Kerkorde GKN (1957)

Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland

Bron: 

Acta van de Generale Synode van Assen 1957 en 1958 van de Gereformeerde Kerken in Nederland gehouden te Assen van 27 augustus 1957 — 10 oktober 1957, van 14 april 1958 — 7 mei 1958, en te Utrecht op 26 juni 1958 (Kampen: J.H. Kok N.V., [1958])

[De artikelen zijn overgenomen uit de acta en doorgenummerd. De artikelaanduiding in de acta is tussen [ ] aangegeven.]

Kerkorde GKN (1957) HI.

Hoofdstuk I

Inleiding

Kerkorde GKN (1957) Art. 1

Hoofdstuk I

Inleiding

Artikel
1

1. Naar het apostolisch voorschrift van 1 Corinthe 14: 40, dat in de gemeente van Christus alles betamelijk en in goede orde behoort te geschieden, wordt in deze kerkorde een aantal regelen gegeven voor het leven en werken van de kerk, met het oog op het volbrengen van de taak, waartoe zij naar de Heilige Schrift en haar belijdenis geroepen is.
2. De voornaamste onderwerpen, die in de kerkorde achtereenvolgens ter sprake gebracht worden, zijn: de ambten van de kerk, de vergaderingen van de kerk, het werk van de kerk, het vermaan en de tucht van de kerk en de betrekkingen van de kerk naar buiten.


1) Tot de Gereformeerde Kerken in Nederland worden ook gerekend de kerken, samenkomende in de „Synode der altreformierten Kirche in Niedersachsen”, welke gevormd wordt door de classis Bentheim en de classis Oost-Friesland. Deze synode heeft onder bepaalde beperkingen de rechten van een particuliere synode. Een en ander is nader omschreven in de door de generale synode vastgestelde regeling (acta generale synode Groningen (1927), art. 33 en acta generale synode Assen (1957/58), art. 427).

Kerkorde GKN (1957) HII.

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

Kerkorde GKN (1957) HII.I.

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

I. Algemene bepalingen

Kerkorde GKN (1957) Art. 2

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
2 [7]

1. De ambten, waaraan in opdracht van Christus het dienstwerk in de kerk is toevertrouwd, zijn die van dienaar des Woords, van ouderling en van diaken.
2. Deze ambten zijn van elkander onderscheiden, niet in waardigheid of eer, maar in opdracht en werk.

Kerkorde GKN (1957) Art. 3

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
3 [8]

1. Niemand zal in de kerk enig ambt mogen vervullen zonder daartoe op wettige wijze geroepen en daarin bevestigd te zijn.
2. Voor de roeping tot enig ambt komen slechts in aanmerking belijdende leden, die voldoen aan de in de Heilige Schrift voor ambtsdragers gestelde eisen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 4

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
4 [9]

1. De roeping tot het vervullen van een ambt wordt uitgebracht door de kerkeraad.
2. De kerkeraad brengt deze roeping uit, in de regel op grond van een onder zijn leiding gehouden verkiezing door de gemeente. Deze verkiezing geschiedt uit een aantal door de kerkeraad voorgestelde candidaten, dat in de regel het dubbele is van het aantal te vervullen plaatsen. In geval in een vacature één candidaat wordt voorgesteld, zal de kerkeraad mededeling doen van de redenen, die hem tot afwijking van deze regel genoopt hebben.
3. De kerkeraad kan de leden der gemeente tevoren in de gelegenheid stellen de aandacht op voor het ambt geschikte personen te vestigen.
4. De verkiezing geschiedt, na voorafgaand gebed, door de stemgerechtigde leden der gemeente overeenkomstig een door de kerkeraad vastgestelde regeling.
5. De namen van de beroepen ambtsdragers zullen op twee achtereenvolgende zondagen aan de gemeente worden voorgedragen om haar goedkeuring te verkrijgen met het oog op hun bevestiging. Indien geen bezwaren zijn ingekomen, of de kerkeraad de ingebrachte bezwaren niet genoegzaam gegrond acht, zal de bevestiging in een kerkdienst, plaats hebben, met gebruikmaking van de daarvoor vastgestelde formulieren.

Kerkorde GKN (1957) HII.II.

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Kerkorde GKN (1957) Art. 5

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
5 [10]

1. Voor de toelating tot het ambt van dienaar des Woords is een deugdelijke theologische opleiding vereist.
2. Zij die een zodanige opleiding ontvangen hebben, hetzij aan de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken in Nederland, hetzij aan de theologische faculteit van de Vrije Universiteit, zullen zich, onder overlegging van de benodigde getuigschriften, aanmelden bij de classis, waartoe de kerk van hun woonplaats behoort, om na met goed gevolg praeparatoir geëxamineerd te zijn, door haar als proponenten beroepbaar gesteld te worden, een en ander overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.
3. Ten aanzien van degenen, die elders een theologische opleiding ontvangen hebben en zich voor hetzelfde doel bij een classis vervoegen, zal deze handelen overeenkomstig de daartoe door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 6

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
6 [11]

1. Van de regel, dat een deugdelijke theologische opleiding vereist is, kan alleen worden afgeweken, indien op overtuigende wijze blijkt, dat iemand in die mate de gaven bezit, welke voor een dienaar des Woords onmisbaar zijn, in het bijzonder de gaven van godsvrucht, ootmoed, wijsheid en geestelijk onderscheidingsvermogen, benevens het vermogen om op duidelijke en opbouwende wijze het evangelie te verkondigen, dat hij ondanks het gemis van genoemde opleiding geacht kan worden in staat te zijn de kerken met stichting te dienen.
2. De particuliere synode stelt, mede aan de hand van overgelegde getuigschriften van de kerkeraad van de kerk, waartoe de persoon, die zich heeft aangemeld, behoort, en van de classis, waaronder deze kerk ressorteert, een grondig onderzoek in, of hij de genoemde gaven bezit en spreekt daarna uit, of hij zich zal mogen onderwerpen aan het praeparatoir examen, een en ander met inachtneming van de daartoe door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 7

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
7 [12]

1. De beroeping van een dienaar des Woords geschiedt met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen omtrent de beroepbaarheid van degenen, die andere dan de Gereformeerde Kerken in Nederland gediend hebben, alsmede van de bepaling inzake het meer dan eenmaal beroepen van dezelfde dienaar des Woords in dezelfde vacature; voorts in geheel vacante kerken niet zonder het raadplegen van de consulent.
2. In geval de beroepene reeds als dienaar des Woords in een andere gemeente gediend heeft, zal zijn naam aan de gemeente worden voorgedragen. Voorts zal de bevestiging niet geschieden, dan nadat de classis op grond van het overgelegde wettige getuigenis van zijn vertrek uit de kerk en de classis, in welke de beroepene tevoren gediend heeft, en van de overgelegde goede kerkelijke attestatie van zijn leer en leven, haar approbatie verleend heeft.
3. Ingeval de beroepene tevoren niet in het ambt van dienaar des Woords gestaan heeft, zal de approbatie van de classis niet worden verleend dan na een met goed gevolg ingesteld onderzoek naar zijn leer en leven. Over de uitslag van dit peremptoir examen, dat afgenomen zal worden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, zal de classis beslissen met de medewerking en het goedvinden van de daartoe door de particuliere synode aangewezen deputaten, althans van de meerderheid van dezen. De bevestiging zal geschieden met oplegging der handen van de dienaar des Woords, die de beroepene in zijn ambt bevestigt.

Kerkorde GKN (1957) Art. 8

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
8 [13]

1. Proponenten en dienaren des Woords, die beroepen worden voor het werk van de zending zullen zich, onder overlegging van een bewijs, dat zij de voor hen bestemde opleiding met goed gevolg hebben genoten, moeten onderwerpen aan een afzonderlijk onderzoek, dat voornamelijk betrekking heeft op de theorie van de zending naar gereformeerde beginselen, welk onderzoek bij proponenten ingesteld wordt terstond na het peremptoir examen.
2. Dit afzonderlijk onderzoek zal, overeenkomstig de hiervoor door de generale synode vastgestelde bepalingen, worden ingesteld door de classis, waartoe de beroepende kerk behoort, met de medewerking van de daartoe door de particuliere synode aangewezen deputaten. Bij dit onderzoek treden enige door de generale synode benoemde deputaten als examinatoren op.
3. Degenen die zich aan dit afzonderlijk onderzoek met goed gevolg onderworpen hebben en daarna in hun ambt bevestigd zijn, worden missionaire dienaren des Woord genoemd.

Kerkorde GKN (1957) Art. 9

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
9 [14]

1. De taak van de dienaar des Woords is de bediening van het Woord aan de gemeente en al naar de gelegenheid eveneens de verkondiging van het evangelie aan hen, die vervreemd zijn van het evangelie, aan de Joden en de niet-gekerstende volken; de bediening van de sacramenten; het uitspreken van de zegen; de leiding van alle overige ambtelijke werkzaamheden in de kerkdiensten als in het bijzonder het afnemen van de openbare belijdenis des geloofs, het doen van bekendmakingen inzake vermaan en tucht, het bevestigen van ambtsdragers, en het bevestigen van huwelijken; en het catechetisch onderricht.
2. Voorts is het zijn taak, tezamen met de ouderlingen, over de gemeente de herderlijke zorg uit te oefenen alsook over haar en over de mede-ambtsdragers het opzicht te hebben en het vermaan en de tucht te oefenen, toe te zien dat alles in de gemeente met goede orde toegaat, de leden der gemeente trouw te bezoeken en tevens te trachten anderen ook op andere wijze dan door de openbare verkondiging van het evangelie voor Christus te winnen.
3. Aan een dienaar des Woords kunnen door een kerkeraad in het bijzonder bepaalde werkzaamheden worden opgedragen, waarbij hij van zijn overige werkzaamheden wordt vrijgesteld.

