Roeleveld, L. [1958] 5

§ 5. Kerkelijke onderdelen

Art. 84 K.O.

Deze figuur is in het gereformeerd kerkrecht niet onbekend. Daar het kerkenverband ten aanzien van geloofszaken geen rechtspersoon is in de zin van het burgerlijk recht, noch een vereniging met rechtspersoonlijkheid, noch een zedelijk lichaam sui generis176) en de gereformeerde kerken federaal zijn georganiseerd, is door art. 84 K.O. rechtspersoonlijkheid geschapen voor de samenwerkingsverbanden van classis, particuliere en generale synode, doch slechts voor wat betreft de zaken, die van vermogensrechtelijke, niet van geestelijke aard zijn.


176) Voor het kerkenverband der synodalen is dit mogelijk anders. De „synodale” predikant Ds. Joh. Jansen geeft in de derde druk van de Korte Verklaring van de Kerkorde der gereformeerde kerken, Kok, Kampen ➝

|58|

Dit artikel 84 K.O. luidt:

„De Kerken, die in Classes, Particuliere Synoden en Generale Synode samen komen, vormen tezamen even zoovele vermogensrechtelijke eenheden ten aanzien van de stoffelijke aangelegenheden, die haar onderscheidenlijk in Classicaal, Particulier-Synodaal en Generaal-Synodaal verband gemeen zijn.
Deze eenheden worden in en buiten rechte vertegenwoordigd zoowel door de respectieve Classicale, Particulier-Synodale en Generaal-Synodale vergaderingen, als door Deputaten, die door deze vergaderingen worden benoemd, geïnstrueerd en ontslagen en in al hun handelingen door hun instructie zijn gebonden.”

Dit artikel werd door de Gereformeerde Kerken ingevoerd bij synodebesluit van 1933 en de Christelijk Gereformeerde Kerken namen dit woordelijk over bij de wijziging harer K.O. in 1947.

Bij mijn promotie te Leiden op 29 Juni 1955 poneerde ik als stelling V het navolgende:

„Art. 84 der Kerkenorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland heeft, door slechts te spreken van vermogensrechtelijke eenheden en niet van eenheden zonder meer, de uitsluitende strekking gezamenlijke eigendommen van kerken tot haar zelfstandige onderdelen te verklaren (Vgl. arrest Hoge Raad 13 Mei 1938, N.J. 1939 No. 247)”.

Zouden deze kerken, ook in geestelijke zaken, een rechtspersoon vormen, dan zou deze statutaire bepaling overbodig zijn. Behalve uit de duidelijke tekst van dit artikel, waarin immers sprake is van „vermogensrechtelijke eenheden” en „stoffelijke aangelegenheden”, volgt dit ook uit het opschrift boven dit artikel „van de stoffelijke aangelegenheden, aan de kerken gemeen” en uit de geschiedenis. Het hiervolgende overzicht van de geschiedenis werpt hierop een duidelijk licht.

Het rapport van de leden van het moderamen van de generale synode te Groningen 1927 inzake het sluiten van een contract met de kerk van Amsterdam betreffende het archief177) vermeldt:

„De geschiedenis van het schisma in 1926 heeft ons geleerd, dat een kerk, die uit het verband van onze kerken treedt, weigeren kan de onder haar berustende goederen af te staan, en zo zou het mogelijk zijn, dat (en wij denken hierbij natuurlijk niet aan één bepaalde kerk onder ons) een kerk, aan wie de bewaring van het archief was toevertrouwd, schismatiek werd en aanspraak deed gelden voor een nieuw verband van zich noemende gereformeerde kerken op het door haar bewaarde archief. Daarbij zouden zich tal van moeilijkheden kunnen voordoen, vooral om deze reden, dat een plaatselijke kerk wel en onze gezamenlijke kerken geen rechtspersoonlijkheid hebben, wat juridisch tot allerlei verwikkelingen


➝ 1952 (dus na de scheuring verschenen), op blz. 361 een aantal geloofsargumenten, waaruit z.i. zou blijken dat naar gereformeerde opvatting de samenwerking van plaatselijke kerken tot een geestelijke eenheid leidt, welke ook in rechte niet zonder betekenis is. Ware deze stelling juist, dan zou art. 84 K.O. niet alleen overbodig, maar ook misleidend zijn. Zie voorts § 4 en het hierna volgende betoog.
177) Te kennen uit de acta van de synode Arnhem 1930 blz. 235 Bijlage XXXIX.

