Meulink, H. e.a. (1967) Art. 23

Het werk der ouderlingen

Art. 23. Der Ouderlingen ambt is, behalve hetgene dat boven, in Art. 16, gezegd is hun met den Dienaar des Woords gemeen te zijn, opzicht te hebben, dat de Dienareen, mitsgaders hunne andere Medehelpers en Diakenen hun ambt getrouwelijk bedienen, en de bezoeking te doen, naar dat de gelegenheid des tijds en der plaats tot stichting der gemeente, zoo voor als na het Nachtmaal, kan lijden, om bijzonder de lidmaten der gemeente te vertroosten en te onderwijzen, en ook anderen tot de Christelijke religie te vermanen.

Het ambt (officium, taak, plicht, zie bij artikel 2) der ouderlingen bestaat in de regering der kerk en de tuchtoefening, waarvan reeds gesproken is bij artikel 16.

Afzonderlijk wordt nog genoemd het huisbezoek, dat in verband gebracht wordt met het Avondmaal, waarbij als ideaal gesteld wordt, indien mogelijk, de leden der gemeente aan hun woningen te bezoeken voor en na de Avondmaalsviering ter voorbereiding en onderwijzing en tot opwekking om zich als heiligen te openbaren. Helaas komt in de praktijk het huisbezoek hoogstens een paar maal per jaar voor; in de grote gemeenten slechts één keer per jaar of misschien nog minder. Wenselijk is de ouderlingenwijken niet te groot te maken, zodat het huisbezoek vaker kan plaats vinden: er zit voor de gemeente een zegen in. Het geregelde toezicht voorkomt vele zonden en moeilijkheden en voortdurende vermaning tot een godzalige levenswandel blijft niet zonder vrucht. Dat de predikanten niet genoemd worden wil natuurlijk niet zeggen, dat zij van dit werk zijn uitgesloten; predikanten zijn ook ouderlingen, 1 Tim. 5: 17.

Dit huisbezoek is gegrond in de schrift: Paulus vermaande de leven van Efeze’s gemeente aan hun woningen, Hand. 20: 31 en

|70|

geeft dit werk nu algeheel over aan de ouderlingen. Onjuist is de uitspraak, dat de ouderlingen ook anderen tot de christelijke religie behoren te vermanen, namelijk, indien de bedoeling zijn zou, dat zij dit behoren te doen in hun kwaliteit van ouderling: immers behoort het vermanen tot het tuchtrecht, dat zich niet verder uitstrekt dan de leden der gemeente, althans kerkelijk-ambtelijk gezien. Wel hebben de ouderlingen, evenals elk lid der gemeente de roeping, de naam van Christus te belijden (Catech. 12) en anderen te vermanen de Heere te dienen en zich bij zijn kerk  te voegen, maar dit geschiedt dan niet krachtens het bijzonder kerkelijk ambt, maar krachtens het ambt aller gelovigen, waarin zij gelijk alle leden een-en-dezelfde roeping tot evangelisatie hebben.