Rapport dHKO (2010) B20

B20 ontheffing predikant
1. Een predikant mag uitsluitend wegens gewichtige redenen ontheffing vragen van zijn ambt.
2. Een losgemaakte predikant wordt door de kerkenraad ontheven van zijn ambt
3. Wanneer in de periode van twee jaren na de losmaking geen verbintenis met een andere kerk tot stand komt.
4. Slechts in buitengewone omstandigheden, indien een predikant niet langer voldoet aan de eisen voor het predikantschap, kan een predikant in andere gevallen door de kerkenraad worden ontheven van zijn ambt.
5. De kerkenraad besluit niet tot ontheffing dan na goedkeuring van de classis.
6. Ontheffing vindt niet plaats wanneer art. B21 van toepassing is.
7. Bij ontheffing van het ambt gaat de predikant over tot een andere levenstaak.

Toelichting B20

1. In B20 komt een drietal bijzondere situaties samen, die leiden tot ontheffing van het ambt van predikant:
a. een eigen verzoek van de predikant tot ontheffing wegens gewichtige redenen (B20.1);
b. de situatie dat na twee jaar losmaking geen andere verbintenis is tot stand gekomen (B20.2);
c. een ontheffing in buitengewone omstandigheden, indien een predikant niet langer voldoet aan de eisen voor het predikantschap (B20.3).

|44|

2. B20 staat tegen de achtergrond van B13: het predikantschap is een roeping voor het leven. B20 stelt dan ook zware eisen aan een tussentijdse beëindiging. Lichtvaardige overgang naar een andere levenstaak mag niet plaats vinden. Te denken valt aan een uitzonderlijke niet-medische situatie in het leven van de predikant of een dergelijke omstandigheid in diens gezin, die het verder functioneren als predikant onmogelijk maakt. Of een geval waarin moet worden vastgesteld dat niet langer wordt voldaan aan essentiële competenties voor het uitoefenen van het ambt van predikant.

3. Art. 15 KO1978 differentieert niet helder van wie de instigatie tot ontheffing uitgaat. Het is van belang dat kerkordelijk wordt bepaald dat dit van beide kanten kan plaats vinden.

4. Een predikant kan daarmee zijn ambt echter niet eigenmachtig neerleggen. Volgens B20.1 moet hij de kerkenraad om ontheffing verzoeken. Het besluit daarover is aan goedkeuring van de classis onderhevig volgens B20.4.

5. Andersom kan een kerkenraad ook slechts in buitengewone omstandigheden zijnerzijds besluiten tot ontheffing (B20.3) en is ook dan de goedkeuring van de classis vereist (B20.4).

6. Al met al heeft B20 de teneur dat slechts bij hoge uitzondering de predikant kan worden ontheven van zijn dienst.