Velde, M. te e.a. (1993) Art. 9

Artikel 9

 

Kerkenordening 1905/1933

Artikel IX.
Nieuwelingen, mispriesters, monniken, en die anderszins eenige sekte verlaten hebben, zullen niet toegelaten worden tot den kerkedienst, dan met groote zorgvuldigheid en voorzichtigheid, nadat zij ook eenen zekeren tijd eerst wel beproefd zijn.

 

Deputatenrapport 1974

Artikel 9.
Toelating na beproeving
Zij die nog slechts sinds korte tijd gekomen zijn tot het belijden van de gereformeerde leer, zullen niet tot het ambt van dienaar des Woords worden toegelaten dat met grote zorgvuldigheid en voorzichtigheid, nadat zij gedurende een bepaalde tijd behoorlijk beproefd zijn.

Toelichting.
Bij verandering van het begin is gekozen voor het woord 'leer' (art. 61 spreekt van 'religie') om te benadrukken dat met name de leer reden geeft tot het stellen van dit artikel.

 

Commissierapport 1975

Art. 9.
KrH vraagt of de procedure van het beproeven niet vastgelegd moet worden in desbetreffende generale bepalingen. De comm. meent dat de behoefte daaraan zou moeten blijken in de kerkelijke weg, via de mindere vergaderingen. Overigens is het grote knelpunt hier de aanduiding van degenen, over wie het gaat. KrA, FH en Cn vragen zich af, hoe een voormalig lid van de Geref. Kerken (syn.) of van de Chr. Geref. Kerken moet worden gezien in de omschrijving van depp. Cn ziet het gevaar van onenigheid over de vraag, óf iemand nog slechts sinds korte tijd gekomen is tot het belijden van de gereformeerde leer. Bijv. als een "verontruste" predikant zich bij de Gereformeerde Kerken zou voegen.
Uw comm. moet toestemmen dat hier een reëel gevaar aanwezig is. Bij een zo ingrijpende zaak als deze, waarbij in de meeste gevallen de betrokkene dienstdoend predikant zal zijn geweest, behoort de mogelijkheid van een interpretatiestrijd n.a.v. art. 9 K.O. niet aanwezig te zijn. Op dit punt geeft uw comm. de voorkeur aan het voorstel-Cn (art. 10 in zijn ontwerp), waarbij de terminologie haars inziens niet moet zijn "lid geworden van een der kerken" maar "zich gevoegd hebben bij een der kerken".

Artikel 7.
Zij die zich nog slechts sinds korte tijd gevoegd hebben bij een der kerken zullen niet tot het ambt van dienaar doe Woords worden toegelaten dan met grote zorgvuldigheid en voorzichtigheid, nadat zij - indien de classis en de deputaten der particuliere synode het nodig achten - ook een zekere tijd wel beproefd zijn.

 

Synodebehandeling 1975

Besproken wordt het concept van de commissie in haar formulering van artikel 7 K.O. De commissie spreekt van de toelating tot het ambt van dienaren des Woords, 'van hen, die zich sinds korte tijd gevoegd hebben bij één der kerken'. terwijl deputaten spreken van hen 'die nog slechts korte tijd gekomen zijn tot het belijden van de gereformeerde leer'. De synode aanvaardt de formulering van de commissie in dezen voor artikel 7.

Artikel 9.
Zij die zich nog slechts sinds korte tijd gevoegd hebben bij een der kerken zullen niet tot het ambt van dienaar doe Woords worden toegelaten dan met grote zorgvuldigheid en voorzichtigheid, nadat zij - indien de classis en de deputaten der particuliere synode het nodig achten - ook een zekere tijd wel beproefd zijn

 

Deputatenrapport 1976

Dit rapport behandelt het betreffende artikel niet.

 

