Kerkorde Emden (1571)

Acta Synodi Ecclesiarum Belgicarum, quae sub cruce sunt, et per Germaniam et Phrisiam Orientalem dispersae: habitae Embdae 4. Octob. Anno etc. 71.

Acta ofte Handelinghen der versamelinghe der Nederlandtsche Kercken die onder ’t Cruys sitten, ende in Duytschlandt, ende Oost-Vrieslandt verstroyt zijn, gehouden tot Embden den 4. Octobris Anno 1571.

Bron: 

F.L. Rutgers, Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw, ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1889, 42-119

Kerkorde Emden (1571) Rutgers

|42|

 

De acta der Synode te Emden, 4-13 October 1571.

 

Van de acta der Emdensche Synode kan geen afdruk gegeven worden, die gemaakt of verbeterd is naar het authentieke stuk; want dit stuk is sedert lang zóó spoorloos verdwenen, dat het wel kan geacht worden niet meer aanwezig te zijn. Dat men er nog iets van weet, is hoofdzakelijk te danken aan het laatste bericht dat van zijn bestaan getuigenis geeft, nl. aan de verklaring van J. Trigland in zijne Kerckelijcke Geschiedenissen. Ter plaatse waar hij over de Emdensche Synode handelt (blz. 161 vg.), doet hij over het bedoelde stuk de volgende mededeelingen: „Ende hoewel den Histori-schrijver [Joh. Wtenbogaert] seyt, „d’acten vande selve authentijck niet te hebben ghesien”, soo isset nochtans seecker, dat de selve noch heden desen dach in wesen zijn, soo alsse zijn gheschreven inde Latijnsche tale, ende onderteyckent, niet alleen by Preses ende Scriba, ghelijck andersins ordinaris geschiet, maer oock by alle de gene die inde selve Synode zijn tegenwoordig geweest; berustende by een persoon van treffelijcke qualiteyt, maechschap van eener die niet de minste is gheweest in die vergaderinghe; alwaer men noch soude konnen lesen alle de Gravamina de welcke aldaer verhandelt zijn”. Hieruit blijkt: 1º dat de oorspronkelijke acten in het Latijn gesteld zijn; 2º dat zij, wat den vorm betreft, waarschijnlijk ingericht waren, niet zooals de authentieke acten der Dordtsche Synode van 1574 (aanteekening van al wat in de vergadering voorviel en besloten werd, met behoud van de chronologische volgorde), maar zooals de authentieke acten der Dordtsche Synode van 1578 (aanteekening der genomen besluiten,

|43|

zakelijk geordend naar bepaalde rubrieken: eerst de artikelen van meer algemeene strekking, die dus samen de kerkenordening uitmaakten, en daarna de artikelen over ingekomen gravamina of particuliere vragen); 3º dat zij onderteekend waren, op gelijke wijze als b.v. de authentieke acten der Dordtsche Synoden van 1574 en van 1578 (welke acten Trigland blijkbaar nooit gezien heeft, daar hij anders wel niet zou gezegd hebben, dat de onderteekening gewoonlijk alleen door den praeses en den scriba geschiedde; ’t geen wel gelden kan van authentieke afschriften der artikelen die voor alle kerken van belang waren, maar niet van de authentieke acten zelve), en dus onderteekend niet alleen door het moderamen, maar ook door alle anderen die in de Synode waren tegenwoordig geweest; welke uitdrukking niet slechts de eigenlijk gezegde, kerkelijk gedeputeerde, leden schijnt in te sluiten, maar ook anderen die de vergadering bijwoonden; en dan ten aanzien van die allen natuurlijk te verstaan is, voor zoover zij de laatste zitting nog bijwoonden (’t geen althans op de Dordtsche Synoden van 1574 en van 1578 niet met alle leden het geval was) en de onderteekening niet weigerden (’t geen op de Middelburgsche Synode van 1581 ten aanzien van Synodale acten is voorgekomen); 4º dat zij in het midden der 17e eeuw nog voorhanden waren; en 5º dat zij toen in particulier bezit waren; terwijl blijkbaar niet gedacht werd aan pogingen om ze te vereenigen met de onder kerkelijke bewaring zijnde oud-Synodale stukken. Aan deze omstandigheid is het zonder twijfel ook toe te schrijven, dat zij, gedurig van bezitter veranderende, ten slotte geheel zijn verloren geraakt.

Intusschen zijn er nog ten minste twee oude afschriften overgebleven van de Emdensche acta in den oorspronkelijken Latijnschen tekst.

Het eene is te vinden in het provinciaal kerkelijk archief van Gelderland, in den eersten der elf folianten, waarin afschriften staan van de acta der prov. Geldersche Synoden (op den Index van het Oud Provinciaal Kerkelijk Archief van Gelderland Nr. 1). Omtrent de herkomst van dat eerste deel meldt een officieel bericht op de eerste bladzijden, dat in 1651 aan de Provinciale Geldersche Synode „codidem hunc praestantissimum ..... ex

|44|

singulari liberalitate et munificentia dono dedit ac consecravit Dn Gellius de Bouma, Ecclesiae Zutphaniensis Pastor vigilantissimus, de Ecclesia Iesu Christi optime meritus, Exemplo Reverendi parentis sui τοῦ μακαρίτου Dn. Petri Gellii de Bouma, reformatae Ecclesiae Zutphaniensis primi Pastoris, et vicinarum Ecclesiarum Reformatoris indefessi, Anno aetatis suae 72º, sacri ministerii 50º”. En de verzameling zelve bestaat niet alleen uit afschriften van de acta der Provinciale Geldersche Synoden van 1579 vgg., maar daaraan zijn ook toegevoegd, vooraan en tusschenin, afschriften van de acta der grootere Nederlandsche Synoden, de eerste twee (Emden 1571 en Dordrecht 1578) in het Latijn. Het Emdensche stuk nu bevat eerste de tot eene kerkenordening samengevoegde besluiten; daarna de antwoorden op de ingekomen vragen (met bijvoeging van het in art. 9 van die vragen genoemde advies uit Genève; dit, bij uitzondering, in eene Hollandsche vertaling); vervolgens de besluiten tot regeling van de meerdere vergaderingen, en eindelijk eene lijst van de onderteekenaars der acta. Onder het eerste van die vier stukken staat, dat het geteekend was door Casparus Heijdanus als praeses en Joannes Polijander als scriba; waaruit volgt, dat dit afschrift genomen is, niet naar de oorspronkelijke acta zelven (die volgens alle berichten, en ook volgens de gewoonte, door alle leden onderteekend waren), maar naar een door den praeses en den scriba gewaarmerkt afschrift daarvan. Het is dus een stuk, waarin door het herhaald afschrijven natuurlijk wel eenige fouten kunnen zijn ingeslopen. Maar terwijl het in dat opzicht minstens gelijk staat met de beste der bekende Hollandsche afschriften, heeft het boven deze vooruit, dat er althans geene fouten van vertaling in kunnen voorkomen. Bij gebreke van de authentieke acta geeft het alzoo in ieder geval de meest betrouwbare redactie. Daar nu de Emdensche acta nog nooit in de oorspronkelijke taal zijn uitgegeven, scheen het te meer wenschelijk, het genoemde stuk in de volgende bladzijden af te drukken. En gelukkig is zijn schrift zóó net en duidelijk, dat eene goede uitgave niet het minste bezwaar oplevert.

Het andere nog bekende Latijnsche afschrift was in de eerste helft dezer eeuw in het bezit van J. Heringa. Het is volgens

|45|

zijne berichten (Kerkelijke Raadvrager en Raadgever, 2e dl., Ed. 1826, blz. 263, en Archief voor Kerkel. geschied., 5e dl., Ed. 1834, blz. 66) in 1575 door J. van Foreest gemaakt; voorzien van eene naamlijst der onderteekenaren; en getiteld: „Acta Synodi Ecclesiarum Belgicarum, quae sub cruce sunt, et per Germaniam et Phrisiam Orientalem dispersae, habitae Embdae 4to die Octobris aº 1571;” onder welken titel het ook voorkomt op den catalogus van de in 1841 verkochte Bibliotheca Heringana (Manuscripta, nr. 22). Meer dan dit weinige kan er echter niet van gezegd worden, daar er nooit iets uit is medegedeeld, behalve de drie regels, die den inhoud uitmaken van art. 3 der particuliere vragen (Archief, l.l.). Indien het stuk nog tijdig kan gevonden en geraadpleegd worden, zal natuurlijk zijn tekst vergeleken worden met dien van het eerstgenoemde afschrift, en zullen de eventueele afwijkingen worden opgegeven.

In het belangrijke werk van H.F. Jacobson, Geschichte der Quellen des Kirchenrechts des Preussischen Staats, wordt nog melding gemaakt (4er Theil, die Provinzen Reinland und Westfalen, 3er Band, das evangelische Kirchenrecht, Ed. 1844, blz. 78) van een Latijnsch handschrift der Emdensche acta, uit het jaar 1599, te vinden „in dem kleinen Syndikatsgewölbe des Archivs zu Cöln, fol. 40 f.” Het wordt daar genoemd „eine lateinische Uebersetzung”. Misschien is dit laatste onjuist; maar onmogelijk of zelfs onwaarschijnlijk is het toch volstrekt niet. En in ieder geval is nog zeer twijfelachtig, dat dit een afschrift zijn zou van een authentiek stuk.

 

De oorspronkelijke tekst van de Emdensche acta is al spoedig in het Hollandsch vertaald; denkelijk wel  terstond na de Synode zelve. Het is onbekend, van wien de vertaling afkomstig is. In ieder geval is zij, evenals de Hollandsche vertaling van de Wezelsche artikelen, geheel het werk van een particulier persoon; en ook hier kan de opneming in onderscheidene verzamelingen van Kerkenordeningen geenerlei authentiek of officieel karakter aan haar mededeelen. Zij is het eerst openbaar gemaakt in de Kercken-ordeninghen der Ghereformeerder Nederlandtscher Kercken (Delft, 1612); echter onder den minder juisten

|46|

naam, op het titelblad, van Kerkenordening eener Nationale Synode (van welke de Emdensche Synode zich juist uitdrukkelijk onderscheidde, zich zelve slechts beschouwende als eene Synode van twee der drie groote provinciën, waarin alle Nederlandsche Kerken waren ingedeeld; vgl. artt. 8 en 9, en partic. vragen artt. 3, 23 en 24; en ook den brief van G. van der Heyden, in M.J. van Lennep, G. v.d. H., blz. 237), en voorts alleen voor zoover de acta betrekking hadden op de tot eene kerkenordening samengevoegde besluiten, en dus zonder de antwoorden op de particuliere vragen en zonder de nadere besluiten omtrent de meerdere kerkelijke vergaderingen. Daarna is datzelfde gedeelte der acta herdrukt in de volgende uitgaven van de reeds genoemde Kercken-ordeninghen (de 5e druk werd in 1730 door G. Nauta bezorgd); en voorts in de onderscheiden uitgaven van het Kerkelijk Handboekje (1732 enz.); door J.J. Harkenroht, achter zijn geschrift Emdens Herderstaf (1716); door E. Meiners, in Oostvrieschlands Kerkelijke Geschiedenisse (1738, 1e dl., blzz. 427 vgg.); naar de bovengenoemde uitgave van G. Nauta, achter het Compendium der Kerkelijke Wetten van Vriesland (nl. in de tweede uitgave, van 1771, niet in de eerste en derde); enz. En eindelijk zijn er ook uitgaven gekomen, waarin mede opgenomen werd wat nog verder besloten was, op de ingekomen gravamina en ten aanzien van de meerdere vergaderingen. Deze verdere besluiten (in die meer volledige uitgaven wel eens ten onrechte „nahandelingen” genoemd, alsof alle oude Nederlandsche Synoden zich eerst opzettelijk en onafgebroken met het maken eener kerkenordening bezighielden, en dan daarna over allerlei andere zaken handelden) zijn mede opgenomen b.v. in de uitgave van het Kerkelijk Placaatboek (3e dl., Ed. 1792, blzz. 406 vgg.) en bij C. Hooijer, Oude Kerkordeningen (Ed. 1865, blzz. 67 vgg.).

In alle die uitgaven heeft de een den ander eenvoudig woordelijk nagedrukt, zelfs notoire drukfouten zonder eenige aanmerking overnemende. Zoo b.v. stond in de eerste uitgave van 1612, in artt. 10 en 11, achtmaal het woord „Classem”; maar de zetter of corrector van een lateren herdruk, dien Latijnschen vierden naamval van het enkelvoud niet begrijpende, maakte

|47|

daarvan telkens het meervoud „Classen”; en nu is deze fout van eene der oudere uitgaven trouw in alle andere nagevolgd. Evenzoo in datzelfde art. 11 het tweemaal voorkomende „ende ander”, in plaats van „een ander”. En (om nog iets te noemen) toen eenmaal, reeds in de eerste uitgave van 1612, gedrukt was, dat de Emdensche Synode begonnen was den 5en October, ’t geen toch uit alle handschriften (b.v. uit de straks te vermelden stukken van het Oud-Archief) en uit alle berichten over die Synode (b.v. uit de afdoende getuigenissen te dien aanzien in J. Heringa, Kerkel. Raadvr. en Raadg., l.l.; H.F. Jacobson, l.l., en voorts in zijne Urkunden-Sammlung, als aanhangsel bij het bedoelde deel van zijn werk mede in 1844 uitgegeven, blz. 50; J.J. van Toorenenbergen, Geschiedenissen ende Handelingen, in de Werken der Marnix-Vereeniging, 3e Serie, 1e dl. 1e stuk, Ed. 1873, blz. 85; M.J. van Lennep, Gaspar van der Heyden, Ed. 1884, blzz. 80 en 204) als eene drukfout had kunnen erkend zijn, hebben alle latere uitgevers dat eenvoudig herhaald, zonder dat het iemand in de gedachte kwam, de juiste dagteekening van 4 October te herstellen.

Toch zou het waarlijk niet zoo moeielijk geweest zijn, dien gangbaren tekst althans eenigszins te controleeren. Immers, in het Oud-Archief der Nederlandsche Hervormde Kerk zijn nog twee stukken aanwezig, die beide een afschrift bevatten van de in het Hollandsch vertaalde besluiten der Emdensche Synode; het eene van alles wat in de meest volledige uitgaven gedrukt is, en het andere van ver het grootste gedeelte.

Het laatstbedoelde stuk staat in den Catalogus van het Oud-Archief vermeld onder Nr. I, 3, 2, en is dus ingebonden in denzelfden band waarin ook het origineel der Wezelsche artikelen te vinden is, onmiddellijk daarop volgende (blzz. 27-42). Het bevat de tot eene kerkenordening samengevoegde besluiten, en voorts de antwoorden op de particuliere vragen; maar niet de nadere besluiten over de meerdere vergaderingen. Van den aanvang tot het einde is de tekst bijna woordelijk gelijkluidend met den gedrukten tekst; en de overeenkomst is zóó groot, dat er wel geen twijfel zijn kan, of men heeft in beiden dezelfde vertaling. Toch zal de gedrukte tekst nog wel naar een ander,

|48|

thans niet meer bekend, afschrift van diezelfde vertaling gegeven zijn. Anders zouden de op enkele plaatsen voorkomende afwijkingen, althans sommige daarvan, moeielijk te verklaren zijn. En ook bovendien heeft de gedrukte tekst enkele bladzijden meer dan dit afschrift.

Het andere stuk in het Oud-Archief staat in den Catalogus vermeld onder Nr. I, 2, 4, a. Dit tweede nummer van de eerste afdeeling is het zoogenaamde Boek van Petrus Cabeljau, een zeer lijvige quartijn, waarin de genoemde predikant omstreeks het midden der 17e eeuw afschriften heeft bijeengebracht van een groot aantal Synodale acta en kerkelijke ordeningen; welke verzameling, blijkens eene aanteekening op de eerste bladzijde, op de auctie zijner boeken (hij stierf in 1668) voor 25 gld. aangekocht werd door H. Alutarius, en daarna, blijkens het in 1737 daarbij gevoegde register van gecommitteerden der Zuid-Hollandsche Synode (blzz. 6-13), tot de boeken en papieren van die Synode behoorde. In dit boek nu staan onder nr. 4 de acta der Nederlandsche Synoden, en wel allereerst die van Emden (blzz. 101-132). Het mag echter ook wel opgemerkt worden, dat er nog drie andere nummers aanvoorafgaan, onder deze titels: nr. 1 (blzz. 17-58) „Kercken-Discipline der Gereformeerder Gemeenten in Vranckryck vanden Jare 1559 tot int jaer 1571. Inden Nationalen Synodis des selven Rijckx besloten ende toegerichtet, uyt der Fransoischer sprake trouwelyck overgeset”; nr. 2 (blzz. 63-68) „Ordo qui in Palatinatu observatur, transmissus a Jaspero Heydeno Joanni Arnoldi Amsterodamensis Ecclesiae Ministro. Anno ...” (twee blzz. verder, aan het hoofd eener tweede reeks Paltzer artikelen, met een nieuw opschrift, is bij het jaartal geene opene ruimte, maar staat „Anno 1571”); en nr. 3 (blzz. 69-99) „Liber disciplinae” blijkens den inhoud de Schotsche kerkenordening, gelijk die was in 1571). Blijkbaar zijn dit alle drie stukken, die hebben moeten dienen voor de taak die de Emdensche Synode te verrichten had, en die daarom vereenigd waren bewaard gebleven. En dan ligt het vermoeden voor de hand, dat degeen, die ze in 1571 gebruikt heeft, ook een exemplaar van de Emdensche acta aan dat bundeltje toevoegde, zoodat het stuk, dat aan P. Cabeljau ten dienste stond,

|49|

dan nog zou afkomstig zijn uit den tijd der vergadering zelve. Het is zelfs wel mogelijk, dat de laatstgenoemde, die sedert 1642 een stadgenoot was van J. Trigland, het door dezen bedoelde en hierboven reeds vermelde autographon ook heeft kunnen gebruiken. In ieder geval is de in het boek van P. Cabeljau voorkomende Hollandsche vertaling geenszins dezelfde als die van het andere hierboven beschrevene handschrift. Bijna in ieder artikel is hare woordkeuze en vooral haar zinsbouw zo geheel anders, dat er wel geen twijfel zijn kan, of zij is, onafhankelijk van die andere vertaling, wederom gemaakt naar den grondtekst. Zij zal echter wel niet gemaakt zijn door P. Cabeljau zelven; want met diens gewone spelling (bekend o.a. uit zijn in 1650 uitgegeven werk: de oude Catholycke waerheyt der Gereformeerde Kercke) komt de nog al vreemde spelling, die in het bedoelde stuk met veel consequentie gevolgd wordt, ganschelijk niet overeen. Het is dus waarschijnlijk, dat deze vertaling reeds van ouder dagteekening is en door den verzamelaar slechts werd overgenomen; terwijl van dit laatste dan de grond kan geweest zijn, dat hij ze nog een weinig beter achtte dan de vertaling, die door de uitgave van 1612 toen reeds algemeen bekend was.