Kerkorde GKN (1957) Art. 10

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
10 [14a]

Het zal geen dienaar des Woords vrijstaan binnen het ressort van enige kerk, zonder bewilliging van haar kerkeraad voor te gaan in een samenkomst, welke geacht moet worden in enigerlei vorm het karakter van een kerkdienst te dragen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 11

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
11 [16]

1. Zolang een dienaar des Woords aan de gemeente, waarin hij beroepen is, verbonden is, zal zij in het onderhoud van hem en zijn gezin voorzien en zich van deze plicht niet ontslagen mogen rekenen, indien de dienaar des Woords, wegens ziekte of om een andere wettige reden, zijn werk tijdelijk niet kan verrichten.
2. Indien anderen dan de kerkeraad van de gemeente, waarin een dienaar des Woords beroepen is, mede de verantwoordelijkheid dragen voor de werkzaamheden, welke hem opgedragen zijn, kan met zijn bewilliging, geheel of gedeeltelijk op een andere dan de in lid 1 bedoelde wijze in het onderhoud van hem en zijn gezin worden voorzien.

Kerkorde GKN (1957) Art. 12

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
12 [17]

1. Indien een dienaar des Woords zijn gemeente niet langer met stichting kan dienen, terwijl er geen reden bestaat tot het oefenen van kerkelijke tucht, zal de kerkeraad hem van zijn dienst niet kunnen ontslaan zonder de goedkeuring van de classis, die daarbij met de medewerking en het goedvinden van de daartoe door de particuliere synode aangewezen deputaten handelt.
2. Zolang hij niet door een andere kerk beroepen is, blijft de kerkeraad, die hem ontsloeg, binnen de door de generale synode bepaalde grenzen, verantwoordelijk voor de voorziening in het onderhoud van hem en zijn gezin.

Kerkorde GKN (1957) Art. 13

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
13 [18]

1. Indien de kerkeraad en de classis, met de medewerking en het goedvinden van deputaten van de particuliere synode, oordelen, dat een dienaar des Woords, zonder dat er goede grond is voor het verlenen van emeritaat of voor het oefenen van kerkelijke tucht, de bekwaamheid mist om enige gemeente met stichting te dienen, zal een volledig ontslag uit de dienst in de kerken slechts kunnen volgen, wanneer de particuliere synode met een meerderheid van tenminste twee derde der uitgebracht stemmen dat oordeel bevestigd en, in geval van appèl, de generale synode deze beslissing bekrachtigd heeft.
2. Ten behoeve van het onderhoud van de ontslagene en zijn gezin zal ook hangende het appèl, de kerkeraad hem een uitkering doen overeenkomstig een regeling, die bij de in lid 1 bedoelde beslissing wordt vastgesteld.

Kerkorde GKN (1957) Art. 14

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
14 [19]

Het zal aan een dienaar des Woords niet vrijstaan zijn ambt neer te leggen. Hij kan slechts van zijn ambt ontheven worden, om zich tot een andere staat des levens te begeven, indien de kerkeraad, en de classis, met de medewerking en het goedvinden van de daartoe door de particuliere synode aangewezen deputaten, oordelen dat daarvoor bijzondere en gewichtige redenen aanwezig zijn.

Kerkorde GKN (1957) Art. 15

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
15 [20]

Een dienaar des Woords, die, met bewilliging van de kerkeraad en met goedkeuring van de classis en met de medewerking en het goedvinden van de daartoe door de particuliere synode aangewezen deputaten, een arbeid aanvaardt, die weliswaar een geestelijk karakter draagt en met de roeping tot de verkondiging van het evangelie in rechtstreeks verband staat, maar waardoor hij zijn taak in de gemeente niet langer kan verrichten, zal toch de eer en de naam van een dienaar behouden en ten aanzien van zijn ambtelijke positie aan de kerk, welke hij het laatst diende, verbonden blijven.

Kerkorde GKN (1957) Art. 16

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
16 [21]

Een dienaar des Woords, die door de generale synode of in overeenstemming met door haar goedgekeurde bepalingen geroepen wordt tot een zodanige arbeid in opdracht van of ten behoeve van de gezamenlijke kerken, die weliswaar een geestelijk karakter draagt en met de roeping tot de verkondiging van het evangelie in rechtstreeks verband staat, maar waardoor hij zijn taak in de gemeente niet langer kan verrichten, zal geacht worden in dienst te staan van de gezamenlijke kerken en als zodanig de eer en de naam van een dienaar behouden.

Kerkorde GKN (1957) Art. 17

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
17 [22]

1. Indien een dienaar des Woords tenminste veertig jaar zijn ambt vervuld heeft dan wel de zeventigjarige leeftijd bereikt heeft, of door ziekte of invaliditeit niet langer in staat is zijn taak te verrichten, en hij of zijn kerkeraad een aanvrage bij de classis indient zal hij, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, door de classis met de medewerking en het goedvinden van de daartoe door de particuliere synode aangewezen deputaten emeritus verklaard worden en als zodanig de eer en de naam van een dienaar behouden.
2. De kerk waaraan hij verbonden is, zal, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, in zijn onderhoud blijven voorzien en na zijn overlijden ook in het onderhoud van de door hem nagelaten weduwe en wezen.
3. Het in lid 2 bepaalde geldt eveneens voor het onderhoud van de weduwe en wezen van een dienaar des Woords, die vóór het verkrijgen van zijn emeritaat is overleden.

Kerkorde GKN (1957) HII.III.

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

III. De opleiding tot de dienst des Woords

Kerkorde GKN (1957) Art. 18

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

III. De opleiding tot de dienst des Woords

Artikel
18 [23]

1. Voor de opleiding tot de dienst des Woords onderhouden de gezamenlijke kerken een Theologische Hogeschool.
2. Voor de verzorging van deze Hogeschool benoemt de generale synode een aantal deputaten, namelijk één uit elk van de in haar bijeenkomende particuliere synoden in Nederland, en wel op voordracht van deze synoden. Zij worden curatoren genoemd.
3. Alles wat betrekking heeft op de inrichting en leiding van deze Hogeschool, wordt geregeld in een afzonderlijk reglement en in verdere bepalingen, welke door de generale synode zijn vastgesteld.

Kerkorde GKN (1957) Art. 19

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

III. De opleiding tot de dienst des Woords

Artikel
19 [24]

Het verband met de theologische faculteit van de Vrije Universiteit wordt door deputaten van de generale synode onderhouden volgens de overeenkomst, aangegaan met de Directeuren van de Vereniging voor Hoger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag, in welke overeenkomst de wederzijdse rechten en verplichtingen omschreven zijn.

Kerkorde GKN (1957) Art. 20

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

III. De opleiding tot de dienst des Woords

Artikel
20 [26]

1. Ter verkrijging van dienaren des Woords zullen de kerken, voor zoveel nodig, aan daarvoor in aanmerking komende studenten financiële steun verlenen.
2. De nadere regeling van deze zaak is aan de particuliere synoden toevertrouwd. Elke synode zal te dien einde enige ambtsdragers, en wel uit elk van de in haar bijeenkomende classes één, aanwijzen als haar deputaten.

Kerkorde GKN (1957) HII.IV.

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

IV. De ouderlingen en de diakenen

Kerkorde GKN (1957) Art. 21

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

IV. De ouderlingen en de diakenen

Artikel
21 [27]

1. De ouderlingen en de diakenen zullen gedurende een door de kerkeraad vast te stellen periode zitting hebben. Deze periode kan door de kerkeraad, indien hij daarvoor dringende redenen aanwezig acht, onder mededeling daarvan aan de gemeente, voor éénmaal met één jaar worden verlengd.
2. In de regel zal ieder jaar een deel van hen aftreden. De aftredenden zullen niet terstond herkiesbaar zijn, tenzij naar het oordeel van de kerkeraad het welzijn van de gemeente en de omstandigheden het raadzaam maken een of meer hunner opnieuw aan de gemeente ter verkiezing voor te stellen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 22

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

IV. De ouderlingen en de diakenen

Artikel
22 [28]

De taak van de ouderlingen is, tezamen met de dienaar des Woords over de gemeente de herderlijke zorg uit te oefenen alsook over haar en over de mede-ambtsdragers het opzicht te hebben en het vermaan en de tucht te oefenen, toe te zien dat alles in de gemeente met goede orde toegaat, de leden der gemeente trouw te bezoeken en tevens ook te trachten anderen voor Christus te winnen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 23

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

IV. De ouderlingen en de diakenen

Artikel
23 [29]

1. De taak van de diakenen is aan de leden der gemeente, die in stoffelijke of maatschappelijke nood verkeren of daarin dreigen te geraken, de christelijke barmhartigheid te bewijzen, hen met raad en daad bij te staan en tevens aan anderen in dergelijke omstandigheden zo mogelijk deze barmhartigheid te bewijzen.
2. Zij zullen tot dat doel de gaven der gemeente inzamelen en beheren en voorts andere goede middelen zoeken en aanwenden.

Kerkorde GKN (1957) HII.V.

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

V. De ondertekening van de belijdenis

Kerkorde GKN (1957) Art. 24

Hoofdstuk II

De ambten van de kerk

V. De ondertekening van de belijdenis

Artikel
24 [30]

1. De ouderlingen en de diakenen zullen, in de eerste bijeenkomst van de kerkeraad, welke zij na hun bevestiging in het ambt bijwonen, ten bewijze van hun volledige instemming met de belijdenis van de kerken, de Drie Formulieren van Enigheid van de Gereformeerde Kerken in Nederland ondertekenen.
2. Degenen, die met goed gevolg het praeparatoir examen hebben afgelegd, zullen in de bijeenkomst van de classis, welke dat examen afgenomen heeft, van diezelfde instemming blijk geven door ondertekening van een afzonderlijk formulier, dat door de generale synode is vastgesteld.
3. De dienaren des Woords zullen van diezelfde instemming blijk geven niet alleen door in de eerste bijeenkomst van de kerkeraad, welke zij na hun bevestiging in het ambt bijwonen, de Formulieren van Enigheid te ondertekenen, maar bovendien door in de eerste bijeenkomst van de desbetreffende classis een afzonderlijk formulier te ondertekenen, dat door de generale synode is vastgesteld. Degenen, die tevoren niet in het ambt van dienaar des Woords gestaan hebben, zullen dit doen in de bijeenkomst, waarin zij het peremptoir examen met goed gevolg afgelegd hebben.
4. De hoogleraren in de theologie en de overige in artikel 16 bedoelde dienaren des Woords zullen, bij de aanvaarding van hun taak, van diezelfde instemming blijk geven door ondertekening van een afzonderlijk formulier, dat door de generale synode is vastgesteld.

