02/00

Op het bezwaar tegen de gang van zaken rond de zesjaarlijkse stemming wordt op grond van ord. 19-14-1 reeds dadelijk beslist.

De provinciale commissie heeft bezwaarde niet ontvankelijk verklaard omdat hij eerst na het verstrijken van de in ord. 3-24-1 genoemde termijn [nl. 11 dagen na de gehouden zesjaarlijkse stemming] bij de kerkenraad bezwaren ingediend tegen de gang van zaken bij die stemming.

Ontvankelijkheid:

in ord. 3-24-2 is sprake van een eindbeslissing, waarvan naar vaste rechtspraak van de generale commissie geen hoger beroep open staat.

Naar het oordeel van de generale commissie geldt deze uitsluiting van hoger beroep niet als de bezwaarde niet ontvankelijk wordt verklaard of als de provinciale commissie zich niet bevoegd acht. Dan is een in het kader van ord. 3-24 gegeven beslissing geen eindbeslissing en staat hoger beroep open.

Blijkens ord. 19-16-4 en 5 is de generale commissie ten aanzien van een eindbeslissing slechts bevoegd te verklaren dat ze onjuist is, zonder dat dat de rechtsgevolgen aantast. Ten aanzien van een eindbeslissing is de bevoegdheid tot spontane vernietiging aan de generale commissie onthouden.

De generale commissie maakt hier een uitzondering voor de beslissingen waarbij de  bezwaarde niet ontvankelijk wordt verklaard of de provinciale commissie zich niet bevoegd acht. Daarmee wordt immers aan de bezwaarde de toegang tot de kerkelijke rechter ontzegd ter zake van de inhoudelijke toetsing van de toepassing van regels voor een van de meest essentiële aangelegenheden van de kerkorde, de verkiezing van ambtsdragers. De generale commissie acht het niet in overeenstemming met fundamentele beginselen van de orde der kerk als dergelijke verstrekkende beslissingen niet op haar juistheid door een hogere kerkelijke rechter zouden kunnen worden beoordeeld.

Dit brengt mee dat appellant ontvankelijk is in zijn beroep, nu hij niet ontvankelijk is verklaard door de provinciale commissie.

Inhoudelijk:

bezwaarde bestrijdt niet de termijnoverschrijding, maar voert aan dat de methode van stemming 'onkerkordelijk' was. Dat de kerkenraad het bezwaar heeft doorgezonden en dat de provinciale commissie deze in behandeling heeft genomen betekent niet dat hij ontvankelijk was. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan aangenomen zou kunnen worden dat appellant redelijkerwijs niet in verzuim is geweest met betrekking tot het tijdig indienen van zijn bezwaren.


Heuvel, P. van den (2005)