Wat den inhoud betreft, komt dit afschrift met de meest volledige uitgaven (b.v. in het Kerkelijk Placaatboek en bij C. Hooijer) geheel overeen: het bevat ook de nadere besluiten omtrent de meerdere vergaderingen, die, gelijk boven reeds opgemerkt is, in het andere Hollandsche handschrift ontbreken. Intusschen geldt ook bij dit gedeelte, dat in den gedrukten tekst blijkbaar eene andere vertaling gevolgd is. Wel is thans geen handschrift meer bekend, waaruit de gedrukte vertaling van dit stuk kan ontleend zijn; maar zij is in ieder geval van anderen oorsprong dan die in het boek van P. Cabeljau. Bovendien is er in dit laatste nog iets aan toegevoegd, dat vóór de uitgave van C. Hooijer in geen gedrukten tekst gevonden wordt, nl. eene opgave der personen die te Emden de acta onderteekend hebben. Deze lijst, voor het eerst openbaar gemaakt door C. Hooijer (l.l. blzz. 64 vg., waar zij echter, met afwijking van de meer nauwkeurige uitdrukking in het handschrift, ten onrechte eene „lijst der leden van de Emdensche Synode” genoemd wordt), is blijkbaar

|50|

overgeschreven van een Latijnsch handschrift; want zoowel de namen van personen en plaatsen, als de bijvoegingen van dienaar, van aanstaand of voormalig dienaar en van ouderling, zijn alle in het Latijn. Maar indien zij soms ontleend zijn aan het authentieke stuk zelf, dan heeft de afschrijver er toch zeker telkens iets in veranderd; want bij onderscheidene van die mannen, wier gewone handteekening welbekend is, staat hier eene spelling der namen, die zóó zonderling is, dat zij zelven wel niet kunnen geacht worden, letterlijk alzoo te hebben geteekend.

Waar het authentieke stuk ontbreekt, daar is natuurlijk ieder hulpmiddel, dat omtrent de ware lezing meerdere zekerheid geven kan, welkom. Daarom mag eene goede Duitsche vertaling, die blijkbaar niet lang na de Emdensche Synode zelve gemaakt is, ook niet ongebruikt worden gelaten. Door H.F. Jacobson, in zijn reeds boven aangehaald werk (in hetzelfde deel, blzz. 78 vg.), wordt bericht, dat er van de Emdensche acta een afschrift is in het plat-Duitsch, in het archief van de Rhein. Prov. Synode te Barmen (vol. Q), en een afschrift in het Hoogduitsch, in het Wezelsche kerkarchief (nr. 26, p. 12 vg.). Het laatstgenoemde nu is in zijn geheel door hem afgedrukt in zijne rijke verzameling van oorkonden der Evangelische Kerk van Rijnland en Westfalen (de reeds boven aangehaalde Urkunden-Sammlung, nr. XXVII, blzz. 50-72), en onveranderd daaruit overgenomen in de verzameling van A.L. Richter, die Evangelischen Kirchenordnungen des sechszehnten Jahrhunderts (2e dl., Ed. 1871, blzz. 339 vgg.). Het is van denzelfden inhoud als de meest volledige, geschreven of gedrukte, Hollandsche tekst; ja zelfs bevat het eigenlijk nog iets meer, daar (evenals in het boven vermelde Latijnsche handschrift) na art. 9 van de particuliere vragen ook het aldaar slechts genoemde advies uit Genève in zijn geheel is opgenomen. En wat de redactie betreft, schijnt het eene goed bewerkte vertaling te zijn, die bij de bekende Hollandsche vertalingen niet achterstaat. Waar die beide Hollandsche vertalingen eenigszins van elkander afwijken, heeft deze Hoogduitsche doorgaans, hoewel niet altijd, de meeste overeenkomst met de vertaling in het boek van Cabeljau.

Eenigermate is er nog een ander middel, om althans op enkele

|51|

punten den gewonen tekst te controleeren; nl. voor zoover besluiten van de Emdensche Synode worden aangehaald door dezulken, die de authentieke acta of een officieel afschrift der besluiten moeten gehad hebben. Zulke aanhalingen vindt men b.v. in de acta der Dordtsche Synode van 1574, waar de Emdensche acta ten grondslag gelegd werden; — in de acta der Waalsche Synode te Dordrecht, van 21 juni 1577, die voor de Dordtsche Nationale Synode van 1578 heeft vastgesteld een „Advis sur les articles resolus à Embden pour estre communiqués à la Compagnie, afin qu’il en soit arresté au Synode general”, bevattende bedenkingen op een twintigtal artikelen van de Emdensche acta (te vinden in het Waalsche Livre Synodal, waarvan drie geheel met elkander overeenkomende exemplaren uit verschillende tijden bewaard worden in de Bibliothèque Wallonne te Leiden); — en in de acta van de Colloquia der Nederduitsche Gemeenten in Engeland, toen deze in 1578, tot instructie van hare gedeputeerden naar de Dordtsche Nationale Synode van dat jaar, haar gevoelen uitspraken over hetgeen in zake de kerkenordening en in antwoord op particuliere vragen in 1571 te Emden besloten was (te vinden in J.J. van Toorenenbergen, Acten van de Colloquia, in de Werken der Marnix-Vereeniging, 2e Serie, 1e dl., blzz. 40-42). En dan blijkt bij vergelijking, dat althans met betrekking tot de aangehaalde artikelen op den gebruikelijken Hollandschen tekst slechts weinig aanmerking te maken is: niet alleen hun algemeene inhoud, maar ook hun cijfer komt in dezen tekst overeen met de in Dordrecht en in Engeland gebruikte authentieke acten of afschriften.

 

Bij den herdruk van de Hollandsche vertaling, die in de volgende bladzijden aan de uitgave van den Latijnschen tekst wordt toegevoegd, is, daar toch altijd slechts een afschrift kon gebruikt worden, de gewone tekst eenvoudig gevolgd; en dan natuurlijk naar de eerste uitgave, dus met betrekking tot de kerkenordening naar die van 1612, en met betrekking tot de verdere acta naar die van 1792. Immers, die eerste uitgaven, waarvan alle latere slechts de herdruk wilden zijn, zijn de betrekkelijk zuiverste; en ook hare spelling mag niet plaats maken voor eene latere,

|52|

tenzij dan dat men (’t geen in eene uitgave als hier bedoeld wordt onnoodig en onraadzaam is) geheel en al de hedendaagsche spelling zou willen volgen. Maar, daar alle uitgevers zich ongelukkiglijk bepaald hebben tot één enkelen tekst van slechts ééne vertaling, zonder ook andere doorgaans nog iets betere afschriften en vertalingen te raadplegen, is nu hier die tekst met de beide hierboven vermelde handschriften en met de Hoogduitsche vertaling vergeleken, en zijn de afwijkende lezingen in de noten aangeteekend. Intusschen spreekt van zelf, dat dit niet geschied is met alle afwijkingen zonder onderscheid; want alsdan zoude beide handschriften en de Hoogduitsche vertaling in hun geheel moeten afgedrukt zijn. Niet alleen is de Hollandsche spelling voortdurend geheel anders, maar er is in alle drie die stukken ook telkens eenig verschil van uitdrukking. Dit laatste kan reeds eenigszins gelden van den gedrukten tekst, vergeleken met het Hollandsche afschrift dat dezelfde vertaling geeft; maar veel meer nog van die beide, vergeleken met het afschrift in het boek van P. Cabeljau; en van deze alle, vergeleken met de Hoogduitsche vertaling. Dat verschil echter is van geen belang, waar de zin zonder eenigen twijfel volkomen dezelfde is; vooral omdat het hier toch slechts afschriften eener vertaling geldt. En daarom is in deze uitgave de afwijking slechts daar aangeteekend, waar zij inderdaad invloed heeft op den zin, of waar de vermelding om eenige andere reden van belang kan geacht worden. Men zal zien, dat hierbij gehandeld is naar dne in zoodanig geval steeds te volgen regel, nl. om liever te veel dan te weinig te geven. Bij het aanhalen zullen de bedoelde Hollandsche afschriften kortheidshalve genoemd worden: het eene, dat dezelfde vertaling geeft als in den gedrukten tekst, nr. 3, en het andere, dat in het boek van Cabeljau staat, C, terwijl de Hoogduitsche vertaling, naar de uitgave van Jacobson, met J. zal worden aangeduid. Uit den aard der zaak zal er dan van C en J ver het meeste zijn aan te teekenen.

Wat den Latijnschen tekst betreft, is onder het afdrukken nog gelegenheid gegeven tot vergelijking van het gebruikte Arnhemsche afschrift met het andere Latijnsche van J. van Foreest, ’t welk in 1841 in het bezit is gekomen van H.J. Royaards,

|53|

en thans nog berust in de bij zijn overlijden (1854) door hem nagelatene bibliotheek. Wel is hiervan slechts een afschrift kunnen gebruikt worden. Maar zoowel bij dit afschrift, als ook bij het Arnhemsche, zijn de schrijffouten zóó in het oog loopend, dat te dien aanzien geen twijfel zijn kan; te minder, omdat nooit in beide stukken dezelfde schrijffouten gemaakt zijn. Daar het hier geene authentieke stukken geldt, is van al zulke fouten geene melding gemaakt, en is in de noten alleen opgave gedaan, onder letter F., van alle ook maar eenigszins belangrijke of wezenlijke afwijkingen, die in het afschrift van J. van Foreest te vinden zijn. Men zal zien, dat die varianten uiterst weinig in getal zijn. En uit die bijna altijd woordelijke overeenkomst tusschen twee afschriften, die zeker onafhankelijk van elkander gemaakt zijn, kan dan veilig worden opgemaakt, dat hier inderdaad een tekst is, die nagenoeg gelijkluidend is met de oorspronkelijke redactie.

Daar de hier volgende uitgave uitsluitend ten doel heeft, om over den tekst der emdensche acta zooveel mogelijk inlichting te geven, opdat ieder zelf daarover kunne oordeelen, zijn geene opschriften of bijschriften aan sommige of aan alle artikelen toegevoegd. De onderscheiden handschriften hebben te dien aanzien eene zeer groote verscheidenheid. In het Latijnsche afschrift van J. van Foreest staat bij alle artikelen zonder onderscheid (slechts met uitaondering van de 25 die over de particularia handelen) eene vrij volledige inhoudsopgave op den kant, en bovendien nog een opschrift bij art. 10 en bij art. 11. In het andere Latijnsche afschrift zijn zulke bijschriften als opschriften in den tekst gekomen; edoch met veel korter formuleering, en in veel minder aantal; zoo b.v. hebben de eerste 9 artikelen er in ’t geheel geen, en de eerste 34 tezamen slechts 5. In de eerste Hollandsche uitgave van 1612 zijn het weêr bijschriften op den kant; maar lang niet bij ieder artikel (bij de 53 artikelen der kerkenordening staan er in het geheel slechts 23), en voorts in zeer korte formuleering. In latere Hollandsche uitgaven zijn diezelfde bijschriften als opschriften in den tekst gekomen; waarbij echter een vijftal allengs verdwenen is. In de Duitsche vertaling, door Jacobson uitgegeven, staan in het geheel slechts 6 zulke

|54|

opschriften, wederom met gewijzigde formuleering. En het Hollandsche afschrift, hierboven als nr. 3 aangeduid, heeft weder inhoudsopgaven op den kant, doch iets minder dan in de gewone uitgaven, en vaak in andere bewoordingen. Daarentegen heeft het Hollandsche afschrift in het boek van Cabeljau in het geheel geene opschriften noch bijschriften. Dat de authentiek acten ze ook niet hadden, kan uit het bovenstaande wel met genoegzame zekerheid worden afgeleid. Zij zijn blijkbaar afkomstig, niet van de Synode zelve, maar van particuliere personen; en juist daarom moeten zij in den tekst dan ook niet worden opgenomen. In de noten hadden zij zeker wel kunnen vermeld zijn; maar dat zou dan, wegens hunne groote verscheidenheid, vele bladzijden hebben ingenomen; en ten slotte zou niemand daaraan iets gehad hebben. Hoe een afschrijver of vertaler den korten inhoud van een of meer artikelen formuleerde, heeft inderdaad geen waarde of belang.

Met betrekking tot de cijfers der artikelen is het twijfelachtig, of zij een min of meer officieel karakter dragen; want in sommige afschriften, bepaaldelijk in de Latijnsche, is ten aanzien van de indeeling der artikelen, en dus ook van de cijfers, eene kleine verscheidenheid, doordat bij enkele artikelen splitsing of samenvoeging plaats heeft, of wel doordat bij de artikelen, die op de kerkenordening volgen, de nummering doorloopt. Bij deze onzekerheid zijn in de hier volgende uitgave de cijfers der bekende Hollandsche uitgaven eenvoudig overgenomen; ook omdat men nu eenmaal, bij aanhalingen, aan die cijfers gewoon is.

 

Andere officieele stukken, die op de Emdensche Synode betrekking hebben, zijn nooit bekend geworden. Van zoodanig stukken is zelfs nergens sprake; ook niet in de enkele berichten, die over deze Synode in geschriften of bescheiden van denzelfden tijd nog te vinden zijn. Wat er van geloofsbrieven, instructiën, enz. mag geweest zijn, zal wel, evenals de oorspronkelijke acta zelven, in particuliere bewaring gebleven zijn, en daardoor voor het nageslacht zijn verloren geraakt.

 

F.L.R.

Kerkorde Emden (1571) Titel

Acta Synodi Ecclesiarum Belgicarum, quae sub cruce sunt, et per Germaniam et Phrisiam Orientalem dispersae: habitae Embdae 4. Octob. Anno etc. 71.

Acta ofte Handelinghen der versamelinghe der Nederlandtsche Kercken die onder ’t Cruys sitten, ende in Duytschlandt, ende Oost-Vrieslandt verstroyt zijn1), gehouden tot Embden den 4. Octobris2) Anno 1571.


1) De laatste twaalf woorden zijn in nr. 3: Kercken die onder ’t cruijs sitten, ende der gener die door Duijtsch ende Oost Vrijeselandt verstroijt syn; en bij C.: Kercken onder ’t kruuse, ende door Duutschlandt ende Oostvrieslandt verstroijdt sijnde. Bij J. is het geheele opschrift: Geschicht und Verhandlunghen deren Niderlendischen Kirchen, so vnter dem Creutze durch Deutschland vnd Ostfrieslandt verspreiet, gehalten zu Embden a. 1571 d. 4-14. Octobris.
2) In nr. 3, bij C. en bij J. staat, evenals in den grondtekst, 4 October; zóó duidelijk, dat geen twijfel mogelijk is; terwijl ook van elders genoeg bekend is, dat op 4 October de eerste zitting gehouden is (zie hiervoren de inleidende opmerkingen over den tekst). De in alle uitgaven overgenomen drukfout der eerste uitgave, die 5 Oktober noemde, is dus boven in den tekst verbeterd.

Kerkorde Emden (1571) Art. 1

Artikel
1

Nulla Ecclesia in alias, nullus minister in ministros, nullus Senior in Seniores, Diaconus en Diaconos primatum seu dominationem obtinebit, sed potius ab omni et suspitione et occasione cauebit.

Gheen Kercke sal over een ander Kercke, gheen Dienaer des Woorts, gheen Ouderlinck, noch Diaken sal d’een over d’ander heerschappie voeren, maar een yeghelijck sal hen voor alle suspicien, ende aenlockinge om te heerschappen wachten1).


1) Dit geheele artikel luidt in nr. 3: Gheen Kercke, gheen Dijener des Worts, gheen Ouderlingh noch Dyaken enn sal heerschappie d’een over d’ander voeren, maer sal sijch veel meer hyer yn voor alle quaedt vermoeijen ende anlockynghe om te herschappen wachten; en bij C: Gheen kercke sall oover een andere kercke, gheen Dienaar des Woordts Ghodts sall oover eenen anderen Dienaar des Woordts Ghodts, gheen Ouderling sall oover eenen anderen Ouderling, gheen Diaacken sall oover eenen anderen Diaacken uuttneemenheyt ofte heerschappije hebben; maar veel meer van alle suspijtie ende oorsaack desselfs wachten.

Kerkorde Emden (1571) Art. 2

Artikel
2

Ad testandum in doctrina inter Ecclesias Belgicas consensum, visum est fratribus confessioni Ecclesiarum Belgicarum subscribere, et ad testandum harum Ecclesiarum cum Ecclesiis Regni Galliae consensum et coniunctionem, confessioni fidei Ecclesiarum illius Regni similiter subscribere, certa fiducia earum Ecclesiarum ministros confessioni fidei Ecclesiarum Belgicarum vicissim ad mutuum testandum consensum subscripturos.

Om die eendrachtigheydt in de Leere tusschen de Nederlandtsche Kercken te bewijsen, heeft het den Broederen goet ghedocht de belijdinghe des Gheloofs der Nederlandtsche Kercken te onderschrijven, insgelijcx oock de belijdinghe der Kercken in Vranckrijck te onderteeckenen, om daer mede hare verbindinghe ende eenigheyt met der selver Françoischer Kercken te betuygen, seeckerlijck vertrouwende, dat de Dienaren der selver Françoischer Kercken oock op hare zijde de belijdenisse des Gheloofs der Nederlandtscher Kercken, tot ghetuyghnisse der onderlingher eendrachtigheyt, onderschrijven sullen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 3

Artikel
3

Delecti sunt Petrus Dathenus et Joannes Taffinus, qui id ad proximam Synodum Galliae ministris significent, responsumque proximo fratrum conventui referant.

Men heeft vercooren Petrum Dathenum en Iohannem Taffinum, die dit den Kercken-Dienaeren ter naest-comende versamelinghe in Vranckrijck aensegghen, ende ter naester t’ samencoomste der Broederen der Nederlantsche Kercken, antwoort weder inbrengen sullen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 4

Artikel
4

Admonebuntur quoque ministri Belgici qui ab hoc coetu absunt, vt in eandem subscriptionem consentiant.
Idem et ab aliis omnibus praestabitur, qui in posterum ad ministerium verbi vocabuntur, antequem ministerium exercere incipiant
.

Men sal oock de Nederlantsche Kercken-Dienaers die in dese versamelinghe niet en zijn, vermanen, dat sy in die selve onderschrijvinghe bewillighen: T’ selve salmen oock allen anderen doen1), die van nu voortaen, tot den dienst des Woorts beroepen sullen worden, eer sy in haren dienst treden.


1) De laatste zeven woorden zijn bij C.: sulcks sall oock van allen anderen ghedaan werden; en evenzoo bij J.: Das soll auch also von allen andern Dhienern .... volnbracht vnd gehalten werden.

Kerkorde Emden (1571) Art. 5

Artikel
5

Catechismi formulam in Ecclesiis quidem Gallicanis Genevensem, in Teutonici vero Heydelbergensem sequendam duxerunt fratres, sic tamen, vt si quae Ecclesiae alia Catechismi formula verbo Dei consentanea vtantur, necessitati illius mutandae non adstringantur.

De Broeders hebben gheacht, datmen in den Ghemeenten der Françoischer spraecke die forme des Geneefschen Catechismi, ende in de Ghemeenten der Nederduytscher spraecke, de forme des Heydelbergschen behoort te ghebruycken; doch alsoo, dat, of daer eenighe Kercken, eene andere forme van Catechismus den woorde Gods gelijckformigh zijnde gebruyckten, die sullen te veranderen niet ghedwonghen worden.

Kerkorde Emden (1571) Art. 6

Artikel
6

In singulis Ecclesiis consessus erunt seu consistoria ministrorum, Seniorum et Diaconorum quae singulis vt minimum hebdomadibus habebuntur, loco et tempore, quae singulis Ecclesiis commodissima videbuntur.

In een yegelijcke Kercke salmen t’ samen-coomsten ofte Consistorien der Dienaren des Woorts, Ouderlinghen ende Diaconen hebben, die ten weynighsten alle weecken eenmael ghehouden sullen worden, ter plaetse ende tijt die een yegelijcke Ghemeente sal achten bequaemste ende gheleghenste te wesen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 7

Artikel
7

Praeter hos consessus erunt Classici tertio vel sexto quoque mense vicinarum aliquot Ecclesiarum conventus, pro earum commoditate et necessitate.

Benevens desen Consistorien, sullen oock alle drie ofte ses maenden Classische versamelinghen ghehouden werden van sommighe Kercken die by een gheleghen zijn, nae hare gheleghentheyt ende nootdruft.

Kerkorde Emden (1571) Art. 8

Artikel
8

Singulis praeterea annis habebuntur conventus omnium, quae per Germaniam et Phrisiam Orientalem dispersae sunt Ecclesiarum inter se, Anglicanarum inter se, et earum quae sub cruce sunt inter se.