Kerkorde GKN (1957) HIII.

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

Kerkorde GKN (1957) HIII.I.

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Kerkorde GKN (1957) Art. 25

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
25 [31]

1. De regering van de kerk, het opzicht en de tucht in de kerk zijn toevertrouwd aan haar vergaderingen.
2. Er zijn vier gewone vergaderingen: de kerkeraad, de classis, de particuliere synode en de generale synode. Van de kerkeraad worden de drie andere vergaderingen onderscheiden als meerdere vergaderingen.
3. Van deze gewone vergaderingen wordt onderscheiden de oecumenische synode, die een buitengewoon karakter draagt en waarop uitsluitend het in artikel 69 [63] bepaalde van toepassing is.

Kerkorde GKN (1957) Art. 26

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
26 [32]

1. Deze vergaderingen hebben, elk naar eigen aard, een kerkelijk gezag, haar door Christus verleend.
2. Hetzelfde gezag, dat de classis heeft over de kerkeraad, heeft de particuliere synode over de classis en de generale synode over de particuliere.

Kerkorde GKN (1957) Art. 27

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
27 [33]

1. Deze vergaderingen zullen geen andere dan kerkelijke zaken behandelen.
2. De behandeling van deze zaken zal steeds geschieden in overeenstemming met het kerkelijk karakter van deze vergaderingen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 28

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
28 [34]

1. Door een meerdere vergadering zullen behalve de zaken, die de in haar bijeenkomende kerken gemeenschappelijk aangaan, slechts zaken behandeld worden, die door de mindere vergaderingen niet afgehandeld konden worden en daarom door deze in de vorm van een vraag, van een instructie, van een bezwaarschrift of op andere wijze aan de orde worden gesteld, alsook zaken, ten aanzien waarvan een lid ener kerk of een vergadering bij haar in appèl is gekomen.
2. Zaken, welke tot de taak van een meerdere vergadering behoren, kunnen, behalve op grond van voorstellen van mindere vergaderingen, ook door de desbetreffende meerdere vergadering zelf aan de orde worden gesteld.

Kerkorde GKN (1957) Art. 29

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
29 [35]

1. De besluiten van de vergaderingen zullen steeds na gemeenschappelijk overleg en zoveel mogelijk met eenparige stemmen worden genomen. Blijkt eenparigheid niet bereikbaar, dan zal de vergadering zich voegen naar het gevoelen van de meerderheid. De besluiten van de vergaderingen dragen een bindend karakter.
2. Degenen, die enige uitspraak of handeling van een vergadering in strijd achten met de bepalingen van de kerkorde, of op andere wijze door zulk een uitspraak of handeling het welzijn der kerk geschaad achten, of menen dat hun daardoor onrecht aangedaan is, kunnen in appèl gaan bij de naastvolgende meerdere vergadering. Indien zij zulk een uitspraak of handeling in strijd achten met duidelijke uitspraken van Gods Woord, zijn zij gehouden in appèl te gaan; in welk geval de vergadering, hangende dit appèl, hen niet zal verplichten tot het verrichten van of tot het medewerken aan enige handeling, die naar hun gevoelen zou ingaan tegen de bedoelde duidelijke uitspraken van Gods Woord, met dien verstande, dat ze zich voor het overige te gedragen hebben naar de door de desbetreffende vergadering gegeven aanwijzingen.
3. Ten aanzien van grensgeschillen tussen kerken reikt, voorzover niet meer dan één particuliere synode erbij betrokken is, het recht van appèl niet verder dan tot de particuliere synode.
4. Degenen, die bij een meerdere vergadering in appèl gaan, zijn verplicht daarbij de door de generale synode vastgestelde bepalingen aangaande vorm en termijn van dat appèl in acht te nemen.
5. Een vergadering kan, in geval van appèl, de uitvoering van een door haar genomen besluit opschorten.

Kerkorde GKN (1957) Art. 30

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
30 [35a]

1. Onverminderd het recht van appèl bestaat de mogelijkheid bij enige vergadering een verzoek tot revisie van een door haar gedane uitspraak in te dienen.
2. Geen vergadering is verplicht aan een verzoek tot revisie gevolg te geven, indien niet een element in geding wordt gebracht, dat bij het doen van de uitspraak, waarvan revisie wordt verlangd, buiten beschouwing was gebleven of onvoldoende was overwogen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 31

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
31 [36]

Indien iemand zich bezwaard gevoelt over een besluit of uitspraak van de generale synode, als naar zijn oordeel in strijd met Gods Woord, zullen de vergaderingen jegens hem zoveel mogelijk tolerantie gebruiken, tenzij zijn wijze van optreden een bedreiging zou inhouden voor de goede werking van de kerkelijke gemeenschap ter plaatse of in het kerkverband.

Kerkorde GKN (1957) Art. 32

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
32 [37]

1. Elke vergadering zal haar bijeenkomsten met aanroeping van de naam Gods beginnen en beëindigen.
2. Zij zal in elke bijeenkomst aan haar leden de gelegenheid geven zo nodig elkander onderling te vermanen, in het bijzonder in verband met de vervulling van hun ambten.
3. Zij maakt een regeling voor haar werkzaamheden, waarin onder meer voorzieningen worden getroffen voor de archieven en het toezicht op en de controle van alle financiële handelingen, door of namens haar uitgevoerd.

Kerkorde GKN (1957) HIII.II.

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Kerkorde GKN (1957) Art. 33

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
33 [38]

1. In alle kerken zal een kerkeraad zijn, die gevormd wordt door de ambtsdragers der gemeente.
2. Indien het getal der ouderlingen meer dan drie bedraagt, staat het vrij onderscheid te maken tussen de brede kerkeraad, waartoe alle ambtsdragers behoren, en de smalle kerkeraad, van welke de diakenen geen deel uitmaken.

Kerkorde GKN (1957) Art. 34

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
34 [39]

1. De kerkeraad heeft de leiding der gemeente, in het bijzonder ook het opzicht over en de tucht in de gemeente, alsmede de zorg voor de dienst der barmhartigheid in het algemeen.
2. Indien er onderscheid gemaakt wordt tussen de brede en de smalle kerkeraad, zal het opzicht over en de tucht in de gemeente aan de smalle kerkeraad blijven.
3. In het in lid 2 bedoelde geval kunnen de diakenen onder leiding van één van hen afzonderlijk bijeenkomen om de zaken, die tot hun taak behoren, te behandelen.
4. De diakenen doen verantwoording van hun beleid en beheer aan de kerkeraad.

Kerkorde GKN (1957) Art. 35

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
35 [40]

1. Het praesidum van de kerkeraad berust bij de dienaar des Woords of indien er in een kerk meer dienaren zijn, in de regel beurtelings bij ieder van hen.
2. In geval een kerk geen dienaar des Woords heeft, berust het praesidium bij een van de ouderlingen, daartoe door de kerkeraad aangewezen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 36

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
36 [41]

1. De kerkeraad zal in de regel tenminste éénmaal per maand samenkomen.
2. Hij zal tenminste eens in de drie maanden in een samenkomst, voorafgaande aan het heilig avondmaal, en met het oog op de viering daarvan, aan zijn leden de gelegenheid geven elkander onderling te vermanen in het bijzonder in verband met de vervulling van hun ambt.
3. Hij bepaalt in zijn regeling van werkzaamheden de wijze van samenroeping van een buitengewone bijeenkomst.

Kerkorde GKN (1957) Art. 37

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
37 [42]

Het staat aan een kerkeraad vrij de voorbereiding of afdoening van bepaalde zaken in handen te leggen van commissies of van wijkraden; hij zal er echter op toezien, dat aan dergelijke colleges niet het gezag wordt toegekend, hetwelk aan de gehele kerkeraad toekomt.

Kerkorde GKN (1957) Art. 37a

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
37a

[gereserveerd]

Kerkorde GKN (1957) Art. 38

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
38 [43]

1. Wanneer een kerk geen dienaar des Woords heeft, zal de raad dier kerk aan de classis verzoeken volgens de door haar vastgestelde regeling een dienaar des Woords uit een der naburige kerken als consulent aan te wijzen om voorzover nodig aan de kerkeraad leiding en raad te verschaffen.
2. De kerkeraad zal in belangrijke aangelegenheden, met name in wat betrekking heeft op de beroeping van een dienaar des Woords, de consulent raadplegen.
3. De consulent woont, indien hij daartoe is uitgenodigd, de bijeenkomsten van de kerkeraad bij; aan hem kan dan het praesidium van de bijeenkomst worden opgedragen.
4. De consulent is van zijn arbeid verantwoording schuldig aan de classis.

Kerkorde GKN (1957) Art. 39

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
39 [44]

1. Wanneer in een plaats een kerkeraad moet worden ingesteld, zal dit niet gebeuren dan met de medewerking en het goedvinden van de classis.
2. Een zodanige kerkeraad zal uit tenminste drie leden bestaan.

Kerkorde GKN (1957) Art. 40

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
40 [45]

1. In belangrijke zaken, die niet vallen onder het opzicht en de tucht over de gemeente, met name in zaken, waarmede het bestaan zelf van de kerk of haar plaats in het kerkverband gemoeid kan zijn, zal de kerkeraad geen besluiten nemen zonder vooraf de gemeente erin gekend en erover gehoord te hebben.
2. Aan een besluit van de kerkeraad over een zaak of zaken, waarmede het bestaan zelf van de kerk of haar plaats in het kerkverband gemoeid kan zijn, zal de kerkeraad geen uitvoering geven, voordat aan de leden der gemeente gedurende de tijd van één maand de gelegenheid is gegeven in appèl te gaan en zolang niet in laatste instantie over het ingestelde appèl uitspraak is gedaan.

Kerkorde GKN (1957) HIII.III.