|59|

kan leiden. De overweging van deze aangelegenheden is voor de leden van het moderamen van de synode van Groningen aanleiding geweest om advies in te winnen bij Mr. G.H.A. Grosheide te Amsterdam, die ook de kerken als adviseur diende inzake de verwikkelingen, ontstaan na de beslissingen van de Generale Synode van Assen 1926. Mr. Grosheide was van oordeel dat Uw deputaten terecht deze gewichtige aangelegenheid hadden overwogen en dat er alle reden is om te onderzoeken of het bezit van het archief beter veilig kan gesteld worden dan thans het geval is... Wat het archief betreft, adviseerde Mr. Grosheide, dit niet langer aan één kerk in bewaring te geven, maar over te gaan tot de vorming van een archiefstichting, die rechtspersoonlijkheid heeft en wier bestuurders benoemd worden door de generale synode.”

Naar aanleiding van dit rapport besloot de synode Arnhem op 27 Augustus 1930178):
„1e. zeven deputaten te benoemen met de opdracht:
a. een onderzoek te bevoegder plaatse in te stellen aangaande de rechtspersoonlijkheid van de gezamenlijke gereformeerde kerken in Nederland;
b. indien het resultaat van dit onderzoek naar hun oordeel niet bevredigend is, maatregelen te ontwerpen, waardoor het eigendomsrecht van de bezittingen der gezamenlijke gereformeerde kerken in Nederland juridisch gewaarborgd is en zoveel mogelijk moeilijkheden bij een eventueel schisma zullen kunnen worden vermeden;
2e. tot deputaten voor deze zaak te benoemen om de volgende synode van advies te dienen: de broeders prof. dr. H. Bouwman, ds. J.L. Schouten, ds. W. Breukelaar, ds. D. Pol, dr. K. Dijk, mr. G.H.A. Grosheide en prof. mr. A. Anema. Dr. K. Dijk wordt met de samenroeping belast.”

Het resultaat van de werkzaamheid van deze deputaten is geweest de invoeging van een nieuw artikel 84 K.O., dat blijkens het voorgaande op de volgende stellingen berust:
1. kerken kunnen uit het verband treden;
2. het uit het verband treden van een kerk heeft, voor wat de gezamenlijke eigendommen van kerken betreft, geen rechtsgevolg, indien deze eigendommen zijn ingebracht in een rechtspersoon met een stichtingskarakter, d.w.z. een vermogensrechtelijke eenheid;
3. deze vermogensrechtelijke eenheid moet een kerkelijk onderdeel zijn.

Teneinde zekerheid te verkrijgen, dat door invoeging van dit art. 84 K.O. het gewenste gevolg zou worden verkregen, werd een proefprocedure opgezet, waarin de Hoge Raad op 13 Mei 1938


178) Acta art. 117.

|60|

einduitspraak deed179). In het aangevallen arrest van het Hof Den Bosch werd uitdrukkelijk gesteld, dat het in confesso was, dat een classicale vergadering als orgaan ex art. 84 K.O. zelve geen rechtspersoonlijkheid bezat.

In het cassatiemiddel werd daarvan eveneens uitgegaan en gesteld, dat in cassatie uitsluitend art. 84 K.O. in geding was. De Hoge Raad stelde de rechtspersoonlijkheid vast — m.i. terecht — doch spreekt m.i. in navolging van het arrest van het Hof verwarrend ever de classis als vereniging van rechtspersonen, die zelve ook rechtspersoonlijkheid bezit.

In art. 84 K.O. is immers slechts sprake van vermogensrechtelijke eenheden, waarvan sprake is bij lichamen met een stichtings-, niet met een verenigingskarakter, terwijl het genoemde proces alleen om de vraag ging, of de classis in de zin van art. 84 K.O. rechtspersoonlijkheid bezat, niet over de classis en andere meerdere vergaderingen in de zin van de overige artikelen van de K.O.

In zijn toelichting op art. 2.1.2 lid 1 van het ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek vermeldt Meijers blijkens zijn interpunctie dit arrest ten bewijze van de erkenning door de rechtspraak van het bestaan van rechtspersoonlijkheid van zelfstandige onderdelen van kerkgenootschappen. En blijkens zijn annotatie van dit arrest is ook Paul Scholten van deze opinie, immers hij vindt de benaming „instelling” beter op haar plaats dan „vereniging”. Er is in art. 84 K.O. dus sprake van een kerkelijk onderdeel met een stichtingskarakter.

