij vs. 33 op, dat Paulus het woord vrede en niet het woord orde tegenover wanorde gebruikt. Dat woord vrede en de woorden betamelijk en in goede orde uit vers 40, laten volgens hem zien waar het Paulus in al deze vermaningen vooral om gaat. Dat is dat voor elk optreden in de samenkomsten vereist is dat het de harmonie niet schaadt, maar dient tot opbouw van het geheel (vs. 26).
18 O.a. het Studierapport (1991) vat deze verwijzing naar de wet, in samenhang met het slot van vers 37 (‘gebod des Heren’), op als aanduiding van het structurele onderscheid dat er bijbels gezien zou zijn tussen man en vrouw. Daaruit zou blijken dat het hier gegeven voorschrift niet alleen berust op argumenten, die ontleend zijn aan de specifieke culturele situatie. (72, 83)

|155|

B. Witherington meent dat wet hier net als in vs. 21 staat voor Oude Testament.19 Bij het beargumenteren van zijn opvatting over wat ‘zich onderschikken’ hier betekent (zie B.2.3), geeft hij speciaal aandacht aan de toevoeging ‘zoals ook de wet zegt’. Hij bespreekt de oudtestamentische teksten waarin volgens hem een samenhang tussen zwijgen en zich onderschikken aan de orde is. Hij meent dat Job 29: 21 het dichtst in de buurt komt bij waar het hier in vers 34 waarschijnlijk over gaat. In Job 29 gaat het over respectvol zwijgen wanneer woorden van wijsheid worden gesproken. Paulus’ voorschrift zou hier dus volgens hem, net als ook in de voorafgaande verzen gebeurt, een verkeerde manier van optreden in de samenkomsten corrigeren.

Hoewel we geen enkele van de voorgedragen keuzes dwingend vinden, lijkt het ons toch het meest aannemelijk dat Paulus hier een of meer gedeelten uit het OT op het oog heeft.

Op grond van bovenstaande analyse van enkele keuzeproblemen bij vers 34 hebben we nog onvoldoende duidelijkheid om de aard van het zwijggebod precies vast te stellen. We moeten dus nagaan of de uitleg van vers 35 daarin verandering brengt.

B.2.5 “En als zij iets willen te weten komen, moeten zij thuis haar mannen om opheldering vragen;..”

Vraag: Waarom verbiedt Paulus vrouwen hier het stellen van vragen in de gemeentesamenkomst als het kennelijke doel is om iets te leren?
Relevantie: In de discussie over de vrouw in het ambt spelen deze woorden vooral bij de voorstanders een rol bij het bepalen van de aard van het zwijggebod uit vers 34.

Er zijn nogal wat varianten van de wijze waarop men dit vers in verband brengt met het zwijgen en onderdanig blijven uit het voorafgaande. Dat het hier alleen maar om een ongepaste wijze van spreken zou gaan, wordt even vaak beweerd als betwijfeld. Het argument ertegen is, dat dergelijke incidentele ontsporingen eerder in hoofdstuk 14 eenvoudig met zoveel woorden worden gecorrigeerd.
Net als het spreken en zwijgen uit vers 34 betrekt D.A. Carson ook het ‘willen te weten komen’ op het beoordelen van profetieën. Zoals we in B.2.2 al zagen, plaatst hij zulk beoordelend spreken in het openbaar onder de noemer van het gezaghebbend onderricht geven, hetgeen vrouwen niet is toegestaan. Natuurlijk mogen ze de vragen, die over zulke profetieën bij hen opkomen, wel thuis stellen aan haar echtgenoten. D. Holwerda20 betrekt 1 Tim. 2: 11, 5: 13 en 2 Tim. 3: 7 in zijn overwegingen om te bepalen welk soort onderricht ontvangen (‘te weten komen’) Paulus hier op het oog heeft. Hij vermoedt dat het woord dat hier voor ‘vragen’ gebruikt wordt, wijst op een vorm van ‘consulteren’, waarbij gemeenteleden hun individuele (of groeps-) moeilijkheden naar voren brachten. Als antwoord ontvingen ze dan concrete aanwijzingen en adviezen voor de toepassing van het evangelie in hun bijzondere situatie.21 Bij een dergelijk optreden door vrouwen ziet Paulus, volgens Holwerda, twee gevaren dreigen: a) aantasting van


19 Witherington III, B., Women, 102-103.
20 Holwerda D., Discussie-nota, 580-583.
21 Voor ‘vragen’ in de betekenis van ‘consulteren’ verwijst D. Holwerda naar Luc. 3: 10-14. In 4.6.3.4 is het betoog van Holwerda op dit onderdeel wat uitgebreider weergegeven en beoordeeld dan hier.

|156|

de goede zede van die dagen door openbare discussie van een vrouw met mannen22; b) miskenning door de gehuwde vrouw van het gezag van haar man.
Enkele uitleggers die in vers 34 een meer categorisch verbod lezen, zien deze woorden als een verduidelijkende toevoeging. Immers, natuurlijk wil Paulus vrouwen niet verhinderen om een antwoord te krijgen op de vragen die bij hen opkomen.
Voor alle genoemde opvattingen geldt dat de aanwijzingen ervoor in de tekst alleen indirect zijn. Dat leidt er volgens ons toe dat er meerdere exegeses verdedigbaar, maar daarom nog niet dwingend zijn.

B.2.6 “.. want het staat lelijk voor een vrouw om te spreken in de gemeente.”

Vraag: Slaat het gebruik van het woord ‘lelijk’ (Grieks: aischron) op het in strijd komen met de goede zede van die dagen?
Relevantie: Het woord ‘lelijk’ wordt door meerdere uitleggers gezien als een belangrijke aanwijzing voor het soort spreken dat hier (in vs. 34 en 35) verboden wordt. Sommige voorstanders van de vrouw in het ambt zien in dit woordgebruik zelfs een doorslaggevende aanwijzing, dat het hier om een voorschrift gaat dat zo sterk door de toenmalige culturele situatie gestempeld is, dat er van blijvende geldigheid geen sprake is.

Zowel bij voor- als tegenstanders van de vrouw in het ambt zijn er verklaarders, die stellen dat het hier om een bepaald soort ‘spreken’ gaat waarbij de goede orde in de samenkomsten wordt verstoord. Dat wil echter nog niet zeggen, dat ze gelijk denken over de strekking van het gebruikte woord ‘lelijk’.
Het meerderheidsrapport van de CG Deputaten zegt over ‘lelijk’ onder meer het volgende: “Ook al zou het aangesloten hebben bij de algemene fatsoensnorm van die dagen dat het lelijk staat voor een vrouw om te spreken in de gemeente, dan nog is voor de apostel een andere motivatie van doorslaggevend gewicht, namelijk dat zulk gezaghebbend spreken van vrouwen ingaat tegen de orde van God (vers 33) en de wet van God (vers 34). Daarom staat het lelijk (vers 35).”23
D. Holwerda24 verdedigt de betekenis ‘oneerbaar’ voor aischron, met verwijzing naar Ef. 5: 12, Kol. 3: 8, en 1 Kor. 11: 6. Ook Andrew Perriman, die wat uitgebreider hierop ingaat, meent dat in de cultuurwereld van Paulus’ gemeenten, de begrippen ‘schandelijk en schamen’ in de eerste plaats betrekking hadden op het publiek onaanvaardbare en niet in de eerste plaats op zaken die in zichzelf verkeerd zijn. Echter dit laatste valt er niet altijd buiten (Rom. 6:21).25

De laatstgenoemde overwegingen bij de slotwoorden van vers 35 zijn volgens ons legitiem bij het nadenken over de hedendaagse toepassing van deze voorschriften. Ze laten ruimte voor de opvatting, dat het aspect van ‘cultuurgebondenheid’ bij het verstaan en toepassen van de voorschriften uit deze verzen een belangrijke rol zou moeten spelen.


22 In een latere notitie illustreert D. Holwerda met een citaat van de Romeinse auteur Livius, wat er in de dagen van Paulus tot de goede zede behoorde met betrekking tot het door vrouwen in het openbaar aanspreken van ‘vreemde’ mannen. Zie Holwerda D., Achtergrondinformatie bij 1 Cor 14:35, 593.
23V&A, 79-80.
24 Holwerda D., Antwoord, 589.
25 Perriman, Andrew, Speaking, 131-133.

|157|

Net als dat volgens ons het geval is bij het voorschrift met betrekking tot het met bedekt hoofd bidden en profeteren in 1 Kor. 11. De mening van George en Dora Winston26, dat zo’n benadering een hermeneutische dwaalweg is, die het volledige, onafhankelijke gezag van de Schrift ondermijnt, is volgens ons dan ook een overtrokken negatieve kwalificatie.

B.2.7 Eerste tussenbalans

Overzien we nu wat we in de subparagrafen hierboven over 1 Kor. 14: 34-35 hebben weergegeven, dan kunnen we een tussenbalans opmaken. Die is dat we in deze verzen zelf niet een zodanige duidelijkheid over de aard van het zwijggebod vinden, dat die iets beslissends zou opleveren voor de discussie over de vrouw in het ambt. Volgens ons zijn meerdere van de voorgestelde exegeses goed verdedigbaar. Echter geen van de aan de teksten zelf te ontlenen argumenten om de aard en de reikwijdte van het zwijggebod vast te stellen, is volgens ons doorslaggevend overtuigend.

 

B.3 1 Tim. 2: 11-15

11. Een vrouw moet zich rustig, in alle onderdanigheid, laten onderrichten, 12. maar ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft of gezag over de man heeft; zij moet zich rustig houden. 13. Want eerst is Adam geformeerd, en daarna Eva. 14. En Adam heeft zich niet laten verleiden, maar de vrouw is door de verleiding in overtreding gevallen, 15. doch zij zal behouden worden, kinderen ter wereld brengende, indien zij blijft in geloof, liefde en heiliging, met ingetogenheid.

Bij dit tekstgedeelte beperken we onszelf opnieuw tot slechts enkele keuzeproblemen die te maken hebben met de aard, de betekenis en de reden van Paulus' voorschriften. Centraal in de discussie over de vrouw in het ambt staat het vaststellen van de aard van het verbod in vs. 12 en van de argumentatieve betekenis van de verzen 13 en 14. De nadruk in de onderstaande behandeling van deze punten, ligt daarbij op dit tekstgedeelte zelf. Echter in veel studies spelen ook argumenten die aan de context van de hele brief worden ontleend een belangrijke rol.27

B.3.1 “Een vrouw..”