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

Kerkorde GKN (1957) Art. 41

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

a. Algemene bepalingen

Artikel
41 [46]

1. Elke meerdere vergadering bestaat uit ambtsdragers, die afgevaardigd zijn door de in haar bijeenkomende mindere vergaderingen.
2. De mindere vergaderingen dragen zorg, dat haar afgevaardigden in het bezit zijn van deugdelijke en behoorlijk getekende credentiebrieven, op vertoon waarvan zij stemrecht hebben, met dien verstande evenwel dat dit recht hun niet toekomt in die zaken, welke hen persoonlijk of de vergaderingen, door welke zij afgevaardigd zijn, in het bijzonder aangaan.

Kerkorde GKN (1957) Art. 42

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

a. Algemene bepalingen

Artikel
42 [47]

1. Voor zaken, die de dienst der barmhartigheid betreffen, alsmede voor de verkiezing van diakenen-afgevaardigden zullen naar de meerdere vergaderingen, naast dienaren des Woords en ouderlingen, ook diakenen afgevaardigd worden.
2. Aan deze diakenen zal ten aanzien van de genoemde zaken stemrecht worden verleend.

Kerkorde GKN (1957) Art. 43

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

a. Algemene bepalingen

Artikel
43 [48]

1. Elke meerdere vergadering wordt bijeengeroepen door de kerkeraad van die kerk welke daartoe op de laatstgehouden bijeenkomst van die meerdere vergadering aangewezen is.
2. Op de kerkeraad van deze roepende kerk rust, zo nodig met advies van de classis, indien de particuliere, en zo nodig met advies van de particuliere synode, indien de generale synode moet worden bijeengeroepen, de zorg voor de voorbereiding van de desbetreffende bijeenkomst.

Kerkorde GKN (1957) Art. 44

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

a. Algemene bepalingen

Artikel
44 [49]

1. Van de zaken, die de verschillende vergaderingen in behandeling genomen wensen te zien, wordt door haar, voorzover althans de aard ervan dit toelaat, tijdig mededeling gedaan aan de roepende kerk.
2. De roepende kerk stelt uit de in lid 1 bedoelde gegevens, uit opgaven van deputaten en uit andere bij haar ingekomen stukken een voorlopig agendum samen.
3. Het definitief agendum wordt vastgesteld door de meerdere vergadering zelf, mede aan de hand van instructies, vragen en mededelingen, die aan de afgevaardigden naar die vergadering zijn medegegeven.

Kerkorde GKN (1957) Art. 45

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

a. Algemene bepalingen

Artikel
45 [50]

1. De meerdere vergaderingen zullen, naast de praeses en de scriba, nog één of meer leden aanwijzen om met hen het moderamen te vormen.
2. De leden van het moderamen van de particuliere en generale synode zullen door vrije verkiezing worden aangewezen.
3. De leden van het moderamen van de classis zullen naar de huishoudelijke regeling worden aangewezen, met dien verstande, dat beurtelings alle dienaren des Woords als praeses zullen optreden.

Kerkorde GKN (1957) Art. 46

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

b. De classis

Artikel
46 [51]

1. Het ressort van een classis wordt gevormd door tenminste zes in elkanders nabijheid gelegen kerken.
2. Indien het aantal kerken meer dan twintig bedraagt, zal, en indien het meer dan twaalf bedraagt, kan tot splitsing van het ressort van een classis worden overgegaan.
3. Splitsing van het ressort van een classis en wijziging in zijn omvang kunnen niet tot stand komen zonder de medewerking en het goedvinden van de particuliere synode.

Kerkorde GKN (1957) Art. 47

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

b. De classis

Artikel
47 [52]

1. Naar de classis vaardigt de kerkeraad van elke kerk een dienaar des Woords en een ouderling af, of indien de kerk vacant is, twee ouderlingen alsook in het in artikel 47 [42], lid 1, bedoelde geval een diaken.
2. Ook ambtsdragers, die niet afgevaardigd zijn, kunnen door de vergadering worden toegelaten als adviserende leden.

Kerkorde GKN (1957) Art. 48

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

b. De classis

Artikel
48 [53]

1. De classis komt tenminste eens in de drie maanden bijeen ter behandeling van de voorkomende zaken.
2. Met name behoort het tot haar werkzaamheden toe te zien, dat de kerken haar roeping en taak nakomen, zoals die in de kerkorde staat omschreven, advies en hulp te bieden aan de kerkeraden, in het bijzonder deze bij gebleken behoefte in staat te stellen een dienaar des Woords te beroepen, en de grenzen tussen de kerken van haar ressort vast te stellen.
3. De taak van het afgeven en het in ontvangst nemen van het getuigenis van vertrek alsmede van het verlenen van approbatie kan de classis, voor de periode tussen haar gewone bijeenkomsten, toevertrouwen aan twee of meer kerken. Deze kerken zullen van de voor dat doel te houden bijeenkomst kennis geven aan de overige kerken, in geval van ingebrachte wettige bezwaren geen beslissing nemen en voorts van haar handelingen op de eerstvolgende bijeenkomst der classis verantwoording afleggen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 49

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

b. De classis

Artikel
49 [54]

1. De classis zal ieder jaar in een van haar bijeenkomsten tenminste twee van de meest ervaren en geschikte dienaren des Woords aanwijzen, om in alle kerken visitatie te verrichten. De classis kan naast deze dienaren des Woords een voor die taak bekwame ouderling aanwijzen.
2. De visitatoren zullen onderzoeken, of de ambtsdragers zowel persoonlijk als gezamenlijk hun taak getrouw vervullen, zich houden aan de zuivere leer, de bepalingen van de kerkorde en de overige besluiten der meerdere vergaderingen onderhouden en naar vermogen het hunne doen om met woorden en werken de opbouw en de uitbreiding der gemeente te bevorderen. Voorts zullen zij nalatigen broederlijk vermanen, en allen met raad en daad bijstaan.
3. De visitatoren zullen van hun bevindingen schriftelijk rapport uitbrengen aan de classis.

Kerkorde GKN (1957) Art. 50

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

c. De particuliere synode

Artikel
50 [55]

1. Het ressort van een particuliere synode wordt gevormd door de kerken van tenminste drie in elkanders nabijheid gelegen classes.
2. Indien het aantal classicale ressorten meer dan zes bedraagt, kan tot splitsing van het ressort van een particuliere synode worden overgegaan.
3. Splitsing van het ressort van een particuliere synode en wijziging in zijn omvang kunnen niet tot stand komen zonder de medewerking en het goedvinden van de generale synode.

Kerkorde GKN (1957) Art. 51

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

c. De particuliere synode

Artikel
51 [56]

Naar de particuliere synode vaardigt elke classis twee dienaren des Woords en twee ouderlingen af, of indien er niet meer dan vier classes zijn, en zulks door die synode bepaald is, drie dienaren des Woords en drie ouderlingen, alsook in het artikel 47 [42], lid 1, bedoelde geval een diaken of, indien drie dienaren des Woords en drie ouderlingen afgevaardigd worden, twee diakenen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 52

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

c. De particuliere synode

Artikel
52 [57]

1. De particuliere synode wordt ieder jaar eenmaal samengeroepen in gewone bijeenkomst ter behandeling van de voorkomende zaken.
2. Zij kan, zo nodig, in buitengewone bijeenkomst worden samengeroepen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 53

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

c. De particuliere synode

Artikel
53 [58]

1. De particuliere synode zal enige dienaren des Woords, uit elke classis één, aanwijzen als deputaten, met de opdracht:
a. de classes desverlangd in moeilijkheden bij te staan en van advies te dienen;
b. de vereiste medewerking te verlenen bij het afnemen van de peremptoire examens;
c. de vereiste medewerking te verlenen bij alles wat betrekking heeft op elke vorm van ontslag uit de dienst, overgang tot een andere staat des levens, emeritusverklaring, en afzetting van dienaren des Woords.
2. Deze en alle overige door de particuliere synode met welomschreven opdrachten benoemde deputaten zullen van hun handelingen rapport uitbrengen aan de eerstvolgende particuliere synode en zijn aan deze ook overigens verantwoording schuldig.

Kerkorde GKN (1957) Art. 54

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

c. De particuliere synode

Artikel
54 [59]

1. Het staat aan elke particuliere synode vrij samen te werken met andere particuliere synoden of met classes van andere particuliere synoden, zulks evenwel niet zonder het goedvinden van deze synoden, ter behartiging van belangen, die deze vergaderingen in het bijzonder aangaan, of tot het verrichten van gezamenlijke arbeid van evangelisatie, zending of anderszins.
2. Van een dergelijke samenwerking zal steeds aan de generale synode kennis worden gegeven.
3. Eventuele geschillen ter zake zullen aan de beslissing van de generale synode onderworpen worden.

Kerkorde GKN (1957) Art. 55

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel
55 [60]

Het ressort van de generale synode wordt gevormd door de gezamenlijke kerken van de particuliere synoden.

Kerkorde GKN (1957) Art. 56

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel
56 [61]

1. Naar de generale synode vaardigt elke particuliere synode twee dienaren des Woords en twee ouderlingen af, alsook in het artikel 47 [42], lid 1, bedoelde geval een diaken.
2. De hoogleraren van de Theologische Hogeschool en van de theologische faculteit van de Vrije Universiteit zullen overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen zitting hebben als praeadviserende leden.

Kerkorde GKN (1957) Art. 57

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel
57 [62]

1. De generale synode komt om de twee jaren in de regel beurtelings binnen elk van de ressorten der particuliere synoden in Nederland bijeen.
2. De synode kan haar zittingen verdagen, met dien verstande dat de voortgezette zittingen zich niet mogen uitstrekken over een periode, welke verder gaat dan de tijd, waarop de particuliere synoden, die de afgevaardigden benoemd hebben, opnieuw haar gewone bijeenkomst plegen te houden.

Kerkorde GKN (1957) Art. 58

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel
58 [63]

1. Het oordeel over de vraag, of het nodig is de generale synode te doen samenkomen binnen de twee jaren, staat aan de particuliere synode van welke de roepende kerk deel uitmaakt.
2. De roepende kerk is evenwel tot samenroeping verplicht, indien het verzoek daartoe ingediend wordt door tenminste vijf classes, welke behoren tot tenminste twee particuliere synoden, of door een deputaatschap, dat, ter behandeling van een bepaalde zaak, daartoe door de synode gemachtigd is.