Ook in de Gereformeerde Gemeenten wordt over deze zaak in deze zin gedacht. Dit blijkt uit het (niet gepubliceerde) deskundigenrapport, door de hoogleraren Doctores H.H. Kuyper, G. Sevenster en J.N. Bakhuizen van den Brink uitgebracht aan het Gerechtshof te ’s-Gravenhage op 8 Juli 1937 in het geschil Oud-Gereformeerde Gemeente Scheveningen180). Daarin wordt gesteld:

„Ook dan nog is het algemene verband beperkt van betekenis, zoals blijkt uit Notulen Gereformeerde Gemeenten 1928, Bijlage V (over de opleidingsschool): de eigendom van het in gebruik zijnde gebouw was zo, „dat de gemeente te Rotterdam” (die de grootste organisatorische kracht ontwikkelt) voor de gemeenten saam bij de koop optreedt. Deze toestand beschouwde de Commissie als een noodtoestand. De gemeenten vormen niet één synodale eenheid. Van de plaatselijke kerk gaat ons kerkrecht uit. Doch dan kunnen de Gereformeerde Gemeenten niet één rechtspersoon vormen in de zin der wet.
Het vormen van een stichting ware wellicht hier de oplossing. Hiertoe heeft de Generale Synode dan ook besloten. Hiermee staan de Geref. Gemeenten in tegenstelling tot de Nederl. Herv. Kerk, die als kerkgenootschap bezittingen heeft.”


179) N.J. 1939 no. 247 met noot Paul Scholten.
180) Vgl. N.J. 1939 No. 201.

|61|

Dat gereformeerde kerken de op deze wijze geschapen rechtspersoonlijkheid gebruiken o.a. voor de veiligstelling van de belangen van een theologische hogeschool, ontneemt aan deze rechtspersoon niet het karakter van kerkelijk onderdeel. Duynstee merkt ten aanzien van deze rechtsvraag immers op:181)

„Al moet een kerkgenootschap als zodanig krachtens zijn wezen ook onmiddellijk de godsverering beogen, daaruit volgt niet, dat het niet in zijn organisatie onderdelen kan hebben, die dit niet onmiddellijk, doch slechts meer verwijderd nastreven, die alleen de uitoefening er van door het geheel mogelijk maken of beter mogelijk maken. Op dezelfde wijze, waarop b.v. een koster als zodanig ook niet onmiddellijk de godsverering beoefent, en toch wel degelijk een functie in het kerkgenootschap vervult. Al kan dus b.v. een vereniging tot steun der R.K. missies op zichzelf geen kerkgenootschap vormen, zij kan wel onderdeel van het R.K. kerkgenootschap zijn.”

De organen van de in art. 84 K.O. genoemde rechtspersonen zijn dus de classicale en synodale vergaderingen. Zoals wij in § 4 zagen hebben deze vergaderingen echter geen permanent karakter o.a. blijkens art. 35 K.O. bepalende van de praeses dier vergadering: „Voorts zal zijn ambt uitgaan, wanneer de samenkomst scheidt”, en moeten zij als colleges ad hoc worden beschouwd. Dit brengt mede, dat zij in het algemeen ongeschikt zijn als bestuursorgaan op te treden. In de praktijk komt het er daarom op neer, dat deze rechtspersonen worden vertegenwoordigd door de krachtens art. 84 K.O. benoemde deputaten. Gebruikelijk is om voor de onderscheidene taken van de kerken in samenwerkingsverband afzonderlijke deputatencolleges te benoemen, zoals voor de Theologische Hogeschool, zending, evangelisatie. Daardoor ontstaan niet evenzovele rechtspersonen, doch blijft elk samenwerkingsverband slechts één vermogensrechtelijke eenheid als kerkelijk onderdeel vormen, evenzeer als ten aanzien van de éne plaatselijke kerk van meer dan een orgaan sprake is, n.l. de kerkeraad en de vergadering van diakenen182).

