Kerkorde GKN (1957) HV.II.

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Kerkorde GKN (1957) Art. 104

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel
104 [111]

1. Bij het vermaan en de tucht over degenen, die nog geen belijdenis des geloofs afgelegd hebben, zal onderscheid gemaakt worden tussen kinderen en volwassenen en bij de laatsten tussen afkerigen en nalatigen.
2. Met hen zal gehandeld worden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde richtlijnen en met gebruikmaking van de voor dat doel bestemde formulieren van openbare bekendmakingen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 105

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel
105 [112]

1. Wanneer degenen, die belijdenis des geloofs afgelegd hebben, na vermaand te zijn over hun afwijken van de gezonde leer of van de godvrezende wandel, genoegzame blijken van boetvaardigheid betoond hebben, zal de kerkeraad het nodige doen om de verzoening tot stand te brengen.
2. De wijze waarop de verzoening tot stand gebracht zal worden, evenals de vraag, of de in lid 1 bedoelde leden niettemin, wegens de in de gemeente gegeven ergernis, zich voor een bepaalde tijd van het avondmaal behoren te onthouden, staat ter beoordeling van de kerkeraad. De verzoening door middel van het afleggen van schuldbelijdenis in een kerkdienst zal slechts in bijzondere gevallen plaats hebben en niet zonder het goedvinden van de classis.

Kerkorde GKN (1957) Art. 106

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel
106 [113]

1. Wanneer belijdende leden hardnekkig weigeren hun zonden te belijden en te laten, zullen zij, totdat zij genoegzame blijken van boetvaardigheid betonen, door de kerkeraad van het avondmaal afgehouden worden, hetgeen tevens tot gevolg heeft, dat het gebruik van het recht de doopvragen te beantwoorden en aan de verkiezing van ambtsdragers deel te nemen, hun onthouden wordt.
2. De kerkeraad zal intussen voortgaan hen te vermanen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 107

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel
107 [114]

1. Wanneer belijdende leden, na van het avondmaal afgehouden te zijn, ondanks alle vermaan in hun zonde blijven volharden, zullen zij door de kerkeraad van de gemeente worden afgesneden, met gebruikmaking van het formulier van de ban of de afsnijding van de gemeente. Tot deze afsnijding zal evenwel niet worden overgegaan, zolang de uitspraken in het genoemde formulier niet ten volle van toepassing geacht kunnen worden.
2. De kerkeraad zal tot deze laatste tuchtmaatregel niet besluiten dan nadat hij door drie openlijke bekendmakingen de hardnekkigheid van de zondaar aan de gemeente heeft medegedeeld, met de opwekking om voor hem te bidden en zo mogelijk bij hem aan te dringen op bekering. In de eerste bekendmaking zal de naam van de zondaar niet worden genoemd. In de tweede zal, na verkregen toestemming van de classis, zijn naam vermeld worden. En in de derde zal, onder opgave van de termijn, binnen welke alsnog boetvaardigheid betoond kan worden, de afsnijding van de gemeente worden aangekondigd.

Kerkorde GKN (1957) Art. 108

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel
108 [115]

Indien iemand, die uit de gemeenschap der kerk werd uitgesloten, zich in de weg van boetvaardigheid begeert te verzoenen met de kerk, zal de kerkeraad, na zich van de genoegzaamheid van zijn berouw vergewist te hebben, dit aan de gemeente mededelen. Zo er geen gegronde bezwaren ingebracht worden, zal hij daarna weer in de gemeenschap der kerk opgenomen worden met gebruikmaking van het formulier van wederopneming der afgesnedenen in de gemeente van Christus.