Daer benevens sullen jaerlijcxsche versamelinghen, aller verstroyde Kercken in Duytslandt ende Oost-Vrieslandt besonder, aller Engelscher Kercken besonder, ende aller Kercken onder ’t Cruys besonder, ghehouden werden.

Kerkorde Emden (1571) Art. 9

Artikel
9

Secundo denique quoque anno Conventus omnium simul Ecclesiarum Belgicarum habebitur.

Voorder salmen alle twee jaren eens, een alghemeyne versamelinghe aller Nederlantsche Kercken houden.

Kerkorde Emden (1571) Art. 10

Artikel
10

Classes Ecclesiarum Belgicarum per Germaniam et Phrisiam Orientalem dispersae. Classicum conventum constituent vtraque Ecclesia Francfortensis, Schonoviensis, Gallica Heydelbergensis, Franckenthalensis et S. Lambertana. Alium vtraque Coloniens, vtraque Aquisgranensis, Traiectensis, Limburgensis, Nouesiensis, et quae in Juliacensi sunt ditione. Alium Wesaliensis, Embricensis, Gochgensis, Renensis, Gennepensis, et si quae aliae sunt in Clivensi ditione. Alium Embdana cum peregrinis ministris et Senioribus Brabantiae, Hollandiae, et Phrisiae occiduae.

Beyde de Franckfortsche Ghemeenten, die Schoenausche, die Françoische tot Heydelbergh, die Franckendaelsche, ende die van S. Lambert sullen eene Classem maecken. Een ander Classem sullen macken beyde de Ceulsche Kercken, beyde1) die Aecksche, die van Maestricht, die van Limburgh, die van Nuys, ende die int Landt van Guylick zijn. Een ander Classem sullen maecken die van Wesel, van Embrick, van Gogh, van Rees, van Gennep, ende anderen die daer meer int Landt van Cleef souden mogen zijn. Een ander Classem sullen maecken die Kerke2) van Embden met den vreemden Dienaren des Woorts ende Ouderlinghen van Brabandt, Hollandt, ende West-Vrieslandt.


1) Het woord beyde staat niet bij C.; in nr. 3 staat hiervoor: ende; maar bij J. staat: beide Aquinische.
2) Het enkelvoud, dat de uitgave van 1612 hier heeft, in overeenstemming met alle afschriften en met den grondtekst, is in de tweede uitgave (van 1617) bij vergissing tot een meervoud geworden; en daarna is die drukfout in alle volgende uitgaven eenvoudig overgenomen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 11

Artikel
11

Classes Ecclesiarum sub cruce. Classicum conventum constituent Ecclesia vtraque Antwerpiana, Buscoducensis, Bredana, Bruxellensis, et si quae aliae sunt in Brabantia. Alium Gandensis, Marterensis, Roncensis, Aldernadensis, Verwicensis, Rominensis1), et ceterae quae in utraque Flandria sunt. Alium Tornacensis, Insulensis, Atrabatensis, Duacensis, Armentiriensis, Valencinensis, et ceterae idiomatis Gallici. Alium Amsterodamensis, Delffensis, et ceterae Hollandicae, Transisulanae et Phrisiae occiduae.

Beyde die Ghemeenten tot Antwerpen, die Ghemeente van ’s Hertogen-Bosch, van Breda, van Brussel, ende andere die in Brabant zijn mochten, sullen oock een Classem maecken. Een andere Classem sullen maecken die van Gent, van Ronsen, van Oudenaerden, van Comen2), ende die andere die in Oost- ende West-Vlaenderen zijn. Een ander Classem sullen maecken die Doornicksche, Rijsselsche, Atrechtsche, Armentiersche, Valencijnsche3), ende die andere Walsche Kercken. Een ander Classem sullen maecken die Ghemeente van Amsterdam, van Delft, ende andere Hollandtsche, Overijsselsche, ende Westvriessche Kercken.


1) Bij F. staan voor deze zes namen de volgende vijf: Gandavensis, Cominensis, Ronsensis, Aldenardensis, Werwicensis.
2) Bij C. staan voor deze vier namen de volgende zes: Ghendt, Mortiers, Remonde, Oude Naarde, Vervick, Komen; bij J. de volgende vijf: Gendt, Ronsen, Aldenarde, Werwich, Comen.
3) Bij deze vijf namen (in nr. 3 gelijkluidend, met plaatsverwisseling van Rijssel en Atrecht) heeft C. tusschen Doornick en Atrecht eene opene ruimte, en na Atrecht bovendien nog Duwaaij; welk naam ter zelfde plaatse ook voorkomt bij J. (Doway), die voorts dezelfde namen heeft als in den gedrukten tekst.

Kerkorde Emden (1571) Art. 12

Artikel
12

Admonebuntur qui in Anglia sunt, vt suas Ecclesias in Classes distribuant.

Men sal die van Enghelandt vermanen, datse hare Kercken in Classen afdeylen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 13

Artikel
13

Ministri eligentur a Consistorio, cum iudicio Conventus Classici, aut duorum triumve ministrorum vicinorum. Electi autem sistentur coram Ecclesia, vt vel tacitis suffragiis comprobentur, vel si quid sit, cur in electionem minus consentire velit1) Ecclesia, intra dies plus minus quindecim obiiciatur. Si quae tamen Ecclesiae consuetudinem electionis popularis, quae apud eas est, mutandam non esse censerent, ferentur, donec Synodo Generali sit aliter constitutum.

De Dienaren des Woorts sullen van den Consistorie met het oordeel ende goet duncken2) der Classischer versamelinghe, ofte twee ofte3) drie Ministers uyt de genabuerde Kercken vercooren worden. Vercoren zijnde, sullen sy der Ghemeente voorghestelt worden, op dat sy, ofte door stilswijghen der Ghemeente4) aenghenomen worden, ofte soo daer yet ware daerom die Ghemeente in de Verkiezinghe niet verwilligen en wilde, dat binnen 15. daghen onghevaerlijck5) voortghebracht werde. Nochtans of eenighe Kercken, daer de Verkiesinghe by ’t Ghemeene volck staet achteden, dat hare ghewoonheyt niet te veranderen en ware6), die sullen ghedraghen worden ter tijt toe, dat het door die alghemeene Synodale versamelinghe anders sal verordent zijn.


1) Voor de laatste drie woorden staat bij F.: consentire nolit.
2) De laatste zes woorden zijn in nr. 3: mit het oordel ende consent ofte goetdunken; bij C.: bij advijs ende oordeel; en bij J.: mit vrtheil vnd erkentnus.
3) De laatste twee woorden zijn in latere uitgaven, evenals in nr. 3 en bij C., bij vergissing uitgevallen.
4) De laatste vier woorden zijn bij C.: door stillswijgende suffragia; en bij J.: durch deroselben stilschweigendt mitstimmen.
5) Voor dit woord, dat bij C. en J. in ’t geheel niet gevonden wordt, heeft nr. 3: onbeghrepen.
6) Voor de laatste twintig woorden heeft J.: Jedoch so eine Kirche die gewohnheit einer Gemeiner erwehlung hette, welche gewohnheit sie nicht verendern wolle.

Kerkorde Emden (1571) Art. 14

Artikel
14

Eadem ratio in Electione Seniorum et Diaconorum servabitur1) nisi quod Classici conventus aut vicinorum ministrorum iudicium non erit expetendum.

Die selve wijse salmen oock in die Verkiesinghe der Ouderlinghen ende Diaconen houden, behalven datmen niet behoeven en sal t’ ghevoelen des Classis ofte der omlegghende Kercken-Dienaren te verwachten.


1) Voor dit woord staat bij F.: observabitur.

Kerkorde Emden (1571) Art. 15

Artikel
15

Singulis annis dimidia pars tum Seniorum tum Diaconorum mutabitur, ascitis in eorum locum aliis, qui itidem biennium inserviant, relicta tamen Ecclesiis praesertim sub cruce constitutis, vel longioris vel brevioris temporis libertate, pro earum commoditate et necessitate.

Alle jaren sal ’t halve deel, soo wel der Ouderlinghen, als der Diaconen, verandert werden, andere in haer plaetse ghestelt zijnde, die oock twee jaren lanck dienen sullen, doch dat de Kercken (voornamelijck die onder ’t Cruys sitten) hare vrijheyt van langher ofte corter tijt te nemen, nae hare gelegentheyt ende nootdruftigheyt behouden.

Kerkorde Emden (1571) Art. 16

Artikel
16

Examinabuntur ministri ab iis a quibus eliguntur, si probetur eorum doctrina et vita, confirmabuntur cum solemnibus praecibus et impositione manuum, absque superstitione tamen et necessitate.

De Dienaren des Woorts sullen gheëxamineert, dat is, ondersocht worden van den ghenen daer van sy vercooren worden. Ist dat haer Leer ende leven voor goet bekent wort1), soo  sullen sy met Ghebeden daer toe dienende2), ende oplegginghe der handen (doch sonder superstitie ende nootsaeckelijckheyt) bevestight worden.


1) Voor de laatste tien woorden heeft C.: ende soo sij oprecht bevonden sijn in leere ende leeven.
2) Voor de laatste vijf woorden heeft J.: mit gewonlichen gebreuchen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 17

Artikel
17

Nulli ministro in aliena Ecclesia concionari absque illius Ecclesiae ministri et Consistorii, aut ministro absente, absque Consistorii consensu licebit.

Het en sal gheen Kercken-Dienaer gheoorloft zijn in een andere Ghemeente te Predicken sonder bewillinghe des Dienaers der selver Ghemeente ende der Consistorie, ofte int afwesen des Dienaers, sonder consent der Consistorie.

Kerkorde Emden (1571) Art. 18

Artikel
18

Qui se in ministerium iis locis insinuant, vbi ministerium iam constitutum est, vt abstineant, a Consistorio admonebuntur: Si nihilominus pertinaciter prosequantur, convocatis statim tribus quatuorve, aut etiam pluribus, si fieri potest, ministris vicinis ex classe cuius est illa Ecclesia, Schismaticus ibidem declarabitur. Quod vero ad auditores attinet, si contemtis pertinaciter admonitionibus, audire schismaticum illum iam declaratum pergent, Consistorium ex praescripto disciplinae Ecclesiasticae aget.

Die sich in den Kercken-Dienst indringhen in die plaetsen daer den Kercken-Dienst nu inghestelt is, die selve sullen van den Consistorien vermaent worden, datse afstaen, maer ist datse evenwel hartneckelijck voortvaren, soo salmen terstont drye ofte vyer, ofte oock meer, ist moghelijck, van den omlegghende Kercken-Dienaren dier Classe onder welcke dese Kercke is, beroepen, ende hem die het is verclaeren een Scheur-maecker te zijn. Ende aengaende die toehoorders, ist datse alle vermaninghen ende waerschouwinghen hartneckelijck verachtende, den Scheur-maecker (welcke hem nu verclaert is, sulck een te zijn) voortvaeren aen te hooren, soo sal de Consistorie nae uytwijsen der Kercken-tucht ofte Christelijcke straffe handelen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 19

Artikel
19

Vnica vel trina tinctio1) pro Adiaphora censetur, proinde Ecclesiis liberum vsum apud ipsas receptum relinquimus, donec aliter in proxima Synodo generali statuatur.

Eens, ofte drye mael in den Doop met water te besprenghen wort voor een middelmatigh ende vry dinck ghehouden: daerom laten wy den Kercken hare ghewoonheyt, diese hier in hebben, behouden, ter tijt toe dat anders in de naest-comende alghemeyne Synodale vergaderinghe verordent worde.


1) Bij F. staat hiervoor: immersio.

Kerkorde Emden (1571) Art. 20

Artikel
20

Testes adhibere vel non adhibere ad Baptismum, rem adiaphoram arbitramur, proinde vsus receptus in Ecclesiis servabitur pro sua cuiusque libertate, donec aliter in Synodo generali statuatur.

Ghetuyghen in den Doop te nemen, ofte niet te nemen, achten wy voor een middelmatigh dinck: derhalven salmen den Kercken haer oude ghewoonheyt laten, een yegelijck nae hare vrijheyt, ter tijt toe dat daer van anders in de alghemeyne Synodale vergaderinghe besloten werde.

Kerkorde Emden (1571) Art. 21

Artikel
21

In Ecclesiis, quarum instituendarum nobis libertas datur, pane communi seu cibario vtendum eumque frangendum esse in sacrae coenae administratione censemus. Eundo autem stando vel sedendo sacrae coenae communicare indifferens iudicamus, idcirco ratione vtentur Ecclesiae, quae ipsis commodissima videbitur.
Cantare Psalmos, aut sacras literas legere, dum sacra coena administratur, liberum Ecclesiis relinquitur, quemadmodum et verbis Christi vel Pauli vti in exhibendo pane et vino, qua in re cavebitur, ne verborum pronunciatio in consecrationis spetiem vel opinionem tandem trahatur.

In den Ghemeenten, daer ons vrijheyt ghegheven wort te mogen reformeren1), achten wy datmen ghemeyn spijsbroot ghebruycken, ende ’t selve in de uytdelinge des Nachtmaels breecken moet. Maer2) staende ofte sittende ’t Nachtmael te ontfanghen, oordeelen wy middelmatigh te zijn. Derhalven sullen die Ghemeenten sulck eene wijse ghebruycken, die hen de alder-gheleghenste dunckt te zijn. Psalmen te singen, ofte yet wat uyt de heylighe Schrift te lesen ter wijle ’t heylighe Avontmael uytghedeelt wort, wort den Kercken vry ghelaten. Insghelijcx oock staet in de vrijheyt der Kercken die woorden Christi ofte Pauli te ghebruycken, in ’t uitreycken des Broodts ende des Wijns, waer in men toesien sal, dat het uyt-spreken der woorden, met der tijt niet tot een schijn ofte waen van Consecratie ghetrocken en werde.


1) Voor de laatste acht woorden heeft J.: da vns zu lehren, vnd zu vnterrichten freyheit zu gelassen.
2) Tusschen dit en het volgende woord hebben nr. 3 en C. beiden nog het woord: gaande; en evenzoo J.: gehende.

Kerkorde Emden (1571) Art. 22

Artikel
22

Nemo qui sub parentem potestate est, aut eorum qui parentem locum obtinent, sine eorum consensu matrimonium contrahere debet; et fides matrimonii sine eorum consensu data, nullius est momenti. Siqui tamen ita se iniquos hac in re praestarent ac difficles, vt consentire nullo modo velint (quod interdum religionis odio et aliis de causis accidit), an tam sancti instituti impediendi iusta sit causa, consistorii erit iudicare.

Niemandt die noch onder de macht zijner Ouderen staet, ofte der ghener die in plaets der Ouderen zijn, en behoort hem selven sonder hare verwillinghe in den Houwelijcken staet te begheven, ende die houwelijcksche belofte sonder haer consent ghedaen1), is van gheener waerde. Soo daer nochtans eenighe van de Ouders hier in sick soo onbescheyden ende hart bewesen te zijn, datse in gheenerley wijse wilden verwillighen (’t welck somtijts uyt haet der Religie, ende uyt andere oorsaecken geschiet) alsdan sal het int oordeel der Consistorie staen, of daer eenighe billicke oorsaecke zy, sulck eene heylighe ordeninghe2) te verhinderen ofte te breken.


1) Voor de laatste zeven woorden heeft C.: de trouwe des houwelijcks sonder hun consent ghegheven sijnde.
2) Voor dit woord heeft J.: furnhemen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 23

Artikel
23

Sponsalia legitimè contracta, ne vtriusque quidem partis consensu dissolui poterunt, quin et operae pretium erit, iis contrahendis interesse vel ministrum vel seniorem Ecclesiae, ut antequam reciproca fiat promissio, intelligatur, an puram religionem amplectatur uterque; an consentiant parentes; et si alterutra, aut vtraque pars ante matrimonio iuncta fuerit, an de morte priorum coniugum legitimo testimonio constet.

De ondertrouwe Wettelijck ghedaen zijnde en sal gheensins moghen ghebroocken worden1), al waert dat beyde partien daer in verwillighden. Daerom salt raetsaem zijn, als d’Ondertrouwe gheschiet2), dat de Kercken-Dienaer ofte een Ouderlinck daer by zy, op dat, eer der onderlinghe beloftenisse geschiede, vernomen werde: of sy beyde die reyne Religie bekennen: of haer Ouders in haer Houwelijck verwillighen; Ende ist dat beyde partien ofte een van beyden, te vooren in den Houwelijcken staet gheleeft hebben: of men door gheloofwaerdighe ende seeckere ghetuyghnissen van de aflijvinghe der eerster partie verseeckert is.

Kerkorde Emden (1571) Art. 24

Artikel
24

Matrimonio copulandorum nomina ternis diebus dominicis, aut alioqui per tres vices iustis intervallis pro concione edentur.

Die namen der persoonen die in den Houwelijcken staet te bevestighen zijn, salmen drye Sondaghen, ofte anders drye mael, mits datter een tamelijcken tijt tusschen zy, voor de Ghemeynte uytroepen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 25

Artikel
25

Ecclesiasticam disciplinam in singulis Ecclesiis observandum esse censemus; ministrorum itaque partes erunt, non solum publicè docere, hortari, arguere, sed et priuatim vnumquemque officii sui admonere, qua in re et seniore operam suam impendere oportet.

Wy gevoelen dat de Kerckelijcke discipline ofte Christelijcke straffe in een yegelijcke Ghemeente behoort onderhouden te werden; derhalven salt der Dienaren des Woorts ampt zijn, niet alleen opentlijcken te leeren, vermanen ende straffen, maer oock int bysonder eenen yeghelijcken tot zijn plicht te vermanen, ’t welk oock den Ouderlinghen toestaet te doene.

Kerkorde Emden (1571) Art. 26

Artikel
26

Siue autem quis in doctrinae puritate errauerit, siue in morum sanctitate peccauerit, si id occultum est, et à scandalo publico remotum, observabitur regula, quam diserte praescribit Christus Matth. 18.

Daerom indien yemant in der reynigheyt der leer ghedwaelt, ofte in de oprechticheyt des levens1) ghesondicht sal hebben: soo verre alst verborghen ende sonder opentlijcke Erghernisse toeghegaen is, soo salmen den reghel onderhouden, welcken Christus uytdruckelijck voorschrijft Matth. 18.


1) Voor reynigheyt der leer en oprechticheyt des levens heeft C.: suuverheyt der Leere en heijlichheyt der seeden; en J.: reinigkeit der lehr en heiligkeit des wandels.

Kerkorde Emden (1571) Art. 27

Artikel
27

Peccata igitur occulta, quorum peccatorum priuatim, vel ab vno vel duobus, tribusve testibus adhibitis, admonitum poenituerit, non sunt ad Consistorium deferenda, occulta tamen, vel Reipublicae vel Ecclesiae grauem perniciem adferentia, vt sunt proditiones, vel animarum seductiones, ministro significabuntur, vt ex eius consilio, quid in ea re agendum sit, dispiciatur.

Ende die verborghen sonden, daer de sondaer (int heymelijck, ofte van eenen, ofte met twee ofte drye ghetuyghen vermaent zijnde) leetschap van bewijst, en salmen der Consistorie niet aendraghen: maer die verborghen sonden, die der alghemeyne welvaert, ofte der Kercken, eenige merckelijcke schade ende verderffenisse toebrengen moghten, als daer zijn verraderije, oft verleydinghe der zielen, die salmen den Kercken-Dienaer aensegghen, op datmen nae zijnen raet toe sie, wat hier in te doen staet.

Kerkorde Emden (1571) Art. 28

Artikel
28

Siquis in occultis duas tresue admonitiones non audierit, aut publicum peccatum perpetrauerit, ad Consistorium deferetur.