Kerkelijke onderdelen van andere dan gereformeerde kerkgenootschappen

Ter vergelijking van de structuur van de Gereformeerde Kerken in Nederland met die van de R.K. kerk en de Nederl. Hervormde kerk verwijs ik naar het Verslag van 10 Juni 1955 van de vaste Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer op het destijds aanhangige ontwerp-Wet op stichtingen. Sommige Kamerleden meenden — m.i. op het standpunt van deze zedelijke lichamen terecht — te mogen veronderstellen, dat onder zelfstandige onderdelen van kerkgenootschappen „voor wat het R.K. Kerkgenootschap in Nederland betreft, zullen vallen de bisdommen en de parochiën en dat


181) Prae-advies blz. 42/43.
182) Vgl. § 3.

|62|

hetzelfde voor de gemeenten van de Nederlandse Hervormde Kerk zal gelden.”

Omtrent de classes van de Gereformeerde Kerken spraken zij, noch de Minister van Justitie, hun oordeel uit.

Over kerkelijke onderdelen van het R.K. Kerkgenootschap hier te lande vond ik de volgende rechtspraak van Gedeputeerde Staten inz. toepassing van de Wet op de Grondbelasting. Deze wet verleent in art. 25 vrijdom van belasting voor bepaalde gebouwen, indien zij in eigendom toebehoren aan kerkgenootschappen. Tussen kerkgenootschappen en hun onderdelen maakt deze wet geen onderscheid183). In de rechtspraak geschiedt dit ook niet altijd, zoals uit de hier volgende opsomming blijkt.

a. Een gebouw, eigendom van de St. Bonifacius Stichting, hetwelk als alle kerkelijke goederen valt onder de wetten en bepalingen door de R.K. kerkelijke overheid uitgevaardigd, zodat het niet vrijstaat dit zonder toestemming dier overheid te bezwaren of te vervreemden, kan geacht worden eigendom te zijn van het R.K. kerkgenootschap184).

b. Een inrichting, die toebehoort aan een kloosterorde, deel uitmakende van de R.K. Kerk, behoort toe aan een kerkgenootschap. (Retraitehuis Collegium Josephinum te Glanerbrug)185).

c. Stichting aangemerkt als onderdeel R.K. Kerkgenootschap, om dat:
1. deze stichting zich als zodanig wenst te zien beschouwd, ter wijl doel, grondslagen, werkkring en overige voor die stichting geldende regelen stroken met de bepalingen van het kerkelijk reglement;
2. van de zijde van het R.K. kerkgenootschap door het daartoe bevoegd gezag, de stichting als onderdeel van dat kerkgenootschap is erkend, terwijl die erkenning, getoetst aan de bepalingen van het „Reglement voor het R.K. kerkgenootschap in Nederland” als rechtsgeldig kan worden aanvaard.
Doel van de stichting was het oprichten van een seminarie


183) Omtrent de vraag, of kerkelijke onderdelen als zelfstandige rechts personen terecht onder de vrijstelling van grondbelasting worden gebracht, welke vraag Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland in hun uitspraak van 29 Mei 1956 ontkennend beantwoorden, zie de uitvoerige noot van Gorren onder deze uitspraak in het Weekblad voor Fiscaal Recht van 3 Aug. 1957, blz. 650/651.
Beslissend voor deze vraag is, of de eigendom van civielrechtelijk, dan wel van economisch oogpunt uit moet worden bekeken. Voor de toepassing van het Besluit Inkomstenbelasting 1941 ging de Hoge Raad in zijn bekende arresten, laatstelijk van 29 Mei 1957, B.N.B. 1957/220, en 24 December 1957 B.N.B. 1958/84, van de economische beschouwingswijze uit.
Zie ook de noot van Hollander onder het voorlaatste arrest.
184) Noord-Holland 28 Januari 1915, B. 2606.
185) Overijssel 18 Juli 1922, B. 3341.

|63|

ter opleiding van R.K. priesters (St. Dominicus-Stichting te Huissen)186).

d. Een inrichting, in de rechtsvorm van een stichting, waarin jonge lieden worden opgeleid tot missionaris, welke canoniek is opgericht en goedgekeurd, is daardoor een onderdeel geworden van de organisatie der R.K. kerk en wel als religieus instituut en aan dit kerkgenootschap gaan behoren. (St. Bonifacius Missiehuis te Hoorn)187).
M.i. is dit „gaan behoren” niet te beschouwen als eigendomsovergang. Zelfstandig bestaan van de rechtspersoon is gebleven, ondanks onzelfstandig bestuur. Voor de toepassing van de Wet op de Grondbelasting werd zij met het kerkgenootschap geïdentificeerd.