Deputatenrapport 1977

8. Artikel 9 (acta)
R. Suggestie, de aanhef te redigeren naar het voorstel, dat depp. van de g.s. Hattem deden aan de g.s. Kampen, nl.: 'Zij die nog slechts sinds korte tijd gekomen zijn tot het belijden van de gereformeerde leer…'
Dit zou beter aansluiten bij de oude tekst, die begint met nieuwelingen en verder ook sekten noemt. De tekst van de acta zou van toepassing zijn, ook op 'verontruste' of Chr. Gereformeerde predikanten, wanneer die zich bij een van de kerken zouden voegen. Dit zou echter niet de bedoeling zijn van art. 9, want hier moeten anderen bedoeld zijn dan zij 'die buiten de Nederlandse Gereformeerde Kerken' gediend hebben. Voor hen is immers in art. 5 een bepaling opgenomen.
M. 1. Depp. merken op dat de g.s. Kampen tot haar redactie is gekomen in verband met reacties uit de kerken, waarin tot voorzichtigheid gemaand werd over het punt, dat in het bovenstaande als vanzelfsprekend op de achtergrond staat. Namelijk dat in de daar genoemde gevallen voetstoots moet worden aangenomen, dat de betreffende predikanten niet sinds kort de gereformeerde leer belijden maar dit reeds lang hebben gedaan. Uit dien hoofde wil de inzender van deze reactie hen dan ook rangschikken onder de in art. 5 bedoelde predikanten, die 'buiten de Nederlandse Gereformeerde Kerken' gediend hebben en volgens een generale regeling beroepen kunnen worden.
2. Depp. hebben overwogen dat de K.O. in herziene vorm vele jaren in de toekomst, zo de Here wil, moet functioneren. Bij het voortschrijden van de huidige ontwikkeling wordt de mogelijkheid dat voorgangers, die uit andere kerkgemeenschap tot ons willen komen, nog maar kort (weer) tot het belijden van de gereformeerde leer zijn gekomen, eerder groter dan kleiner.
1. De mening van inzender, dat voor predikanten uit bijv. Chr. Geref. Kerken een regeling geldt naar art. 5, wordt gesteund door de korte Verklaring van Jansen, p. 26--27. Jansen begint daar met te spreken over Roomse priesters in de 16e eeuw, (die echter in art. 9 genoemd worden), en citeert vervolgens een reeks kerkelijke besluiten uit de periode na 1892, die achtereenvolgens de toelating behandelen van predikers
a.uit Gereformeerde kerken buiten Nederland,
b. uit het Nederlandsch Hervormde Kerkgenootschap,
c. uit kerken van min vaste formatiën,
d. uit de Christelijke Gereformeerde kerk.
De aanduiding 'Nederlandse Gereformeerde Kerken' in art. 5 is kennelijk opgevat als de naam van het kerkverband, zodat onder hen die daarbuiten gediend hebben predikanten kunnen worden geteld, die zowel in als buiten ons land in andere kerkformaties gediend hebben.
4.Dr. F.L. Bos in 'De Orde der Kerk', 1950, rangschikt eveneens de bedoelde kerkelijke besluiten (uit 1893, 1914 en 1927) onder art. 5. Hij onderscheidt echter meer dan Jansen tussen de predikers uit buitenlandse kerken (a) en die uit kerkgemeenschappen in Nederland (b, c, d). Voor de eerstgenoemden, inzoverre ze komen uit buitenlandse kerken waarmee correspondentie bestaat, is 'meerdere ruimte' geschapen.
5. Ds. H. Bouma in zijn 'Kerkenordening van de Geref. Kerken in Nederland', 1948 heeft de kerkelijke besluiten over predikanten en kandidaten uit buitenlandse gereformeerde kerken, waarmee correspondentie bestaat, gerangschikt onder art. 5, maar de besluiten over predikers uit de N.H. Kerk, de kerken van 'min vaste formatie' en de Chr. Geref. Kerken onder art. 9, p. 23-24, resp. 44-45. 6.
6.Depp. zijn van oordeel dat Jansen, Bos en de inzender van bovenstaande reactie wel gelijk hebben als zij ervan uitgaan, dat de 'generale kerkelijke bepalingen' in art. 5 alle besluiten zijn, die onder 3 a, b, c, d zijn aangeduid. Volgens vigerend kerkrecht valt de toelating van predikanten uit de Ned. Hervormde, syn.Geref. en Chr. Geref. Kerken onder art. 5 en niet onder art. 9.
Daarbij rijzen echter twee vragen:
a. verdient het geen aanbeveling, nu in onze eeuw de scheidslijnen tussen de kerkgemeenschappen van 'reformatorische oorsprong' geleidelijk scherper worden en daar sinds de Vrijmaking ook meer oog voor is dan voorheen, de categorieën ook duidelijker uit elkaar te houden: enerzijds predikanten uit buitenlandse kerken waarmee kerkelijke gemeenschap wordt geoefend, anderzijds predikanten uit kerkegroepen binnen Nederland waarmee dat niet het geval is. Zo loopt de lijn bij Bouma.
b. wat is in de vigerende K.O. nog de betekenis van art. 9 naast art. 5?
7. T.a.v. de laatstgenoemde vraag wijzen depp. op het volgende. De kerkorde van Dordrecht 1618/19 kende in art. 5 géén bepaling over de beroepbaarheid van hen, die buiten de gereformeerde kerken gediend hebben. In de Dordtsche redactie van de K.O. regelt art. 9 de toelating tot het predikambt van allen die zich van buitenaf bij de kerken voegden: nieuwelingen d.w.z. pas tot het christelijk geloof bekeerden of ook personen, die recentelijk uit het pausdom of een sectie kwamen, hetzij leken of geestelijken; verder mispriesters, monniken en wie anderszins enige sekte verlaten hadden (met name Wederdopers), vgl. Jansen p. 43-44. Daarmee waren de toenmalige mogelijkheden volledig aangedrukt. Na de Afscheiding en de Doleantie en de Vereniging van 1892 komen de bepalingen van 1893, 1914 en 1927. Voor predikers uit dán bestaande kerken die niet Rooms zijn, maar ook niet 'Gereformeerd', worden aparte bepalingen gemaakt. Men meent deze niet onder te moeten brengen in de sfeer van art. 9 (nieuwelingen), maar in die van art, 5 (beroep van dienstdoende predikanten naar andere gemeenten). De gedachte daarbij zal geweest zijn dat zulke predikers, al behoorden ze niet tot de Gereformeerde Kerken, toch zeker wel gereformeerd waren in de leer en de kerkregering. Zodoende bleven voor art. 9, materieel gezien, de volgende categorieën over: Roomse geestelijken, voorgangers uit sekten, en evt. niet theologisch geschoolden in het algemeen van buiten. Laatstgenoemden vallen in feite óók af, want als ze eenmaal lid van de kerk zijn geworden en ze willen predikant worden, dan is er de weg van de theologische opleiding of van art. 8. Het is uiteraard mogelijk, art. 9 zo te redigeren, dat duidelijk wordt: het gaat hier alleen nog over Roomse geestelijken en voorgangers van sekten.
8. Depp. menen echter, dat een andere weg verkieslijker is. In aansluiting bij hun overweging onder 2. menen ze te mogen stellen, dat toelating van predikanten uit buitenlandse kerken, waarmee kerkelijke gemeenschap wordt onderhouden, wèl past in de sfeer van art. 5: beroep naar een andere gemeente. Maar tevens. dat toelating van predikanten uit allerlei kerken, waarmee géén kerkelijke gemeenschap kan bestaan, daar veel minder op zijn plaats is.
De laatstgenoemde toelating betreft toch 'nieuwelingen' in dezelfde zin als in het oude art. 9, met deze restrictie dat er nu geen 'leken' mee bedoeld kunnen zijn maar alleen voorgangers, die recentelijk uit een andere gemeenschap tot ons kwamen.
9.In art. 9 dient dan uit te komen, dat hier anderen bedoeld zijn dan in art. 5, en dat de generale kerkelijke bepalingen, die hier van toepassing zijn, moeten worden nageleefd.
Voor de duidelijke onderscheiding van een en ander hebben depp. in art. 5 de formulering voorgesteld: predikanten die in gereformeerde kerken buiten Nederland gediend hebben.

