Rapport dHKO (2010) B9

B9 roeping van de predikant
1. De roeping van de predikant bestaat uit de beroeping, de goedkeuring en de bevestiging.
2. De beroeping vindt plaats door de kerkenraad met diakenen, met medewerking van de gemeente, volgens de plaatselijke regeling.
3. In kerken zonder predikant vindt de beroeping plaats met advies van de consulent.

|36|

4. De kerkenraad met diakenen doet een voordracht waarover de gemeente zich kan uitspreken. Als de gemeente instemt met de voordracht, brengt de kerkenraad met diakenen het beroep uit door de aanbieding van de beroepsbrief.
5. Wanneer de predikant het beroep aanvaardt, wordt de goedkeuring van de gemeente verkregen als zijn naam op twee achtereenvolgende zondagen is afgekondigd en er vanuit de gemeente geen gegrond bezwaar tegen zijn leer of leven wordt ingebracht.
6. De classis verleent haar goedkeuring als zij zich heeft overtuigd dat is voldaan aan de generale rechtspositieregeling als bedoeld in art. B23.
7. De bevestiging vindt plaats in een kerkdienst met gebruik van het daarvoor bestemde formulier. De bevestiging van een kandidaat-predikant vindt plaats onder handoplegging door de predikant die de bevestiging verricht.

Toelichting B9

1. Art. B9 beoogt een overzichtelijke weergave te bieden van de normale route naar het predikantschap. Het vervangt de uitgebreide artt. 5 en 6 KO1978. De inhoud is materieel gehandhaafd.

2. Er is geen reden om het gebed, zoals art. 5 KO1978 dat noemt, speciaal op deze plaats in de KO te handhaven. Vanzelfsprekend is het beroepingsproces omringd met gebeden van de kerkenraad met diakenen, de gemeenteleden en de beroepen predikant. De expliciete vermelding stamt af van de vroegere combinatie van 'vasten en bidden' (art. IV DKO). De GS Utrecht 1905 schrapte het vasten, omdat het in onbruik was geraakt. De speciale vermelding van het gebed kan achterwege blijven, niet omdat het in onbruik raakt, maar omdat het juist bij veel meer gelegenheden geldt.

3. Het roepingsproces is in zijn opeenvolgende stadia een bijzondere vorm van totstandkoming van de verbintenis tussen een predikant en een kerkelijke gemeente. Kenmerkend is dat het initiatief uitgaat van de kerk onder leiding van de kerkenraad. De predikant wordt geroepen c.q. beroepen (vocatio), ook al heeft hij daarvoor niet gesolliciteerd. Heeft hij eenmaal een verbintenis met een kerk, dan mag hij die niet eigener beweging beëindigen. Zie B20. Als keerzijde past hierbij dat een predikant in beginsel vanuit andere kerken beroepbaar is en zich ook als zodanig dient op te stellen. De praktijk laat op beide fronten wel eens tegendraadse situaties zien: enerzijds de predikant die eigener beweging en buiten medeweten van zijn kerkenraad ‘solliciteert’, anderzijds de predikant die op voorhand elk beroep afhoudt. Beide tendensen zijn onwenselijk.

4. De goedkeuring (approbatio) heeft een plaatselijk aspect – goedkeuring van de gemeente – , maar is ook gerelateerd aan het kerkverband – goedkeuring van de classis. Bij de classis ligt het accent op de naleving van de kerkelijke regelingen uit oogpunt van rechtsbescherming van predikant en gemeente. De classis verleent haar goedkeuring indien is voldaan aan de generale rechtspositieregeling. Deze verwijzing voorkomt allerlei details in de tekst van de KO.