Kerkorde GKN (1957) Art. 59

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel
59 [64]

1. Tot de taak van de generale synode behoort met name de aanwijzing van de door de kerken te gebruiken Bijbelvertaling en de vaststelling van de belijdenisgeschriften, van de kerkorde, van het psalm- en gezangboek, van de liturgische formulieren en van de orde van dienst.
2. De generale synode zal ten aanzien van deze zaken geen definitieve beslissingen nemen, zonder de mindere vergaderingen in de gelegenheid te hebben gesteld van haar gevoelen blijk te geven. Voorts zal een dergelijke beslissing een meerderheid van twee derde der uitgebrachte stemmen behoeven.

Kerkorde GKN (1957) Art. 60

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel
60 [65]

De leden van het moderamen van de generale synode zullen, na de sluiting van haar zittingen, als haar deputaten de kerken vertegenwoordigen of doen vertegenwoordigen in alle gevallen, waarvoor geen andere deputaten aangewezen zijn, en waarin zij dit wenselijk achten, en voorts alles verrichten, wat in de huishoudelijke regeling van de generale synode ten aanzien van hun taak is bepaald, zulks onder verantwoording aan de eerstvolgende synode.

Kerkorde GKN (1957) Art. 61

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel
61 [66]

De taak om onder buitengewone omstandigheden, als in tijden van oorlog, van algemene volksrampen en van grote druk voor de kerk of ook in tijden van grote zegen voor kerk, volk en land, dagen of uren van boete, gebed of dankzegging uit te schrijven alsook om getuigenissen op te stellen, zal de generale synode toevertrouwen aan deputaten, die door haar worden benoemd en wel uit elk van de particuliere synoden in Nederland beurtelings een dienaar des Woords of een ouderling, volgens de door haar vastgestelde regeling.

Kerkorde GKN (1957) Art. 62

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel
62 [67]

1. De generale synode kan, voor het uitvoeren van allerlei besluiten en voor het uitbrengen van adviezen, deputaten benoemen.
2. Deze deputaten ontvangen welomschreven opdrachten van de synode en zijn daaraan gebonden. Zij zullen van hun handelingen rapport uitbrengen aan de eerstvolgende synode, tenzij anders bepaald wordt. Zij zijn verplicht hun uitgaven te houden binnen de grenzen van de hun toegestane bedragen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 63

Hoofdstuk III

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De oecumenische synode

Artikel
63 [69]

1. De kerken zullen met andere kerken van gereformeerde belijdenis, die deze belijdenis handhaven, in gemeenschap treden door op regelmatige tijden bijeen te komen in vergaderingen, die gereformeerde oecumenische synoden worden genoemd.
2. De afgevaardigden naar deze synoden worden benoemd door de generale synode.
3. De generale synode kan zaken van algemene aard, met name die waarbij het belang van Gods koninkrijk in de gehele wereld gemoeid is, aan de oecumenische synode voorleggen.
4. Uitspraken van de oecumenische synoden zullen door de kerken, binnen door de generale synode vast te stellen grenzen, als bindend aanvaard worden.

Kerkorde GKN (1957) HIV.

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

Kerkorde GKN (1957) HIV.I.

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

Kerkorde GKN (1957) Art. 64

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

Artikel
64 [70]

De kerkeraden zullen zorgen dat de gemeente, in het bijzonder op de dag des Heren wordt samengeroepen tot de dienst des Woords, de dienst der sacramenten, de dienst der gebeden en de dienst der barmhartigheid.

Kerkorde GKN (1957) Art. 65

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

Artikel
65 [71]

1. De inrichting van de kerkdiensten wordt vastgesteld door de kerkeraad.
2. In deze kerkdiensten zullen gebruikt worden de Bijbelvertaling, het psalm- en gezangboek en de liturgische formulieren, welke door de generale synode zijn aangewezen of vastgesteld, en zal men zich zoveel mogelijk houden aan een orde van dienst, welke door de generale synode is vastgesteld.

Kerkorde GKN (1957) Art. 66

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

Artikel
66 [72]

1. De leiding van de kerkdiensten berust bij de dienaar des Woords van de gemeente of bij een van haar dienaren, dan wel bij een andere, door de kerkeraad daartoe uitgenodigde bevoegde dienaar des Woords.
2. Indien een proponent voorgaat, zal de leiding bij deze berusten, met dien verstande, dat hij zich onthouden zal van alle verrichtingen, welke een ambtelijk karakter dragen.
3. Hetzelfde geldt, indien een lid van de gemeente voorgaat, aan wie de classis, in een zeer bijzonder geval, op verzoek van de kerkeraad, na ingesteld onderzoek, daartoe de bevoegdheid heeft verleend.
4. In de overige gevallen zal de leiding berusten bij een ouderling der gemeente en zal een naar het oordeel van de kerkeraad geschikte preek worden gelezen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 67

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

Artikel
67 [73]

1. Op de dag des Heren zal de gemeente in kerkdiensten samenkomen en voorts tenminste eenmaal op het Kerstfeest, de Goede Vrijdag en de Hemelvaartsdag.
2. De kerkeraden zullen zoveel mogelijk zorg dragen, dat kerkdiensten worden gehouden op de Oudejaars- en Nieuwjaarsdag en op de bid- en dankdagen voor gewas en arbeid.
3. Het wordt in de vrijheid van de kerk gelaten kerkdiensten te houden op de tweede feestdagen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 68

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

b. Dienst des Woords

Artikel
68 [75]

1. In de kerkdiensten zal steeds de Heilige Schrift worden verklaard en toegepast.
2. Op de dag des Heren zal zoveel mogelijk in één van de kerkdiensten het Woord worden bediend door ontvouwing van de christelijke leer, gelijk zij uit de Heilige Schrift is samengevat in de Heidelbergse Catechismus.
3. In de kerkdiensten zullen op het Kerstfeest, de Goede Vrijdag, het Paasfeest, de Hemelvaartsdag en het Pinksterfeest in het bijzonder de grote heilsfeiten herdacht worden en zal voorts bij de tekstkeuze ook rekening gehouden worden met de adventstijd en de lijdenstijd.

Kerkorde GKN (1957) Art. 69

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

b. Dienst der sacramenten

Artikel
69 [77]

1. De heilige doop zal door de dienaren des Woords aan de kinderen des verbonds in een kerkdienst bediend worden met gebruikmaking van het hiervoor vastgestelde formulier.
2. De kerkeraad zal erop toezien, dat de doop zo spoedig mogelijk wordt aangevraagd en bediend.
3. Wanneer geen der ouders gerechtigd is de doopvragen te beantwoorden, zal de kerkeraad in overleg met de ouders omzien naar een of meer doopgetuigen, die genoegzame waarborg kunnen geven voor een christelijke opvoeding.

Kerkorde GKN (1957) Art. 70

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

b. Dienst der sacramenten

Artikel
70 [78]

Degenen, die niet als kind gedoopt zijn, ontvangen de heilige doop eerst nadat zij door beantwoording van de in het hiervoor vastgestelde formulier opgenomen vragen openbare belijdenis des geloofs hebben afgelegd.

Kerkorde GKN (1957) Art. 71

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

b. Dienst der sacramenten

Artikel
71 [79]

Ten aanzien van degenen, die uit een andere dan een gereformeerde kerk in de gemeente opgenomen worden, zal de doop slechts erkenning vinden, indien komt vast te staan, dat deze in of vanwege een christelijke kerk of een kring van christenen door een aldaar bevoegd geachte persoon, alsook in de naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, bediend werd.

Kerkorde GKN (1957) Art. 72

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

b. Dienst der sacramenten

Artikel
72 [80]

1. Tot het heilig avondmaal wordt toelating verkregen door het afleggen van openbare belijdenis des geloofs, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier zal worden gebruikt.
2. Alvorens iemand toe te laten tot het afleggen van openbare belijdenis des geloofs zal de kerkeraad een onderzoek instellen naar de beweegreden voor het doen van belijdenis alsook naar de gezonde leer en de godvrezende wandel en voorts de namen van degenen, die toegang verlangen, aan de gemeente mededelen.
3. Degenen, die uit een andere gemeente overkomen, zullen tot het heilig avondmaal toegelaten worden op grond van een overgelegde attestatie, voorzover deze genoegzame waarborg biedt van een gezonde leer en godvrezende wandel.
4. Degenen, die uit een andere dan een gereformeerde kerk daartoe het verlangen kenbaar maken, zullen toegelaten worden, nadat zij op grond van een door de kerkeraad ingesteld onderzoek naar hun gezonde leer en godvrezende wandel en na goedkeuring van de gemeente, in de gemeente zijn opgenomen. De kerkeraad kan daarbij bepalen, dat eerst openbare belijdenis des geloofs moet afgelegd worden.

Kerkorde GKN (1957) Art. 73

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

b. Dienst der sacramenten

Artikel
73 [81]

1. Het heilig avondmaal zal, tenminste eens in de twee of drie maanden, in een kerkdienst met gebruikmaking van één der hiervoor vastgestelde formulieren bediend worden, en op zodanige wijze als de kerkeraad, met inachtneming van hetgeen in Gods Woord voorgeschreven is, oordeelt het meest stichtelijk te zijn.
2. Het staat in de vrijheid van de kerken in ziekenhuizen, huizen voor bejaarden en andere dergelijke inrichtingen het heilig avondmaal in een afzonderlijke kerkdienst te bedienen voor degenen, die tot die avondmaalsviering gerechtigd zijn of daartoe naar het oordeel van de kerkeraad kunnen worden toegelaten.

Kerkorde GKN (1957) Art. 74

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

d. Dienst der gebeden

Artikel
74 [82]

Voor de dienst der gebeden kan gebruik gemaakt worden van de door de generale synode vastgestelde gebeden.

Kerkorde GKN (1957) Art. 75

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

e. Dienst der barmhartigheid

Artikel
75 [83]

1. Voor de dienst der barmhartigheid zullen in elke kerkdienst gaven worden ingezameld.
2. De ingezamelde gaven kunnen worden besteed voor diakonale hulpverlening aan andere kerken, alsmede voor instellingen, welke de leniging of bestrijding van bepaalde maatschappelijke noden nastreven.