Indien yemant heymelijck ghesondight hebbende, de vermaninghe van twee ofte drye persoonen niet en hoort, ofte die eene openbare sonde begaen heeft, die salmen voor de Consistorie brenghen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 29

Artikel
29

Peccatorum natura sua publicorum, aut propter contemtum admonitionum Ecclesiae publicatorum, publica fiet reconciliatio, non ex vnius aut alterius, sed totius Consistorii arbitrio, eoque modo et forma, quae ad aedificationem cuiuslibet Ecclesiae commodissima iudicabitur.

Die sonden welcke van haer naetuere openbaer zijn, ofte die der Ghemeente (om der verwerpinghe der vermaninghen wille) gheopenbaert werden, die salmen opentlijck versoenen, niet nae het oordeel van een ofte twee persoonen, maar nae het ghevoelen der gantscher Consistorie, ende dat op sulcker wijse ende forme, welcke men achten sal tot opbouwinghe eener yegelijcker Ghemeente die alderbequaemste te wesen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 30

Artikel
30

Qui pertinaciter Consistorii admonitiones reiecerit, à Coenae communione suspendetur, quod si ita suspensus post iteratus admonitiones, nullum poenitentiae signum dederit, hic erit ad excommunicationem progressus.

Soo wie hartneckelijck die vermaninghen der Consistorie verwerpen sal, dien salmen vander ghemeynschap des Nachtmaels afhouden1), ende afghehouden zijnde, ist dat hy nae vele2 vermaninghen geen teecken van berou en bewijst, soo sal dit den voortgangh zijn tot der uytsluytinghe.


1) C. heeft hier en vervolgens voor afhouden doorgaans ophouden.
2) Bij C. staat hiervoor: seeckere.

Kerkorde Emden (1571) Art. 31

Artikel
31

Publice e suggestu peccatorum obstinatum admonebit minister, peccatum exponet, officia in eo reprehendendo, a Coena suspendendo, posteaque diligenter adhortando, praestita declarabit; Ecclesiam, vt pro hoc peccatore inpoenitente sedulo oret, monebit, antequem ad vltimum excommunicationis remedium descendere Ecclesia cogatur. Eiusmodi tres fient admonitiones. In prima non nominabitur peccator, vt aliquo modo ei parcatur. In secunda nomen edetur. In tertia Ecclesiae significabitur1), nisi resipiscat, excommunicandum esse, et si pertinax fuerit, tacitis Ecclesiae suffragiis, excommunicetur. Intervalla admonitionum in Consistorio arbitrio erunt. Si ne his quidem officiis ad resipiscentiam possit adduci, promulgabitur coram Ecclesia eiusmodi pertinacis peccatoris a corpore Ecclesiae Excommunicatio et Abscissio. Vsum et finem excommunicationis fusè exponet minister, admonebitque fideles, ne familiarem et non necessariam cum excommunicato consuetudinem habeant, sed eius consortium vitent, hoc praecipue consilio, vt pudore suffusus excommunicatus de resispiscentia serio cogitet.

De Kercken-Dienaer sal den hartneckighen sondaer opentlijcken van den Predickstoel vermanen, hy sal zijn sonde duydelijck verclaren, ende wat naersticheyt men ghedaen heeft hem bestraffende ende vant Nachtmael afhoudende2), hy sal de Ghemeente vermanen datse vyerighlijck voor desen onboetvaerdighen Sondaer bidde, eer dat die Ghemeente tot de laetste remedie der uytsluytinghe te comen ghedwonghen werde. Sulcke drie vermaningen salmen doen: In d’eerste en sal de Sondaer niet ghenoemt worden, op datmen hem eenighsins verschoone: In de tweede salmen hem noemen: In de derde salmen der Ghemeente aensegghen, datmen hem excommuniceren ofte uytsluyten sal, ten zy dat hy sick bekeerde, op dat hy, ist dat hy hartneckigh blijft, door stilswijghende verwillinghe der Ghemeente, afghesneden werde. Maer aengaende den tijt hoe langhe d’een vermaninge nae d’ander geschieden sal, dat sal int oordeel ende goetduncken der Consistorie staen. Indien hy oock door dese naersticheyt der Dienaren tot bekeeringhe niet en can gebracht worden, soo sal eenes sulcken hartneckighen mensches verbanninghe ende afsnijdinge van den lichame Christi3) voor de Ghemeente vercondight worden. De Kercken-Dienaer sal ’t ghebruyck ende ’t eynde des Bans in ’t breede verclaren, ende sal den gheloovighen vermanen, dat sy gheene alte ghemeensame ende onnoodighe conversatie ende geselschap met den verbanneden hebben, maer zijn geselschap schouwen tot dien eynde voornemelijck, op dat die verbande ofte uytgheslotene beschaemt zijnde, ernstelijck bedencke sick te bekeeren.


1) Bij F. staat hiervoor: indicabitur.
2) De laatste twaalf woorden zijn bij C.: ende hoe datt alle diensten in hem te bestraffen, van ’t Nachtmaal aff te houden, ende volghens in hem naarstelijck te vermaanen, te vergheefsch gheschiedt sijn; en bij J.: vnd die vberwiesene mit seinem Dhienst, vnd Ampt vom Nachtmal abgehalten, vnd doch mit fleissigem vermanen erklieren.
3) Voor de laatste elf woorden staat bij C.: desselfs hardtneckighen Sonndaars affsnijdinge ende excommunicaatie van hett ligchaam der ghemeijnte; en evenzoo bij J.: solchen halstarrigen sunders verbannungh, vnd Abschneidung vom leib der kirchen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 32

Artikel
32

Qui grauia, Ecclesiis1) probrosa et2) Magistratus auctoritate plectenda peccata perpetrauerint, etiamsi verbis poenitentiam testentur, a Coenae tamen communione suspendentur; quot autem vicibus, in arbitrio consistorii erit.

Die daer sware ende der Ghemeente Gods lasterlijcke sonden begaen hebben, ofte sulke stucken die door die authoriteyt ende t’ghewelt der Overheydt behooren ghestraft te werden3), hoe wel sy met woorden boetvaerdicheyt betuyghen, soo sullen sy nochtans vanden Nachtmale afghehouden werden. Doch, hoe dickwils dat gheschieden sal, sulcx sal int oordeel der Consistorie staen.


1) Bij F. staat hiervoor: Ecclesiae.
2) Bij F. staat hiervoor: vel.
3) Voor de laatste zes en twintig woorden heeft J.: Die aber schwere, der kirchen lasterhaffte, vnd der gewalt der Oberkeit straffbare sunden begangen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 33

Artikel
33

Si Ministri, Seniores et Diaconi peccatum publicum, Ecclesiae probrosum, vel auctoritate Magistratus plectendum perpetraverint; Seniores quidem et Diaconi statim auctoritate consistorii munere abdicabuntur; ministri autem suspendentur a functione; an vero abdicandi sint ministerio, Classici conventus erit iudicare, cuius sententiae si non acquieverint, ad Synodum Provincialem prouocabunt.

Ist dat die Dienaers des Woorts, die Ouderlinghen, ofte Diaconen eenige openbare sonde die tot schande ende lasteringhe der Ghemeente streckt, ofte door de macht der Overheydt behoort ghestraft te werden, bedreven hebben1): Soo sullen die Ouderlingen ende Diaconen door de authoriteyt der Consistorie terstont van haren dienst afgeset werden: Maer den Dienaren des Woorts salmen haren dienst voor een tijt lanck opsegghen2), doch of mense t’eenemael van haeren dient afsetten sal, daer van sal de vergaderinge des Classis oordeelen, met welckers oordeel, ist dat sy niet te vreden zijn, soo sullen sy haer beroepen op dien Provinciale ofte Lants-Synode3).


1) Voor de laatste drie en dertig woorden heeft J.: So die Dhiener, Eltisten, oder Diacken eine offentliche der kirchen lasterhaffte, vnd der Gewalt der Obrigkeit straffbare sunden begiengen.
2) De laatste vier regels zijn bij C.: als dann sullen de Ouderlingen ende Diaackenen terstondt bij autoriteijt des Kerckenraadts van hunn ampt ghesteldt werden; maar de Dienaaren sullen in hunnen dienst ghesuspendeerdt werden; en bij J.: sollen die Eltisten und Diacken auf macht des Consistorii alsbald ihres amptz entsetzet werden. Die Dhiener aber sollen im Dhienst vffzuhalten verwircket haben.
3) Bij C. en J. worden de woorden ofte Lants niet gevonden.

Kerkorde Emden (1571) Art. 34

Artikel
34

An vero ministri, Seniores et Diaconi iam abdicati, postquam poenitentia Ecclesiae satisfecerint, si denuo eligantur, admitti debeant: quod ad Seniores et Diaconos attinet, Consistorii, quod vero ad ministros spectat vel pertinet, classici conventus erit iudicare.

Maer of die Dienaren des Woorts, ende die Ouderlinghen, ende Diaconen afgheset zijnde, nae dat sy de Kercke door hare boete voldaen hebben, wederom tot den dienst behooren toeghelaeten te werden, waert datse wederom vercoren wierden: Soo veel d’ Ouderlingen ende Diaconen aengaet, sal het in der Consistorie discretie ofte oordeel staen: maer soo veel als de Dienaren des Woorts belanght, sal die Classicale vergaderinghe oordeelen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 35

Artikel
35

Ministri Belgio oriundi, qui exteris Ecclesiis operam addixerunt, si ab Ecclesiis Belgicis revocentur, dabunt operam vt vocationi obtemperent, constituto Ecclesiis suis1) legitimo tempore, quo sibi de aliis ministris prospiciant. Quod si Exterae illae Ecclesiae illos dimittere nolint, ad alias non suspectas erit provocatio. Admonebuntur autem ii, qui nondum operam suam cuiquam addixerunt, vt libertatem obtemperandi vocationi retineant.

Die Kercken-Dienaren geboren uyt Nederlant, die sick in vreemder Kercken dienst begheven hebben, soo  sy wederom van de Nederlantsche Kercken gheroepen werden, sullen naerstigheyt doen datse die beroepinghe volghen, haren Kercken eenen seeckeren tijt bestemmende, in welcken sy haer met anderen Kercken-Dienaren voorsien moghen. Maer soo de uytlantsche Ghemeenten haer niet willen laten gaen, soo salmen die saeck betrecken tot andere Kercken, die niet suspect en zijn2). Ende die sick noch aen niemant verbonden hebben, salmen vermanen datse hare vrijheyt behouden, op datse connen volghen, soose beroepen werden.


1) Dit woord ontbreekt bij F.
2) Voor de laatste dertien woorden heeft C.: sullen sij sick op andere onpartijdighe kercken moghen beroepen; en J.: soll die beruffungh bei andern vnuerdechtigen kirchen stehen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 36

Artikel
36

Admonebuntur etiam membra Ecclesiarum, quae ministri alicuius opera libertatis tempore vsae sunt, vt de alimentis ei, si egeat, prospiciant.

Men sal oock de Lidtmaten der Kercke vermanen, die eenighes Kercken-Dienaers dienst in den tijt der vrijheyt ghebruyckt hebben, dat sy den selven met onderhout, soo hy ghebreck heeft, versorghen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 37

Artikel
37

Qui ex hac dispersione in aliqua civitate collecti sunt, studiosos aliquot alent, quos sibi deuinctos habeant, quorum opera, si qui aluerunt, carere possint, et patiantur vt alia quaepiam Ecclesia plene sibi addictos habeat, sumtus factos repetere poterunt; secus vero, si ad tempus tantum concedant.

Die uyt deser verstroyinghe in eenigher Stadt ofte plaetse vergadert zijn, sullen etlijcke Studenten onderhouden, die aan hen verbonden sullen zijn, der welcker dienst, soo die ghenen diese onderhouden hebben, ontbeeren moghen, ende toelaten dat een andere Kercke de selve gantschelijck tot haer met verbindinghe overneme, soo sullen sy die ghedaene oncosten wederom moghen eyschen, maer dat en sullen sy niet moghen doen, ist dat zijse alleen voor eenen tijt uyt leenen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 38

Artikel
38

Conscriptus est Catalogus ministrorum nunc ministerio destitutorum et aliorum ad verbi ministerium aptorum. Delecti sunt singuli singularum classium ministri, qui hic sunt, qui classis suae ministros huius Synodi nomine hortentur, vt diligenter inquirant, num quae sint in suis classibus Ecclesiae ministris destitutae, eas hortentur, vt ministrum vocent, aliquos ex Catalogo proponant, ut mutuo consilio aliquis vocetur.

Daer is een Register beschreven der Kercken-Dienaren die nu geen dienst en hebben, item der ghener die tot den Kerckendienst bequaem zijn1). Ende is uyt elcke Classe der ghener die hier zijn, eenen Kercken-Dienaer vercooren, die de Kercken-Dienaers zijnes Classis in den naem deser Synodale vergaderinghe vermanen sal, dat sy naerstelijck vernemen, of eenighe Kercken in haren Classe sonder Kercken-Dienaers zijn, ende soodanighe Kercken vermanen eenen Dienaer te beroepen, dat sy oock sommigen uit den register voorstellen, op dat met ghemeynen rade yemant beroepen werde.


1) Voor de laatste achttien woorden heeft J.: Derer Dhiener, so ietz ihres dhienst entsetzet, vnd auch der andern, so zum dhienst gottliches wortz bequem zugelassen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 39

Artikel
39

Delecti sunt Embdae Dominicus Iulius, Cornelius Rhetius, Ioannes Arnoldi, Wesaliae Ioannes Lippius, Petrus Rickius, Michael Iordanis; vt Ecclesiae Belgico-germanicae ministris destitutae sciant ad hos viros scribendum, vt ministros in iis aut vicinis locis degentes indicent.

Tot Emden zijn vercoren1) Dominicus Iulius, Cornelius Rhetius, Iohannes Arnoldi. Te Wesel, Iohannes Lippius, Petrus Rijckius, Michaël Iordaens, op dat de Nederduytsche Kercken2) die gheen Dienaren hebben, weten datse aen dese Mannen schrijven sullen, ende op dat dese den Kercken eenighe Dienaren in hare, ofte in de naest-gheleghene plaetsen woonende, aengheven3).


1) Bij de volgende namen heeft C., zonder uitzondering, de gelatiniseerde vormen, dus Michaël Iordanus (bij den eersten naam enkel eene D. in plaats van Dominicus); nr. 3 daarentegen bijna zonder uitzondering de Hollandsche vormen, dus Jan Arents en M. Pieter de Rijcke; en J. na Johannes Lippius Carolus Neellius, met weglating van Michaël Jordanus. Alle drie hebben Lippius, in plaats van het in bijna alle uitgaven voorkomende Lipsius (blijkbaar eene drukfout of verkeerde lezing, die de onderscheiden uitgevers eenvoudig van elkander overnamen).
2) Bij C. staat: Nederlandtsche Ghemeijnten; en bij J.: Niderlandische Deutsche kirchen. Wat het laatste woord betreft, is in alle vertalingen op vele plaatsen Kerk en Gemeente met elkander verwisseld.
3) Voor de laatste twintig woorden staat in nr. 3: schryuen sullen, op dat sy die Dienaers die in haeren ofte inden naestghelegen platzen woonen, aengheuen; bij C.: (dattmen) sall schrijven, op dattse sulcks den Dienaaren aldaar, ofte in eenighe naabuer plaatsen wonende, aansegghen; en bij J.: (welchen die ... kirchen...) zuschreiben (wissen), vnd sollen disse menner ihnnen die Dhiener, so da in ihren, der darbey liegenden orthern vorhanden, anziegen, vnd vermelden.

Kerkorde Emden (1571) Art. 40

Artikel
40

Si tanta egestate laboret vlla Ecclesia, vt ministrum quem vocat, alere non possit, classis dispiciet, ac primo plures Ecclesiae vicinae coniungi poterunt. Praeterea ministri Ecclesiarum dispersarum admonebuntur, vt Ecclesiae membra hortentur ad opem ferendam: praesertim autem eos monebunt, qui ex ea erunt provincia in qua est illa Ecclesia, ipsi quoque ministri hac in parte aliis exemplo erunt.

Soo daer eenighe Kercke(n) soo arm ende behoeftigh ware(n), dat sy den Dienaer welcken sy beroept niet onderhouden en conde, soo sal de Classe sulcx versorghen: ende sullen voor eerst sommighe naebuerighe Kercken t’samen gevoeght moghen werden1); Daer beneven sullen de Dienaren der verstroyder Ghemeenten vermaent worden, dat sy de Litmaeten der Kercken tot bystant te doen aenporren: doch insonderheyt sullen sy die aenporren2) die uyt die selve Provincie oft Lantschap zijn, daer in die Kercke leyt, ende de Kercken-Dienaren sullen anderen in desen deele met haer exempel voorgaen.


1) Voor de laatste zeventien woorden staat in nr. 3: soo sal die Classe sulcks versorghen. Ende ten eersten soo sullen sych meer anligghende Kercken tsamen voeghen moghen; bij C.: sall de Klassis daar inn versien, ende sullen meer dan een, ghenaabuerde Kercken te saamen mooghen ghevoughd werden; en bij J.: soll das Quartier vmbsehen, ob nicht mehr vmbliegende gemeinden darzu mogen gethan werden.
2) Voor de laatste zes woorden staat in nr. 3: doch insonderheit sullen sy die verwecken; en bij C.: ende sy sullen vermaanen sonderling die gheen. Bij J. luidt deze geheele volzin: Darneben sollen die Dhiener der verspreieten kirchen erinnert werden der kirchen glieder zu ermhanen, so auss dem ohrt seien, da disse kirche ist.

Kerkorde Emden (1571) Art. 41

Artikel
41

Ministri classis iis locis in quibus ministerium verbi constitui non poterit, lectores, Seniores et Diaconos constituent, vt sic colligantur Ecclesiae.

Die Dienaren des Classis sullen in die plaetsen, daermen den dienst des Woorts niet sal connen oprechten, Lesers, Ouderlinghen ende Diaconen verordenen1), op dat alsoo de Kercken2) versaemelt moghen werden.


1) Voor de laatste veertien woorden heeft J.: dahin keine dhiener des wortz gesetzet mogen werden, personen die lesen konnen, auch Eltisten vnd Diacken setzen.
2) Voor de laatste twee woorden staat in nr. 3 alleen Kercken; bij C.: een Ghemeijnte; en bij J.: letzlig eine kirche.

Kerkorde Emden (1571) Art. 42

Artikel
42

Ministri et Seniores Classium quae sunt sub cruce, in omnibus civitatibus et pagis Classium suarum et vicinis diligenter inquirent eos, qui propensi sunt ad puram religionem, ut eos ad officium hortentur. Itaque Ecclesias aut saltem Ecclesiarum initia colligere studebunt; quod vt melius exequutioni mandetur, partientur classes hae inter se civitates, et pagos vicinos, ne quid negligatur. Eandem curam gerent Ecclesiae dispersae ciuitatum et aliorum locorum vicinorum, praesertim à classibus procul dissitorum. Fideles dispersi illos classium sub cruce ministros hac in re iuvabunt, indicando circumspectè nomina eorum, quos cognoverint ad religionem esse propensos in iis locis vnde eiecti vel digressi sunt.

De Dienaren ende Ouderlinghen der Classen1) die onder ’t Cruys zijn, sullen in allen Steden ende Dorpen onder haren Classe, ofte daer omtrent gheleghen, naerstelijck ondersoecken ende vernemen nae den ghenen, die tot de reyne Religie gheneghen zijn, om de selve tot haren schuldigen plicht te vermanen2): Derhalven sullen sy pooghen, Kercken, ofte ten minsten beginselen der Kercken te vergaederen; Ende om sulcx te beter na te comen, soo sullen de Classes, alle die naest-gheleghen Steden ende Dorpen onder haer verdeylen, op dat niet versuymt en werde. Die selve sorghe sullen die verstroyde Ghemeenten over die Steden ende andere by-legghende plaetsen draeghen, voornamelijck die wijt van den Classe3) ghelegen zijn. Die verstroyde gheloovighen4 sullen die Kercken-Dienaeren der Classen onder ’t Cruys hier in helpen, hen voorsichtelijck aenghevende die namen der ghener die sy weten dat tot de Religie gheneghen zijn gheweest5) in die plaetsen, daer sy uytgheworpen, ofte uyt gheweken zijn.


