Kerkorde Dordrecht (1578) Art. 75

(Cap. IV) Van de leere, sacramenten ende ceremonien

Artikel
75

23. Het ware wel te wensschen dat de vrijheyt van ses daghen te aerbeyden, von God toeghelaten, in der kercke ghehouden ende de sondagh alleen ghevyert mocht worden.
Nochtans dewijle somighe andere feestdaghen door authoriteyt der overheyt onderhouden werden, te weten den Christdagh metten navolghenden dagh, item den tweeden Paeschdag ende tweede Pynxterdagh ende in somighe plaetsen den jaersdagh ende Hemelvaertsdagh, soo sullen de dienaers neersticheyt doen datse met predicatien in denwelcken sij in sonderheyt van de gheboorte ende verrijsenisse Christi, seyndinghe des H. Geestes ende derghelycke artykelen des gheloofs de ghemeynte leeren sullen den onnutten ende schadelicken ledichganck in een heylighe ende profijtelicke oeffeninghe veranderen. Hetselfde sullen de kerckendienaren in dien steden doen daer meer feestdaghen door de authoriteyt der overicheyt onderhouden worden.34
Hierentusschen sullen alle kercken aerbeyden, dat het ghewoonlick ghebruyck aller feestdaghen behalven den Christdagh (dewijle Paesschen ende Pyncxteren op den sondagh koemen) soo vele moghelick is, ende op het aldervoeghelickste affghedaen werden.


34 In de bekende Religievrede van 12 juli 1578 werden door de overheid de verschillende rooms-katholieke feestdagen ook voor protestanten voorgeschreven. De soberheid t.a.v. de christelijke gedenkdagen is grotendeels te herleiden tot de begeerte zich van de roomse gebruiken te distanciƫren.