Kerkorde GKN (1957) HIV.II.

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

II. Catechese

Kerkorde GKN (1957) Art. 76

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

II. Catechese

Artikel
76 [84]

1. Aan de kinderen der gemeente en aan anderen, die dit begeren, wordt in de leer der kerk onderricht gegeven om hen voor te bereiden tot de openbare belijdenis des geloofs en tot het vervullen van hun roeping ten opzichte van de kerk en de wereld.
2. Dit onderricht betreft het verstaan van de Heilige Schrift, de belijdenis en geschiedenis van de kerk alsmede de hedendaagse openbaring van het kerkelijk leven, inzonderheid in het werk van evangelisatie en zending.

Kerkorde GKN (1957) Art. 77

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

II. Catechese

Artikel
77 [85]

De catechese wordt gegeven in opdracht en onder toezicht van de kerkeraad, in de regel door een dienaar des Woords.

Kerkorde GKN (1957) Art. 78

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

II. Catechese

Artikel
78 [86]

1. De catechese wordt gegeven in directe aansluiting aan de Heilige Schrift; als voornaamste leerboek zal daarbij dienst doen de Heidelbergse Catechismus.
2. Voor het overige is de keuze van de leerboeken en de andere leermiddelen toevertrouwd aan de dienaar des Woords, die daarover met de kerkeraad overleg pleegt.

Kerkorde GKN (1957) HIV.III.

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Kerkorde GKN (1957) Art. 79

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Artikel
79 [87]

De dienaren des Woords en ouderlingen zullen hun herderlijke zorg uitstrekken tot alle leden van de gemeente, door hen en in het bijzonder de zieken en bejaarden, die verhinderd zijn de kerkdiensten bij te wonen, en ook de afdwalenden, trouw te bezoeken; door hen op te wekken tot een leven in het geloof en hen in tegenspoed te troosten; en door hen te waarschuwen tegen valse leringen en dwalingen evenals tegen alle wereldse wandel en goddeloze praktijken.

Kerkorde GKN (1957) Art. 80

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Artikel
80 [88]

1. De kerkeraden zullen aan degenen, die uit de gemeente vertrekken, op hun verzoek een attestatie of getuigenis aangaande hun belijdenis en wandel medegeven, met dien verstande dat, indien zij voorwerp van vermaan of tucht zijn, daarvan in de attestatie mededeling wordt gedaan. Van deze afgifte wordt bericht gezonden aan de kerkeraad van de gemeente, waartoe de vertrekkenden in het vervolg zullen behoren. Aan de desbetreffende kerkeraad zal eveneens opgave verstrekt worden van degenen, die zonder attestatie aan te vragen vertrokken zijn.
2. Indien degenen, die uit de gemeente vertrekken, nog geen openbare belijdenis des geloofs afgelegd hebben, zullen de kerkeraden een doopattest toezenden aan de kerkeraad van de gemeente, waartoe de vertrekkenden in het vervolg zullen behoren, met dien verstande dat, indien zij reeds de volwassen leeftijd bereikt hebben, gehandeld zal worden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde richtlijnen inzake de tucht over doopleden.
3. Deze attestatie en attesten zullen, namens de kerkeraad, door twee van zijn leden ondertekend worden.

Kerkorde GKN (1957) Art. 81

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Artikel
81 [88a]

1. De namen van hen, die gedoopt worden, die belijdenis des geloofs afleggen, die na afsnijding weder in de gemeente worden opgenomen, die met attestatie of doopattest uit een andere gemeente overkomen, en van hen, die uit een andere dan een gereformeerde kerk in de gemeente worden opgenomen, zullen met nadere bijzonderheden in daarvoor aangelegde registers zorgvuldig worden opgetekend.
2. Hetzelfde zal worden gedaan met de namen van hen, die met attestatie of doopattest vertrekken, die zijn overleden, die afgesneden worden en die zich onttrekken.

Kerkorde GKN (1957) Art. 82

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Artikel
82 [89]

Indien degenen, die vertrekken naar een andere gemeente bijstand ontvangen van de diakenen, zullen dezen op vertrouwelijke wijze de diakenen van die gemeente daarover inlichten en, zo de omstandigheden daartoe nopen en het onderling overleg daartoe leidt, hetzij voorgoed hetzij voor een bepaalde periode verdere bijstand verlenen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 83

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Artikel
83 [90]

De kerkeraden zullen erop toezien, dat de leden der gemeente hun huwelijk aangaan met inachtneming van de geboden Gods, en het ten overstaan van de overheid voltrokken huwelijk in een kerkdienst laten bevestigen, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier zal worden gebruikt.

Kerkorde GKN (1957) Art. 84

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Artikel
84 [91]

De kerkeraden zullen er toe medewerken, dat de leden der gemeente, die gestorven zijn, op christelijke wijze begraven worden.

Kerkorde GKN (1957) Art. 85

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Artikel
85 [92]

De generale synode zal, voor zoveel dat naar haar oordeel nodig is, de arbeid onder schippers, zeevarenden, militairen, in het buitenland verstrooiden, in ziekenhuizen verpleegden, doofstommen, en anderen, die door de mindere vergaderingen niet of niet genoegzaam bearbeid kunnen worden, aan afzonderlijke deputaten en dienaren des Woords toevertrouwen.

Kerkorde GKN (1957) HIV.IV.

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Kerkorde GKN (1957) Art. 86

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
86 [93]

1. De kerken richten zich tot degenen, die vervreemd zijn van het evangelie, door middel van de arbeid der evangelisatie om hen zo mogelijk te brengen tot de gemeenschap met Christus en zijn kerk.
2. Deze arbeid geschiedt onder leiding van de kerkeraad, die de leden der gemeente ook zal opwekken Jezus Christus in het midden der wereld met woord en daad te belijden.

Kerkorde GKN (1957) Art. 87

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
87 [94]

1. In het belang van de arbeid der evangelisatie zal de generale synode een aantal deputaten benoemen, aan wie wordt opgedragen de kerken met adviezen te dienen en het nodige te verrichten tot bevordering van de opleiding van krachten voor de arbeid der evangelisatie.
2. Ten behoeve van de in lid 1 bedoelde arbeid kan de generale synode een dienaar des Woords benoemen, die geacht wordt in dienst te staan van de gezamenlijke kerken.

Kerkorde GKN (1957) Art. 88

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
88 [95]

Voor bepaalde takken van het werk der evangelisatie kan de generale synode deputaten benoemen ten dienste van de kerken, die daarvoor in aanmerking komen en zo nodig de kerken opwekken dit werk naar vermogen te steunen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 89

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
89 [96]

Samenwerking in het werk van de evangelisatie met andere dan gereformeerde kerken en personen zal uitsluitend plaats vinden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde richtlijnen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 90

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
90 [97]

1. De kerken zullen zich richten tot de Joden in en zo mogelijk ook buiten Nederland om hun uit de Heilige Schrift te betuigen, dat Jezus de Christus is.
2. Dit werk zal ter hand genomen worden door de daarvoor in aanmerking komende kerken, die het, met steun van de overige kerken, verrichten in overleg met daartoe door de generale synode benoemde deputaten en overeenkomstig de door haar vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 91

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
91 [98]

1. De kerken zullen zich richten tot de niet-gekerstende volken in het bijzonder in Indonesië, om hun in gehoorzaamheid aan het bevel van Christus, het evangelie te verkondigen en om degenen, die tot het geloof gekomen zijn en de heilige doop ontvangen hebben, bijeen te brengen in zelfstandige gemeenten onder de bediening des Woords en der sacramenten.
2. Zolang dit nodig blijkt, zullen de kerken naar vermogen aan deze zelfstandige gemeenten hulp bewijzen bij het inrichten en opbouwen van een eigen kerkelijk leven.

Kerkorde GKN (1957) Art. 92

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
92 [99]

1. De kerken zullen, om de zendingsopdracht van Christus uit te voeren, zoveel mogelijk daartoe met elkaar samenwerken met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen, op een door die kerken vast te stellen wijze. Deze wijze van samenwerking behoeft de goedkeuring van de generale synode.
2. De toewijzing van de verschillende zendingsterreinen geschiedt door de generale synode, zoveel mogelijk in overeenstemming met de daartoe door de kerken kenbaar gemaakte wensen.
3. De beroeping van een missionaire dienaar des Woords zal geschieden door de kerk, die daartoe door de voor een bepaald zendingsterrein samenwerkende kerken is aangewezen, niet zonder overleg met de andere samenwerkende kerken.

Kerkorde GKN (1957) Art. 93

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
93 [100]

Wanneer zich op een zendingsterrein zelfstandige kerken gevormd hebben, zal de arbeid, indien deze kerken dat wensen, in nauwe samenwerking met haar worden voortgezet. De samenwerkende kerken zullen daarna, naar een in overleg tot stand gebrachte overeenkomst, welke de goedkeuring van de generale synode behoeft, voor de verkondiging van het evangelie op dat terrein gezamenlijk de verantwoordelijkheid dragen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 94

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
94 [101]

1. De kerken, aan welke de verschillende zendingsterreinen zijn toevertrouwd, kunnen ter bespreking en afdoening van zaken, waarbij zij gezamenlijk betrokken zijn, een raad van samenwerking instellen overeenkomstig een door haar op te stellen accoord, welk accoord de goedkeuring van de generale synode behoeft.
2. In deze raad zullen tenminste twee van de deputaten der generale synode voor de zending met adviserende stem zitting hebben.

Kerkorde GKN (1957) Art. 95

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
95 [102]

1. Voor de behandeling van de algemene zaken van de zending zal de generale synode een aantal deputaten benoemen, namelijk één uit elk van de in haar bijeenkomende particuliere synoden in Nederland, en wel op voordracht van deze synoden.
2. De taak van deze deputaten omvat naast de behandeling van andere zaken van algemene aard, die door de generale synode in de desbetreffende bepalingen zijn vastgesteld, het instandhouden en leiden van een zendingscentrum met een daaraan verbonden seminarie, aan welk seminarie de aanstaande missionaire dienaren des Woords in de regel de in artikel 13 bedoelde opleiding ontvangen.
3. Ten behoeve van de arbeid aan dit zendingscentrum en seminarie kunnen door de generale synode een of meer dienaren des Woords worden benoemd, die dan geacht zullen worden in dienst te staan van de gezamenlijke kerken.