Voorstel:
Voorgangers die zich sinds kort gevoegd hebben bij een van de kerken en dáárvoor niet gediend  hebben in een kerkverband waarmee kerkelijke gemeenschap wordt onderhouden, zullen slechts met grote voorzichtigheid tot de dienst des Woords worden toegelaten. Daarbij zullen de desbetreffende generale kerkelijke bepalingen in acht worden genomen. Indien de classis en de deputaten van de particuliere synode dit noodzakelijk achten, zullen zij eerst een proeftijd doormaken.

 

Commissierapport 1978

Art. 9.
Naar het oordeel van uw commissie, is het door depp. voorgestelde, aanvaardbaar; goede zorg voor de gemeente van Christus wordt op het hier onderhavige punt 'geregeld'. Uw cie is het dan ook niet eens met de kerkeraad die stelt, dat om wantrouwen buiten onze kerken te voorkomen, gelezen moet worden "met grote zorgvuldigheid en voorzichtigheid". Een andere kerkeraad heeft wat moeite met de uitdrukking "in een kerkverband........”; hij adviseert daarom te lezen: "in een kerk of kerken waarmee........”; uw commissie meent te moeten stellen dat het woord "kerkverband" dermate is ingeburgerd in ons spraakgebruik, dat tegen het gebruik hiervan geen enkele bezwaar is.

 

Synodebehandeling 1978

Bij de bespreking van art. 9 blijken in de vergadering bezwaren te bestaan tegen de woorden 'en daarvóór niet gediend hebben in een kerkverband'. Na beraad stellen deputaten voor te lezen: 'en niet afkomstig zijn uit een kerk'.
Ds. P. van Gurp dient het amendement in om te lezen: 'en daarvóór gediend hebben in een kerk, met welke geen kerkelijke gemeenschap wordt onderhouden'. Nadat dit amendement verworpen is, wordt het door deputaten voorgestelde art. 9 aanvaard.

 

Kerkorde 1978

Artikel 9
Toelating van voorgangers die sinds kort lid van een der kerken zijn
Voorgangers die zich sinds kort gevoegd hebben bij een van de kerken en niet afkomstig zijn uit een kerk waarmee kerkelijke gemeenschap wordt onderhouden, zullen slechts met grote voorzichtigheid tot de dienst des Woords worden toegelaten. Daarbij zullen de desbetreffende generale kerkelijke bepalingen in acht worden genomen. Indien de classis en de deputaten van de particuliere synode dit noodzakelijk achten, zullen zij eerst een proeftijd doormaken.