Rapport dHKO (2010) B18

B18 non-actiefstelling predikant
1. Bij dringende noodzaak kan de kerkenraad overgaan tot non-actiefstelling van de predikant.
2. De kerkenraad besluit niet tot non-actiefstelling dan na instemming van de kerkenraad van de naburige kerk. Deze instemming is niet vereist indien de predikant instemt met non-actiefstelling.
3. Non-actiefstelling vindt niet of niet langer plaats wanneer art. B21 van toepassing is.

Toelichting B18

1. B18 regelt de non-actiefstelling van een predikant bij dringende noodzaak. Een vergelijkbare bepaling ontbreekt in de KO1978. In de praktijk komt non-actiefstelling echter wel voor. Het is rechtspositioneel van belang dit te regelen en een kerkordelijke basis te geven.

2. Non-actiefstelling is bedoeld als een neutrale opschorting van de uitoefening van de ambtsdienst. Het kan gaan om situaties als een ‘time-out’, een afkoelingsperiode, een onderzoeksperiode, e.d. Hiervoor wordt niet de term schorsing gebruikt, omdat die in het kerkelijk recht al een specifieke betekenis heeft. Zie B21.

3. Een non-actiefstelling kan plaats vinden in onderling overleg tussen kerkenraad en predikant. In dat geval moet wel vast staan dat er sprake is van ondubbelzinnige instemming van de predikant. Gaat het om een eenzijdige ordemaatregel door de kerkenraad en/of is de instemming van de predikant onduidelijk, dan is de instemming van de kerkenraad van de naburige kerk vereist.

4. Bij non-actiefstelling blijft het ambt als zodanig bestaan en ook de zorgplicht voor het levensonderhoud van de predikant en zijn gezin. Eventuele onkostenvergoedingen kunnen vervallen als de onkosten niet aantoonbaar worden gemaakt.