Rutgers, F.L. (1892-) Art. 70

Huwelijks-ordonnantiën.

Art. LXX. Alzoo bevonden wordt, dat tot nog toe verscheiden gebruiken in huwelijksche zaken alomme onderhouden zijn, en nochtans wel oorbaar is gelijkvormigheid daarin gepleegd te worden, zoo zullen de kerken blijven bij het gebruik, ’twelk zijn conform Gods Woord en voorgaande kerkelijke ordonnantiën tot nog toe onderhouden hebben, totdat bij de hooge overheid (die men daartoe met den eersten zal verzoeken) eene generale ordinantie, met advies der kerkendienaren, daarop gemaakt zal zijn, tot dewelke deze kerkenordening zich in dit stuk refereert.

Art. 70 handelt over de huwelijksbevestiging. Deze redactie dagteekent van 1586. Art. 63. In 1619 is dus niets nieuws bepaald.
In de vroegere redacties staat over het huwelijk veel meer. Het laat zich goed begrijpen, omdat toen over veel meer zaken de kerken zich hadden uit te spreken.
De quaestie is jarenlang tijdens de Reformatie eene moeielijke zaak geweest.
In de Roomsche kerk was het huwelijk een sacrament en dus al wat er betrekking op had, was door de kerk bepaald. De overheid bemoeide er zich nagenoeg in ’t geheel niet mede.

|297|

Bij de Reformatie kwam een geheele omkeering. Na de Reformatie werd de beschouwing, dat het huwelijk „fori miati” is: ten deele kerkelijk, ten deele politiek.
Ten deele politiek, om de maatschappelijke ordening die er in ligt en de burgerrechtelijke gevolgen; ten deele kerkelijk, voor zoover de kerk voor het huwelijk de beginselen uit Gods Woord heeft aan te geven, waaraan ook de overheid gebonden is. Ze heeft de goddelijke instelling te handhaven. Het is niet slechts een burgerlijk contract. In den Naam des Heeren moet door de kerk het zegel op het huwelijk gezet worden. De zegen des Heeren moet er door de kerk over gevraagd. Hiermede was in ’t begin de overheid het nog niet eens. In ’t eerst bemoeide de overheid er zich in ’t geheel niet mede. Daarom moesten de kerken nagenoeg alles regelen en dus wel allerlei bepalingen maken omtrent ondertrouw, afkondiging, echtscheiding, etc.
Langzamerhand heeft later de overheid ook zelf bepalingen gemaakt en heeft de kerk zich teruggetrokken.
In 1586 was dit gevraagd, maar nog geen gevolg er aan gegeven.
In 1619 is het in het request van de synode aan de staten nog eens gevraagd. Niet aanstonds is het toen ingewilligd. In onderscheiden provinciën echter zijn door de staten bepalingen gemaakt. Toen werd het huwelijk ten deele als een politieke zaak beschouwd, maar de kerk werd daarbij als ’t ware door de overheid gemachtigd om huwelijken te sluiten. Zij trad in den regel op als gedelegeerde van de overheid. Soms deed de overheid het ook zelf wel, maar dan was het enkel burgerlijk.
De Gereformeerden kwamen bij de kerken: registers van den burgerlijken stand. Joden en totaal ongeloovigen kwamen bij de overheid. Ook wanneer de kerk bezwaar maakte tegen ongeoorloofde graden van bloedverwantschap ging men naar de overheid.
Zulke burgerlijke huwelijken waren zeldzaam. Evenzoo is ’t nog in vele landen, b.v. Oostenrijk, Zwitserland, Hongarije. In Duitschland is ’t ook pas eenige jaren geleden veranderd. De revolutie heeft er hier te lande een einde aangemaakt. De Code Napoleon heeft ten onzent van het huwelijk puur een overheidsinstelling gemaakt.
Juist daarom gelden de kerkelijke bepalingen van vroeger niet en zijn ze niet meer toepasselijk. De kerken sluiten het huwelijk niet meer, treden ook niet meer op als gedelegeerden der overheid. Die bepalingen onderstellen dus altijd de beschouwing van de 17de eeuw.
De huwelijksordonnantiën zijn uit de K.O. verdwenen en onder de overheidsinstellingen opgenomen. De hoge overheid heeft die huwelijksordinantie niet gemaakt met advies der kerkendienaren, maar ze is toch zuiver. De huwelijksordonnantiën ten tijde der revolutie gemaakt, zijn nu feitelijk niet in strijd met Gods Woord. Zoo is er dus geen sprake van moeieljkheden.
Moeielijkheden konden slechts rijzen, wanneer er bepalingen door de overheid gemaakt werden, die tegen Gods Woord ingingen, zooals

