Acta Dordrecht (1574) 26-6-d

Op de vraghe van die van Vlissinghen, of een ionghghesel die teghen den danck sijner ouderen sijn trouw eener maghet ghegheuen heeft ende dese door tā€™ beuel sijner ouderen verlaten hebbende, sich aen een ander die eens Papen dochter is wettelicke verbonden, ende na dese belofte (gheduijrende den tijdt der wtroepinghe) bij dā€™ eerste gheslapen heeft, ende bouen desen vanden Prouisoor der eerste toeghewesen is, nu met een derder (dewijle de tweede namelick des Papen dochter int recht vrij van hem ghesproocken sijnde met een ander ghehowt is) trouwen mach? Is gheantwoort, Dewijle des Papen dochter vrij ghekent is vanden rechteren, hoe wel Papistisch, soo is het huwelick datse namaels begaen heeft wettelick. Want hoewel men hier wel mocht vraghen, ofse recht gheoordeelt hebben of niet, Soo wordt nochtans een wtghesproocken vonnisse eens rechters daer van gheen appel en valt voor recht ghehouden. Ende hoewel de rechters niet wettelick sijn, soo worden sij nochtans als wettelick gheleden, ende haer vonnisse moet stat grijpen. Aende eerste dien hij teghen den wil sijner ouderen belooft heeft, ende die hij onteert heeft, en is hij niet verbonden, insonderheijt dewijle sijn ouderen noch daer teghen spreecken. Ende hier teghen en strijdt de wet Godts Ex. 22, 16 en Deut. 22, 29, niet, want aldaer wordt ghesproocken van manspersoonen die haer eighen voocht sijn, ende niet van soodanen die onder de macht harer ouderen staen. Hier wt volcht, Dewijle de Ouerheijt desen man tot behoorlicker tijdt niet ghestraft en heeft, ende noch duldet, Dat hij der derder, die hij met verwillinghe sijner Ouderen belooft verbonden sij, ende soo dā€™ Ouerheijt sulx beueelt, trouwen mach.