Vraag: Vormt de combinatie van de gebruikte woorden voor vrouw (gunè) en man (anèr) een aanwijzing dat het hier primair om gehuwde


26 Winston, George en Dora, Vrouwen in de gemeente van Christus, Apeldoorn 1997, 26-34. Deze schrijvers en ook D. A. Carson (Silent), laten een bespreking van aischron (‘lelijk’) achterwege. Ook vele andere discussies over deze verzen negeren de hierboven aangeduide argumenten over het sterk cultuur-bepaald zijn van datgene wat als betamelijk wordt beschouwd.
27 Zie o.a. Boer, C. den (samensteller), Man en Vrouw in bijbels perspectief, Een bijbels-theologische verkenning van de man-vrouwverhouding met het oog op de gemeente, Kampen 1985, 112; Moo, D., What Does It Mean Not to Teach or Have Authorithy Over Men? 1 Timothy 2: 11-15, in Recovering Bi-blical Manhood and Womanhood: A Response to Evangelical Feminism, ed. J. Piper, W. Grudem, Wheaton, Illinois 1991,180-182; Fee, Gordon D., 1 and 2 Timothy, Titus, (New International Bible Commentary), Peabody, Massachusetts and Carlisle, U.K. 19986, 7-10, 77; Fee, Gordon D., The great Watershed — Intentionality and Particularity/Eternity: 1 Timothy 2: 8-15 as Test Case, in Gospel and Spirit, Issues in New Testament Hermeneutics, Peabody, Massachusetts 1991, 52-65; Perriman, Andrew, Speaking, 136-142.
Den Boer c.s. en Moo menen dat Paulus’ voorschriften in 2: 11-15 als permanente verordeningen voor de inrichting van het kerkelijk leven zijn bedoeld. Fee en Perriman verdedigen de opvatting dat dit niet past bij het karakter van en bij vele voorbeelden uit deze ‘Pastorale brief’.

|158|

vrouwen en de relatie tot hun echtgenoot gaat?
Relevantie: In een vrij recente publicatie over de vrouw in het ambt wordt deze opvatting uitvoerig verdedigd.

George en Dora Winston hebben een omvangrijk boek geschreven rond het uitgangspunt, dat het huwelijk de enige gezagskring is waarin de gezagsverhouding tussen mannen en vrouwen door het geslacht wordt bepaald. Zij verdedigen omstandig, dat in andere gezagskringen, bijvoorbeeld de kerk, vrouwen door hun functie gezag mogen dragen in relatie tot mannen (inclusief hun echtgenoot). Bij deze tekstverzen gebruiken zij dan ook veel ruimte om te beargumenteren dat het hier vooral de relatie binnen het huwelijk is die beschermd wordt. Volgens hen hebben beperkingen die binnen de gemeente aan vrouwen worden opgelegd, altijd en dus ook hier te maken met vormen van optreden, die de in de schepping gefundeerde gezagsrelatie binnen de huwelijksverhouding aantasten.
Veel aandacht geven ze aan indirecte aanwijzingen voor de opvatting dat het hier om gehuwde mannen en vrouwen gaat. Eén van de argumenten daarbij is, dat het woord gunè en de combinatie van gunè en anèr hiervoor een sterke aanwijzing vormt.
Anderen (zowel voor- als tegenstanders van de vrouw in het ambt) worden door dit soort redeneringen niet overtuigd. Hoewel het niet onwaarschijnlijk is dat het hier in de praktijk primair gehuwde vrouwen betrof, lezen ze toch de woorden voor man en vrouw slechts als geslachtsaanduiding. We vermelden hier enkele argumenten.29 In de directe context (vs. 8 en 9) worden dezelfde woorden gebruikt, zonder dat er een overtuigende reden is om er daar een beperking tot gehuwden in te lezen.30 Buiten de brieven van Paulus wordt in het NT het woord gunè veelvuldig gebruikt in teksten waar het geforceerd zou zijn om te vertalen met gehuwde vrouw. Hand. 22: 4 is daarvan een voorbeeld uit een toespraak van Paulus. Daarin worden anèr en gunè gebruikt als hij vertelt over wat hij vroeger gedaan had: mannen en vrouwen in boeien slaan en gevangen zetten. In zijn brieven lijkt te gelden, dat in gevallen waarbij de woorden anèr en gunè onmiskenbaar vertaald moeten worden met ‘getrouwde man’ en ‘getrouwde vrouw’, dit door een nadere bepaling is aangegeven. Zo begint 1 Kor. 7 (16x ‘man’; 22 x ‘vrouw’) als volgt: “... het is goed voor een mens (anthroopos) niet aan een vrouw (gunè) verbonden te zijn, maar met het oog op de gevallen van hoererij moet ieder zijn eigen vrouw hebben, etc. Door deze zinnen is het duidelijk, dat het in het vervolg — waar anèr en gunè zonder nadere bepaling gebruikt worden — om echtparen gaat. En dat geldt ook voor alle overige keren dat in dit hoofdstuk de woorden anèr en gunè gebruikt worden. In 1 Tim. 2: 11,12 ontbreekt zo’n nadere bepaling.31

Onze mening is dat noch de gebruikte woorden voor man en vrouw zelf, noch hun gezamenlijk voorkomen een overtuigende ondersteuning vormen van de opvatting, dat in de verzen 11 en 12 uitsluitend de categorie van gehuwde vrouwen in het geding is.


28 Winston, George en Dora, Vrouwen.
29 In 4.6.3.2 wordt hier nog wat dieper op ingegaan.
30 Bij de bespreking van welke categorieën vrouwen in vs. 9-15 al of niet kunnen worden uitgesloten, vallen bijvoorbeeld de jonge weduwen uit 1 Tim. 5: 14,15 buiten het gezichtsveld van de Winstons (Vrouwen, 120-127).
31 In B.3.6 gaan we in op de vraag of vers 15 niet impliceert dat het hier uitsluitend om gehuwde vrouwen gaat.

|159|

B.3.2 “.. moet zich rustig, in alle onderdanigheid, laten onderrichten, (..) zij moet zich rustig houden.”

Vraag: Anders dan in 1 Kor. 14:34 staat hier niet ‘zwijgen’, maar ‘zich rustig (..) laten onderrichten’ en ‘zich rustig houden’. Is het duidelijk dat de strekking daarvan een gekwalificeerd maar permanent opgelegd zwijgen is of vormt het gebruik van deze woorden nu juist een van de aanwijzingen, dat het hier om een ‘gelegenheidsvoorschrift’ gaat?
Relevantie: In het voorschrift dat Paulus hier geeft, krijgt het woord ‘rustig’ door de herhaling ervan aan het einde van vs. 12 en door het versterkende ‘in alle onderdanigheid’, een speciale nadruk. De toepassing van deze verzen is in onze culturele en kerkelijke context in toenemende mate versmald tot het weren van vrouwen uit (enkele) kerkelijke ambten. Het is dus van belang om hier na te gaan welk verband dat heeft met het zwaar aangezette ‘zich rustig te houden’.

Het woord voor rustig (en hèsuchiai) wordt wel vertaald met ‘in stilheid’ (SV). Dat kan betekenen dat vrouwen tijdens bepaalde onderdelen van de samenkomsten gewoon moeten zwijgen. Het kan ook de minder vergaande betekenis hebben van betamelijk optreden waarbij opschudding en het krijgen van een slechte naam worden vermeden.32 Ook de betekenis ‘vrij van een weerspannige houding’ wordt in dit verband genoemd. Vrij algemeen is er overeenstemming, dat het in de tekst over optreden in de samenkomsten gaat. Ook is het nauwelijks omstreden, dat het ‘verbod’ uit vers 12 de betekenis van het ‘zich rustig houden’ bepaalt.
Veel uitleggers menen dat het in deze verzen gaat om een blijvend verbod. Het gaat hier volgens hen om zaken die nauw verbonden zijn aan functies waartoe slechts bepaalde mannen geroepen worden. Dit betreft het in het openbaar leren en gezag uitoefenen of het gezaghebbend leren. Aan vrouwen is dit niet toegestaan. ‘Rustig’ als tegenstelling met het spreken dat in vers 12 wordt verboden, wordt wel als volgt uitgelegd: “Daarmee wordt niet een repressieve stilte aangeduid in de zin van ‘monddood maken’, maar het stil-zijn van een leerling die onderwijs ontvangt als tegenovergestelde houding van het onderricht geven”. Tegenover verklaarders die, met verwijzing naar de bredere context van de brief, hierbij vooral denken aan bescherming tegen dwaalleer, wijst D. Moo op het gebruik van het woord onderdanigheid (hupotagè). Volgens hem wordt hiermee de passende houding bedoeld, van Christenen tegenover degenen die over hen gesteld zijn. Dit vormt voor hem de eerste aanwijzing in de tekst, dat het hier niet alleen gaat om onderwerping aan de gezonde leer van de kerk. Meer specifiek is het de onderdanigheid aan de echtgenoot en, misschien, die aan het mannelijk leiderschap in de kerk, die in het geding is.34 Dat het uiteindelijk om het laatste gaat, beargumenteert Moo met argumenten die langs een andere weg in zijn betoog aan de orde komen.
Volgens andere uitleggers gaat het in vs. 12 om een verkeerde wijze van optreden door vrouwen. Weer anderen denken aan een inperking voor vrouwen tengevolge van plaatselijke ontsporingen en de daarbij gebleken kwetsbaarheid van vrouwen met


32 Zie o.a. Fee, Gordon D., bij 1 Tim. 2: 2 en 2: 11-12 (1 and 2 Timothy, 63, 72).
33V&A, 92 (meerderheidsrapport).
34 Moo, D.,What does, 183.
35 Zo o.a. Holwerda D., De betekenis van ‘authenteoo’, in De Schrift opent een vergezicht, Kampen 1998, 405-409; Idem, Discussie-nota, 583-584; Idem, Antwoord, 590.

|160|

betrekking tot dwaalleer. Het voorschrift om rustig te blijven, in alle onderdanigheid, is in deze gevallen een door de situatie bepaalde correctieve of preventieve maatregel. D. Holwerda wijst in dit verband op de negatieve strekking, die het ‘zich laten onderrichten’ van bepaalde vrouwen in 1 Tim. 5: 13 en 2 Tim. 3: 7 heeft.36 Fee denkt bij ‘huizen’ in 5: 13 aan de mogelijkheid van huiskerken.37 Andere varianten laten we hier verder onbesproken.
Wij zijn van mening, dat het antwoord op de vraag of het voorschrift om zich rustig te laten onderrichten al dan niet een gelegenheidsvoorschrift is, niet dwingend bepaald wordt door de gebruikte uitdrukkingen zelf. Het zijn vooral de uiteenlopende interpretaties van de directe en de bredere context, die zo’n antwoord bepalen.38

B.3.3 “.. onderricht geeft of gezag over de man heeft;..”

