Rapport dHKO (2010) B29

B29 structuur kerkenraadswerk
1. De werkwijze van de kerkenraad, van de kerkenraad met diakenen en van de diakenen wordt vastgesteld in de plaatselijke regeling.
2. De kerkenraad kiest een passende vergader- en werkstructuur. Als de kerkenraad taken of bevoegdheden delegeert, behoudt hij daarbij zijn eindverantwoordelijkheid.
3. Indien in kleine gemeenten onvoldoende ambtsdragers beschikbaar zijn, wordt bijstand verleend door ouderlingen respectievelijk diakenen vanuit een door de classis aan te wijzen naburige kerk.

Toelichting B29

1. B29 bevat een aantal meer organisatorische bepalingen voor het kerkenraadswerk. Het bevestigt dat er veel ruimte is voor allerlei plaatselijke modellen en structuren van het kerkenraadswerk, mits de kerkenraad de eindverantwoordelijkheid behoudt.

|49|

2. B29.3 bepaalt dat in kleine gemeenten bij een tekort aan ambtsdragers ouderlingen worden bijgestaan door ouderlingen respectievelijk diakenen door diakenen van een naburige kerk. Deze regel wijkt af van art. 37 KO1978 dat er van uit gaat dat in dergelijk geval ouderlingen en diakenen samen gaan vergaderen. Wij menen dat het de voorkeur verdient ook hier de onderscheiding van de ambten in acht te nemen.

3. Er is hier bewust geformuleerd dat de bijstand wordt verleend door een door de classis aan te wijzen naburige kerk. Dat behoeft niet steeds de naburige kerk te zijn volgens E5.1. Denkbaar is dat de bijstand vanuit een grotere zusterkerk kan komen, die niet de naburige kerk is volgens E5.1.