Meulink, H. e.a. (1967) Art. 37

|85|

Van de kerkeraad.

Art. 37. In alle Kerken zal een Kerkeraad zijn, bestaande uit de Dienaren des Woords en de Ouderlingen, dewelke, althans in de grootere gemeenten, in den regel alle weken eens tezamenkomen zullen, alwaar de Dienaar des Woords (of de Dienaren, zoo daar meerdere zijn bij beurte) presideeren en de actie regeeren zal.

Elke plaatselijke kerk is een complete, zelfstandige kerk en heeft dus een kerkeraad, die bestaat uit dienaren des Woords en ouderlingen; in 1 Tim. 4: 14 lezen we dan ook van een „ouderlingschap”; deze ouderlingen worden onderscheiden in leer- en regeerouderlingen. Leerouderlingen worden thans genoemd dienaren des Woords.

De vraag of er op de zelfde plaats één of meer kerken mogen bestaan, wordt in dit artikel niet behandeld.
Wel kunnen er meer kerken in één plaats zijn, maar dan niet op hetzelfde terrein.

De tijd van samenkomst moet aan de gemeente bekend gemaakt worden, opdat de leden gelegenheid hebben inlichtingen te vragen en klachten in te dienen; dit wil evenwel niet zeggen, dat elke vergadering voor de gemeenteleden toegankelijk is. Het praesidium wordt altijd waargenomen door de dienaar; waar meerdere dienaren zijn „bij beurte”.

Tot de taak van de kerkeraad met diakenen behoort:
1e. de verkiezing van ambtsdragers, ook de beroeping van dienaren en attestaties van inkomende of vertrekkende predikanten;
2e. de beslissing van emeritaatsaanvragen;
3e. de censura morum naar Art. 81 K.O.;
4e. bij kerkvisitatie naar Art. 44 K.O.;
5e. het beheer van kerkelijke goederen en inkomsten, maar altijd zo, dat de diakenen niet deelnemen aan de regering der kerk.