1) In nr. 3 staat hier Kercken, waarboven daarna Classen geschreven is, als ter verbetering; bij C. staat Klassen; en evenzoo bij J.: Quartier.
2) De laatste negen woorden zijn in nr. 3: op dat sy die selue tot haer plicht vermanen; bij C.: omm die hunns ampts te vermaanen; en bij J.: vnd dieselbe zu dem ampt ermanen.
3) Voor de laatste achttien woorden staat in nr. 3: sullen die verstroide Ghemeijnten voor die steden ende andere biligghende platzen draghen, voornemelicken voor die platsen die wyt vande Classe; bij C.: sullen oock op sick neemen de verstrooijde Ghemeijnten der Steden, ende andere naabuere plaatsen henn naastgheleghen, ende bijsonder oover die verre vande Classe; en bij J.: sollen die verspreite Gemeinden vber ihre benachbarte stette, vnd ohrter, sonderling so sie weit von Quartieren.
4) Bij de laatste drie woorden is in nr. 3 nog bijgevoegd: (die erghent vertrocken synde hen gheset hebben); bij C. staat alleen: De gheloovighe verstrooijden; en evenzoo bij J.: Die verspreiete gleubige.
5) Voor de laatste zeven woorden staat in nr. 3: dat totter Religie geneijcht syn; bij C.: de Relijgie toeghedaan te sijn; en bij J.: zu der Religion geneigt.

Kerkorde Emden (1571) Art. 43

Artikel
43

Vtilissimum est eam esse Ecclesiarum coniunctionem, ut mutuis inter se literis crebo significent, quae ad Ecclesiarum in genere vel aliquarum privatim conservationem, et incrementum pertinere videbuntur, et nominatim haereticos, schismaticos, Mercenarios, cursores, et alios eius generis homines exitiosos designent, vt Ecclesiae sibi ab illis caveant.

T’ is seer oorbaerlijck datter sulcke eene vereeninghe der Kercken zy, datse dickwils met onderlinghe Brieven malcanderen te kennen gheven, wat daer dienstelijck sal zijn tot de onderhoudinge ende wasdom der Kercken int ghemeen, ofte oock sommigher int bysonder1), ende dat sy voornamelijck van die Ketters, scheur-maeckers, huerlinghen, landt-loopers, ende andere soodanighe schaedelijcke menschen malcanderen verwittighen, op dat de Kercken sick voor soodanighen wachten connen.


1) De laatste negentien woorden zijn in nr. 3: wat daer dienstelyk sal schijnen te syn tot onderhoudinghe ende wasdom der Kercken in t’ ghemeyn, ofte oock summighe besondere Ghemeijnten aenghaende; bij C.: ’t gheene datt henn dunckt ofte in ’t ghemeijn, ofte in ’t partikulier tot behouding ende wasdom van alle ofte sommighe Ghemeijnten dienstelijck te sijn; en bij J.: was ihre zu erhaltung, vnd wachsung dero gemein, oder etlicher besonderer kirchen notig zu sein bedunkt.

Kerkorde Emden (1571) Art. 44

Artikel
44

Vt gravibus Ecclesiarum oneribus occurratur, quae indies augentur eorum levitate qui nimis facile sedes mutant, et aliorum qui praetextu paupertatis et religionis eleemosynas domesticis fidei necessarias et debitas praeripiunt; consultum esse iudicavimus, vt in singulis Ecclesiis publicetur eos qui inde migrabunt, non esse in posterum vt domesticos fidei iuvandos in aliis Ecclesiis, nisi testimonium ante actae in Ecclesia vnde proficiscuntur vitae et doctrinae habeant.

Op datmen de sware belastingen der Kercken voorcome ende verlichte, welcke daghelijcx toenemen1) door de lichtvaerdicheyt der ghener die al te lichtelijck hare woonplaetsen veranderen, ende der gener die onder ’t dexel datse geloovigh ende behoeftigh zijn, d’Aelmoessen, den huysghenooten des Gheloofs toecomende ende van nooden zijnde, onttrecken: Soo hebben wy voor raetsaem aenghesien, dat in allen ende yegelijcke Kercke vercondigt werde, dat de ghenen die van daer vertrecken, voortaen niet en sullen als huysghenooten des Gheloofs gheholpen werden in andere Ghemeenten, ten zy datse attestatie ofte ghetuyghnisse hebben, hoe sy sick te vooren in leere ende leven by de Ghemeynte, van daer sy ghecomen zijn, ghedraeghen hebben.


1) Voor dit woord staat bij C.: vermeerderdt werden; en bij J.: vermehret.

Kerkorde Emden (1571) Art. 45

Artikel
45

Dabunt autem operam Ministri, ut quicunque testimonium postulabunt eos qua de causa migrare velint, interrogent, negentque praecisè testimonium, si non satis iustam profectionis esse causam deprehenderint, cauebuntque ministri et Diaconi, ne procliues et faciles sint in exonerandis Ecclesiis suis pauperibus, quibus alias nulla necessitate gravent; quibus testimonium dandum esse censebunt, in eo nomina et cognomina eorum, vnde oriundi sint, quod sit eorum opificium, quae causa migrationis, quamdiu in ea Ecclesia egerint, quomodo se gesserint, quo tempore inde proficiscantur, quo se recipere statuerint, et alia eiusmodi ascribent.

De Dienaren1) sullen daer op letten, datse allen den ghenen die attestatie ofte ghetuyghnisse begheeren, vraghen uyt wat oorsaeck sy begheeren te vertrecken, ende bevindende d’oorsaeck des vertrecx niet genoeghsaem te zijn, den soodanighen attestatie weygheren. De Dienaren ende Diaconen sullen oock toesien, datse niet te seer ghenegen zijn hare Kercken van de armen te ontlasten, met welcken sy andere Ghemeynten sonder eenighen noot beswaren. Ende soo wien sy attestatie geven, sullen2) haer naem, toe-naem, Vader-landt, ende hant-werck in den Brief uyt-drucken, mitsgaders de oorsaeck hares vertrecx, ende hoe langhe sy in de Ghemeente verkeert hebben, hoese sick ghedragen hebben, wanneer sy van daer gescheyden zijn, waerse henen gaen willen, ende andere dierghelijcke dinghen.


1) In nr. 3 staat hier: Doch die Dienaers; bij C. en J. ontbreekt dat woordje doch.
2) In nr. 3, bij C. en bij J.: sullen sij.

Kerkorde Emden (1571) Art. 46

Artikel
46

Dabitur autem profecturis, quantum vsque ad proximam Ecclesiam, qua transituri sunt, satis esse videbitur; quantum vero id sit, in testimonii literis annotabitur. Idem praestabunt aliae, per quas transibunt Ecclesiae, pro sua quaeque facultate, vt exhibito testimonio si legitimum sit, ceteraque probentur, tantum largiantur, quantum opus esse ad proximam vsque Ecclesiam iudicabunt, idque testimonii literis adscribent, et quo die inde discedant, notabunt; ita se et aliae gerent, donec ad designatum pertigerint locum, vbi testimonium exhibitum lacerabitur.

Den genen die vertrecken salmen soo veel geven, als men achten sal ghenoegh te wesen om tot de naeste Ghemeente, daer sy door passeren sullen, te comen, doch hoe veel het zy, salmen op de attestatie teyckenen. T’ selve sullen oock andere Ghemeenten daer sy door-trecken, doen, yder nae zijne macht: sy sullen de attestatie besien, ende soo sy oprecht is, soo veel mede deelen, als noodich is om tot de naest-legghende Ghemeente te comen, hoe veel sy geven, ende wanneer sy van haer vertrecken, sullen sy op de attestatie teyckenen. Alsoo sullen oock andere Ghemeynten haer draghen, tot datse in die plaetse comen daer sy wesen willen, alwaer de overgheleverde attestatie sal ghescheurt werden.

Kerkorde Emden (1571) Art. 47

Artikel
47

Qui post mensem proximum Novembris sine vllo testimonio, aut aliquo, sed non ad hanc normam conscripto ab Ecclesiis migrabunt, non habebuntur pro fidei domesticis, quibus maxime benefaciendum esse docet Paulus. Si qui tamen ex Ecclesiis quae sunt sub cruce, vel iis locis vbi nullum est ministerium constitutum, venerint, examinari eos operae pretium est, an sciant precari, et possint rationem fidei reddere, qua de causa migrarint, et de aliis eiusmodi. Diaconorum autem erit prudentiae quatenus istiusmodi sint iuvandi, dispicere.

Alle die nae de naest-comende maent Novembris, sonder eenighe ghetuyghnisse, ofte met gheen ghetuyghnisse nae dese forme beschreven, uyt de Ghemeynte vertrecken sullen, die sullen voor geen huysghenooten des Gheloofs, den welcken men, nae de leere Pauli, aldermeest behoort goet te doen, ghehouden worden. Soo daer nochtans eenighe comen uyt de Ghemeynten onder ’t Cruys sittende, ofte uyt sulcke plaetsen daer gheen Kercken-dienst1) inghestelt en is, soo salmen die ondersoecken, ofse bidden ende reeckenschap hares Gheloofs gheven connen: item uyt wat oorsaeck sy vertrocken zijn, ende van dierghelijcke dingen meer, doch sal in de discretie der Diaconen staen, hoe veel men soodanighen tot onderstant sal gheven.


1) Bij C. staat hiervoor: Dienst des Woordts; bij J. alleen: dhienst.

Kerkorde Emden (1571) Art. 48

Artikel
48

Rogabitur D. Aldegondius huius synodi nomine, vt Rerum in Belgio gestarum abhinc aliquot annos conscribat historiam, ac praecipuè earum, quae ad instaurationem Ecclesiarum, persecutiones earum, idolorum deiectionem et restitutionem, martyrum constantiam, horrenda dei in persecutores iudicia, mutationes Politiarum etc. pertinent.

Men sal den Heer van S. Aldegonde bidden in den naem van deser Synodale vergaderinghe, dat hy een Historie der dinghen die in sommighe jaeren herwaerts gheschiet zijn1), beschrijve: ende voornamelijck van die dinghen, die de oprechtinghe der Kercken, de vervolginghe der selver, die afworpinghe ende weder-oprechtinge der Beelden2), de volstandicheyt der Martelaren, die grouwelijcke oordeelen Gods teghen de vervolghers, de veranderinghen der Politien, etc. betreffen.


1) De laatste zeven woorden luiden in nr. 3: die in sommighe jaeren herwarts in Nederlandt gheschiet syn; bij C.: die nuu sommighe verleeden jaaren in de Nederlanden gheschiedt sijn; en bij J.: so in den Nidderlanden fur etlichen iharen bis anhero sich zugetragen haben.
2) Voor deze twee woorden heeft J.: deren Abgoetter, und bilder.

Kerkorde Emden (1571) Art. 49

Artikel
49

Dabunt autem operam singularum Ecclesiarum ministri, et alii omnes qui opera sua hoc institutum iuvare poterunt, vt quae eo spectabunt, diligenter sciscitentur et inquirant, et alicui ex his qui ad hoc electi sunt, consignata mittant, quae postea ad D. Aldegondium fideliter perferenda curent.

Alle1) Kercken-Dienaren, mitsgaders alle andere die met haer hulp dit voornemen connen vorderen, sullen naerstelijck ondervraghen ende ondersoecken alles wat tot soodaenighen Historie dient, ende in gheschrifte oversenden aan yemandt der ghener die hier toe vercoren zijn, welcke dese dinghen daer nae aen den Heer van S. Aldegonde ghetrouwelijck sullen overschrijven.


1) In nr. 3 (niet bij C. en bij J.) staat: Doch alle.

Kerkorde Emden (1571) Art. 50

Artikel
50

Delecti sunt Embdae Christophorus Becanus et Cornelius Rhetius, Wesaliae Petrus Rickius et Carolus Niellius, Coloniae N. Adrianus Koningsloe et Ioannes le Roy, Aquisgrani Ioannes Christiani et Ioannes Hueckelum, Francofurti Dns de Balieu et Sebastianus Matte, Heydelbergae Petrus Dathenus et Ioannes Taffinus, Franckentalii Caspar Heydanus et Petrus Anthonius, Schonouiae Franciscus Iunius, S. Lamberti Nicolaus Schoubroeck.

Ende zijn hier toe vercooren1): tot Emden, Christophorus Becanus, ende Cornelius Rhetius: te Wesel, Pieter de Rijcke, ende Carolus Nielius: te Coelen, Adriaen van Conincksloo, ende Iohannes Regius: tot Aecken, Iohannes Christiani, ende Iohannes Heuckelom: tot Franckfort, den Heer van Bailleul, ende Sebastiaen Matte: tot Heydelbergh, Petrus Dathenus, ende Iohannes Taffinus: te Franckendael, Caspar van der Heyden, ende Petrus Anthonii: te Schonau, Franciscus Iunius: te Sint Lamberts, Nicolaus Schoubrouck.


1) Bij C. zijn de volgende namen zooveel mogelijk alle gelatiniseerd; in nr. 3 geschiedt dit nog minder dan in den gedrukten tekst. Voor het overige zijn de namen dezelfde, behalve dat Petrus Anthonii ontbreekt, en dat Dominicus de Balgoul gelezen wordt, waar nr. 3 den Heer van Bailieul heeft. Ook bij J. staan dezelfde namen, maar bijna alle zeer misvormd.

Kerkorde Emden (1571) Art. 51

Artikel
51

Nemo librum a se aut alio compositum, in quo de religione agatur imprimendum vel alioqui evulgandum curabit, aut patietur, nisi a ministris classis aut publicis Theologiae professoribus nostrae confessionis examinatum et probatum.

Niemant sal eenigh Boeck van hem selven, ofte van een ander ghemaeckt, waer in van de Religie ghehandelt wordt, doen ofte laeten drucken, ofte andersins int licht brenghen, ten zy dat ’t selve Boeck van den Kercken-Dienaren des Classis, ofte van de openbare Professoren der Theologie, die van onsen gheloove ofte confessie zijn, geëxamineert ende gheapprobeert zy.

Kerkorde Emden (1571) Art. 52

Artikel
52

In Ecclesiis frequentioribus operae pretium erit propositiones privatas haberi, quibus ii concionando exerceantur, de quibus spes bona est posse aliquando Ecclesiae inseruire; atque ad ordinem servandum praesidebit actioni minister aliquis.

In groote Ghemeenten salt oorbaerlijck zijn, datmen sommighen die hope gheven, datse de Kercke Gods t’ eeniger tijt sullen connen dienen, int besonder oeffene, int proponeren: ende op dat het ordentlijck gheschiede, sal een Kercken-Dienaer over die Actie presideren.

Kerkorde Emden (1571) Art. 53

Artikel
53

Articuli hi ad legitimum Ecclesiae ordinem spectantes ita mutuo consensu sunt constituti, vt si vtilitas Ecclesiarum aliud postulet, mutari, augeri, et minui possint ac debeant; non erit tamen alicuius privatae Ecclesiae id facere, sed dabunt omnes operam vt illos observent, donec a Synodo aliter constituatur.

Deze Articulen de Wetterlijcke ende behoorlijcke ordre der Kercken betreffende, zijn alsoo met ghemeyn accoort ghestelt, datse, soo de nutticheydt der Kercken vereyschet, verandert, vermeerdert, ende vermindert moghen ende behooren te worden. Nochtans sal ’t gheen besondere Kercke vry staen sulcx te doen: maer alle Kercken sullen arbeyden dese te onderhouden, tot dat in een Synodale vergaderinghe anders besloten wort.

Kerkorde Emden (1571) Ondertekening

Embdae 12 die Octobris Anno etc. 71
a quarto die usque ad duodecimum
.

Casparus Heydanus, Praeses manu propria subscripsit.
Ioannes Polyander, Scriba1).

Tot Embden den 13 Octobris2)
Anno onses Heeren 1571.

Caspar van der Heyden, Praeses Synodi.
Iohannes Polyander, Scriba.


1) Bij F. zijn deze namen aan de dagteekening niet toegevoegd.
2) Bij C. en J. staat hier: den 12en October; maar terzelfder tijd staat bij J. in het opschrift der acta, dat de vergadering gehouden is van 4 tot 14 October. Dat de vergadering nog tot op laatstgenoemden dag zou geduurd hebben, is zeer onwaarschijnlijk; want in het jaar 1571 viel de 14e October op een Zondag (blijkens de lijsten in L’art de vérifier les dates, Ed. 1770, blzz. 32 en 102). Blijkbaar was men op 12 October gereed met de besluiten die de Kerkenordening betreffen; en dan is het zeer goed mogelijk, dat van de noodige afschriften en vertalingen sommige op den 12en, andere op den 13en October zijn gemaakt, gecollationeerd en door praeses en scriba geteekend.

Kerkorde Emden (1571) Acta Part.

Acta particularia aut1) quaestionibus particulares.

Aanhangsel op de voorige Synode, behelzende eenige particuliere Vraagen, mitsgaders eenige particuliere Statuten in dezelve beantwoord.

Cap. I. Byzondere Vragen2).

 


1) Bij F. staat hiervoor: seu.
2) Het geheele hoofd (Aanhangsel enz.) is in nr. 3, bij C. en bij J. niet te vinden. In nr. 3 is geen ander opschrift dan: Particuliere of bysondere Questien; bij C.: Bijsondere Vraaghen verhandelt inde Gheneraale Synode tott Embden Aº 1571; en bij J.: Besondere Acta, vnd Fragen. Ook blijven bij J. de cijfers der artikelen tot het einde toe doorloopen, zoodat art. 1 der particuliere vragen aldaar art. 53 is (het voorafgaande 53e art. van den gedrukten tekst heeft bij J. geen cijfer). Meermalen echter worden aldaar artikelen samengevoegd of gesplitst; veel vaker dan bij C. en in de Latijnsche afschriften.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.1

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
1

Audita expostulatione et petitione vtriusque Ecclesiae Embdanae, promiserunt fratres Synodi se cum primum reversi domum erunt, curaturos vt significetur Ecclesiis suarum classium, Ecclesiae Embdanae diaconos iis qui legitimum Ecclesiarum vnde proficiscuntur vitae fideliter et pie anteactae testimonium exhibebunt, vt domesticis fidei opem laturos, aliarum Ecclesiarum per quas transeunt exemplo, sed quae in multos dies aut menses aliquot, vt interdum fit, consistentibus, dum ventum secundum exspectant, quo in Angliam traiiciant, opus essent, in posterum suppeditare non posse, ne quis vana fiducia confisus sedes leviter mutet.

Gehoord hebbende de klagten en het verzoek van beide de Kerken van Embden, hebben de Broeders des Synodi belooft, dat zy zoo haast als zy t’huis gekoomen zullen zyn, bezorgen zullen, dat de Kercken van haare Classis aangedient en de weete gedaan werden, dat de Diakenen der Kerke van Embden, die geenen, die wettelyke getuigenisse haares voorgaanden vroomen en Godzaligen levens3) van de Kerke, uit welke zy gereist zyn, overgeeven zullen, als Geloofsgenooten bystaan zullen, den anderen Kerken door welke zy reizen zullen tot een exempel4); maar die veel dagen of sommige maanden (gelyk het somtyds geschied) moeten stil op den Wind leggen wagtende, om naar Engeland te varen, nood hebbende, dat zy die voortaan niet konnen bystaan5), op dat niemand op eene ydele hoope vertrouwende, niet lichtelyk van de eene Plaatse, in de anderen vertrekke6).