Vragen: Wat is op deze plaats de betekenis van het woord didaskein, dat vertaald is met ‘onderricht geven’ en van het woord authentein, dat vertaald is met ‘gezag hebben over’? En wat is de onderlinge betrekking tussen beide?
Relevantie: De antwoorden op deze vragen en de wijze waarop de verzen 13 en 14 deze antwoorden ondersteunen, behoren tot de belangrijkste punten van meningsverschil over de betekenis en de toepassing van dit bijbelgedeelte.

Didaskein (onderricht geven)
Het meerderheidsrapport van de CG Deputaten zegt hierover: “Het ‘leren’ ziet op de gezaghebbende publieke verkondiging van Christus’ woord en werk, de officiële onderwijzing in het christelijk geloof. Het is in het bijzonder de taak van de ouderlingen om de gezonde leer tegenover de invloed van de dwaalleraars veilig te stellen en zo het apostolische pand te bewaren. Daarom moet een opziener bekwaam zijn om te leren.... Deze activiteit van het ‘leren’ wordt de vrouw niet toegestaan. Daarbij heeft de apostel stellig de samenkomst van de gemeente op het oog.”39
De in dit citaat gekozen specifieke betekenis en beperkende kwalificatie40 volgt echter niet noodzakelijkerwijs uit de betekenis van didaskein. Dit werkwoord en de ermee samenhangende zelfstandige naamwoorden didachè (lering) en didaskalia (lessen) vertonen verschillende betekenisnuances. In verband met de discussie over 1 Tim. 2 is bijvoorbeeld gewezen op Kol. 3: 16 en 1 Kor. 14: 26. Daar blijkt dat het bij deze woorden


36 Holwerda D., Discussie-nota, 581-582.
37 Fee, Gordon D., 1 and 2 Timothy, 72.
38 De discussie over de opvatting dat ook de woorden ik sta niet toe (Grieks: ouk epitrepoo) op een gelegenheidsvoorschrift wijzen, leidt ons inziens evenmin tot dwingende conclusies. Argumenten vóór deze opvatting en gebaseerd op gebruik van het betreffende werkwoord epitrepoo elders in het NT, zijn te vinden in het rapport van de kerk van Utrecht (zie onze samenvatting in A.5.9). Zie ook Witherington III, B., Women, 120. Deze argumenten worden betwist door Th.R.Schreiner in An Interpretation of 1 Timothy 2: 9-15: A Dialogue with Scholarship, in Women in the Church: A Fresh Analysis of 1 Timothy 2:9-15, ed-ited by A.J. Köstenberger, Th.R. Schreiner and H.S. Baldwin, Grand Rapids, Michigan 1995, 125-127. Een verdere bespreking van deze discussie laten we in verband met de beperkte doelstelling van deze inventarisatie achterwege. We merken echter op dat geen van de hier genoemde publicaties het apostolische gezag dat met deze woorden meekomt, betwist.
39V&A, 92. Uitgebreider, maar in essentie hetzelfde: Moo, D., What does, 187.
40 Ook verdedigd door A.J. Moggré in Adam eerst..., Studie over depositie van de vrouw in de gemeente, Amsterdam 1988, 71 en 73-74 (n. 3) tegenover Holwerda D., Discussie-nota, 583.

|161|

niet alleen gaat om een taak van opzieners en oudsten, maar ook om een bezigheid van Christenen onderling.41
De richting waarin D. Holwerda hier een verklaring zoekt werd in B.2.5 reeds kort weergegeven. Hij verdedigt, dat het onderricht ‘geven’ in 1 Tim. 2: 12 waarschijnlijk moet worden verstaan als keerzijde van het onderricht 'ontvangen' in 1 Kor. 14: 35. In de laatstgenoemde tekst zou het met name gaan om ‘publiek consult vragen in praktische problemen’. In 1 Tim. 2: 12 zou het gaan om het zich in de gemeentelijke samenkomsten onthouden van dergelijke praktische adviezen.
Anderen zien niet zozeer een specifieke betekenis in het woord, als wel een specifieke aanleiding in de situatie. Hierbij wordt o.a. het verbreiden van dwaalleer genoemd. Veel verklaarders laten de samenhang met de woorden ‘of gezag over een man heeft’ een rol spelen in de uitleg. Voordat we daarop kunnen ingaan, moeten we het dan eerst hebben over het woord dat vertaald wordt met ‘gezag hebben over’.

Authentein (gezag hebben over)
Een groot exegetisch probleem bij vers 12 ligt wel bij authentein. Dit werkwoord komt alleen hier voor in het Nieuwe Testament en de betekenis op deze plaats blijft onderwerp van uitgebreide en elkaar tegensprekende studies. Een breed gangbare uitleg kiest hier voor de betekenis ‘gezag hebben over’ of ‘heersen over’ (SV). Dit heeft hier dan de positieve betekenis van een taak uitoefenen, die bij bepaalde mensen hoort, gegeven hun gezaghebbende positie of functie.42 Het zou dan primair gaan om het leren en preken dat hoort bij functies in de kerk. Maar D. Moo betrekt het ook op andere hedendaagse situaties waarin instructie in de bijbelse leer aan de orde is. Hij noemt onderwijs aan theologische opleidingen als een voorbeeld.43 Anderen beperken ‘deze consequentie van de scheppingsorde’ niet tot de sferen van huwelijk en kerk.44
Andrew Perriman verdedigt de betekenis ‘invloed uitoefenen om iemand ergens toe te bewegen’.45 Dit is op zichzelf genomen geen negatieve betekenis, maar in het voorbeeld van Eva (vs. 14) wel. Ook anderen verdedigen de stelling dat dit woord in de context van vs. 12 een negatieve betekenis heeft. Onder deze categorie vallen het ‘op een aanmatigende manier domineren’46 en het ‘zich onafhankelijk opstellen’ (hier: de eigen echtgenoot passeren).47
Omdat, zoals we hierboven al schreven, de onderlinge verhouding van didaskein en authentein een onmiskenbare rol speelt bij het doorhakken van knopen, kijken we nu hoe daarmee wordt omgegaan.

.. onderricht geeft of gezag over de man heeft..
Wat is de grammaticale en logische relatie tussen het onderricht geven en het gezag hebben? We noemen drie opvattingen.


41V&A, 92 (meerderheidsrapport). Boer, C. den, Man en vrouw, 111. Holwerda D., Discussie-nota, 583.
42 Een veel voorkomende tegenwerping is dat Paulus in zulke gevallen het werkwoord exousiazein en het bijbehorende zelfstandig naamwoord exousia gebruikt.
43 Moo, D.,What does, 186.
44 Denk bijvoorbeeld aan de SGP en zie het appèl van de kerk van Urk (samenvatting in Bijlage A.4).
45 Perriman, Andrew, Speaking, 156. En verder schrijft hij: “Eve did not have authority, but in her action became responsible for — became the cause of — Adam’s transgression.” (a.w. 169)
46 Zie o.a Witherington III, B., Women, 121-122 en de verwijzingen in Winston, George en Dora, Vrouwen, 174-177.
47 Zie o.a. Holwerda D., De betekenis, 405-409; Idem, 1 Timotheüs 2 en Numeri 30, 601-602; Idem, Man en Vrouw, 614.

|162|

• Paulus gebruikt hier net als elders een manier van spreken, die twee werkwoorden samenvoegt tot één verbod: het op een dominerende manier ‘mannen onderrichten’48.
• Het Griekse woordje oude (= of, noch) vormt een bekrachtiging of intensivering van een begrip waarmee beide elementen (didaskein en authentein) verband houden. Zo schrijven bijvoorbeeld George en Dora Winston: “Het ‘leren’ wordt bekrachtigd en geïntensiveerd door het ‘domineren’. Er ligt geen gezag in de persoon die leert (..), maar wel in de bijbelse waarheden die gebracht worden. Daarom kan een vrouw het gezag van de Bijbel gemakkelijk misbruiken om haar man te domineren. Het leren is wat anders dan het domineren, maar het mag er ook niet toe leiden.”49
• Het gaat hier om twee gescheiden zaken. Zo schrijft bijvoorbeeld Andrew Perriman: “On the one hand, although oude may connect two closely related ideas, it has not been shown that the second term may qualify the first in the way that has been claimed. On the other, authentein does not exhibit the degree of semantic proximity to didaskein that would allow it to serve as an intensification of the first prohibition. Oude authentein must refer to a separate action; it does not simply modify or rein-force the meaning of didaskein. Moreover, the construction of the sentence, with didaskein placed emphatically apart at the beginning, does not suggest a close logical connection between the two ideas.”50

We willen nu illustreren hoe we als kerkelijke commissie, samengesteld uit ‘vrijetijds-geleerden’, op deze punten bij de grenzen van onze mogelijkheden worden bepaald. Daartoe geven we eerst kort weer hoe het meerderheidsrapport van de CG Deputaten de knoop doorhakt.51 Vervolgens geven we hierop dan commentaar in de vorm van enkele kritische opmerkingen en een conclusie.

