Kerkorde GG (2008) Art. 4

Van de diensten

Artikel
4

De wettige beroeping dergenen die tevoren in de dienst niet geweest zijn, zowel in de steden als ten plattenlande, bestaat:
ten eerste in de verkiezing, welke na voorgaand vasten en bidden geschieden zal door de kerkenraad en de diakenen, en dat niet zonder (goede correspondentie met de christelijke overheid der plaats respectievelijk, en) voorweten of advies van de classis, waar het tot nog toe gebruikelijk is geweest;
ten andere in de examinatie of onderzoeking beide der leer en des levens, welke staan zal bij de classis, ten overstaan van de gedeputeerden der synode of enigen van hen;
ten derde in de approbatie en goedkeuring (van de overheid, en daarna ook) van de lidmaten der gereformeerde gemeente van de plaats, wanneer, de naam van de dienaar de tijd van veertien dagen in de kerk verkondigd zijnde, geen hindernis daartegen komt;
ten laatste in de openlijke bevestiging voor de gemeente, welke met behoorlijke stipulatie en afvragingen, vermaningen, gebed en oplegging der handen van de dienaar die de bevestiging doet (of enige anderen, waar meer dienaren zijn) toegaan zal, naar het formulier daarvan zijnde. Welverstaande dat de oplegging der handen zal mogen gedaan worden in de classicale vergadering aan de nieuwe gepromoveerde dienaar, die gezonden wordt in de kerken onder het kruis.

Door de Generale Synode 2007 van de Gereformeerde Gemeenten is in haar vergadering van 31 januari 2008 als aantekening bij artikel 4 en behorende tot het statuut van de Gereformeerde Gemeenten het volgende vastgesteld:

De rechtsverhouding tussen kerkenraad en dienaar des Woords is een kerkelijke rechtsverhouding van geheel eigen aard (een zogeheten rechtsverhouding sui generis), die beheerst wordt door de bepalingen van het eigen kerkrecht van de Gereformeerde Gemeenten, die gebaseerd zijn op de Bijbel als Gods Woord, de daarop gegronde Formulieren van Enigheid alsmede de Dordtse Kerkorde.