e. 1. Een inrichting die toebehoort aan een religieuse orde, deel uitmakende van het R.K. kerkgenootschap, behoort toe aan het kerkgenootschap.
(Kruisherenklooster te Zoeterwoude, seminarie, waar onderwijs werd gegeven in wijsbegeerte en theologie)188).
2. Een stichting N.N. te X., welke een gebouw bezat uitsluitend dienende tot seminarie, alleen tot opleiding van kwekelingen voor de geestelijke stand bestemd, immers tot opleiding van missiezusters, als een zelfstandig onderdeel van het R.K. kerkgenootschap aangemerkt189).

f. De St. Claverbond had tot doel de steun aan de beschavende missie-arbeid van de Nederlandse provincie der Sociëteit van Jezus in Ned. Oost-Indië te bevorderen o.m. door het wekken van belangstelling voor die arbeid en door het verschaffen van geldelijke steun o.a. bij de bouw van ziekenhuizen, scholen en kerken. De bisschop erkent haar bij besluit van 1 Augustus 1890 No. 2254 als onderdeel van het R.K. kerkgenootschap, welke erkenning rechtsgeldig is, daar zij de uitoefening van de eredienst in engere zin ten doel heeft en evenzeer de eigenaardig tot de taak der kerk behorende uitoefening van werken van barmhartigheid en naastenliefde beoogt190).

g. Het onderwerpelijk eigendom behoort toe aan een rechtspersoonlijkheid bezittende stichting en, waar die stichting een onderdeel vormt van de canoniekrechtelijk opgerichte religieuze orde, bekend onder de naam „Sociëteit van Jezus” kan dezelve dus geacht


186) Overijssel 30 December 1929, B. 4818.
187) Noord-Holland, 22 Januari 1930, B. 4876.
188) Zuid-Holland, 15 April 1930, B. 4897.
189) Besluit van de Commissaris en de Bestuursraden van Noord-Brabant van 3 Juni 1942, B. 7656.
190) Gelderland, 3 Februari 1932, B. 5453.

|64|

worden deel uit te maken van het R.K. kerkgenootschap (St. Bonifacius Stichting)191).

h. De Stichting van den Goeden Herder onder het patronaat van den heiligen Joseph, te Velp, zijnde een instelling van de Congregatie van Onze Lieve Vrouw van Liefde des goeden Herders van Angers, met als doel: „de zedelijke verbetering van personen van het vrouwelijk geslacht, die tot losbandigheid zijn vervallen, en de zedelijke opvoeding en verzorging van jonge vrouwelijke personen, wier opvoeding om welke reden dan ook gevaar loopt,” wordt als zelfstandig onderdeel van de R.K. kerk beschouwd192).

i. Een Koninklijk erkende vereniging met als doel „het bevorderen van de godsdienstige en maatschappelijke verheffing van R.K. arme, achterlijke en verwaarloosde jongens, overeenkomstig de R.K. beginselen”, die zich bezighielden met godsdienstig onderricht en godsdienstige vorming, maatschappelijk- en vakonderwijs, werd door de Aartsbisschop van Utrecht erkend als organisch onderdeel van de wezenlijke organisatie der R.K. kerk. Gedeputeerden beslisten:
De kerkelijke opvattingen, die in het reglement van het R.K. kerkgenootschap tot uiting komen, mogen zonder meer geen toetssteen zijn bij de uitvoering van wettelijke bepalingen, waar uitsluitend het juridisch samenstel der feiten beslissend mag zijn. Nu de rechtspersoonlijkheid ontleend wordt aan de Wet van 22 April 1855 (Stbl. 32) is mitsdien zonder meer niet het R.K. kerkgenootschap als eigenaar van het gebouw aan te merken193).

Wezenskenmerken van kerkelijke onderdelen

Het belangrijkste dat bij deze rechtspraak opvalt is, dat een kerkelijk onderdeel wel zelfstandig is in haar bestaan, doch niet in haar bestuur. Het is eerst kerkelijk onderdeel na erkenning als zodanig door het bevoegde kerkelijk orgaan (c, d en f) en maakt daardoor deel uit van de kerkelijke organisatie (a en b), terwijl een kerkelijk doel wordt nagestreefd (a t/m h). Gedeputeerden namen dit laatste kennelijk aan door de instellingen als kerkgenootschap of kerkelijk onderdeel te beschouwen. Alleen in het laatste geval (i) gingen zij van andere opvatting uit, op de mijns inziens onjuiste grond, dat hier van een vereniging volgens de Wet van 22 April 1855, Stbl. 32 sprake was. Zelfs al zouden de oprichters deze rechtsvorm hebben beoogd, dan verhindert dit mijns inziens niet, dat in een erkenning van kerkelijke zijde van een dergelijke rechtspersoon als kerkelijk onderdeel een ontbinding van de rechtspersoon als


191) Limburg, 2 Maart 1934, B. 5833.
192) Gelderland, 17 November 1936, B. 6595.
193) Groningen, 3 Februari 1938, B. 6956.

|65|

vereniging volgens genoemde wet en een oprichting als kerkelijk onderdeel ligt opgesloten.