Het meerderheidsrapport wijst op een grondige woordstudie van H.S. Baldwin52, die tot geen andere conclusie leidt, “dan dat bij authentein in 1 Tim. 2: 12 de notie van gezag naar voren komt.” Vervolgens worden een aantal positieve en negatieve betekenisnuances van authentein vermeld. “Regeren, domineren, beheersen, dwingen, iets/iemand op dwingende wijze beïnvloeden, gezag over iemand uitoefenen zijn enkele van de nuances, die in de verschillende contexten waarin deze Griekse uitdrukking ook te vinden is, kunnen worden vastgesteld. In negatieve zin gebruikt kan het ook betekenen: het gezag van iemand betwisten of bespotten.”
Dan vervolgt het rapport: “Een verdere taalkundige opmerking is dat de werkwoorden leren en gezag uitoefenen, die door het woord noch aan elkaar verbonden zijn, of beide een positieve of beide een negatieve strekking moeten hebben, maar dat niet het een positief en het ander negatief kan zijn of andersom. Het vers moet dus betekenen “ik sta een vrouw niet toe een valse leer te leren noch over de man te domineren” (negatieve strekking) of het moet betekenen “ik sta niet toe om te leren of gezag te hebben over de


48 Voor de verdediging van deze opvatting verwijzen verschillende auteurs naar een ongepubliceerde lezing door P.B Payne uit 1986. Zie o.a. Winston, George en Dora, Vrouwen, 486, n. 17 en 18.
49 Winston, George en Dora, Vrouwen, 253.
50 Perriman, Andrew, Speaking, 158.
51V&A, 93.
52 Baldwin, H.S., A Difficult Word: ‘authenteoo’ in 1 Tim. 2: 12, in Women in the Church: A Fresh Analysis of 1 Timothy 2: 9-15, edited by A.J. Köstenberger, Th.R. Schreiner and H.S. Baldwin, Grand Rapids, Michigan 1995, 65-80. Idem, Appendix 2: ‘authenteoo’ in Ancient Greek, Women, 269-305.

|163|

man” (positieve strekking). De laatste mogelijkheid is de juiste, aangezien met leren niet bedoeld is het verbreiden van dwaalleer door vrouwen.”53

Wat is het gezag van deze conclusie? Eerst twee opmerkingen. De in het meerderheidsrapport als ‘grondig’ gekarakteriseerde studie over authentein van H.S. Baldwin, is door Andrew Perriman inmiddels ook ‘grondig’ bekritiseerd.54 Verder geldt dat zelfs als het hierboven gebruikte syntactische argument juist is, dit nog niet zomaar geldt voor de eindconclusie. Deze wordt immers mede bepaald door de beperking in betekenissen, die eerst aan de woorden didaskein en authentein is opgelegd. Het rapport bespreekt slechts één combinatie van betekenissen, waarbij zowel het ‘publieke didaskein door vrouwen’ als het authentein als negatief te beoordelen optreden beschouwd kunnen worden. Echter, dat er meer van zulke combinaties mogelijk zijn volgt uit wat we in de paragrafen B.2.2, B.2.5, B.2.6 en eerder in deze paragraaf aan opvattingen weergaven. Dan nu ons antwoord op de vraag naar het gezag van de bovengenoemde conclusie in het meerderheidsrapport. Wij denken dat het zo nadrukkelijk positie kiezen ten gunste van één bepaalde wetenschappelijke fundering, zonder ook de kwetsbaarheid daarvan onder ogen te zien, niet gerechtvaardigd is. De waarde van de geuite stelligheid over wat hier de juiste betekenis is, mag daarom fors worden gerelativeerd. De eerlijkheid gebiedt om daar dan aan toe te voegen, dat het buiten onze competentie ligt om, als kerkelijke commissie, op zulke specialistische punten de gepubliceerde alternatieven met gezag te kunnen beoordelen.

Samenvattend menen we dat er, ondanks alle omvangrijke studies, een legitieme exegetische ruimte blijft bestaan voor verschillen bij het vaststellen van de betekenis voor de eerste ontvangers van de woorden: “onderricht geeft of gezag over de man heeft.

B.3.4 “Want”

Vraag: Is het woordje ‘want’ in vers 13 redengevend of illustrerend bedoeld?
Relevantie: Degenen die menen dat Paulus’ voorschriften in vers 12 berusten op een scheppingsorde voor de onderlinge positie van mannen en vrouwen, verdedigen de redengevende betekenis. Anderen lezen in


53 Het syntactische argument en de eindconclusie zijn afkomstig uit Köstenberger, A.J., A Complex Sen-tence Structure in 1 Timothy 2:12, in Women in the Church: A Fresh Analysis of 1 Timothy 2:9-15, edited by A.J. Köstenberger, Th.R. Schreiner and H.S. Baldwin, Grand Rapids, Michigan 1995, 81-103. Deze bronvermelding ontbreekt in V&A.
54 Perriman, Andrew, Speaking, 149-157. Met betrekking tot de verschillende literaire en grammaticale contexten waarin authenteoo wordt gebruikt, schrijft hij het volgende als inleiding op zijn kritische evaluatie van Baldwin’s studie. “Baldwin’s conclusion that this has to do with the concept of ‘authority’ will prove inexact. In order to provide a guiding thread for our re-evaluation of this study, I would suggest that central to the meaning of the word, and consistent with the use of the cognate noun authèntes, is the thought of the active assumption or implementation of authority or responsibility or power in quite concrete terms.” (151)
55 Onze karakterisering van deze discussiepunten als ‘specialistisch’, sluit goed aan bij wat Baldwin schrijft over (de vele) woorden die slechts eenmaal in het Nieuwe Testament voorkomen. “Often context reveals the basic sense of a word. If the general flow of the text is understood, usually the meaning of the word will be evident. Occasionally, however, the context may make several different meanings for a hapax legomenon (vert.: slechts één keer voorkomend woord) seem appropriate or at least possible. The scholar must then turn to sources outside the New Testament and evaluate other uses of the word to nar-row the meaning. Such is the case with ‘authenteoo’, which appears in 1 Timothy 2: 12.” (Baldwin, H.S., A Difficult Word, 65)

|164|

de verzen 13 en 14 een historisch voorbeeld, waarmee Paulus zijn bedoeling verduidelijkt en kracht bijzet.

Veel verklaarders geven nauwelijks speciale aandacht aan het woordje ‘want’. Degenen die hier een argumentatie vanuit het in de scheppingsorde gefundeerde ‘hoofdschap’ lezen, verwijzen doorgaans naar een volgens hen analoge wijze van argumenteren in 1 Kor. 11 en 1 Kor. 14. Anderen gaan er daarentegen vanuit, zonder veel aandacht aan dit woordje te besteden, dat het hier een illustratie betreft met gebruikmaking van een historische situatie.
D.M. Scholer pleit voor de illustrerende betekenis van het woordje ‘want’. Overigens is hij van mening dat er geen werkelijk doorslaggevende argumenten voor een van beide posities zijn. Zelf baseert hij zijn pleidooi op het selectieve en uiteenlopende karakter van verzamelingen van argumenten, die Paulus nogal eens gebruikt om zijn boodschap kracht bij te zetten (1 Kor. 11: 3-16; 15: 12-57; 2 Kor. 11-12).56
B. Witherington III betwijfelt op taalkundige gronden of het woordje gar (want) hier wel om een expliciete vertaling vraagt. Als het wel vertaald zou moeten worden, ligt volgens hem een illustrerende betekenis het meest voor de hand. Als namelijk een redengevende betekenis bedoeld was, dan zou dat kunnen impliceren, dat vrouwen in het algemeen (net als Eva) makkelijker voor geestelijke misleiding door de knieën gaan dan mannen. Daar dit volgens hem in strijd is met andere bijbelse gegevens, lijkt hem de illustrerende betekenis waarschijnlijker.57
D. Moo pleit voor de redengevende betekenis.58 Zijn argumenten zijn dat de illustrerende betekenis relatief zeldzaam is en dat in de Pastorale brieven het woordje gar (want) doorgaans volgt op een uitspraak met een gebiedende strekking. Daarom ligt ook op deze plaats een redengevende betekenis voor de hand. Bij Th.R. Schreiner vonden we een reeks voorbeelden, die hij ontleent aan een publicatie van Moo.59

Ook hier geldt dat uiteindelijk alleen argumenten, die aan het verstaan van het geheel zijn ontleend, de doorslag zullen geven. Geen van de hierboven genoemde argumenten lijkt ons op zichzelf genomen doorslaggevend of onhoudbaar.

B.3.5 “Want eerst is Adam geformeerd (..) maar de vrouw is door verleiding in overtreding gevallen;..”

Vraag: Hoe slaan deze woorden terug op wat verboden wordt (‘onderricht geven en gezag hebben over de man’) of op wat voorgeschreven wordt (‘zich rustig laten onderrichten, zich rustig houden’)?
Relevantie: De uitleg van de verzen 13 en 14 speelt in de discussie over de vrouw in het ambt op minstens twee manieren een belangrijke rol. In de eerste plaats bij het beantwoorden van de vraag of het hier gaat over een permanent geldend voorschrift of over een gelegenheidsvoorschrift. In de tweede plaats of het hier vooral gaat om de


56 Scholer, D.M., 1 Timothy 2:9-12 & the Place of Woman in the Church’s Ministry, in Woman, Authourity & Bible, An Evangelical Breakthrough on the Biblical Debate, ed. A. Mickelsen, Basingstoke 1986, 208-211.
57 Witherington III, B., Women, 122. Hieronder in B.3.5 komt aan de orde hoe Th.R. Schreiner deze door Witherington afgewezen ‘antropologische’ implicatie verdedigt.
58 Moo, D., What does, 498, n.30 en n. 32.
59 Th.R. Schreiner (An Interpretation, 135) noemt: 1 Tim. 4: 7-8, 16; 5: 4, 11, 15, 18; 2 Tim. 1: 6-7; 2: 7, 16; 3: 5-6; 4: 3, 5-6, 9-10, 11, 15; Titus 3: 1-3, 9, 12.

|165|

verhouding tussen gehuwden tijdens publieke samenkomsten of om een aan functies gekoppeld optreden, dat aan vrouwen vanwege hun vrouw-zijn niet is toegestaan.

Natuurlijk is het onmogelijk de keuzes, die bij de uitleg van deze verzen gemaakt worden, los te zien van die welke gemaakt worden bij de uitleg van vs. 11 en 12. En omgekeerd geldt dat ook. We beperken ons hier echter tot het schetsen van grove lijnen.