Kerkorde GKN (1957) HIV.V.

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

V. Stoffelijke aangelegenheden en vertegenwoordiging

Kerkorde GKN (1957) Art. 96

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

V. Stoffelijke aangelegenheden en vertegenwoordiging

Artikel
96 [104]

1. Elke kerkeraad zal de nodige voorzieningen treffen voor een zorgvuldig beheer van de stoffelijke aangelegenheden der kerk.
2. De kerkeraad kan de zorg voor deze aangelegenheden toevertrouwen aan een commissie van administratie of beheer, die aan hem verantwoording schuldig is.
3. Ten aanzien van deze aangelegenheden wordt de kerk in en buiten rechte vertegenwoordigd door de praeses en de scriba van de kerkeraad, mits daartoe door deze gemachtigd.

Kerkorde GKN (1957) Art. 97

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

V. Stoffelijke aangelegenheden en vertegenwoordiging

Artikel
97 [105]

1. De kerken, die in de verschillende meerdere vergaderingen bijeenkomen, vormen tezamen even zovele vermogensrechtelijke eenheden ten aanzien van de stoffelijke aangelegenheden, die haar respectievelijk binnen het ressort van een classis, van een particuliere synode en van de generale synode gemeen zijn.
2. Deze eenheden worden in en buiten rechte vertegenwoordigd zowel door de verschillende meerdere vergaderingen als door deputaten, die door deze vergaderingen benoemd, geïnstrueerd en ontslagen worden en die in al hun handelingen door hun instructie gebonden zijn.

Kerkorde GKN (1957) HIV.VI.

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

VI. Stichtingen

Kerkorde GKN (1957) Art. 98

Hoofdstuk IV

Het werk van de kerk

VI. Stichtingen

Artikel
98 [105a]

Bij het in leven roepen van nieuwe of het deelnemen aan bestaande stichtingen zullen de vergaderingen der kerk zich gedragen naar de daarvoor door de generale synode gegeven richtlijnen.

Kerkorde GKN (1957) HV.

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

Kerkorde GKN (1957) HV.I.

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Kerkorde GKN (1957) Art. 99

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
99 [106]

1. Het vermaan en de tucht van de kerk bedoelen de verheerlijking van Gods Naam door de afdwalenden terug te brengen, hen met de kerk en hun naasten te verzoenen en de gegeven ergernis uit de gemeente weg te nemen.
2. Het vermaan en de tucht, welke door de dienaren des Woords en de ouderlingen geoefend worden, laten onaangetast de roeping, die op alle leden der gemeente rust om op elkander in broederlijke liefde acht te geven en zo nodig elkander te vermanen en zulk een vermaan ter harte te nemen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 100

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
100 [107]

Dit vermaan en deze tucht betreffen de belijdenis en de wandel van allen die tot de gemeente behoren.

Kerkorde GKN (1957) Art. 101

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
101 [108]

Omdat dit vermaan en deze tucht een geestelijk karakter dragen, zullen zij ook op geestelijke wijze geoefend worden, met vermijding van alle wereldse machtsoefening.

Kerkorde GKN (1957) Art. 102

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
102 [109]

De tucht betreft de ergerlijke zonden, die hetzij als zodanig openbaar zijn, hetzij door verwerping van het broederlijk vermaan, door Christus in Mattheus 18: 15-16 bevolen, openbaar zijn geworden, hetzij op een andere verantwoorde wijze ter kennis van de kerkeraad zijn gekomen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 103

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
103 [110]

Maatregelen van tucht zullen niet genomen worden zonder voorafgaand grondig onderzoek en zonder dat de beschuldigde gelegenheid heeft gehad zich te verantwoorden.

Kerkorde GKN (1957) HV.II.

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Kerkorde GKN (1957) Art. 104

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel
104 [111]

1. Bij het vermaan en de tucht over degenen, die nog geen belijdenis des geloofs afgelegd hebben, zal onderscheid gemaakt worden tussen kinderen en volwassenen en bij de laatsten tussen afkerigen en nalatigen.
2. Met hen zal gehandeld worden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde richtlijnen en met gebruikmaking van de voor dat doel bestemde formulieren van openbare bekendmakingen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 105

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel
105 [112]

1. Wanneer degenen, die belijdenis des geloofs afgelegd hebben, na vermaand te zijn over hun afwijken van de gezonde leer of van de godvrezende wandel, genoegzame blijken van boetvaardigheid betoond hebben, zal de kerkeraad het nodige doen om de verzoening tot stand te brengen.
2. De wijze waarop de verzoening tot stand gebracht zal worden, evenals de vraag, of de in lid 1 bedoelde leden niettemin, wegens de in de gemeente gegeven ergernis, zich voor een bepaalde tijd van het avondmaal behoren te onthouden, staat ter beoordeling van de kerkeraad. De verzoening door middel van het afleggen van schuldbelijdenis in een kerkdienst zal slechts in bijzondere gevallen plaats hebben en niet zonder het goedvinden van de classis.

Kerkorde GKN (1957) Art. 106

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel
106 [113]

1. Wanneer belijdende leden hardnekkig weigeren hun zonden te belijden en te laten, zullen zij, totdat zij genoegzame blijken van boetvaardigheid betonen, door de kerkeraad van het avondmaal afgehouden worden, hetgeen tevens tot gevolg heeft, dat het gebruik van het recht de doopvragen te beantwoorden en aan de verkiezing van ambtsdragers deel te nemen, hun onthouden wordt.
2. De kerkeraad zal intussen voortgaan hen te vermanen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 107

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel
107 [114]

1. Wanneer belijdende leden, na van het avondmaal afgehouden te zijn, ondanks alle vermaan in hun zonde blijven volharden, zullen zij door de kerkeraad van de gemeente worden afgesneden, met gebruikmaking van het formulier van de ban of de afsnijding van de gemeente. Tot deze afsnijding zal evenwel niet worden overgegaan, zolang de uitspraken in het genoemde formulier niet ten volle van toepassing geacht kunnen worden.
2. De kerkeraad zal tot deze laatste tuchtmaatregel niet besluiten dan nadat hij door drie openlijke bekendmakingen de hardnekkigheid van de zondaar aan de gemeente heeft medegedeeld, met de opwekking om voor hem te bidden en zo mogelijk bij hem aan te dringen op bekering. In de eerste bekendmaking zal de naam van de zondaar niet worden genoemd. In de tweede zal, na verkregen toestemming van de classis, zijn naam vermeld worden. En in de derde zal, onder opgave van de termijn, binnen welke alsnog boetvaardigheid betoond kan worden, de afsnijding van de gemeente worden aangekondigd.

Kerkorde GKN (1957) Art. 108

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel
108 [115]

Indien iemand, die uit de gemeenschap der kerk werd uitgesloten, zich in de weg van boetvaardigheid begeert te verzoenen met de kerk, zal de kerkeraad, na zich van de genoegzaamheid van zijn berouw vergewist te hebben, dit aan de gemeente mededelen. Zo er geen gegronde bezwaren ingebracht worden, zal hij daarna weer in de gemeenschap der kerk opgenomen worden met gebruikmaking van het formulier van wederopneming der afgesnedenen in de gemeente van Christus.

Kerkorde GKN (1957) HV.III.

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Kerkorde GKN (1957) Art. 109

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
109 [116]

1. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers hebben in het bijzonder betrekking op de vervulling van het hun toevertrouwde ambt.
2. De ambtsdragers blijven daarnaast onderworpen aan het vermaan en de tucht, omschreven in de voorgaande artikelen, met dien verstande dat tot de oefening van deze tucht eerst mag worden overgegaan, nadat de schorsing in de uitoefening van hun ambt is uitgesproken.

Kerkorde GKN (1957) Art. 110

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
110 [117]

1. Wanneer ambtsdragers in strijd handelen met hun ondertekening van de belijdenis, of zich schuldig maken aan een schromelijk veronachtzamen of misbruiken van hun ambt, of op andere wijze in ernstige mate afwijken van de gezonde leer of de godvrezende wandel, zullen zij in hun diensten geschorst of terstond uit hun ambt ontzet worden.
2. Het oordeel, of de ontzetting uit het ambt terstond zal geschieden alsook of na de voorafgegane schorsing deze ontzetting zal volgen, staat bij de bevoegde vergadering, als bedoeld in de artikelen 119 en 123.

Kerkorde GKN (1957) Art. 111

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
111 [117a]

Wanneer ambtsdragers eigenwillig hun ambt neerleggen, zal de bevoegde vergadering hen, onder ernstige afkeuring van deze daad, vervallen verklaren van alle aan dat ambt verbonden rechten. Voorts zal de kerkeraad over hen de vereiste tucht oefenen, tenzij daartoe in een bepaald geval geen aanleiding bestaat.

Kerkorde GKN (1957) Art. 112

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
112 [118]

1. Wanneer tegen een ouderling of diaken een aanklacht is ingediend of een ernstige verdenking is gerezen, zal het aan de kerkeraad, en, wanneer het een dienaar des Woords geldt, aan de kerkeraad tezamen met de kerkeraad van de volgens de classikale regeling aangewezen naburige gemeente of aan de meerdere vergadering, bij welke de zaak aanhangig gemaakt is, vrijstaan hem gedurende een bepaalde termijn van de uitoefening van zijn ambt te ontheffen.
2. Deze ontheffing draagt niet het karakter van een tuchtmaatregel.

Kerkorde GKN (1957) Art. 113

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
113 [119]

1. Ten opzichte van een dienaar des Woords zal een maatregel van schorsing genomen worden òf door de kerkeraad van de gemeente, waaraan hij verbonden is, tezamen met de kerkeraad van de volgens de classicale regeling aangewezen naburige gemeente, òf door de classis, bij welke de kerkeraad de zaak aanhangig heeft gemaakt.
2. Indien het oordeel van beide kerkeraden, als bedoeld in lid 1, niet overeenstemt, zal de zaak ter beslissing aan de classis voorgelegd worden.
3. Een maatregel van afzetting zal genomen worden door de classis, evenwel niet zonder de medewerking en het goedvinden van de daartoe door de particuliere synode aangewezen deputaten.