Naar Reformatorische opvatting zou de qualificatie als kerkelijk onderdeel hier kunnen worden ontkend, omdat het reclasseren van verwaarloosde jeugd niet direct voortvloeit uit het doel van de kerk.

Ook de Hoge Raad liet zich over kerkelijke onderdelen uit, zij het dat hij in de hier volgende overweging daarvan geen definitie gaf. De Raad van Beroep had feitelijk vastgesteld, dat de Orde der Carmelieten een zelfstandig onderdeel van het R.K. kerkgenootschap is. De Hoge Raad overwoog:

„zij is een organisatie binnen het R.K. kerkgenootschap van een groep personen, ingericht om als eenheid aan het rechtsverkeer deel te nemen; daaruit volgt dat zij is een zedelijk lichaam als bedoeld in titel X van Boek III B.W. en, nu de Wet van 22 April 1855 (Stbl. 32) op kerkgenootschappen geen betrekking heeft, ingevolge de bepalingen van voornoemde titel rechtspersoonlijkheid heeft;
dat het voorschrift van art. 1, tweede lid, van de wet van 1853 voor de vraag van de rechtspersoonlijkheid van de kerkgenootschappen en derzelver onderdelen geen betekenis heeft.”194).

Het overzicht van deze rechtspraak zij besloten met vermelding van een geval van een niet-zelfstandig onderdeel:

Een Remonstrants-Gereformeerde Gemeente had woningen laten bouwen, welke in beheer waren bij de Remonstrantse Stichting, welke een onzelfstandig onderdeel dier gemeente was. Deze werden tegen matige prijs verhuurd. De helft van de opbrengst was voor de diaconie en de andere helft voor liefdadige doeleinden195).

Men lette bij het voorgaande op het typische verschil in kerkverband, dat de positie van kerkelijke onderdelen bepaalt. De Hervormde Kerk als rechtspersoon is opgebouwd uit plaatselijke gemeenten als haar kerkelijke onderdelen196). Art. 84 K.O. der Geref. Kerken veronderstelt, dat de daar genoemde rechtspersonen onderdelen zijn van een of meer plaatselijke kerken. Er mankeert hier in de „vrijgemaakte” opvatting een landelijk geheel, zodat art. 84 K.O. nodig is. In de „synodale” opvatting van het kerkverband, die sterk naar die van de Ned. Herv. Kerk neigt, is art. 84 K.O. eigenlijk overbodig.

 

Resumerend kan ik stellen, dat van een kerkelijk onderdeel sprake is en dit rechtspersoonlijkheid heeft, indien dit:
a. een kerkelijk doel nastreeft;


194) Arrest van 6 December 1939, B. 7040, W.P.N.R. 3708.
195) Gedeputeerde Staten Noord-Holland, 20 Maart 1940, B. 7373 en 19 Mei 1948, B. 8611.
196) Vgl. H.R. 28 Oct. 1953, B.N.B. 1953/302: „Een onderdeel van een kerkgenootschap kan wel een kerk zijn, zoals een parochie of een kerkelijke gemeente.”

|66|

b. wordt bestuurd door kerkelijke functionarissen;
c. een zelfstandig bestaan heeft;
d. is ingesteld of erkend als zelfstandig kerkelijk onderdeel door het bevoegde kerkelijk gezag.

Volgens de toelichting op art. 2.1.2, lid 1, ontwerp-Meijers is van een zelfstandig kerkelijk onderdeel slechts sprake, indien dit een religieus karakter heeft. Een met het kerkgenootschap samenhangende vereniging of stichting, als een op bepaalde religieuze grondslag staande toneelvereniging of een stichting voor jeugdzorg voldoet niet aan dit vereiste.

Dit voert ons over de grens tussen de kerkelijke onderdelen en kerkelijke stichtingen.