Het meerderheidsrapport van de CG Deputaten verdedigt de uitleg dat het hier gaat om een permanent voorschrift, dat in de schepping gefundeerd is60: “In vers 13 wordt de reden gegeven, waarom aan de vrouw het leren en gezag uitoefenen over de man wordt verboden. (..) Net als in I Kor. 11: 8v gaat de apostel er hier op grond van Genesis 2 van uit, dat de orde bij de schepping van man en vrouw verschillende posities meebrengt. Doordat Paulus hier teruggrijpt op de schepping, verwijst hij naar de orde die God heeft aangebracht en die daarom blijvend gerespecteerd moet worden. (..) Vers 14 refereert aan de verzoeking van Eva door de Satan. Zij die — als tweede — geschapen was uit de man om hem tot hulp te zijn, is de eerste in de val en bewijst haar man de slechtste dienst die ze ooit bewezen heeft. (..) Adam is het eerst geschapen, daarna Eva. Niettemin is de vrouw het eerst in overtreding geweest, daartoe verleid door Satan. Ze heeft daarmee het leiderschap van de man niet erkend en heerschappij over hem uitgeoefend. Zonder overleg met en onafhankelijk van Adam heeft Eva gehandeld. Ze heeft geen poging gedaan om samen met Adam als twee-eenheid het werk van de duivel te weerstaan en trouw te blijven aan Gods inzettingen. Daarmee zou ze haar van God gegeven plaats hebben erkend; nu heeft ze die plaats verlaten. Daarom is ze door verleiding in overtreding gevallen. Wanneer deze interpretatie (die de historische genoemd wordt) juist is, wordt daarmee sterk onderstreept dat vers 13 en 14 in het geheel van Paulus' betoog niet functioneert als gelegenheidsargument, maar een algemene strekking heeft met betrekking tot het niet geoorloofd zijn voor de vrouw om in de gemeente een leerambt te bekleden.”
Het meerderheidsrapport geeft niet aan of vers 14 net als vers 13 redengevend is. Verder valt het ons op dat hier nu over ‘heerschappij uitoefenen’ en ‘handelen zonder overleg en onafhankelijk van’ gesproken wordt. Dit lijkt dicht in de buurt te komen van de uitleggers, die zulke (in deze context) negatieve betekenisnuances bij authentein in vers 12 verdedigen. Echter bij de bespreking van vers 12 wees het rapport de mogelijkheid van zulke negatieve betekenissen van de hand (zie B.3.3).

Th.R. Schreiner die zakelijk gezien met zijn uitleg op dezelfde golflengte zit, ziet ook vers 14 als redengevend.61 Het gaat er in dit vers niet om dat Adam niet zou zijn misleid of in zonde zou zijn gevallen. Paulus legt hier de nadruk op het feit dat de slang Eva benaderde en misleidde, niet Adam. De speciale betekenis van het feit dat de slang Eva als doelwit koos krijgt een extra accent, want klaarblijkelijk was Adam de hele tijd bij Eva gedurende de verzoeking (Gen. 3: 6). Adam kwam niet tussenbeide. De verzoeking uit Gen. 3 dient dus in vs. 14 als een les voor wat er gebeurt als het mannelijk leiderschap opzij wordt geschoven. Maar een verklaring mag daar niet mee stoppen. Schreiner betoogt dan, dat de scheppingsorde met betrekking tot man en vrouw weerspiegeld wordt in hun aanleg. De reden waarom Satan de vrouw benaderde was ook vanwege de


60V&A, 93-94.
61 Schreiner, Th.R., An Interpretation, 145-146.

|166|

verschillende natuurlijke geaardheden van Adam en Eva. Generaliserend gesproken zijn vrouwen meer relationeel en op koesterende zorg ingesteld, terwijl mannen meer ingesteld zijn op rationele analyse en objectiviteit. “Vrouwen zijn minder geneigd dan mannen om het belang in te zien van leerstellige formuleringen, speciaal als het gaat om het onderkennen van ketterijen en het stelling nemen voor de waarheid. Het benoemen van vrouwen in een leerambt wordt verboden, omdat het minder waarschijnlijk is dat ze een lijn trekken op punten van de leer, die niet ter discussie mogen staan. Daarom zal misleiding en dwaalleer makkelijker de kerk binnendringen”. Schreiner zegt zich hierbij te willen hoeden voor stereotypering. Hij erkent dat er uitzonderingen zijn. Niettemin benadrukt hij, dat het onderscheid in geaardheid, waarvan volgens hem bij de meerderheid van mannen en vrouwen sprake is, een scheppingsgegeven is. Zowel de man als de vrouw hebben eigen onderscheiden sterke kanten, die bij de aan hen door God gegeven taken passen.62

Andere uitleggers, die vers 13 ook als een argument vanuit de ‘scheppingsorde’ lezen, verdedigen dat het Paulus hier gaat om de relatie tussen de gehuwden. Zo schrijven George en Dora Winston63:

“Dat het bij de onderwerping in vers 11-12 om een echtpaar gaat, wordt nog eens onderstreept door de onderbouwing in vers 13: Want eerst is Adam geformeerd, en daarna Eva. Om het principe dat hij leert te illustreren, verwijst hij naar het eerste echtpaar. Kunnen we dan nog wel zeggen dat dit principe ook geldt voor alleenstaanden?
Lowery merkt op: “In het Oude Testament (Gen. 3: 20) komt Eva uitdrukkelijk ter sprake als de vrouw van Adam. Haar onderwerping is geworteld in die relatie. Dat is ook het geval in 2 Korintiërs 11: 2-3, de enige andere tekst in het Nieuwe Testament waar Eva wordt genoemd.”
In vers 14 noemt Paulus nog een reden voor de onderwerping, namelijk dat Eva ‘door verleiding in overtreding gevallen’ is. De tekst uit Genesis, waarop dit gebaseerd is, geeft aan dat ze zondigde in haar hoedanigheid als vrouw van Adam, haar man (Gen. 3: 6, 8, 17), niet louter als iemand van het vrouwelijk geslacht.”
De Winstons vervolgen dan met een uitleg die dicht ligt bij die in het meerderheidsrapport van de CG Deputaten, dat we hierboven citeerden. Zij zien echter in deze geschiedenis een ‘rolverandering van echtgenoten’, niet van de seksen. “De vrouw vond dat haar man de ogen geopend moesten worden, opdat hij wijzer zou worden. Zij zou hem wel vertellen wat hij daarvoor moest doen (Gen. 3:5-6). Daaruit trekt Paulus in 1 Timothëus 2: 11-14 de conclusie dat zij onrechtmatig het gezag in de huwelijksrelatie aan zich trok. Daarom moet zij onderdanig zijn (2: 11) en niet over haar man heersen (2: 12).”

De hierboven genoemde uitleggers verschillen dus niet in hun antwoord op de vraag of het hier om een permanent, in de scheppingsorde gefundeerd voorschrift gaat. Het verschil betreft alleen de reikwijdte van die scheppingsorde. Tegenover een algemene toepassing van het ‘hoofdschap’ op functies waarin ‘geestelijk gezag’ wordt uitgeoefend, staat dan een toepassing die alleen gericht is op het handhaven van de goede


62 A.J. Moggré (Adam eerst, 72) schrijft: “En de apostel Petrus (..) vermaant dan tegelijk de mannen om verstandig met hun vrouwen te leven ‘als met brozer vaatwerk’, 1 Pet. 3: 7. Laten de mannen bedenken dat zij in de vrouw te doen hebben met het fijne porcelein in Gods schepping, haar als zodanig waarderen en er zuinig op zijn. En waar zij de euvele moed hebben om de vrouwen in het kerkelijke het spits te laten afbijten, daar mogen zij zich schamen.”
63 Winston, George en Dora, Vrouwen, 121.

|167|

huwelijksverhoudingen. Enkelen die ‘de scheppingsorde’ hier alleen op de huwelijksverhouding betrekken, voegen nog toe, dat de beoordeling van wat ongepast is in de man-vrouw-relatie, sterk bepaald wordt door de culturele omstandigheden.

Verklaringen, die ervan uitgaan dat het hier niet om een fundering gaat, maar om een illustratie vanuit de bijbelse geschiedenis, typeren we hier slechts heel beknopt. In de verzen 13 en 14 zou het Paulus er niet om gaan twee redengevende argumenten aan twee afzonderlijke gebeurtenissen te ontlenen. De voorschriften, die hier worden gegeven aan de vrouwen in Efeze, zouden bedoeld zijn om bepaalde vormen van optreden tegen te gaan, die een geestelijke bedreiging vormen voor de gemeente. Een directe toespeling op Eva’s optreden in Gen. 3, wordt daarbij als een waarschuwend en tot bescheidenheid aansporend voorbeeld gebruikt.64 Paulus maakt daarbij in vs. 13 en 14 gebruik van de tegenovergestelde volgorde bij de schepping en bij de zondeval.
Het volgende voorbeeld illustreert deze gedachtegang:
Adam werd weliswaar als eerste geschapen, maar pas met de uiteindelijke schepping van Eva was de door God bedoelde mens compleet. Wat nog niet goed was, namelijk het alleen-zijn van Adam, werd daarmee opgeheven. Bij de zondeval waren echter zowel de volgorde als het resultaat hieraan tegenovergesteld. Eva liet zich verleiden door de slang en at als eerste. Adam volgde haar na en maakte zo de zondeval compleet. Het resultaat was een situatie waarin er een diepere vorm van alleen-zijn ontstond, dan die welke er was voor de schepping van Eva. Tegen Gods bedoeling in ontstond er een vervreemding in de relaties van de mens met Hem, van de mensen onderling en van de mens met de schepping.65

Wat de nogal uiteenlopende opvattingen over deze twee verzen volgens ons vooral laten zien, is dat veel exegetische beslissingen genomen worden, omdat ze goed bij een van de meer omvattende argumentatielijnen passen. Naar onze indruk zijn er meerdere exegetisch verantwoorde manieren om vers 13 en 14 te verklaren. Wij vonden geen dwingend criterium in deze verzen zelf voor de manier waarop ze in relatie met de verzen 11 en 12 moeten worden verstaan en omgekeerd.

B.3.6 “.. doch zij zal behouden worden, kinderen ter wereld brengende, indien zij blijft in geloof, liefde en heiliging, met ingetogenheid.”

Vragen: Wat is de strekking van het “behouden worden, kinderen ter wereld brengende”? Vormen deze woorden geen bevestiging van de opvatting dat het in deze verzen uitsluitend om gehuwde vrouwen gaat? Hoe verstaan we ze in verband met het voorafgaande? De verzen 9-15 staan ingesloten tussen de woorden ‘met ingetogenheid’ (meta soophrosunès). Geeft dit niet mede aanleiding om te denken, dat het in dit hele stuk gaat om ‘incidentele’ voorschriften ter correctie van ongepast en gevaarlijk optreden?
Relevantie: Het grootste verschil van mening bij dit vers tussen voor- en tegenstanders van de vrouw in het ambt, lijkt niet zozeer te liggen in de


64 Diverse publicaties wijzen op 2 Kor. 11: 3 waar de verleiding van Eva door de slang ook als illustratie wordt gebruikt. Daar gebeurt dat echter niet speciaal tegenover ‘de vrouw’, zoals in 1 Tim. 2: 14. Dat de argumentatie door Paulus te maken zou hebben met het specifieke van de vrouwelijke aard, zoals o.a. Th.R. Schreiner bij vers 14 verdedigt, wordt ook om die reden betwist.
65 Grenz, S.J., Kjesbo, D.M., Women in the Church, A biblical Theology of Women in Ministry, Downers Grove, Illinois 1995, 168-169.

|168|

directe betekenis van deze woorden. Het gaat vooral over de strekking van de verbinding van vers 15 met de voorgaande verzen en direct daaraan gekoppeld dan natuurlijk over het toepassingsbereik ervan.