Kerkorde GKN (1957) Art. 114

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
114 [120]

1. Ten opzichte van ouderlingen en diakenen zal een maatregel van schorsing of afzetting genomen worden door de kerkeraad van de gemeente, waartoe zij behoren, die daartoe vergadert tezamen met de kerkeraad van de volgens de classicale regeling aangewezen naburige gemeente.
2. Indien het oordeel van beide kerkeraden, als bedoeld in lid 1, niet overeenstemt, zal de zaak ter beslissing aan de classis voorgelegd worden.
3. Het staat aan de kerkeraad vrij, indien naar zijn oordeel aan het volgen van de in lid 1 genoemde weg ernstige bezwaren verbonden zijn, de zaak terstond ter beslissing aan de classis voor te leggen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 115

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
115 [121]

Onverminderd het in de artikelen 119 [113] en 120 [114] bepaalde zal het aan de classis en eveneens, indien door bijzondere omstandigheden het inroepen van de hulp der classis overwegende moeilijkheden opleveren zou, aan de andere meerdere vergaderingen vrijstaan de maatregelen van schorsing en afzetting te nemen, wanneer, in geval van wanbestuur bij de kerkeraad, op haar door een deel van de kerkeraad of ook door een deel van de gemeente, niet zonder dat vooraf de kerkeraad erin is gekend en er zich over uitgesproken heeft, een beroep wordt gedaan om hulp en medewerking.

Kerkorde GKN (1957) Art. 116

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
116 [122]

Bij het vermaan en de tucht over missionaire dienaren des Woords, die beroepen zijn door een kerk in Nederland in samenwerking met een zelfstandige kerk op het zendingsterrein, zal gehandeld worden naar het bepaalde in de voor dat doel aangegane overeenkomst.

Kerkorde GKN (1957) Art. 117

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
117 [123]

1. Degenen, die de eer en de naam van dienaar des Woords behouden hebben en die als lid behoren tot een andere kerk dan die, waaraan zij nog verbonden zijn ten aanzien van hun ambtelijke positie, zijn onderworpen aan het vermaan en de tucht van de beide kerkeraden, die in voorkomende gevallen zich met elkander zullen verstaan om tot een eenparige beslissing te komen.
2. Indien de beide kerkeraden met elkander niet tot overeenstemming kunnen komen, zullen zij de beslissing in handen leggen van de classis, onder welke de kerk, waaraan de dienaar des Woords verbonden is ten aanzien van zijn ambtelijke positie, ressorteert.
3. De maatregel van afzetting zal genomen worden door de in lid 2 bedoelde classis, evenwel niet zonder de medewerking en het goedvinden van de daartoe door haar particuliere synode aangewezen deputaten.
4. Voorzover degenen, die de eer en de naam van een dienaar des Woords behouden hebben, geacht moeten worden in dienst van de gezamenlijke kerken te staan, zal de kerkeraad van de gemeente, waartoe zij als lid behoren, zich in voorkomende gevallen moeten wenden tot de classis. Deze zal, na de deputaten onder wier toezicht zij gesteld zijn gehoord te hebben, het recht hebben de maatregel van schorsing te nemen, evenwel niet zonder de medewerking en het goedvinden van de daartoe door haar particuliere synode aangewezen deputaten. De maatregel van afzetting kan uitsluitend door de generale synode genomen worden.
5. Wanneer zich een geval als in artikel 116 bedoeld voordoet, geldt het aldaar bepaalde eveneens bij toepassing van het in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel bepaalde.

Kerkorde GKN (1957) Art. 118

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
118 [124]

1. Een terecht opgelegde maatregel van schorsing kan niet worden opgeheven dan nadat genoegzame blijken van boetvaardigheid zijn betoond en de verzoening tot stand gekomen is.
2. Tot opheffing is bevoegd de vergadering, die de maatregel heeft genomen, of die in appèl uitspraak doet.

Kerkorde GKN (1957) Art. 119

Hoofdstuk V

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
119 [125]

1. Een vergadering zal iemand, die uit het ambt werd ontzet, niet opnieuw tot het vervullen van een ambt roepen dan na ernstig onderzocht te hebben, of daarmede wel de eer Gods gediend en het welzijn van de kerken bevorderd wordt.
2. Een classis zal iemand, die uit het ambt van dienaar des Woords werd ontzet, niet opnieuw beroepbaar stellen, dan met de medewerking en het goedvinden van de classis en de particuliere synode, waartoe de kerk, aan welke hij verbonden was als dienaar des Woords, behoort.

Kerkorde GKN (1957) HVI.

Hoofdstuk VI

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Kerkorde GKN (1957) Art. 120

Hoofdstuk VI

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
120 [126]

1. Met kerken van gereformeerde belijdenis en kerkregering in het buitenland zal zoveel mogelijk door middel van correspondentie christelijke gemeenschap geoefend worden.
2. Daarbij zal onderscheid gemaakt worden tussen correspondentie in engere zin, die zich kenmerkt door uitwisseling van attestaties en wederkerige toelating van dienaren des Woords tot de bediening van het Woord en de sacramenten alsmede door het wederzijds zenden van afgevaardigden naar synoden, en correspondentie in ruimere zin, die zich beperkt tot het laatste.
3. Correspondentie in engere zin kan alleen aangegaan worden met kerken, die de gereformeerde belijdenis ook metterdaad handhaven.
4. De aanwijzing van de kerken, met welke correspondentie in engere of ruimere zin wordt aangegaan, geschiedt door de generale synode.
5. Voor de nadere uitoefening van deze correspondentie wijst de generale synode deputaten aan.

Kerkorde GKN (1957) Art. 121

Hoofdstuk VI

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
121 [127]

Met kerken en groepen in Nederland van gereformeerde belijdenis zullen zoveel mogelijk betrekkingen worden onderhouden ter bevordering van het herstel der eenheid.

Kerkorde GKN (1957) Art. 122

Hoofdstuk VI

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
122 [127a]

Met andere dan de in artikel 127 [121] bedoelde kerken zal in het belang van een nauwere samenbinding zoveel als verantwoord is contact worden gezocht.

Kerkorde GKN (1957) Art. 123

Hoofdstuk VI

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
123 [128]

In voorkomende gevallen zullen de kerken tot overheid en volk haar getuigenis doen uitgaan.

Kerkorde GKN (1957) Art. 124

Hoofdstuk VI

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
124 [128a]

De kerken zullen de correspondentie met de Hoge Overheid onderhouden door middel van deputaten, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 125

Hoofdstuk VI

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
125 [129]

1. De kerken zullen aan de Hoge Overheid haar medewerking verlenen ten behoeve van de geestelijke verzorging van zee-, land- en luchtmacht alsmede van degenen die gedetineerd of opgenomen zijn in gevangenissen en andere dergelijke inrichtingen, in het bijzonder door dienaren des Woords af te staan ter benoeming als leger- en vlootpredikanten en als gestichtspredikanten in vaste en in tijdelijke dienst.
2. Het onderhouden van de daartoe nodige betrekkingen vertrouwt de generale synode toe aan hiertoe aangewezen deputaten, terwijl de positie van de in lid 1 bedoelde predikanten geregeld wordt overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.
3. Ten behoeve van de geestelijke verzorging van zee-, land- en luchtmacht en in het bijzonder van het onderhouden van het contact met de leger- en vlootpredikanten kan de generale synode een dienaar des Woords benoemen, die overeenkomstig het in artikel 21 bepaalde geacht wordt in dienst te staan van de gezamenlijke kerken.

Kerkorde GKN (1957) Art. 126

Hoofdstuk VI

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
126 [130]

1. De kerken zullen erop toezien, dat de kinderen der gemeente zoveel mogelijk onderwezen worden op christelijke scholen.
2. De kerken zullen van alle gelegenheden om op andere scholen onderwijs in de christelijke godsdienst te doen geven, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, zoveel mogelijk gebruik maken.

Kerkorde GKN (1957) Art. 127

Hoofdstuk VI

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
127 [131]

De kerken zullen de vrije jeugdorganisaties op gereformeerde grondslag, die de principiële vorming van de jeugd van de gemeente ten doel hebben, met raad en daad steunen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 128

Hoofdstuk VI

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
128 [132]

De kerken kunnen aan maatschappelijke organisaties, welke de leniging of bestrijding van bepaalde maatschappelijke noden nastreven, haar medewerking verlenen, en daartoe die organisaties met raad en daad bijstaan, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (1957) HVII.

Hoofdstuk VII

Slotbepalingen

Kerkorde GKN (1957) Art. 129

Hoofdstuk VII

Slotbepalingen

Artikel
129 [133]

1. Bij de vervulling van hun taak zullen de ambtsdragers zich verre houden van alle heerschappijvoering van de een over de ander en zullen zij alles heenleiden naar de onderwerping aan de heerschappij van de enige Meester, Christus.
2. Hetzelfde geldt van de ene kerk tegenover de andere.

Kerkorde GKN (1957) Art. 130

Hoofdstuk VII

Slotbepalingen

Artikel
130 [134]

Van de bepalingen der kerkorde zal men niet afwijken dan alleen onder bijzondere omstandigheden.

Kerkorde GKN (1957) Art. 131

Hoofdstuk VII

Slotbepalingen

Artikel
131 [135]

Indien en voorzover buitengewone omstandigheden van land en volk het normaal functioneren van het leven der kerk onmogelijk maken, staat het aan de daarvoor in aanmerking komende vergaderingen of deputaten vrij van de kerkorde af te wijken en de door de omstandigheden tijdelijk geboden maatregelen te nemen.

Kerkorde GKN (1957) Art. 132

Hoofdstuk VII

Slotbepalingen

Artikel
132 [136]

Wijziging van de kerkorde kan alleen geschieden krachtens besluit van de generale synode.