Rapport dHKO (2012) B21

[WO-1: B21 schorsing en afzetting predikant
B21.1 Een predikant die een openbare of in ander opzicht ernstige zonde begaat, in strijd handelt met het door hem ondertekende bindingsformulier of het ambtelijk vermaan hardnekkig verwerpt, wordt door de kerkenraad geschorst.
B21.2 De kerkenraad besluit niet tot schorsing dan na instemming van de kerkenraad van de naburige kerk.
B21.3 Een schorsing geldt voor ten hoogste een periode van drie maanden.
B21.4 Een schorsing kan eenmaal voor ten hoogste een periode van drie maanden door de kerkenraad worden verlengd na goedkeuring van de classis.
B21.5 De kerkenraad beslist of na de schorsing afzetting van de predikant moet volgen.
B21.6 De kerkenraad besluit niet tot afzetting dan na goedkeuring van de classis.]

[WO-2: B21 schorsing en afzetting predikant
B21.1 Een predikant die een openbare of in ander opzicht ernstige zonde begaat, in strijd handelt met het bindingsformulier of het ambtelijk vermaan hardnekkig verwerpt, wordt door de kerkenraad geschorst.
B21.5 De kerkenraad besluit of na de schorsing afzetting van de predikant moet volgen. Voor afzetting is voorafgaande goedkeuring van de classis vereist.
B21.7 Bij schorsing en afzetting wordt gehandeld overeenkomstig de generale regeling voor predikantszaken.]

|66|

B21 schorsing en afzetting predikant
B21.1 Een predikant die een openbare of in ander opzicht ernstige zonde begaat, zijn ambt niet trouw bedient, in strijd handelt met het bindingsformulier dan wel het ambtelijk vermaan hardnekkig verwerpt, wordt door de kerkenraad geschorst.
B21.2 Het besluit tot schorsing behoeft vooraf de instemming van de kerkenraad van de naburige kerk.
B21.5 De kerkenraad beslist of na de schorsing afzetting van de predikant moet volgen. Dit besluit behoeft vooraf de goedkeuring van de classis.

Toelichting B21

1. Aan B21.1 is toegevoegd het niet trouw bedienen van het ambt. Dit vormt samen met de al genoemde ‘ernstige zonde’ een samenvatting van de voorbeelden uit art. 80 KO1978.

2. De meeste reacties vinden het noodzakelijk de voor een schorsing vereiste instemming van de kerkenraad van de naburige kerkenraad in de tekst van de KO zelf te handhaven. Wij voeren dit weer in bij B21.2.

3. B21.3 over de termijn van schorsing is bij WO-2 komen te vervallen. De parallelbepaling in B27.3 voor ouderlingen en diakenen is toen gehandhaafd. Het verschil zit hem in het feit dat de schorsing van een predikant verder wordt geregeld in de GRP en die van ouderlingen en diakenen niet.

4. Schorsing is uit zijn aard een tijdelijke maatregel. Doorgaans wordt deze op drie maanden gesteld. De praktijk heeft nog wel eens behoefte aan verlenging van de termijn. Een en ander dient nauwkeurig te worden uitgewerkt in de GRP. 

5. B21.5 is taalkundig aangepast aan de parallelbepalingen in de andere artikelen over de predikant. 

6. B21.7: de verwijzing naar de GRP kan vervallen. Dit is nu geregeld in B23.1.