Kerkorde GKN (1957) HIII.II.

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Kerkorde GKN (1957) Art. 33

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
33 [38]

1. In alle kerken zal een kerkeraad zijn, die gevormd wordt door de ambtsdragers der gemeente.
2. Indien het getal der ouderlingen meer dan drie bedraagt, staat het vrij onderscheid te maken tussen de brede kerkeraad, waartoe alle ambtsdragers behoren, en de smalle kerkeraad, van welke de diakenen geen deel uitmaken.

Kerkorde GKN (1957) Art. 34

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
34 [39]

1. De kerkeraad heeft de leiding der gemeente, in het bijzonder ook het opzicht over en de tucht in de gemeente, alsmede de zorg voor de dienst der barmhartigheid in het algemeen.
2. Indien er onderscheid gemaakt wordt tussen de brede en de smalle kerkeraad, zal het opzicht over en de tucht in de gemeente aan de smalle kerkeraad blijven.
3. In het in lid 2 bedoelde geval kunnen de diakenen onder leiding van één van hen afzonderlijk bijeenkomen om de zaken, die tot hun taak behoren, te behandelen.
4. De diakenen doen verantwoording van hun beleid en beheer aan de kerkeraad.

Kerkorde GKN (1957) Art. 35

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
35 [40]

1. Het praesidum van de kerkeraad berust bij de dienaar des Woords of indien er in een kerk meer dienaren zijn, in de regel beurtelings bij ieder van hen.
2. In geval een kerk geen dienaar des Woords heeft, berust het praesidium bij een van de ouderlingen, daartoe door de kerkeraad aangewezen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 36

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
36 [41]

1. De kerkeraad zal in de regel tenminste éénmaal per maand samenkomen.
2. Hij zal tenminste eens in de drie maanden in een samenkomst, voorafgaande aan het heilig avondmaal, en met het oog op de viering daarvan, aan zijn leden de gelegenheid geven elkander onderling te vermanen in het bijzonder in verband met de vervulling van hun ambt.
3. Hij bepaalt in zijn regeling van werkzaamheden de wijze van samenroeping van een buitengewone bijeenkomst.

Kerkorde GKN (1957) Art. 37

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
37 [42]

Het staat aan een kerkeraad vrij de voorbereiding of afdoening van bepaalde zaken in handen te leggen van commissies of van wijkraden; hij zal er echter op toezien, dat aan dergelijke colleges niet het gezag wordt toegekend, hetwelk aan de gehele kerkeraad toekomt.

Kerkorde GKN (1957) Art. 37a

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
37a

[gereserveerd]

Kerkorde GKN (1957) Art. 38

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
38 [43]

1. Wanneer een kerk geen dienaar des Woords heeft, zal de raad dier kerk aan de classis verzoeken volgens de door haar vastgestelde regeling een dienaar des Woords uit een der naburige kerken als consulent aan te wijzen om voorzover nodig aan de kerkeraad leiding en raad te verschaffen.
2. De kerkeraad zal in belangrijke aangelegenheden, met name in wat betrekking heeft op de beroeping van een dienaar des Woords, de consulent raadplegen.
3. De consulent woont, indien hij daartoe is uitgenodigd, de bijeenkomsten van de kerkeraad bij; aan hem kan dan het praesidium van de bijeenkomst worden opgedragen.
4. De consulent is van zijn arbeid verantwoording schuldig aan de classis.

Kerkorde GKN (1957) Art. 39

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
39 [44]

1. Wanneer in een plaats een kerkeraad moet worden ingesteld, zal dit niet gebeuren dan met de medewerking en het goedvinden van de classis.
2. Een zodanige kerkeraad zal uit tenminste drie leden bestaan.

Kerkorde GKN (1957) Art. 40

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
40 [45]

1. In belangrijke zaken, die niet vallen onder het opzicht en de tucht over de gemeente, met name in zaken, waarmede het bestaan zelf van de kerk of haar plaats in het kerkverband gemoeid kan zijn, zal de kerkeraad geen besluiten nemen zonder vooraf de gemeente erin gekend en erover gehoord te hebben.
2. Aan een besluit van de kerkeraad over een zaak of zaken, waarmede het bestaan zelf van de kerk of haar plaats in het kerkverband gemoeid kan zijn, zal de kerkeraad geen uitvoering geven, voordat aan de leden der gemeente gedurende de tijd van één maand de gelegenheid is gegeven in appèl te gaan en zolang niet in laatste instantie over het ingestelde appèl uitspraak is gedaan.