Bij de bespreking van de directe betekenis van dit vers beperken we ons hieronder tot het weergeven en toelichten van één opvatting, die door verschillende voor- en tegenstanders van de vrouw in het ambt wordt gedeeld.66 We kijken daarbij eerst naar twee uitlegkundige details waarover bij hen overeenstemming bestaat.67 Daarna bespreken we dan kort hoe de wegen uiteengaan bij het duiden van de strekking van dit vers in de bredere context.

Allereerst de vraag: wat betekent “behouden worden, kinderen ter wereld brengende”? Het Griekse woord voor ‘behouden’ (soozein) slaat bij Paulus steeds op het eeuwig behoud van zondaren, zoals in 1: 15-16 en 2: 4. Voor het ‘redden’ uit levensbedreigende omstandigheden gebruikt hij een ander woord (bijvoorbeeld in 2 Tim. 3: 11 en 4: 18). De woorden ‘kinderen ter wereld brengende’ (dia tès teknogias) kunnen, in overeenstemming met Paulus’ woordgebruik elders, worden uitgelegd als ‘langs de weg van het krijgen van kinderen’.
Eén van de redenen om naar een alternatief te zoeken voor de betekenis ‘eeuwig behouden worden’ van soozein, is de gedachte dat die betekenis in strijd zou zijn met wat Paulus elders leert, namelijk dat er behoud is door geloof en niet door werken. Van een echt uitlegkundig probleem lijkt op dit punt echter geen sprake te zijn. Paulus richt zich in dit hoofdstuk tot mannen en vrouwen, die al christen zijn. Bij wat hij in vers 15 zegt, volgens de hier weergegeven lezing, gaat het dan ook niet om behoud door eigen werken. Het gaat erom in geloof, liefde en heiliging te blijven volharden en zó het behoud niet op het spel te zetten. Dat komt overeen met wat Paulus met een soortgelijk spreken op andere plaatsen kennelijk bedoelt. In 1 Tim. 4: 16 schrijft hij aan Timoteüs persoonlijk: “want door dit te doen zult gij zowel uzelf als hen, die u horen, behouden” en in Fil. 2: 12 lezen we: “blijft (..) uw behoudenis bewerken met vrees en beven.

Een ander detail, dat met de bovenstaande uitleg verband houdt, betreft de wisseling in het Grieks van de derde persoon enkelvoud (zij zal behouden worden) naar de derde persoon meervoud (indien zij blijven). Ook nu is het voor ons doel niet nodig om allerlei geopperde oplossingen na te gaan. Meerdere verklaarders zien in deze ‘numerus-wisseling’ geen onoverkomelijke moeilijkheid, mits het onderwerp van de enkelvoud-vorm generiek wordt opgevat (dus: ‘een vrouw’ = ‘vrouwen’), net als in vers 11 en 12 ‘een vrouw’ en in vers 12 ‘de man’. Het in vers 15 gebruikte enkelvoud sluit direct aan bij het enkelvoud in vers 14, terwijl de meervoudsvorm in het laatste deel van vers 15, overeen komt met die welke in vers 9 en 10 wordt gebruikt voor vrouwen en in vers 8 voor mannen.68


66 Bij de voorstanders o.a. Fee, Gordon D., 1 and 2 Timothy, 74-76 en Witherington III, B., Women, 123-124. Bij de tegenstanders o.a. Moo, D., What does, 192 en Schreiner, Th.R., An Intepretation, 146-153.
67 Schreiner, Th.R., An Interpretation, 146-153, geeft een adequaat overzicht van de verschillende opties bij de uitleg van dit vers.
68 Bij D. Holwerda vinden we deze tekst genoemd in een verhandeling over numerus-wisseling in ‘generieke’ uitspraken. Zie Holwerda D., Enkele opmerkingen over de exegese van 1 Tim. 5: 4 in De Schrift opent een vergezicht, Kampen 1998, 263.

|169|

Binnen de hier weergegeven uitleg past de uitdrukking ‘kinderen ter wereld brengende’, als een stijlfiguur, waarmee een groter geheel compact wordt aangeduid met behulp van een deel (synecdoche)69 De goede werken waarin een vrouw haar godsvrucht laat uitkomen (vs. 9) worden hier in vs. 15 samenvattend geïllustreerd met het woord dat vertaald is met ‘kinderen ter wereld brengende’ (zie ook 1 Tim. 5: 10,14 en Tit. 2: 4-5). Het ‘doch’ aan het begin van vers 15 markeert een contrast. We kunnen dan denken aan het troostvolle contrast tussen ‘het verlies’, dat meekwam met de overtreding (vs. 14b) en ‘de winst’ van de godsvrucht, die in vs. 15 samenvattend wordt aangeduid.

Echter, waar er een vrij breed gedragen overeenstemming is over de hierboven weergegeven uitleg, gaan de wegen uiteen bij de duiding ervan in de context. In het kader van de discussie over de vrouw in het ambt, gaat het dan natuurlijk vooral over de verbinding van dit vers met de voorafgaande verzen.
Veel tegenstanders van de vrouw in het ambt zien in dit vers een onderstreping van hun standpunt, dat de gepaste rollen voor de vrouw fundamenteel verschillen van die voor mannen. Vrouwen worden behouden als ze zich houden bij de rol die hen is toebedeeld.70 Aan mannen is het leren en het gezag uitoefenen over andere mannen voorbehouden. Deze fundamenteel verschillende rollen vinden hun basis in de schepping. Dat er ook niet getrouwde vrouwen zijn, maakt in hun ogen de genoemde uitleg van deze verzen niet ongeloofwaardig. Waarschijnlijk was het overgrote deel van de vrouwen, tot wie Paulus zich hier richt, gehuwd. Verder kan het ‘kinderen krijgen’ uit vers 15, zoals we hierboven al zagen, goed als karakteristiek voorbeeld worden gezien uit een veel breder daarmee samenhangend palet van passende rollen en gedragingen voor vrouwen. Daarnaast is het ook nog goed denkbaar, dat Paulus juist dit kenmerkende voorbeeld noemt, omdat er in Efeze onder invloed van dwaalleraars ten aanzien van het huwelijk ontsporingen waren of dreigden.
De Winstons, die menen dat dit bijbelgedeelte geen beperking vormt voor de vrouw in het ambt, zien in vers 15 alleen maar een bevestiging voor hun opvatting, dat het in de voorafgaande verzen uitsluitend gaat over gehuwde mannen en vrouwen.71 Aan de exegese van vers 15 zelf besteden zij nauwelijks aandacht.
Veel andere voorstanders van de vrouw in het ambt zien om andere redenen geen blijvende verhindering in de kennelijke beperkingen die aan vrouwen in de verzen 11 en 12 opgelegd worden. Voor hen is het doel van vers 15 helemaal niet om een fundamentele beperking in rollen of functies die bij het vrouw-zijn passen, te bevestigen. Het gaat volgens hen in de voorafgaande verzen om een wijze van optreden die in de toenmalige situatie onbetamelijk en mogelijk zelfs gevaarlijk was. Als van die onbetamelijkheid of dat gevaar geen sprake meer is, vervalt ook de in deze verzen opgelegde beperking en de speciale aanleiding voor het benadrukken van wat in vers 15 staat.72

Als commissie menen we dat niet overtuigend is aangetoond dat door vers 15 bevestigd wordt, dat de voorschriften in vers 12 uitsluitend gehuwde vrouwen in relatie tot hun echtgenoten betreffen. Evenmin zijn we overtuigd door de opvatting dat vers 15 impliceert dat vrouwen vanwege hun ‘vrouw-zijn’ blijvend uit bepaalde (kerkelijke) functies


69 Schreiner, Th.R., An Interpretation, 151. Perriman, Andrew, Speaking, 168.
70 O.a. Schreiner, Th.R., An Interpretation, 151.
71 Winston, George en Dora, Vrouwen, 122. Zie ook B.3.1 hierboven.
72ER94 (20-24) gebruikt in dit verband de uitdrukking ‘specifieke blikrichting’ als leeswijzer bij het toepassen van deze en andere teksten op de vraag of het diakenambt mag worden opengesteld voor de zusters.

|170|

zouden moeten worden geweerd. Juist het door voor- en tegenstanders geconstateerde compacte woordgebruik, leent zich volgens ons niet goed voor zulke vergaande gevolgtrekkingen.73
Ook voor de vraag naar het al of niet permanente karakter van de voorschriften in vers 12, levert vers 15 volgens ons niets beslissends op. Wel maakt de hierboven weergegeven uitleg van dit vers erop attent, dat het gebruiken van tegenstellingen zoals ‘incidenteel’ tegenover ‘blijvend’ bij een tekst als deze, ons gemakkelijk ertoe kan verleiden om de exegese in een door ons gewenst kader te persen. Daardoor kan een vruchtbaar verstaan ervan in onze huidige context worden belemmerd. Maar het hierboven aangehaalde “..uw behoudenis bewerken met vrees en beven.” laat zien dat, zó verstaan, het hierboven besproken vers elke gebodsethiek overstijgt.

B.3.7 Tweede tussenbalans

Overzien we nu onze deelstudie over 1 Tim. 2: 11-15, dan kunnen we een tweede tussenbalans opmaken. Die is opnieuw, dat de exegese van deze verzen niet een zodanige duidelijkheid geeft over de aard en de reden van Paulus’ voorschriften, dat die iets beslissends zou opleveren voor de discussie over de vrouw in het ambt. Zo vinden we de argumenten om uit deze verzen af te leiden, dat Paulus vrouwen algemeen en permanent uitsloot van leidinggevend optreden in de gemeente of in de gemeentelijke samenkomsten, niet doorslaggevend. Evenmin vinden we dat van de argumenten om de hier gegeven voorschriften te beperken tot een bepaalde wijze van optreden door gehuwde vrouwen.

 

B.4. Evaluatie

Zoals we in de inleiding van deze bijlage al aangaven was de doelstelling van deze deelstudie een beperkte. Meer gedetailleerd dan we in hoofdstuk 4 gewenst vonden, illustreerden we een van de uitkomsten van dat hoofdstuk. Die was dat duidelijkheid en eenduidigheid in de weg van de exegese niet gevonden zijn.

