Kerkorde GKN (1957) HVI.

Hoofdstuk VI

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Kerkorde GKN (1957) Art. 120

Hoofdstuk VI

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
120 [126]

1. Met kerken van gereformeerde belijdenis en kerkregering in het buitenland zal zoveel mogelijk door middel van correspondentie christelijke gemeenschap geoefend worden.
2. Daarbij zal onderscheid gemaakt worden tussen correspondentie in engere zin, die zich kenmerkt door uitwisseling van attestaties en wederkerige toelating van dienaren des Woords tot de bediening van het Woord en de sacramenten alsmede door het wederzijds zenden van afgevaardigden naar synoden, en correspondentie in ruimere zin, die zich beperkt tot het laatste.
3. Correspondentie in engere zin kan alleen aangegaan worden met kerken, die de gereformeerde belijdenis ook metterdaad handhaven.
4. De aanwijzing van de kerken, met welke correspondentie in engere of ruimere zin wordt aangegaan, geschiedt door de generale synode.
5. Voor de nadere uitoefening van deze correspondentie wijst de generale synode deputaten aan.

Kerkorde GKN (1957) Art. 121

Hoofdstuk VI

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
121 [127]

Met kerken en groepen in Nederland van gereformeerde belijdenis zullen zoveel mogelijk betrekkingen worden onderhouden ter bevordering van het herstel der eenheid.

Kerkorde GKN (1957) Art. 122

Hoofdstuk VI

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
122 [127a]

Met andere dan de in artikel 127 [121] bedoelde kerken zal in het belang van een nauwere samenbinding zoveel als verantwoord is contact worden gezocht.

Kerkorde GKN (1957) Art. 123

Hoofdstuk VI

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
123 [128]

In voorkomende gevallen zullen de kerken tot overheid en volk haar getuigenis doen uitgaan.

Kerkorde GKN (1957) Art. 124

Hoofdstuk VI

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
124 [128a]

De kerken zullen de correspondentie met de Hoge Overheid onderhouden door middel van deputaten, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 125

Hoofdstuk VI

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
125 [129]

1. De kerken zullen aan de Hoge Overheid haar medewerking verlenen ten behoeve van de geestelijke verzorging van zee-, land- en luchtmacht alsmede van degenen die gedetineerd of opgenomen zijn in gevangenissen en andere dergelijke inrichtingen, in het bijzonder door dienaren des Woords af te staan ter benoeming als leger- en vlootpredikanten en als gestichtspredikanten in vaste en in tijdelijke dienst.
2. Het onderhouden van de daartoe nodige betrekkingen vertrouwt de generale synode toe aan hiertoe aangewezen deputaten, terwijl de positie van de in lid 1 bedoelde predikanten geregeld wordt overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.
3. Ten behoeve van de geestelijke verzorging van zee-, land- en luchtmacht en in het bijzonder van het onderhouden van het contact met de leger- en vlootpredikanten kan de generale synode een dienaar des Woords benoemen, die overeenkomstig het in artikel 21 bepaalde geacht wordt in dienst te staan van de gezamenlijke kerken.

Kerkorde GKN (1957) Art. 126

Hoofdstuk VI

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
126 [130]

1. De kerken zullen erop toezien, dat de kinderen der gemeente zoveel mogelijk onderwezen worden op christelijke scholen.
2. De kerken zullen van alle gelegenheden om op andere scholen onderwijs in de christelijke godsdienst te doen geven, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, zoveel mogelijk gebruik maken.

Kerkorde GKN (1957) Art. 127

Hoofdstuk VI

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
127 [131]

De kerken zullen de vrije jeugdorganisaties op gereformeerde grondslag, die de principiƫle vorming van de jeugd van de gemeente ten doel hebben, met raad en daad steunen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 128

Hoofdstuk VI

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
128 [132]

De kerken kunnen aan maatschappelijke organisaties, welke de leniging of bestrijding van bepaalde maatschappelijke noden nastreven, haar medewerking verlenen, en daartoe die organisaties met raad en daad bijstaan, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.