3) Voor de laatste zes woorden staat in nr. 3: haers oprechten gheloofs ende godtsalichen wandels; bij C.: van hunn voorghaande Ghodtsaalich leeven; en bij J.: eines getreuen, vnd gottseligen lebens.
4) De laatste elf woorden zijn in nr. 3: ghelick oock andere Kercken doen daer se door passeeren; bij C.: als andere Kercken, door welcke sij passeeren; en bij J.: gleich auch andere kirchen dardurch sie ziehen.
5) Voor de laatste negen woorden staat in nr. 3: dat sy voort aen niet soo veel en connen wtdeylen, als van noode is den gheenen; bij C.: den selven all ’t gheene henn sall noodich sijn te verstrecken ende handtreijcken, verklaaren sij naa deesen niet mooghelijck te sijn; en bij J.: zu solcher langwiriger steur soll ihnen die Embdische kirche hinfurter mit nichten verbunden sein.
6) De laatste dien woorden zijn in nr. 3: syn huijs lichtwerdelicken opbreecke; bij C.: lichtelijck zijn woonplaatse verandere; en bij J.: oder auch leichtfertiglig disser vrsachen von andern orthen auffbreche.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.2

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
2

Primae Coloniensium quaestioni responderunt Fratres, quae conscientiae sunt, verbo Dei probanda; quae vero ad ordinem spectant, aut indifferentia sunt, ad eam necessitatem non esse redigenda.

Op de eerste vrage van die van Keulen, of alle dingen met de H. Schrift bevestigt moeten worden? Zoo hebben de Broederen geantwoort, dat die dingen, welke de conscientie aangaan, met Gods Woort moeten bevestigt worden, maar die geene die de ordeninge der Kerken aangaan of middelmatig zyn, moeten tot zulk een noodzakelykheid niet gedreeven worden.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.3

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
3

Ad alteram quaestionem de Bibliorum correcta translatione Flandrica quod attinet, eam ad Synodum generalem reiiciendam censuerunt fratres.

Op de tweede vrage van eene goede Nederlandsche1) overzetting des Bibels? hebben de Broeders geagt dat men dit zal uitstellen2) tot den Generalem Synodum.


1) In nr. 3: Nederduitsche; bij C.: Vlaamsche; en bij J.: Nidderlandischer.
2) De laatste vijf woorden zijn in nr. 3: dat men dese behoort wt te stellen; bij C.: die te behooren; en bij J.: zuuerhalten.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.4

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
4

Tertiae quaestioni et quartae responsum est in Articulis 52, Nemo librum, et 53, In Ecclesiis1).

Op de derde en vierde vrage is geantwoort in den 51. en 52. Articul.


1) Deze cijfers zijn volgens de indeeling van het in den tekst afgedrukte Arnhemsche afschrift. Volgens de gebruikelijke indeeling hebben deze artikelen de cijfers 51 en 52. Laatstgenoemde cijfers staan hier inderdaad bij F., ofschoon er naar de indeeling van dit afschrift zelf zou hebben moeten staan: 49 en 50. In deze omstandigheid ligt zeer zeker een grond voor de juistheid der gebruikelijke indeeling.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.5

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
5

Quintae quaestioni de Actis Synodi Rupellensis in Galliis, ut satis fiat, D. Petro Datheno et Ioanni Taffino mandarunt fratres.

Op de vyfde vrage aangaande de handelingen des laatsten Synodi van Rochelle in Vrankryk, hebben de Broederen Datheno en Taffino opgelegt dat zy daar in voldoen.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.6

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
6

Sextae quaestioni respondet Articulus 38, de vocatione ministrorum conscriptus, et Catalogus.

Op de zesde vrage antwoort het 38. Articul van de beroepinge der Dienaren.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.7

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
7

Ad septimam sic responsum est, quod testes adhibere et audire in consistorio licet, iis autem deficientibus iuramentum in re graui exigere seu deferre; non tamen imperando, quod solius est Magistratus, sed monendo et hortando, et quamvis liceret forma solenni et apud magistratum consueta vti, expedit tamen abstinere, propositaque serio Dei in periuros vindicta, vt veritatem quis agnoscat, obtestari; consultissimum autem est, quam rarissime et testes adhibere, et iuramentum exigere.

Op de zeevende vrage is aldus geantwoord, dat het geoorlooft is, in de Consistorien Getuigen voor te brengen en te hooren, en daar die niet en zyn, zal men in gewigtige zaaken den Eed afvorderen1), doch niet gebiedender wyze, het welk alleen den Overheeden toekomt, maar vermanenderwyze, en door opwekkinge. En hoewel dat het geoorlooft zou zyn de openbaare forme te gebruiken die de Magistraat gemein is, zoo is het nogtans beeter zig daarvan te onthouden en voor te stellen die ernstige wraake van God tegen den Meinëedige, en te begeeren dat elk de waarheid bekenne; dog is het allerraadzaamste dat men zelden Getuigen voorbrenge en den Eed afvrage.


1) In plaats van: zal men afvorderen, heeft nr. 3: af te eisschen ofte op te legghen; C.: vereysschen ofte aan eenen eedt stellen; en J.: soll man fordern.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.8

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
8

Ad Coloniensium quaestionem de marito, quem vxor sequi non vult, Responsum est, proclamationes auctoritate magistratus esse necessarias; proinde ad eam ciuitatem poterit se recipere maritus, vbi Magistratus operam et auctoritatem suam interponere velit.

Op de vrage van die van Keulen1), van dien Man, diens Huisvrouw hem niet volgen wil? is geantwoort, dat de uitroeping door authoriteit der Overheid daar toe van nooden zy, daarom mag die Man in zulk eene stad vertrekken, daar die Overheid haare hulpe en authoriteit daar tusschen stellen wil.


1) Voor de laatste zeven woorden staat bij C.: Op de achtste vraaghe.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.9

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
9

Ad decimam1) fratrum Coloniensium quaestionem, an liceat Papistae alicuius infantem baptizare, qui testatur Baptismi forman in Ecclesiis reformatis receptam, sibi puriorem videri quam eam quae in papatu vsurpatur, Qui sibi satisfieri cupiunt, exemplar sumant articuli à fratribus Genevensibus ea de re conscripti2).

Op de tiende vrage der Broederen van Keulen3), of het toegelaaten is eens Papisten Kind te doopen, welke betuigt dat die forme des Doops, die in de Gereformeerde Kerken is, hun reinder dunkt te weezen, dan die welke in het Pausdom is gebruikt? is geantwoort, dat die hier in voldaan begeert te wezen, die neeme eene Copie van het geene de Broeders van Geneve hier van geschreven hebben.


1) Bij F. staat hiervoor: nonam.
2) In het Latijnsche afschrift uit het Arnhemsche archief (niet bij F.) volgt op dit artikel het bedoelde artikel van Genève, echter niet in het Latijn, maar in de volgende Hollandsche vertaling (waarmede de Hoogduitsche bij J. goed overeenkomt):
Dit is die Copie des Artijckels van Geneuen dienende tot een andtwoorde op de voorss. 10 vraege der Broederen van Coelen.
Het beste ende alderseeckerste is geen kinderen tot den doop toe te laten oft t’ ontfangen, dan van welcken die Vaederen lidtmaeten des lichaems der Kercken sijn, ende voorwaer het is den Ordinaris Regule diemen in deser saecken behoort te gebruicken; nochtans om die te seer strenicheit te maetigen in deser saecken, soo moet men altijt hierop acht nemen, dat Godts verbondt sich strecket tot in het duijsenste geslachte, niet om alsoo ouerhoop allerleij kinderen diemen te doopen anbiedt t’ ontfangen, onder het decxsel dat die voorouderen daer van, van oeuer duijsent jaeren geleden Christenen geweest sijn, maer well om door goeden ende behoorlicken middel, tot der Kercken wederom aen te nemen ende te voegen, t’ gene dat daervan vervrembt is geweest; maer nu sijn die middelen verscheiden ende menigerleij, nae dat die omstandicheden verscheiden ende mennigerleij zijn: Want waert saecken dat Godt sijnen vervallen Kercken wederom belieffde op te richten, ende dat die Ordinaris bedieninge des doops (welcke heden s’ daeghs de vijanden der waerheijt misbruicken) wederom gestelt were in handen vanden oprechten herderen, all waere het schoon dat veele lyeden noch soo haest niet gereformiert offt bekeert ende herboeren waeren, soo en soude men nochtans sulcker lyeden kinderen (dien der Kercken toe koemen) vanden doop niet moegen affsluijten: Want men en soude den seluigen niet alleene te kort doen, maer oock die gemeenschap der geloeuigen, ende der beloften Godts. Dergelijcke Andtwoorde hebben wij aen die vanden Rijcke van Schotlandt gedaen, als sij ons advijs oeuer dese saecke begeert hebben. Item ter plaetzen daer die Kercke onder den Cruijce schuijlt oft affgesondert ende verborgen is: Indien daer die ouderen der kinderen noch soo swack ende bevreest zijn, als dat sij hun tot der gemeente niet en derren begeuen, Offt, noch rouw, ende ongeschickt zijnde hun niet buijgen en willen onder het jock Jesu Christi, ende daer en tusschen nochtans eenige van haere vrienden last ende macht geuen van haer lyeden kinderkens aen te bieden, om in aller behoorlicheit ende suijverheit gedoopt te worden, soo en is daer geen oorsaecke noch redene die verhinderen mach die selve kijnderkens angenoemen te wordene, behaluen dat die Peters ende Meters, oft die getuijgen des doops haer verbinden in desen haeren Ampte ende plicht hun seluen getrouwelicken te quijten, oock verseeckeren ende betoegen, dat sij van den ouderen voorss. volle last ende bewillinge hebben, van alsulcx te doene, Want dat is effen soo veele, Als ofte die Vaeders der voorseider Kinderen, haer vaederlich Recht ende Actie te buijten gegaen ende ouergegeuen hadden in handen van den voorss. Peteren en de Meteren etc. Maer soo daer eenich persoen is, die vanden Evangelio gansch niet en weet, ende daerin geheell onverstandich sij, soo en wilden wij alsulckes kindt eene niet raeden tot den doop aengenoemen te worden, sonder den seluen persoen te doen beloeuen eerst ende voor all, dat hij gedoegen sall, dat sijn kindt vanden Peters ende Meters t’ zijner tijt sall onderweesen ende geleert worden inde suijvere leeringhe des Evangeliums, ende dat hij door sijne vaderlicke auctoriteit oft vermoegen t’ zelve kindt nu noch nummermeer en sall dwingen oft daer toe brengen, dattet wederomme sall koemen ofte gebracht worden totte superstitia ofte auergeloeuicheden des Paussdoms, maer dat hij den seluen kinde veel meer sall vrijheit geuen tho leuen nae die leeringe des Evangeliums, daer het inne onderwesen is. Indien men in deser saecken den toom langer gaeue ende meer toe liete, soo soude d’ ambitio oft die vermeetenheit te seere regneren, ende daer soude veele verwoestinghe ende groote ongeschicktheit uijt volgen
.
3) Voor de laatste acht woorden heeft C.: Op de neghende vraaghe.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.10

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
10

Ad vndecimam1) Coloniensium quaestionem, an possent susceptores admitti, qui etiamsi religionem puram amplectantur, sese tamen Ecclesiae nolint adiungere, sic responsum est: quia visum est fratribus susceptorum in Baptismo vsum liberum relinquere; quibus in Ecclesiis adhibebuntur, ut testes dumtaxat sint Baptismi collati, ii de quibus agitur, admittentur; sed vbi adhibentur, sic vt curam quoque instituendi infantis suscipiant, eos Ecclesiae membra esse oportet.

Op de elfde vrage van die van Keulen2), of men Gevaders3) zal moeten toelaten, dewelke, hoewel dat zy de reine Leere toestaan, zig nogtans niet tot de Gemeente begeeven? is aldus geantwoort, dewyl het den Broederen goedgedagt heeft het gebruik der Gevaders vry te laaten in den Doop, dewelke in de Kerken genoomen worden, op dat zy Getuigen zyn, dat het Kind gedoopt is, zoo zullen die genee, daar van gevraagt word, mogen toegelaaten worden; maar daar zy genoomen worden, op dat zy ook zorgen voor de onderwyzinge des Kinds, de zoodanige behooren Lidmaaten der Kerke te zyn.


1) Bij F. staat hiervoor: decimam.
2) Voor de laatste acht woorden heeft C. slechts: Op de vraaghe. Bij J. staat hier: Auff die zehende deren von Coln frage, niettegenstaande de vorige vraag ook reeds de tiende genoemd was; dit laatste zeker bij vergissing.
3) Voor dit woord staat hier en drie regels verder in nr. 3 en bij C. beide: ghetuijghen.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.11

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
11

Quaesierunt Aquisgranenses et Colonienses fratres, an impiè viuens frater post multas admonitiones frustra adhibitas excommunicandus sit, an vero ad tempus differenda excommunicatio, quando Ecclesiae dissipationem minatur. Responsum est: qui excommunicandus alioqui secundum Dei verbum est, excommunicabitur, quamvis Ecclesiae dissipationem minitetur; quia tamen tempora admonitionum publicè faciendarum, et excommunicationis pronunciandae in iudicio et arbitrio consistoriorum relicta sunt, admonitionum et excommunicationis tempora differri poterunt, sic vt et conservationis Ecclesiae ratio habeatur, et excommunicatio necessaria non negligatur.

De Broeders van Aken en Keulen hebben gevraagt, of een Broeder die ongoddelyk leeft, na veele vermaaningen te vergeefs aan hem gedaan, moet afgesneeden worden, als hy de Kerke dreigt te verscheuren? is geantwoort, dat men dien uitsluiten zal, die anders naar Gods woort behoord uitgeslooten te worden, al is ’t dat de Kerke te verstooren1) bedreigt word. Maar overmits dat de tyden der vermaaningen die opentlyk geschieden en de verkondiging der uitsluitinge in het oordeel der Kerke gelaaten zyn, zoo zullen de tyden der vermaaning ende uitsluiting mogen uitgesteld worden, alzoo dat men agt hebbe op de behoudenisse der Kerke, en dat ook de noodzakelyke uitsluitinge2) niet verzuimt worde.


1) Voor dit woord, zoomede voor het drie regels vroeger voorkomende verscheuren hebben nr. 3 en C. beide telkens verstrooijen. Bij J. staat hier eerst: zerstörungh, en daarna: zerruttungh.
2) Bij J.: erbauwungh.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.12

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
12

Ad propositionem fratrum Antwerpiae, de iis ministris qui otiosi, et alio vocati parere recusant, sic responsum est: Ministri qui ministerio destituuntur et ab aliqua vocantur Ecclesia, et obtemperare recusant, an vrgendi sint, iudicabit classicus conventus.

Op de voorstelling van de Broederen van Antwerpen van den Kerken-Dienaren, die leedig zynde, en elders beroepen wordende, weigeren zulks aan te neemen, is aldus geantwoort, dat de Ministers die zonder dienst zyn, zoo zy van eenige Kerken geroepen zynde, weigeren te volgen, dat de Classische verzameling oordeelen zal, of men ze daar toe dringen of dryven zal.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.13

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
13

Ad eorundem propositionem, an liceat mulieri fideli et infideli marito coniunctae, illo invito infantem suum Ecclesiae baptizandum offerre, Responsum est, licere quidem et debere: sed quia forsitan non semper expediret, pro Ecclesiarum conditione operae pretium erit, vt ea in difficultate consistorii consilium requiratur1), cuius prudentiae erit, nec timidioribus frena laxare, nec rigore nimio conscientias grauare.

Op der zelver vrage, of een geloovige Vrouw die met eenen ongeloovigen Man verbonden is, zou mogen zyn Kind, tegen zyn dank in de Gemeente ten Doop praesenteeren? is geantwoort; dat het wel geoorlooft is, en behoort te geschieden, maar dewyl het mooglyk niet altyd profytig zoude weezen om de gestalte der Kerken, zoo zal het van nooden weezen, dat zy in deeze zwarigheid den raad der Consistorie begeeren zal, dewelkers bescheidentheid het zal toestaan hier in alzoo te handelen, dat men noch den vreesagtigen den toom niet te lang geeve, noch de conscientie door al te grooten hardigheid niet en bezwaare.


1) Bij F. staat hier: requirat.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.14

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
14

Quaerentibus Ecclesiis, an fratribus liceat exercere mercaturam cum aliorum principum monetis, easdem fundere, vel vt fundantur et in peiores redigantur curare, aut occasionem praebere, Responsum est, Pecuniam colligere vt in deteriorem fundatur, et alioqui cudere vel cudi curare, vnde aliquid Reipublicae detrimenti adferatur, etiam dissimulante id loci1) magistratu iustitiae et charitati contrarium esse, et iis qui puram religionem profitentur, indignum.

Op de vrage van sommige Kerken, of het den Broederen toegelaaten is Koopmanschap te bedryven met andere Heeren Munte, dezelve te smelten, of te maaken dat zy gesmolten of erger gemaakt worden, of oorzaak daar toe gegeeven worde? is geantwoord, dat het wel is geoorlooft Koopmanschap te dryven, maar2) geld te verzamelen op dat het tot erger geld gesmolten worde, of anderzins geld te slaan of te doen slaan waar door den gemeene welvaart agterdeel en schade ontstaat, onaangezien dat dit door de oogluikinge der Magistraat dier Plaatse geschiede, dat het nogtans meer ongeregtigheid en der liefden vyand is, en daarom dien, welke de reine Religie belyden, onbetaamelyk.


1) Bij F. staat voor de laatste drie woorden: id eius loci.
2) De laatste acht woorden ontbreken in nr. 3 en bij J. (niet bij C.).

Kerkorde Emden (1571) Pv I.15

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
15

Propositioni fratrum Gandavensium et Antwerpiensium, Responsum est: pro grauitate peccati et offendiculi magnitudine, frequenti lapsus iteratione, et ratione locorum, aliarumque circumstantiarum dispiciet et maturo consilio iudicabit consistorium, an quis arcendus sit non solum à coena, sed etiam à coetu in Ecclesiis sub cruce; si quid amplius requiritur, ad classium conventum referetur.

Op de voorstellinge der Broederen van Gent en Antwerpen is geantwoort, dat de Consistorie naar gevoegtheid der zonde, naar de grootheid der ergernisse, naar de feilen dikwils geschieden en vernieuwt worden, en naar de gestalte der Plaatze en andere omstandigheeden overleggen en met rypen raade oordeelen zal, of iemand niet alleen van den Nagtmaale, maar ook van de verzamelinge der Kerken onder het Cruis, zal gehouden worden1), en zoo daar iet meer of voorder vereischt word, zulks zal tot de Classische verzameling uitgesteld worden.


1) Voor de laatste elf woorden heeft J.: von der gemeine auszuschliessen, vnd abzuhalten seie; terwijl de woorden: onder het kruis aldaar gevoegd zijn bij het woord: consistorie.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.16

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
16

Rogauit frater Gandauensis, An haec peccata publica censenda sint, an vero occulta, nempe in secreto indulgentias accipere, matrimonium inter Papistas contrahere, infantem a sacrificio curare baptizari, inter priuatos parietes coram consule vel aliquo ex Marigstratu Christum abnegare, per sanctos iurare: Haec quaestio quia variè disputabatur, in alium coetum est relicta1).

De Broeders van Gent2), vraagden of deeze zonde voor openbaar of heimelyk zou te houden zyn, naamlyk in ’t heimelyk pardon of3) aflaat te haalen, by de Papisten te trouwen, de Kinderen daar te laaten doopen, in byzondere Huizen voor den Burgemeester of iemant van de Overheid Jezum Christum te verloochenen, bij den Heiligen te zweeren, of iet anders? Deeze vrage, om dat er verscheidentlyk van gedisputeert en gesprooken wierd, is uitgesteld tot eene andere Vergadering.


