Heuvel, P. van den e.a. (2004) 8.2

8.2 Opwekking en toelating tot de doop

De Protestantse Kerk in Nederland kent — evenals de kerken die erin opgingen — een dubbele dooppraktijk, namelijk zowel de kinderdoop als de doop op belijdenis. In de kerkorde zelf komt dat tot uitdrukking in art. VIII-2: ‘De doop wordt bediend aan hen voor wie of door wie de doop begeerd wordt, nadat het geloof door en met de gemeente beleden is.’ (cursief van L.J.K.). De eigen plaats van de doop op belijdenis wordt dus nadrukkelijk erkend, maar zonder dat het goed recht van de kinderdoop daardoor in twijfel wordt getrokken. Dat laatste blijkt ook uit het accent in de laatste woorden van ord. 6-1-1, waar de gemeente wordt opgewekt tot de viering van de doop, ‘in het bijzonder van de doop van de kinderen van de gemeente’.

De verantwoordelijkheid van de kerkenraad komt in het bijzonder tot uitdrukking bij de toelating tot de doop. Vooral daarin mag duidelijk worden dat ‘de doop in de gemeente heilig wordt gehouden’ (ord. 6-1-2). De toelating krijgt met name vorm in een gesprek met doopouders of dopelingen, waarin de betekenis van de doop én het verlangen van de doopouders — en uiteraard in voorkomende gevallen ook van de dopelingen — aan de orde komen.

In sommige gemeenten zullen alleen belijdende leden de doopvragen mogen beantwoorden — zoals vanouds in de Gereformeerde Kerken in Nederland de regel was —, terwijl in andere gemeenten ook doopleden daartoe gerechtigd zijn. De beslissing daarover dient niet van geval tot geval genomen te worden, maar vindt plaats binnen een beleid, waarbij de kerkenraad bij een voorgenomen beleidswijziging de gemeente betrekt via ‘kennen en horen’ (ord. 6-2-4), dus naar het in ord. 4-8-7 bepaalde.

|207|

Wanneer ouders hun kind willen laten dopen in een andere dan de eigen gemeente, moet de eigen kerkenraad door de kerkenraad waar de aanvraag is ingediend, geïnformeerd worden. Vanwege de termijnen die in acht genomen moeten worden, is het van belang dat een doopbediening ‘elders’ vroegtijdig wordt aangevraagd. De procedure vergt minimaal zeven weken; in de praktijk zal het wel eens langer duren, als kerkenraadsvergaderingen noodzakelijk zijn. De eigen kerkenraad heeft gelegenheid om — binnen drie weken — bezwaar aan te tekenen. De kerkenraad waarbij de doop is aangevraagd, neemt een beslissing over een dergelijk bezwaar en stelt daarvan vervolgens de eigen kerkenraad op de hoogte. Deze heeft dan nog vier weken de tijd om de zaak eventueel aanhangig te maken bij het regionale college voor bezwaren en geschillen (ord. 12-3-1). Ord. 6-4-4 wijst er overigens op dat achteraf aan de eigen gemeente bericht moet worden gezonden als de doop is bediend; dit met het oog op de inschrijving in het ledenregister als dooplid.

Een bijzondere situatie kan zich voordoen als beide doopouders lid zijn van een andere kerk. Is één van hen lid van de Protestantse Kerk in Nederland, dan geldt het volgende natuurlijk niet.

Wanneer de doopouders als gastleden zijn ingeschreven in het register van gemeenteleden (ord. 2-7-4) regelt de generale regeling gastlidmaatschap de gang van zaken. In art. 6 wordt geregeld dat de kerkenraad alvorens over de doopaanvraag te besluiten overlegt met het bevoegde orgaan van de eigen kerk van de betrokkenen. In het algemeen zal de doopaanvraag niet worden gehonoreerd als de eigen kerk er niet mee kan instemmen. Ook wordt overlegd in welke gemeente inschrijving als dooplid zal plaatsvinden. In elk geval wordt achteraf bericht gezonden dat de doop is bediend (G.R. gastlidmaatschap, art. 7).

Wordt de doop aangevraagd door ouders die noch als lid noch als gastlid bij de gemeente betrokken zijn, dan stelt ord. 6-2-6 dat ‘zo mogelijk’ overleg met het bevoegde orgaan van die andere kerk verplicht is. Men moet hier in de regel niet denken aan ouders uit een Nederlandse kerk. Het valt immers nauwelijks in te zien waarom dan de doop niet in die kerk bediend zou worden; en als daar een doopbediening niet wordt toegestaan, zou ook een kerkenraad van de Protestantse Kerk in Nederland daartoe niet moeten besluiten, tenzij de betrokkenen overkomen naar een gemeente van de Protestantse Kerk in Nederland. De regel is vooral van belang wanneer bijvoorbeeld asielzoekers de doop voor hun kind aanvragen, of wanneer Nederlanders die in buitenland wonen met verlof in Nederland zijn en hier een kind willen laten dopen. Zeker in het eerste geval is overleg met de eigen kerk vaak niet mogelijk, maar kan dat wel, dan moet het ook gebeuren. In dat geval is feitelijk instemming van de eigen kerk vereist, gezien het belang van een correcte oecumenische omgang.

De kerkenraad heeft bij dat alles wel te maken met richtlijnen van de generale synode (ord. 6-2-1). Welke richtlijnen dat precies zijn, is echter nog niet bekend. Men mag aannemen dat die nauw zullen aansluiten bij wat tevoren gold in de

|208|

drie kerken die de Protestantse Kerk in Nederland zijn gaan vormen. Onder een zeker voorbehoud kan daarom hier wel iets gezegd worden.

Voor zover de plaatselijke regelingen al niet in een dergelijke bepaling voorzien, zullen de richtlijnen vermoedelijk een termijn noemen voor de doopaanvraag. Ouders die in de gemeente waarin zij als lid zijn ingeschreven de bediening van de doop voor hun kind aanvragen, dienen dit tenminste acht dagen tevoren mede te delen aan de kerkenraad, al kan in bijzondere gevallen van de genoemde termijn worden afgeweken.

Belangrijker is de kwestie van de doop van geadopteerde kinderen en pleegkinderen. Gemeenteleden die het gezag hebben over andere dan hun eigen kinderen, dan wel die kinderen geadopteerd hebben, kunnen voor deze kinderen de doop aanvragen. Hier wordt staand beleid van de kerken geformaliseerd. Het is binnen het burgerlijk recht ondenkbaar pleegkinderen te laten dopen zonder toestemming van de natuurlijke ouders, als die het gezag nog hebben. Bij de doop van voogdijkinderen in een instelling geldt dat evenzeer. Wanneer de natuurlijke ouders toestemming geven, is het in ord. 6 gestelde van overeenkomstige toepassing.

Een laatste punt dat in de richtlijnen vermoedelijk wel zal worden geëxpliciteerd, is het feit dat toelating tot de doop niet kan worden geweigerd bij wijze van middel van kerkelijke tucht. Dat is feitelijk de consequentie van ord. 10-9-6. Deze bepaling kent immers als tuchtmaatregel wel de afhouding van het heilig avondmaal — zij het in de vorm van een ernstige vermaning — maar niet het weigeren van de doop.