We kunnen de exegeses van de hierboven besproken ‘zwijgteksten’ beschouwen als bouwstenen die in een groter bouwwerk worden ingepast. Deze ‘bouwwerken’ zijn de argumentatielijnen van de voor- en tegenstanders van de vrouw in het ambt, zoals we die in hoofdstuk 4 bespraken. We hebben ons in deze bijlage voornamelijk beperkt tot exegetische argumenten binnen de directe context van de besproken verzen. Wat daarbij onder meer bleek, is dat exegetische beslissingen vaak bepaald worden door de veel breder gefundeerde ‘argumentatielijn’ waarbinnen ze passen. Dit willen we hier nog eens samenvattend illustreren.

Bij tegenstanders van de vrouw in het ambt namen we grofweg vier denkstappen waar:
1. De gedragingen van vrouwen, die Paulus in 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 verbiedt, worden ‘vertaald’ in begrippen, zoals geestelijk leiding geven, geestelijk gezag uitoefenen, gezaghebbend en publiek verkondigen van Christus’ woord en werk, enz.
2. Het staat vast, dat Paulus zijn voorschriften baseert op een permanent geldende, door de scheppingsorde bepaalde plaats van de vrouw ten opzichte van de man. Kort


73 Een compacte uitdrukkingsstijl komen we bijvoorbeeld ook in Gen. 3: 16 tegen. Daar wordt met behulp van het “met smart zult gij kinderen baren” en “hij zal over u heersen” een illustratie gegeven van karakteristieke gevolgen van de zondeval voor de vrouw. Daarbij blijft ongenoemd, dat er ook vele andere gevolgen zijn, waarbij er geen sprake is van onderscheid tussen mannen en vrouwen.

|171|

gezegd: de man is aangesteld als hoofd en de vrouw als hulpe tegenover hem en met respectering van zijn leidende positie.
3. Tot de taken van ouderlingen en predikanten (of van kerkenraadsleden) behoort het geestelijk leiding geven, ook aan mannen. Daarom komen we in strijd met wat de bijbel in deze teksten leert, als we ‘leer- en regeerambten’ (of alle ‘bijzondere’ ambten) openstellen voor vrouwen.
4. Er is bij deze voorschriften geen tegenstelling tussen situatiegericht en universeel geldig. In de concrete situaties van de gemeenten van Korinte en Efeze gaat het om vrouwen, die (misschien op een voor die tijd specifieke manier) het door God bedoelde en hierboven omschreven onderscheid in posities of functies van mannen en vrouwen proberen uit te wissen.

Veel voorstanders van de vrouw in het ambt bestrijden allereerst dat een ‘ambtelijke context’ de aanleiding of het doel was van deze voorschriften van Paulus. Meer nog: in hun visie valt de categorie van ‘het ambtelijke’ buiten de reikwijdte van deze voorschriften. Zij beroepen zich daarvoor op andere argumentatielijnen in de Schrift. Verder betwisten ze in verschillende varianten de geldigheid van de hierboven genoemde ‘stap 2’. Ook deze argumentatielijnen vinden we weerspiegeld in exegetische keuzes.

Vatten we onze bevindingen samen, dan hebben we enerzijds laten zien, dat bepaalde exegetische keuzes beslist beter verdedigbaar zijn dan andere. Anderzijds stelden we meer dan eens vast dat er bij deze twee besproken tekstgedeelten ingrijpende, maar niettemin legitieme verschillen zijn in exegetische keuzes. Dit zou volgens onze commissie een reden moeten zijn om deze twee gedeelten niet de sleutelpositie te geven in de discussie over de openstelling van de ambten voor vrouwen, die ze met name bij tegenstanders daarvan doorgaans krijgen.

Rapport VOP (2003) Lit

|172|

 

Literatuurverwijzingen

 

In deze lijst staan de titels van de in ons rapport aangehaalde werken.

 

Aarnoudse, J.M., ‘Vlees van mijn vlees.’ Gelijkwaardigheid van vrouw en man in het licht van de Bijbel, in Vrouwen op een zij-spoor? Emancipatie van de vrouw en het verstaan van de Schrift in gereformeerd perspectief, Amsterdam 1998, 9-90

Acta van de Landelijke Vergadering van de Nederlands Gereformeerde Kerken te Doorn 1998. Plaats en jaar van uitgave onbekend.

Akta van de Landelijke Vergadering van de Nederlands Gereformeerde Kerken te Dronten 1988, Amsterdam 1989

Aquino, Thomas van, Summa der Theologie. Zusammengefasst, eingeleitet und erläutert von Joseph Bernhart. Zweiter Band. Die Sittliche Weltordnung, Stuttgart 19853

Augustinus, Aurelius, Wat betekent de bijbel? Christelijke scholing in tekstbegrip en presentatie. De doctrina christiana ingeleid, vertaald en toegelicht door Jan den Boeft en Ineke Sluiter, Amsterdam 1999

Baldwin, H.S., A Difficult Word: ‘authenteoo’ in 1 Tim. 2: 12, in Women in the Church: A Fresh Analysis of 1 Timothy 2: 9-15, edited by A.J. Köstenberger, Th.R. Schreiner and H.S. Baldwin, Grand Rapids, Michigan 1995, 65-80

Baldwin, H.S., Appendix 2: ‘authenteoo’ in Ancient Greek Literature, in Women in the Church: A Fresh Analysis of 1 Timothy 2: 9-15, edited by A.J. Köstenberger, Th.R. Schreiner and H.S. Baldwin, Grand Rapids, Michigan 1995, 269-305

Battles, Ford Lewis, God was accommodating Himself to human capacity, in Interpretation 31(1977), 19-38

Bavinck, H., De vrouw in de hedendaagsche maatschappij, Kampen 1918

Berg, J. van den, Scheppingsordinantiën, in Christelijke Encyclopedie VI, Kampen 19612, 69-70

Bergmann, U., ‘zr, in Theologisches Handwörterbuch zum Alten Testament, Band II, Hrsg. E. Jenni/C. Westermann, München/Zürich 1979, 257-259

Boer, C. den (samensteller), Man en vrouw in bijbels perspectief. Een bijbels-theologische verkenning van de man-vrouw verhouding met het oog op de gemeente, Kampen 1985

Bruce, F.F., Commentary on Galatians (New International Greek Testament Commentary), Grand Rapids 1982

Bruggen, J. van, Emancipatie en de Bijbel, Amsterdam 19845

Calvijn, Johannes, Genesis, Eerste deel. Uit het Latijn vertaald door S.O. Los, Goudriaan 19702

Calvijn, Johannes, Harmonie van de laatste vier boeken van Mozes. Eerste deel. Uit het Latijn vertaald door ds. J. van den Heuvel, Goudriaan/Kampen, 1984

Calvijn, Johannes, Institutie of onderwijzing in den christelijken godsdienst. Uit het Latijn vertaald door Dr. A.Sizoo, Delft 1931

Calvijn, Johannes, Uitlegging op den eersten en tweeden zendbrief van Paulus aan de Corinthié'rs. Naar uitgaven der Oude Hollandse overzetting van J. D., in de tegenwoordige spelling, door A.M. Donner, Goudriaan, 19722

Carson, D.A., ‘Silent in the Churches’: On the Role of Woman in 1 Corinthians 14: 33b-36, in Recovering Biblical Manhood and Womanhood: A Response tot Evangelical Feminism, ed. J. Piper, W. Grudem, Wheaton, Illinois 1991, 140-153

|173|

Douma, J., Grondslagen. Christelijke ethiek deel 1, Kampen 1999

Douma, J., Verantwoord handelen. Inleiding in de christelijke ethiek, Kampen 199710

Dussen, A. van der, Apostolisch gezag. Een pleidooi voor christelijke autonomie, in Kontekstueel 13/5 (1999), 11-15

Earle Ellis, E., Uitleg van het Oude Testament in het Nieuwe Testament, in Internationaal Commentaar op de Bijbel, Kampen 2001, 80-92

Eindrapport van de Commissie “openstelling diakenambt voor zusters der gemeente” (Gemaakt in opdracht van de Landelijke Vergadering der Nederlands Gereformeerde kerken te Dronten 1988), 1994

Fee, Gordon D., 1 and 2 Timothy, Titus (New International Bible Commentary), Peabody, Massachusetts and Carlisle, U. K 19986; oorspronkelijke publicatie New York 1984

Fee, Gordon D., God’s Empowering Presence: The Holy Spirit in the Letters of Paul, Carlisle 1994

Fee, Gordon D., The great Watershed — Intentionality and Particularity/Eternity: 1 Timothy 2: 8-15 as Test Case, in Gospel and Spirit, Issues in New Testament Hermeneutics, Peabody, Massachusetts 1991, 52-65

Fee, Gordon D., The First Epistle to the Corinthians (The New International Commentary on the New Testament), Grand Rapids 1987

Fitzmeyer S.J., Joseph A., A feature of Qumran angelology and the angels of 1 Cor. 11: 10, in The Semitic Background of the New Testament, Grand Rapids/Cambridge/Livonia 19972, 187-204

Geertsema, H.G., Achtergronden van en uitweg uit de impasse van de gereformeerde theologie, in Filosofie en theologie, een gesprek tussen christen-filosofen en theologen, Amsterdam 1997, 82-105

Geertsema, H.G., Homo respondens. Het historische karakter van de menselijke kennis, in Het menselijk karakter van ons kennen, Amsterdam 1992, 102-156

Gispen, W.H., Genesis. Deel 1, Genesis 1 -11:26 (Commentaar op het Oude Testament), Kampen 1974

Graafland, C., Gedachten over het ambt, Zoetermeer 1999

Greijdanus, S., Schriftbeginselen ter Schriftverklaring, Kampen 1946

Grenz, S.J., Kjesbo, D.M., Women in the Church, A biblical Theology of Women in Ministry, Downers Grove, Illinois 1995

Grosheide, F.W., De eerste brief van den apostel Paulus aan de kerk te Korinthe (Kommentaar op het Nieuwe Testament), Amsterdam 1932

Grudem, W., The Meaning of Kephalc (“Head”): A Response to Recent Studies, in Recovering Biblical Manhood and Womanhood: A Response to Evangelical Feminism, ed. J. Piper and W. Grudem, Wheaton, Illinois 1991, 425-468

Hartley, J.G., Genesis (New International Bible Commentary), Peabody (MA, USA), Carlisle (UK), 2000