1) Bij F. staat hiervoor: reiecta.
2) In nr. 3, bij C. en bij J. staat: Een broeder van Ghendt.
3) Deze twee woorden ontbreken bij J.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.17

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
17

Aquisgranensium quaestionem de Iuvene et Ancilla, reiiciunt fratres ad diligens omnium circumstantiarum totius negotii examen à consistorio faciendum, et postea Classico coetui referendum.

De vrage van die van Aken, van een Jongeling en Dienstmeid, stellen de Broederen uit tot vlytige onderzoekinge van alle de omstandigheden deszelven handels, dewelke de Consistorie doen zal, en daar na der Classische Vergadering aanbrengen.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.18

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
18

Antwerpiensis Ecclesiae Gallicae quaestioni, quid agendum sit mulieri alleganti maritum in bello mortuum abhinc quatuor quinqueue annos, morten tamen certo testimonio probare nequeunti, Responsum est, Vtendum esse proclamationum auctoritate magistratus remedio, quod si obtinere non possit, petet a Magistratu, vt quantum temporis sit ei expectandum statuat; si neutreum obtinere queat, consuletur ei, vt in eam ciuitatem se recipiat, vbi Magistratus operam et auctoritatem suam interponere velit.

Op die vrage van de Walsche Kerke van Antwerpen, wat dat men met eene Vrouwe doen zal, dewelke zegt dat haar Man voor vyf of zes jaaren1) in den Kryg gestorven is, en kan nogtans zynen dood met geen gewisse kondschap bewyzen? is hier op geantwoort, dat hier in moet gebruikt worden het middel van uitroeping door de authoriteit van de Overigheid, dewelke zoo zy niet en kan verkrygen, zoo zal zy van de Overigheid begeeren, dat zy ordonneeren, hoe lange dat zy nog zal moeten wagten. Indien zy geen van beiden verwerven kan, zoo zal zy haar in zulk een staat begeeven tot de hooge Overigheid, om haare hulpe en authoriteit daar tusschen te stellen2).


1) In nr. 3, bij C. en bij J.: voor vier ofte vijff jaaren.
2) Voor de laatste twee en twintig woorden staat in nr. 3: soo sal men haer raeden dat se in sulck eene stadt trecke, daer d’ Overicheit mit haer hulpe ende autoriteit de saecke te vorderen willich is; bij C.: sallmen haar raaden, dattse sick sall begheeven in alsulck eene Stadt, daar de Ooverheyt haar werck hier van sall maacken; en bij J.: das sie sich in solche statt, vnd ohrter begebe, dat die Obrigkeit einen gewalt vnd hilff mit darzu thun welle, vnd wurde.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.19

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
19

Alteri eiusdem Ecclesiae quaestioni, De viduis mulieribus mense vno aut altero à mariti obitu nubere volentibus, Responsum est, consistorium nec posse nec debere definire tempus, cum Paulus viduis permittat nubere sine temporis definitione, tamen honestatem postulare, ne ad secundas transeant nuptias ante menses quatuor quinqueue, et si grauidae essent, menses circiter duos à partu.

Op die andere vrage van dezelve Kerke van eene Weduwe, die een maand of twee maanden na haar Mans dood begeerde te trouwen? is geantwoort, dat de Consistorie niet vermag noch behoord zeekeren tyd te beschryven, dewyle  den Apostel Paulus toelaat de Weduwen te hertrouwen zonder zeekeren tyd te bestemmen1), nochtans zoo eischt de eerbaarheid, dat zy haar tot den tweeden Huwelyke niet en begeeve voor vier of vyf maanden, en zoo zy bevrugt gebleeven ware niet voor omtrent twee maanden na het Kinderbaren.


1) De laatste veertien woorden ontbreken bij C.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.20

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
20

Tertiae eiusdem Ecclesiae quaestioni, de eo qui suspensus à coena ob graue peccatum, vxorem ducere vult in Ecclesia, non agnito prius publicè peccato, Responsum est, censuris Ecclesiasticis agendum esse in eum; si resipiscat, admittendum; sin minus, admonendam mulierem, ne contrahat matrimonium cum viro, graui aut publico peccato contaminato, Ecclesiae contemtore et à coena1) suspenso et excommunicato.

Op de derde vrage van dezelve Kerke van der geene die om eene groote zonde van den Nachtmaale afgehouden zynde, eene Huisvrouwe in der Gemeente trouwen wilde, eer dat hy zyn schuld van de zonde opentlyk bekend heeft? is geantwoort, dat men die Kerkelyke vermaaning tegens hem gebruiken zal2); zoo hy hem bekeert, zoo zal men hem toelaaten; zoo niet, zoo zal men de Vrouwe vermaanen, dat zy niet trouwe met eenen Man, die met groote en openbaare zonde besmet is, en die een Veragter der Gemeente is, hem die van dezelve afgehouden en uitgesloten word.


1) Bij F. staat voor de laatste twee woorden: ab ea.
2) Voor de laatste negen woorden staat in nr. 3 en bij J.: dat men met die Kerckelicke straffen teghen hem handelen moet; en bij C.: dattmen naa kerckelijck censuere teeghen sulcken eenen handelen sall.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.21

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
21

Quaesitum est, quoto gradu affinitatis et consanguinitatis prohibitum sit materimonium, Responsum est, Consultissimum esse, praesertim vbi Magistratus est infidelis, loci leges et consuetudines observare, quandoquidem id sine offensa1) fieri potest, ne matrimonium contra eas contractum à Magistratu declaretur nullum, liberique illegitimi, haereditas alio deferatur vel devoluatur, aliaque eiusmodi mala contingant2).

Daar is gevraagt in hoe veelsten graad der Maagschap en Bloedvriendschap het Huwelijk verbooden is? en is geantwoord, dat het allerbeste is, voornamelyk daar de Overheid ongeloovig is, de Wetten en Ordonnantien van die Plaatze na te volgen, aangezien zulks zonder God te vertoornen geschieden kan, op dat het Huwelyk tegen zoodanige gedaan, van der Overigheid niet voor nietig verklaart en worde, en de Kinderen voor onwettig, en het goed en have niet op een ander vervreemde, en diergelyke dingen daar uit niet ontstaan.


1) Bij F. staat voor de laatste twee woorden: sine Deo offensa.
2) Bij F. staat voor de laatste acht woorden: alio devolvatur, aliaque huiusmodi contingant.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.22

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
22

Quaestioni de Ministro vxorem habente haereticam ab Aquisgranensibus propositus, Responsum est, quoniam iam in ministerio est constitutus, diligens a consistorio fiet inquisitio, quantum studium et operam adhibuerit tum sancta conversatione, tum assiduis è verbo Dei admonitionibus vt vxorem Christo lucrifaceret; quod si negligentior in hoc offficio fuisse et esse deprehenditur, iudicio et auctoritate consistorii cum classe suspendetur a ministerio; et si consistorium remissius se gerat, aliquorum fratrum Ecclesiae iudicio, tum illi1) a consistorii vel negligentia vel sententia ad classem provocare poterunt.

Op de vrage van dien Minister, die eene kettersche Huisvrouwe heeft, van die van Aken voorgesteld, is geantwoort, dewyle dat hy in den Kerkedienst ingesteld is, zoo zal ’er naarstige onderzoekinge geschieden van den Consistorie, wat vlyt en moeyte hy gedaan heeft, zoo wel met een heiligen wandel als met geduurige vermaaninge uit Gods woord, op dat hy zyne Huisvrouwe Jezu Christo wonne; maar zoo hy onagtzaam bevonden word in zyn pligt, zoo zal hy met het oordeel en authoriteit der Consistorie opgeschort of opgehouden worden van zynen Dienst; en zoo de Consistorie al te zagt en te slap hier inn handele, zoo zal door het oordeel eeniger Broederen der Kerke de zaake van de onagtzaamheid en het oordeel der Consistorie tot de Classis beroepen en betrokken mogen worden.


1) Bij F. ontbreken de laatste twee woorden.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.23

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
23

Convocabitur Synodus Generalis ad proximum ver, si modo declarent Anglicae Ecclesiae se aliquos ad eam ablegare velle et posse, etiams si non omnes in hoc consentirent; sin minus, reiicietur Synodus in alterum ver Anni 73.

De Synodus Generalis zal te samen geroepen worden ter naaster Lente1) zoo verre de Kerken van Engeland verklaaren, dat zy daar eenige zenden willen en konnen, alwaar ’t ook dat zy niet alle daar in verwilligden, maar indien niet, zoo zal de Synodus uitgestelt worden tot den andere toekoomende Lente des jaars 1573.


1) Voor het tweemaal hier voorkomende Lente staat bij C.: Meij.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.24

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
24

Delecta est Classis Palatinatus ad convocandam Synodum generalem.

De Classis van de Paltz is bestemt om den Synodum Generalem te beroepen.

Kerkorde Emden (1571) Pv I.25

Cap. I. Byzondere Vragen.

Artikel
25

Delectae sunt hae in singulis classibus Ecclesiae, ad quas scribendum erit, Embdana, Wesaliensis, Coloniensis, Heydelbergensis, Antwerpiensis, Gandauensis, Tornacensis et Alckmariensis in Hollandia1)

Deze Kerken zijn in alle Classen bestemt tot den welken dat men schryven zal, de Kerke van Embden, van Wezel, van Keulen, van Heidelberg, van Antwerpen, van Gent, van Doornik, van Alkmaar in Holland en Vriesland.


1) In het Arnhemsche afschrift staat onder dit artikel: Embdae 13 Octobris Anno 72 [lees 71]. Bij F. staat diezelfde dagteekening, echter zonder jaartal. De aanwezigheid van zoodanig onderschrift, dat na het vierde Capittel in geen enkel afschrift gesteld of herhaald wordt, geeft wel eenigen grond voor het vermoeden, dat in het oorspronkelijke authentieke afschrift dit artikel het laatste was. Inderdaad is dit ook alzoo bij F., waar de volgende drie Capittels, over de meerdere vergaderingen, terstond achter de algemeene besluiten tot ordening der Kercken geplaatst zijn, en dus de bijzondere vragen, met hare dagteekening, geheel aan het einde staan. En wat dit laatste betreft, is ook het Waalsche Livre Synodal hiermede in overeenstemming. De daarin voorkomende vertaling van de Emdensche acta, welke voor het overige dezelfde artikelen bevat als hier in den tekst zijn afgedrukt, heeft ze in deze volgorde: eerst L’ordre des Assemblées Classiques, daarna Articles des Eglises enz., en ten slotte Faits particuliers. In datzelfde Livre Synodal is het onderschrift der acta: A Embden, Le 14 d’Octobre 1571. M. Jaspar president, M. Jean Taffin assesseur, M. Jean Polyander escrivain. Misschien was het oorspronkelijke afschrift voor de Waalsche Kerken door Joannes Taffinus gemaakt, en werd dientengevolge juist dit afschrift mede door hem, als assessor der vergadering, geteekend. Wat de dagteekening betreft, hebben de Latijnsche, Hollandsche en Hoogduitsche afschriften, alle zonder onderscheid, deels den 12en, deels den 13en October (zie hiervoren blz. 87); maar natuurlijk is het altijd mogelijk, dat het Waalsche afschrift eerst op Zondag 14 October geteekend is.

Kerkorde Emden (1571) Pv II.1

De Classicis Conventibus.

Cap. II. Eenige Statuten van de Classische Verzamelingen1).

Artikel
1

In Classicis conventibus ministrorum vnus concionem in Ecclesia habebit, de ea coeteri Collegae van collecti iudicabunt, et si quid corrigendum sit, indicabunt. Idem coeteri suo quisque ordine praestabunt in proximis classicis conventibus.

In de Classische Verzamelingen zal een van de Ministers een predicatie doen, van dewelke die andere Meede-Dienaars, by een verzamelt, zullen oordeelen, en zoo daar iets is te verbeeteren, dat zullen zy te kennen geeven, het zelve zullen ook alle andere, elk in zyne ordening, doen, in de naastvolgende Classische Verzamelingen.


1) Bij C. en J. zijn hier, en vervolgens, de woorden Capittel II, III en IV niet te vinden (evenmin als bij Cap. I). Er staat alleen: Vande bijeenkomsten der Klassen (bij J.: Von den Quartieren Zusamenkünfften). In nr. 3 ontbreken deze nadere besluiten over de meerdere vergaderingen geheel.

Kerkorde Emden (1571) Pv II.2

Cap. II. Eenige Statuten van de Classische Verzamelingen.

Artikel
2

Postea Praeses communibus collegarum suffragiis electus post conceptas preces singulos rogabit, Num habeantur consessus consistoriales in eorum Ecclesiis, an disciplina Ecclesiastica vigeat, an certamen habeant cum haereticis, an dubitationis quid habeant in aliquo doctrinae capite, an pauperum et scholarum cura geratur, an ad gubernationem Ecclesiae egeant collegarum consilio et opera, et pleraque huius generis alia.

Daar na zal de Praesident met de gemeene keurstemmen der Dienaren verkoren worden; na dat dezelve het gebed zal gedaan hebben1), zal hy elk in ’t byzonder vragen, of zy Consistoriale samenkomsten in haare Kerken houden? of die Kerkelyke straffe in haaren zwang gaat? of zy eenigen stryd hebben met eenige Ketters? of zy eenigen twyffel hebben in eenig hoofdstuk der Leere? of men zorge draagt voor de Armen, en over de Schoolen? of zy tot regeering der Kerken der andere Dienaren raad en hulpe behoeven, en diergelyke dingen meer.


1) Deze acht woorden ontbreken bij J.

Kerkorde Emden (1571) Pv II.3/4

Cap. II. Eenige Statuten van de Classische Verzamelingen.

Artikel
3 en 4

Si quid in aliqua Classis Ecclesia acciderit, quod in illius consistorio componi non posset, in conventu Classico discutietur et iudicabitur, a quo ad prouincialem erit appellatio. Coeterum in conventibus Classicis, quae ad Classis illius Ecclesias pertinebunt, tractabuntur.

3. Zoo daar iet in eenige Kerke des Classis geschiede, dat daar niet in de consistorie konde ter neder gelegt worden, dat zal in de Classische samenkomsten verhandelt en geoordeelt worden, van den welke men zig tot den Provincialen Synodum zal mogen beroepen.

4. Voorts in de Classische Verzamelingen zullen verhandelt worden die dingen, die den Kerken van de Classis betreffen1).


1) Deze alinea, bij C. nog een gedeelte van art. 3, luidt daar aldus: maar inde Klassycke bijeenkomsten sall gheoordeelt worden, datt tott de Kercken desselven Klassis sall behooren.

Kerkorde Emden (1571) Pv II.5

Cap. II. Eenige Statuten van de Classische Verzamelingen.

Artikel
5

His peractis proponet Praeses vnam aut alteram quaestionem de Capitibus in religione controversis inter nos, Papistas et alios, qua ratione se mutuo erudiant, et ad studia excitent.

Dit gedaan zynde zal de Praesident een ofte meer quaestiën van de hooftstukken, daar in dat tusschen ons en de Papisten1) verschil is voordraagen, om alzoo ondertusschen malkanderen te scherpen, en tot studeeren op te wekken.


1) Bij J. wordt hier nog bijgevoegd: oder auch andern.

Kerkorde Emden (1571) Pv II.6

Cap. II. Eenige Statuten van de Classische Verzamelingen.

Artikel
6

In eo conventu Classico, qui proxime prouincialem praecedit, deligentur, qui ad prouincialem Classes illius nomine ablegentur.

In de Classische Verzamelinge dewelke den Provincialen Synodum allernaast voorgaat, zullen verkooren worden, die men tot den Provincialem Synodum, uit de naam van de Classis1) afveerdigen wil.


1) Voor de laatste drie woorden heeft J.: der gemeinen aller Quartier.

Kerkorde Emden (1571) Pv II.7

Cap. II. Eenige Statuten van de Classische Verzamelingen.

Artikel
7

Mittentur autem ex singulis Classibus duo ministri cum totidem Senioribus aut Diaconis, aut saltem vnus cum Seniore vno vel Diacono.

Uit elke Classis zullen gezonden worden twee Dienaars, met zoo veel Ouderlingen of Diakenen, of immers een Dienaar met een Ouderling of Diaken.

Kerkorde Emden (1571) Pv II.8

Cap. II. Eenige Statuten van de Classische Verzamelingen.

Artikel
8

Antequam Capita conscribantur in Synodo Prouinciali proponenda consultum est, vt leguntur accuratè praecedentium Synodorum acta et1) constitutiones, ne in Synodis Prouincialibus, ac praecipuè generalibus, quae ante tractata et definita communi consensu fuerunt denuo proponantur, nisi noua dubitandi de eo quod decisum2) fuerit causa subsit.

Eer dat men de poincten, die men in den Provincialen Synodo wil voorstellen, beschryft, zoo is het raadzaam dat die Acta of Handelingen en Inzettingen of Ordonnantien3) der voorgaande Synode vlytiglyk overleezen worden, op dat in den Provincialen Synodo, en inzonderheid in den Algemeenen Synodo, die dingen welke te vooren, met gemeene bewilliging verhandelt en beslooten geweest zyn, niet wederom van nieuws voorgsteld worden, ten ware dat daar eene nieuwe oorzaake van twyffelen voorviele van het geene dat te voren verhandelt is geweest.


1) Bij F. staat hiervoor: seu.
2) Bij F. staat hiervoor: ante decisum.
3) De laatste vier woorden ontbreken bij C.

Kerkorde Emden (1571) Pv II.9

Cap. II. Eenige Statuten van de Classische Verzamelingen.

Artikel
9

Postremo locus et tempus proximi conventus designabitur, gratiaeque Deo agentur, quas concipiet Praeses.

Ten lesten, de naastvolgende tijd en plaatse der samenkomste zal bestemt worden, en men zal God danken, het welke de Praesident doen zal.

Kerkorde Emden (1571) Pv III.1

De Provincialibus Synodis.

Cap. III. Van den Provinciaalen Synodo1).

Artikel
1

Qui ad Prouincialem Conventum mittentur literas dimissionis et capita proponenda scriptis consignata adferent, Neque alia conscribentur, quam quae in Consistoriis et Conventibus Classicis definiri non potuerunt, vel ad Ecclesias omnes illius Provinciae pertinebunt, ne conventus Prouincialis quaestionibus non necessariis protrahatur.

Die geene die tot den Provincialen Synodum gezonden zullen worden, zullen meede brengen Brieven van haare zendinge, mitsgaders de puncten schriftelyk vervat, die zy voorstellen zullen; zy en zullen ook geene andere stellen, dan die in de Consistorien en Classische samenkomsten niet hebben konnen uitgevoert2) worden, ofte zoodanige, die allen de Kerken dier Provincie aangaan, op dat de Provinciale samenkomsten met onnodige vraagstukken niet verlengt3) en worden.


1) Bij C. is het eenige opschrift: Vande Provintiaale Synooden; en evenzoo bij J.: Von den Provincial-Synoden.
2) Bij C. affgehandeldt; bij J. de woorden: scheiden vnd vergleichen (met eenigszins anderen zinsbouw).
3) Bij J.: beschweret, auffgehalten vnd verzogen.

Kerkorde Emden (1571) Pv III.2/3

Cap. III. Van den Provinciaalen Synodo.

Artikel
2 en 3

Cum convenerint, loci minister, aut si nullus sit, is qui superiori conventui praefuit, preces concipiet ad Praesidis, Assessoris, Scribae electionem: Praeses electus preces habebit ad totam actionem accommodatas.
Postea nomina eorum qui aderunt conscribi, absentium notari, vt absentiae causam reddant, curabit.
Literas dimissionis seu testimoniales postulabit, vt legantur instructiones
1) seu mandata singulorum scriptis consignata, quorum singula ordine proponet, totius coetus iudicium exquiret, suffragia colliget, quae maioris et sanioris partis sententia erit, exponet, eam scriba excipiet, exceptam diserte leget, vt omnium calculis probetur.