|298|

b.v. van socialistische zijde is voorgesteld: huwelijk afschaffen of tijdelijk maken. Dan moeten de kerken weer zelf optreden en zouden ze zelf een huwelijksordinantie moeten maken en aan de overheid zich in zooverre onderwerpen als ze niet tegen Gods Woord inging. De toetsing aan Gods Woord blijft altijd eisch.
Een conflict op dit punt tusschen kerk en staat zou schrikkelijke gevolgen hebben. Het huisgezin is de grondslag van de maatschappij. De gevolgen zouden openbaar worden en erkenning van de wettigheid bij het erfrecht, enz. Alleen een bepaalde eisch van Gods Woord mag daarom noodgedwongen tot een conflict van de kerk met de overheid leiden.
Met die burgerlijke gevolgen wordt niet opgeheven de kerkelijke huwelijksbevestiging. In zedelijken zin is ’t huwelijk zonder dat niet volkomen. Kerkelijke huwelijksinzegening is bijbehouden als vastmaking van het huwelijk in zedelijken zin.
Het huwelijk moet voor God en de gemeente voltrokken. Daartoe moet de consciëntie dringen. Uit Christelijk oogpunt is het noodig voor God door de kerk het te laten bevestigen = vastmaken. De zegen Gods op zoo gewichtige zaak moet worden gevraagd. Bovendien moet ook de zegen der gemeente gevraagd worden. Hier is sprake van iets anders dan van een gewoon gebed.
Met betrekking hierop zijn er allerlei quaesties. Of huwelijksbevestiging altijd door een dienaar des Woords moet geschieden of ook door een proponent, ouderling, etc.
De classes behandelden zulke vragen en altijd is geantwoord, dat huwelijksbevestiging ook een stuk van den dienst des Woords is, met toepassing op een bepaald geval, nl. het huwelijk. Daarom moet ze altijd door een dienaar des Woords geschieden. Anders zou ’t ook in huis kunnen gebeuren en dan was het slechts een stichtelijke avond door een broeder onder de broeders.
Hoe te handelen als het huwelijk gedwongen is of anderszins onordelijk bevonden is? Dan meent men, mag de huwelijksbevestiging niet geschieden. In sommige streken van ons land heeft men alleen kerkelijke inzegening als alles in orde is. Dit is zeer onjuist. Wel moet op zoodanige zonde tegen het 7de gebod censuur toegepast. Toch geldt dan, dat zeker de kerkelijke tucht moet geoefend, maar daartoe behoort niet de ontzegging van de huwelijksbevestiging. Dit is geen kerkelijk censuurmiddel en heeft met de tucht niets te maken. De huwelijksbevestiging is niet verklaring der kerk dat alles met betrekking tot het huwelijk in orde is.
Er moet dan bij de inzegening over gesproken worden als een afschrikwekkend voorbeeld. De zaak van de huwelijksbevestiging is van geheel anderen aard.
De vraag is alleen of het huwelijk door Gods Woord verboden is of niet. Of het naar Gods Woord al dan niet te voltrekken is, b.v. wanneer er te nauwe bloedverwantschap bestaat of wel bij vroeger echtbreukigen. De vraag is: of ’t een huwelijk is, dat Gods Woord niet verbiedt, maar zelfs eischt. B.v. een gedwongen huwelijk is naar Gods Woord noodzakelijk. Dit dus moet de kerk bevorderen.
Op een andere wijze mag de kerk nooit een huwelijk weigeren.

|299|

Ten opzichte van gemengde huwelijken (huwelijken met ongedoopten of ongeloovigen), is de bevestiging toegelaten, als de betrokkene ongeloovige partij wil meegaan en bewilligt in de christelijke inrichting van zijn huisgezin. Dit is altijd niet gemakkelijk uit te maken. Maar in geval de ongeloovige zich leerzaam betoont en geen bezwaar maakt, dus op zijn huisgezin een christelijk stempel staat, mag het.
In het andere geval mag zoodanig huwelijk niet bevestigd.