Hertog, G.C. den, De ene onderdanigheid is de andere niet. Enige hermeneutische overwegingen rond de man-vrouwverhouding in bijbels licht, in Vrouwen op een zij-spoor? Emancipatie van de vrouw en het verstaan van de Schrift in gereformeerd perspectief, Amsterdam 1998, 246-269

Holwerda, D., 1 Timotheüs 2 en Numeri 30, in De Schrift opent een vergezicht, Kampen 1998, 601-602

Holwerda, D., Achtergrondinformatie bij 1 Cor 14: 35, in De Schrift opent een vergezicht, Kampen 1998, 593

Holwerda, D., Antwoord aan Ds. G. Janssen, in De Schrift opent een vergezicht, Kampen 1998, 588-592

|174|

Holwerda, D., De betekenis van ‘authenteoo’, in De Schrift opent een vergezicht, Kampen 1998, 405-409

Holwerda, D., De omlijsting van 1 Cor. 14: 34-35, in De Schrift opent een vergezicht, Kampen 1998, 540-552

Holwerda, D., Discussie-nota inzake vrouwelijke ambtsdragers, in De Schrift opent een vergezicht, Kampen 1998, 575-587

Holwerda, D., Enkele opmerkingen over de exegese van 1 Tim. 5:4, in De Schrift opent een vergezicht, Kampen 1998, 256-269

Holwerda, D., Man en Vrouw, in De Schrift opent een vergezicht, Kampen 1998, 605-615

Hommes N.J., De vrouw in de kerk. Nieuw-testamentische perspectieven, Franeker 1951

Houtman, C., Exodus. Deel III, Exodus 20-40 (Commentaar op het Oude Testament), Kampen 1996

Jager, H.J., De eerste brief aan de Korinthiers. College-dictaat, Kampen 1978

Jong, H. de, Deuteronomium: de evangelische wet. Deel 1 en 2, Kampen 1987

Jong, H. de, e.a., Individualisering en Solidariteit, Amsterdam/Utrecht 1988

Jong, H. de, Hermeneutiek, in Begeleidend schrijven. 25 jaar Theologische StudieBegeleiding, Amsterdam 1994, 18-28

Jong, H. de, Over de verhouding tussen het Oude en het Nieuwe Testament, in Begeleidend schrijven. 25 jaar Theologische StudieBegeleiding, Amsterdam 1994, 49-63

Jong, H. de, Paulus’ gebruik van Genesis 1-3 inzake de man-vrouw-verhouding, in Begeleidend schrijven. 25 jaar Theologische StudieBegeleiding, Amsterdam 1994, 64-83

Jong, J. de, Accommodatio Dei. A theme in K. Schilder’s theology of revelation, Kampen 1990

Knijff, H.W. de, Sleutel en slot. Beknopte geschiedenis van de bijbelse hermeneutiek, Kampen 19852

Köstenberger, A.J., A Complex Sentence Structure in 1 Timothy 2: 12, in Women in the Church: A Fresh Analysis of 1 Timothy 2: 9-15, edited by A.J. Köstenberger, Th.R. Schreiner and H.S. Baldwin, Grand Rapids, Michigan 1994, 81-103

Kroeger, C.C., Head, in Dictionary of Paul and his Letters, A Companion of Contemporary Biblical Scholarship, Downers Grove, Illinois; Leicester, England 1993, 375-377.

Kuitert, H.M., De mensvormigheid Gods. Een dogmatisch-hermeneutische studie over de antropomorfismen van de Heilige Schrift, Kampen 19693

Lewis Johnson Jr., S., Role distinctions in the church. Galatians 3: 28, in Recovering Biblical Manhood and Womanhood, A response to Evangelical Feminism, ed. J. Piper and W. Grudem, Wheaton, Illinois, 1991, 148-160

Loonstra, Bert, Zo goed en zo kwaad. Naar een ethiek van de christelijke gemeente, Zoetermeer 2000

Moggré, A.J., Adam eerst.. .Studies over de positie van de vrouw in de gemeente, Amsterdam 1988

Moo, D., What Does It Mean Not to Teach or Have Authorithy Over Men? 1 Timothy 2: 11-15, in Recovering Biblical Manhood and Womanhood: A Response to Evangelical Feminism, ed. J. Piper, W. Grudem, Wheaton, Illinois 1991, 179-193

Mudde, J.M., Verantwoordelijkheid in afhankelijkheid, in Opbouw 41 (1997) nr. 10-13

Mudde, J.M., ‘Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt ...’ De betekenis van de spreukenwijsheid voor de bezinning op de man-vrouwverhouding, in Vrouwen op een zij-spoor? Emancipatie van de vrouw en het verstaan van de Schrift in gereformeerd perspectief, Amsterdam 1998, 134-173

|175|

Oosterhoff, B.J., Hoe lezen wij Genesis 2 en 3? Een hermeneutische studie, Kampen 1972

Ortlund Jr., Raymond C., Male-female equality and Headship. Genesis 1-3, in Recovering Biblical Manhood and Womanhood: A response to Evangelical Feminism, ed. J. Piper, W. Grudem, Wheaton, Illinois 1991, 95-112

Peels, H.G.L., Het Woord is leven — over de Heilige Schrift, in Gegrond geloof. Kernpunten uit de geloofsleer. In bijbels, historisch en belijdend perspectief red. G. van den Brink, M. van Campen & J. van der Graaf, Zoetermeer 1996, 52-92

Peels, H.G.L., Man en vrouw, beeld van God? Een inleiding gehouden op de bijeenkomst van de Landelijke Werkgroep Kerk en Vrouw in april 1996. Plaats en jaar van uitgave onbekend.

Perriman, Andrew, Speaking of Woman. Interpreting Paul, Leicester 1998

Polyander, Johannes (e.a), Synopsis purioris theologiae, Leiden 1881 (editio sexta)

Pop, F.J., De eerste brief van Paulus aan de Corinthiërs (De Prediking van het Nieuwe Testament), Nijkerk 1965

Radcliffe-Brown, A.R. and Forde, Daryll (ed.), African Systems of kinship and marriage, London/New York/Toronto, 197010

Rapport Deputaten Echtscheiding (Gemaakt in opdracht van de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) Leusden 1999), oktober 2001

Rapport Vrouwelijke ouderlingen van de Nederlands Gereformeerde Kerk van Utrecht

Reicke, B., Rost, L., Bijbels-historisch woordenboek, Utrecht/Antwerpen 1969

Schilder, K., Dictaten kompendium der ethiek I-VI. Samengevat door G.J. Bruijn, Kampen 1980

Schlatter, A., Paulus der Bote Jesu. Eine Deutung seiner Briefe an die Korinther, Stuttgart 19694

Scholer, D.M., 1 Timothy 2: 9-12 & the Place of Woman in the Church’s Ministry, in Woman, Authourity & Bible, An Evangelical Breakthrough on the Biblical Debate, ed. A. Mickelsen, Basingstoke 1986, 193-219

Schrage, Wolfgang, Die konkreten Einzelgebote in der paulinischen Paränese. Ein Beitrag zur neutestamentlichen Ethik, Gütersloh 1961

Schreiner, Th.R., An Interpretation of 1 Timothy 2: 9-15: A Dialogue with Scholarship, in Women in the Church: A Fresh Analysis of 1 Timothy 2: 9-15, edited by A.J. Köstenberger, Th.R. Schreiner and H.S. Baldwin, Grand Rapids, Michigan, 1995, 105-154

Siertsema, Berthe, ‘Taal en wereldbeeld’ — Een stukje betekenisleer, in Gereformeerd Theologisch Tijdschrift, jaargang 68 (1968), 257-282

Steenbergen, W., Samen-leven onder de genade, in De Geest schrijft wegen in de tijd. Opstellen over samenleven in kerk en wereld, (J. P. Versteeg e.a.), Kampen 1984, 42-58

Steensma, D.J., M. Verhage-Van Kooten, J. Westert (e.a.), Individualisering en gezinsbeleid. Gezin, arbeid, opvoeding en zorg in het licht van christelijke politiek, (Publicatie nr. 25. Uitgave van de Marnix van St. Aldegonde Stichting), Nunspeet 1998

Stoffels, H.C., Standvastig, maar niet onbewogen, in: De boodschap en de kloof. Communicatie van het Evangelie in een postmoderne tijd (samenstelling A. G. Knevel), EO 1997, 29-50

Studierapport van de Commissie “openstelling diakenambt voor zusters der gemeente” (Gemaakt in opdracht van de Landelijke Vergadering der Nederlands Gereformeerde kerken te Dronten 1988), 1991

|176|

Thiselton, Anthony C., The First Epistle to the Corinthians (New International Greek Testament Commentary), Grand Rapids/Cambridge/Carlisle, 2000

Tuinstra, E.W. Spreuken I (De Prediking van het Oude Testament), Baarn 1996

Van Dale, Groot woordenboek der Nederlandse taal, Utrecht/Antwerpen12

Vaux, R. de, Hoe het oude Israël leefde. De instellingen van het Oude Testament. Deel 1, Utrecht 19783

Veldhuizen, P., God en mens onderweg. Hoofdmomenten uit de theologische geschiedbeschouwing van Klaas Schilder, Leiden 1995

Velema, W.H., Wet en Evangelie, Kampen 1987

Verhoef, Eduard, Er staat geschreven ...De oud-testamentische citaten in de brief aan de Galaten, Meppel 1979

Verkerk, Maarten J., Sekse als antwoord, Amsterdam 1997

Versteeg, J.P., Kijk op de kerk. De structuur van de gemeente volgens het Nieuwe Testament, Kampen 1985

Visee, G., ‘Enkele vragen betreffende de Goddelijke en de menselijke factor in de Heilige Schrift’, in

Onderwezen in het Koninkrijk der hemelen. Keuze uit de persarbeid van ds. G. Visee, Kampen 1979, 307-331

Visee, G., Over het ‘anthropomorfe’ spreken Gods in de Heilige Schrift, in Onderwezen in het koninkrijk der hemelen. Keuze uit de persarbeid van ds. G. Visee, Kampen 1979, 1-51

Vonk, C., De Voorzeide Deer. Deel 1a, Genesis-Exodus, Barendrecht 19802

Vonk, C., De Voorzeide Deer. Deel 1b, Leviticus, Numeri, Deuteronomium, Barendrecht 1963

Vrouw en Ambt (Uitgave onder verantwoordelijkheid van de Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland 1998), Amsterdam 1999

Winston, George en Dora, Vrouwen in de gemeente van Christus, Apeldoorn 1997

Witherington III, B., Women in the Earliest Churches, Cambridge, U.K. 1988