2. Als zy dan alzoo vergadert zyn, zoo zal de Dienaar der Plaatse, ofte zoo daer geen is, die in de laatste verzameling gepraesideert heeft, het gebedt doen, om eenen President en eenen Hulper, en eenen Schryver2) te verkiezen.

3. De Praesident verkooren zynde, zal een gebedt doe, tot den gantschen handel dienende; daar na zal hy verschaffen, dat de naamen der geene die tegenwoordig zyn, aangeteekent worden, desgelyks de naamen der Afwezen of der Absenten op dat ze de oorzaake haares afwezens verklaaren; dan zal hy de Brieven of Getuigenissen van haare afzendinge afvorderen op datze geleezen worden, desgelyks haar Bevelschriften3) met elks onderteekening en verzeelinge, dewelke hy elk byzonder ordentelyk voorstellen zal, en der gansche verzamelinge oordeel, daar op behoorende, en die keurstemmen verzamelen, met verklaringe welke het gevoelen zy van den meesten en van den besten deele; het zelve zal de Schryver schriftelyk vervatten, en vervat hebbende klaarlyk leezen, op dat het met gemeene bewilling bestendigt worde.


1) Bij F. staat hiervoor: instructionesque.
2) Bij C. staan hier, en ook in de andere artikelen, de gebruikelijke namen: Praeses, Assessor en Scriba. Bij J. staat: Praesident, Beisitzer en Schreiber.
3) Bij C. worden in dit artikel, evenals twee artikelen vroeger, de woorden Credentsbrieven en instructien gebruikt. Bij J. de woorden Credentz (en ook absendung oder zeugnusbrief) en instructuion vnd befelch.

Kerkorde Emden (1571) Pv III.4

Cap. III. Van den Provinciaalen Synodo.

Artikel
4

Quae ad doctrinam primum, dein quae ad disciplinam Ecclesiasticam pertinebunt, et leguntur et scriptis distinctè consignabuntur, dein facta particularia.

De dingen, die de Leere aangaan, zullen eert, daar na die dewelke den Kerkelyken Regimente1) behooren, geleezen en onderscheidentlyk in schrift gestelt worden, daar na die byzondere Handelingen2).


1) Voor de laatste drie woorden heeft C.: de disciplijne der Kercke; en J.: der kirchen disciplin.
2) Voor de laatste drie woorden heeft C.: de particuliere dingen; en J.: die particular thaten, vnd sachen.

Kerkorde Emden (1571) Pv III.5

Cap. III. Van den Provinciaalen Synodo.

Artikel
5

Officium Praesidis est iubere vt vnusquisque ordine suo loquatur, silentium acrioribus et contentiosis imperare, nisi taceant, vt egrediantur ex coetu praecipere vt ex fratrum iudicio censura digni reprehendantur.

Het ampt des Praesidents is, te beveelen, dat een ieder in zyne order spreeke; den Bitteren en Twistgeerigen zal hy gebieden te zwygen, en het en zy dat ze zwygen, dat men ze gebiede uit de Vergadering af te treeden, op dat ze naar der Broederen oordeel gestraft worden, naar dat zy verdient hebben.

Kerkorde Emden (1571) Pv III.6

Cap. III. Van den Provinciaalen Synodo.

Artikel
6

Praesidis officium cum actione finitur, liberum autem erit proximo conventui Provinciali vel eundem vel alium eligere.

Des Praesidents ampt neemt een einde met het einde des Synodi1), en het zal vrystaan den naasten Provincialen Synodo, ofte denzelven, ofte eenen anderen Praesident te verkiezen.


1) De laatste vijf woorden luiden bij C.: met de actie; bij J.: mit der handlung eines ieden Synodi.

Kerkorde Emden (1571) Pv III.7

Cap. III. Van den Provinciaalen Synodo.

Artikel
7

Seniores aut Diaconi, qui ad hos Conventus mittentur suffragium habebunt in omnibus sessionibus van cum suarum Ecclesiarum ministris. Ex senioribus autem loci in quo convenerint duorum dumtaxat sententiae vim suffragii obtinebunt, quantumvis coeteris quoque senioribus interesse et sententiam dicere liceat.

De Ouderlingen ofte Diaconen, die tot deeze Verzamelingen gezonden worden, zullen in alle sessien of zittingen, mitsgaders de Ministers haarer Kerken haare stemmen geeven, maar uit den Ouderlingen, van die Plaatse in welken dat men te zamen komt zullen alleen twee stemmen kragt hebben, hoewel, dat het ook den anderen Ouderlingen daar by te zyn en haar gevoelen te zeggen toegelaaten is.

Kerkorde Emden (1571) Pv III.8

Cap. III. Van den Provinciaalen Synodo.

Artikel
8

Omnes sessiones inchoabit Praeses à precibus, claudet autem gratiarum actione.

De Praesident zal alle Zittingen beginnen met den gebeden, en besluiten met der dankzegginge.

Kerkorde Emden (1571) Pv III.9

Cap. III. Van den Provinciaalen Synodo.

Artikel
9

Articuli omnes constituti scriptisque consignati, denuo legentur vt ab omnibus et probentur et subscribantur. Vnusquisque autem exemplar eorum referet, a Praeside et Scriba subscriptum, vt in consistoriis singularum Ecclesiarum legantur.

Alle de in schrift gestelde en beslootene Artikelen zullen wederom geleezen worden, op dat zy van yeder voor goed gehouden en onderschreeven worden, en een ygelyk zal een Copie derzelver van den Praesident en Schryver ligten1), op datze in de Consistorie van elke Kerke geleezen worde.


1) Voor de laatste dertien woorden heeft C.: een ijegelijck van henn sall een exemplaar ofte kopije medeneemen van den Praeses ende den Schrijba onderteijckendt. Bij J. staat voor ligten het woord fordern.

Kerkorde Emden (1571) Pv III.10

Cap. III. Van den Provinciaalen Synodo.

Artikel
10

Totius Conventus Provincialis consensu eligetur Ecclesia, cui cum aliorum Classis suae ministrorum iudicio constituendi locum et tempus proximi Conventus provincialis et ius et cura delegabitur.

Daar zal eene Kerke door gemeene bewilliging der gantsche Provinciale Verzameling verkooren worden, dewelke met het oordeel van andere Dienaren van haare Classen toevertrouwt worde de magt en zorge van den tyd en Plaatse des naasten Provincialen Synodi toe te stemmen.

Kerkorde Emden (1571) Pv III.11

Cap. III. Van den Provinciaalen Synodo.

Artikel
11

Ad hanc Ecclesiam quaecunque occurent in aliis difficiliora, quaeue in consistoriis et Classicis conventibus definiri non potuerunt, aut quae graviora ad vniversam provinciam pertinebunt diligenter et maturè mittentur.

Aan deeze Kerke zullen alle zwaare zaaken1) die in andere Kerken voorvallen, ofte2) die in de Consistorien of Classische samenkomsten niet hebben konnen afgehandelt worden, of zoodanige zwaare zaaken die de gantsche Provincie aanraaken, neerstelyk, en by tyds moeten gezonden worden.


1) De laatste drie woorden luiden bij C.: de swaarichheeden.
2) Hiervoor staat bij C.: ende.

Kerkorde Emden (1571) Pv III.12

Cap. III. Van den Provinciaalen Synodo.

Artikel
12

Haec Ecclesia locum et tempus provincialis conventus proximi constitutum coeteris Ecclesiis trimestre ante significabit, exemplarque eadem opera illorum omnium capitum seu articulorum qui ad eam missi fuerint transmittet, de quibus maturè vnaquaeque ecclesia cogitet, iudiciumque suum in conventu classico proferat, vt qui illius classis nomine ablegabuntur iam praemeditata et ab omnibus illius classis Ecclesiis discussa proferant.

Deeze Kerke zal den anderen Kerken den tyd en plaatse des naasten Provincialen Synodi drie maanden1) te vooren laten weeten, en zal met eenen overzenden de Copie of het Afschrift van alle de Hoofd-Artikelen derzelver, dewelke aan haar gezonden zyn geweest, van dewelke een ygelyke Kerke by tyds mag bedenken, en hun oordeel in de Classische Verzamelingen voortbrengen, op dat die welke van wegens de Classis zullen uitgezonden worden, met voorbedagten oordeel, en wat van alle de Kerken van die Classis daar van gevoelt word, mogen voortbrengen2).


1) Deze tijdsbepaling is bij C. opengelaten.
2) Voor de laatste achttien woorden staat bij C.: mooghen voorbrengen saacken van te vooren van allen Kercken desselven Klassis ooverleijdt ende dursocht sijnde; en bij J.: nichtz den was durch alle kirchen des Quartiers wol vorbedacht, vnd erwogen ist, an die bhan zu pringen, vnd furzutragen haben.

Kerkorde Emden (1571) Pv III.13

Cap. III. Van den Provinciaalen Synodo.

Artikel
13

Ne tamen Ecclesia cui cura designandi loci et temporis ad convocandam proximam Synodum Provincialem mandata est, scribendis ad singulas omnium illius Provinciae Classium Ecclesias literis plus aeque grauetur, in vnaquaque Classe eligetur Ecclesia ad quam scribet, vt illa quae acceperit cum suae Classis ministris communicet.

Op dat nogtans de Kerke die de last opgelegt word van tyd en plaatse des naasten Provincialen Synodi toe te stemmen, niet tot elken Kerke van alle Classen dier Provincien schryven, en zoo meer dan behoorlyk overlast worde1), zoo zal in elke Classis2) een Kerke verordineert zyn, aan welken dat zy schryven zal, op dat dezelve zulks als zy het ontvangt, den Dienaren van haare Classis te weeten doe.


1) Het eerste gedeelte van dit artikel is bij C. aldus: Maar op datt de Kercke, de welcke de sorghe, omm tijdt ende plaatse omm te beroupen de naaste Provintiaale Synode aan te teijckenen bevolen es, niet booven billickheyt, mett schrijven van brieven aan elcke Kercke van alle Klassen der selve Provintie belast en werden; en bij J.: Damit aber die kirche, welcher aufferlacht den nechstfolgenden Synodum Provincialem an zeit, vnd ohrt anzusetzen, vnd aufzuschreiben, nicht mit der mannigfaltigkeit des schreibens zu der gantzen Provincien vnd denselben Quartieren kirchen vber pilligkeit beschweret werde.
2) In den gedrukten tekst en bij J. staat hier: Provincie; maar dit is blijkbaar eene vergissing; bij C. staat dan ook: Klassis.

Kerkorde Emden (1571) Pv III.14

Cap. III. Van den Provinciaalen Synodo.

Artikel
14

Communibus vniuscuiusque Classis sumptibus intererunt Synodo, qui ad eam ablegabuntur.

De geene die tot den Synodum gezonden worden, zullen daar toe komen uit gemeinen last en koste van ieder Classis.

Kerkorde Emden (1571) Pv III.15

Cap. III. Van den Provinciaalen Synodo.

Artikel
15

Absolutis Synodi negotiis celebrabitur sacra coena inter ministros et seniores, qui ad Synodum convenerunt, et Ecclesiam loci in quo collecta est, si loci ratio id feret.

Na dat de Synodus zal voleindigt zyn, zoo zal men dat Heilig Avondmaal gebruiken onder de Ministers en Ouderlingen, die tot den Synodum gekomen zyn, met den Volke dier Plaatse daar de Synodus gehouden is1), zoo verre als het de bekwaamheid der Plaatse lyden kan.


1) Voor de laatste tien woorden heeft C.: met de Kercke in loco; en J.: vnd die kirche des orthz, da der Synodus gehalten soll werden.

Kerkorde Emden (1571) Pv III.16

Cap. III. Van den Provinciaalen Synodo.

Artikel
16

Ecclesiae in qua Synodus habetur cura incumbet, vt ad proximam Synodum acta seu constitutiones illius Synodi vel adferat vel mittat.

De Kerke daar de Synodus gehouden word, die zal bezorgen, dat zy ter naaste Synodale Verzameling die Handelingen en Ordonnantien1) des voorschreeven Synodi of brengen of zenden zal.


1) Voor de laatste vier woorden staat bij C.: de Acten ofte constituutien; en bij J.: die Acten, geschicht, oder beschluss.

Kerkorde Emden (1571) Pv IV.1

De Generalibus Synodis.

Cap. IV. Van den Generaalen Synodus1).

Artikel
1

Eadem in Synodis Generalibus servabuntur, quibus intererunt non à Classibus sed Provinciis delegati ministri et seniores cum literis testimonialibus et mandatis ad doctrinam, disciplinam et facta particularia spectantibus, quae in Conventibus Provincialibus definiri non potuerunt, aut ad omnes Ecclesias spectant2).

Het zelve dat voorschreeven is, zal ook in den Algemeenen Synodo onderhouden worden, tot welken koomen zullen Kerken-Dienaars en Ouderlingen niet van de Classen, maar van de Provincien verordineert met Getuigenissen en Brieven en Beveelen aantreffende de Leere, het Kerkregiment en byzondere zaaken3), die in de Provinciale t’samenkomsten niet hebben konnen uitgevoert ofte geëindigt worden, of die allen Kerken betreffen en aangaan.


1) Bij C. is het eenige opschrift: Vande Gheneraale Sijnooden; en bij J.: Von den Generalen Synoden.
2) Voor de 26 artikelen van dit 2e, 3e en 4e Capittel, even als voor artt. 19-53 van de Kerkenordening, is onder het afdrukken ook nog vergeleken de oudste uitgave die er van dat gedeelte der Emdensche acta bestaat, en die te vinden is in het uitvoerige werk, dat de Keulsche hoogleeraar en kanunnik Cornelius Schultingius Steinwichius, onder den titel van Hierarchica Anacrisis enz., uitsluitend tot bestrijding van het Calvinistische of Gereformeerde kerkrecht, in den aanvang der 17e eeuw in het Latijn geschreven heeft (de uitgave, die schrijver dezes daarvan bezit, heeft het jaar 1627 op den titel, maar blijkens den inhoud, op vele plaatsen, moet het werk reeds verscheidene jaren vroeger geschreven zijn; gelijk dan ook de opdrachtsbrief gedagteekend is van den 15 Mei 1604). Dit boek is verdeeld in vier stukken (128, 156, 212 en 192, samen 688 blzz. in Folio), waarvan het derde en vierde o.a. de Kerkenordening bevat van de Nederlandsche Synoden van 1571, 1574, 1578 en 1581, die der laatste twee Synoden ook nog met de besluiten over particuliere vragen; en die van 1571 slechts van art. 19 af, maar met de besluiten over de meerdere kerkelijke vergaderingen; terwijl met betrekking tot de laatste drie Synoden dan een weinig later eene uitvoerige kritiek gegeven wordt, in welke artikel voor artikel afzonderlijk behandeld en op kerkrechtelijke gronden bestreden wordt. De genoemde Emder artikelen zijn in dit werk te vinden in het derde stuk, blz. 57b-61b; aldaar echter bij vergissing gepagineerd als blz. 55b-61b; terwijl voorts niet alleen artt. 1-18 ontbreken, maar ook artt. 19 vgg. onmiddellijk aan de voorafgaande Paltzer Kerkorde zijn toegevoegd, alsof zij nog daarbij hoorden, en eerst aan het einde gesproken wordt van de Emdensche Synode. Denkelijk is een stuk der kopij hier overgeslagen en onafgedrukt gebleven. Voor het overige komt deze afdruk goed overeen met het gebruikte afschrift uit het Arnhemsche archief en met dat van J. van Foreest. En dan is het zeker niet onwaarschijnlijk, dat het daarvoor gebruikte afschrift hetzelfde is als het nog in Keulen aanwezige Latijnsche handschrift, waarvan hiervoren in de inleidende opmerkingen over den tekst gesproken is (boven blz. 45). In dien geest zal dus het aldaar gezegde moeten gewijzigd en aangevuld worden; terwijl dan ook niet geheel meer gelden kan, wat blz. 44 gezegd was, nl. dat de Emdensche acta nog nooit in de oorspronkelijke taal zijn uitgegeven. Althans ver het grootste gedeelte is reeds in 1604 door een Roomschen schrijver in die taal ter perse gelegd.
3) Voor de laatste veertien woorden heeft C.: mett Kredentsbrieven ende instructien, noopende de Leere, disciplijne, ende particuliere saacken; en J.: mit gnugsamen glaubwirdigen Credentz vnd zeugnusbrieffen .... was die lehre, kirchen disciplin, vnd particuliere sachen anlanget.

Kerkorde Emden (1571) Ondertekening (slot)

Interfuerunt huic coetui atque subsignaverunt.

Onderteckeninghe tot Embden. Anno 1571.

Iasparus Heydenus, minister Franckendalensis Ecclesiae.
Ioannes Taffinus, Heydelbergensis Ecclesiae Gallicae minister.
Polyander, Embdanae Ecclesiae Gallicae minister.
Hermannus Modet.
Carolus Niellius, Wesaliensis Ecclesiae Gallicae minister.
Sybertus Los, Coloniensis Ecclesiae minister.
Ioannes Hueckelum, Aquisgranensis Ecclesiae minister.
Ioannes Lippius, minister Wesaliensis.
Henricus Holtenus, Ecclesiae Embricensis minister.
Ioannes Woudanus, Antwerpiensis Ecclesiae minister.
Valerius Pauli Tophusanus, Gandavensis minister.
Franciscus Pauli, in Flandria minister.
Ioannes Arnoldi, Amsterodamensis minister.
Petrus Gabriel, Amsterodamensis Ecclesiae minister.
Gisbertus Zythpaeus, Schaganae Ecclesiae minister.
Andreas Cornelii, Brielensis minister.
Clemens Martini, Hornanus minister.
Andreas Theodoricus Castricomius, Frisiae Occidentalis M.
Cornelius Ioannis, Twiscanus minister.
Cornelius Christiani, futurus minister.
Henricus Michaelis, futurus minister.
Iasparus Bigardus, futurus minister.
Ioannes Cocus, in Flandria minister quondam.
Ioannes Ilstanus, in Frisia minister quondam.

Seniores.

Carolus de Noude, Christophorus Becanus, Seniores Ecclesiae Embdana Gallicae.
Ioannes le Roy, Coloniensis.
Hermannus Meranus, Wesaliensis.
Gabriel, Antwerpianus1).


1) De hierboven afgedrukte naamlijst van onderteekenaars staat achter de Emdensche acta in het Boek van P. Cabeljau en in beide Latijnsche afschriften (alleen in dat van J. van Foreest met het boven opgegeven Latijnsche opschrift; het Arnhemsche heeft hetzelfde Hollandsche opschrift als bij Cabeljau). Op alle drie die lijsten staan alle qualiteiten en bijna alle namen in het Latijn; en dan alles geheel gelijkluidend, behalve dat in het Arnhemsche afschrift Carolus de Noville gelezen wordt in plaats van het in de beide anderen staande Carolus de Noude, en dat de naam van Ioannes Arnoldi, Amsterodamensis minister, aldaar is overgeslagen. De verdere zeer kleine verschillen in de spelling van sommige namen, en de ook voorkomende afkortingen van de bijgevoegde qualiteiten, zijn te onbeteekenend om ze hier te vermelden; vooral omdat toch wel geen van die drie afschrijvers de namen met volkomen nauwkeurigheid heeft teruggegeven. Zoo b.v. schrijven alle drie den naam van Moded met eene t als laatste letter, terwijl toch Herman de Stricker zelf zijn gehebraïseerden naam natuurlijk altijd met eene d aan het einde geteekend h eeft. En dergelijke notoire afwijkingen van bekende handteekeningen zijn er in de bovenstaande lijst bij herhaling.