10-02-2000

Tekst van een lezing gehouden op diverse ambtsdragersconferenties van classes van de Gereformeerde Gemeenten in 2000

Kerkrecht en kerkelijke rechtspraak

Een kennismaking met ‘In Orde’

 

Tekst van een lezing gehouden op diverse ambtsdragersconferenties van classes van de Gereformeerde Gemeenten in 2000

 

1. Praktijkvoorbeeld

In gemeente X. doet zich een echtscheidingsgeval voor. De echtscheiding werd aangevraagd door de vrouw op grond van incest van haar man met hun enige dochtertje. De vrouw deed aangifte bij de politie. De man bleef tijdens alle verhoren ontkennen. De rechtbank deed tenslotte deed geen uitspraak over het schuldig zijn aan incest wegens onvoldoende bewijs (seponeren). De kerkenraad van X. plaatste de vrouw onder stille censuur. Ze had bij haar trouwen een zogenaamd voorkind. De broeders waren op grond daarvan en hun persoonlijke indrukken van oordeel dat de vrouw minder betrouwbaar moest worden geacht dan haar man en daarom censuurwaardig zou zijn..

 

2. Doel van de bijeenkomst

Hier wordt ons een schoolvoorbeeld aangereikt van onzorgvuldig handelen door een kerkenraad. Als deze vrouw de haar opgelegde censuur aanhangig gemaakt zou hebben bij de wereldlijke rechter, zou de kerkenraad zijn veroordeeld tot opheffing van de censuur en het betalen van een schadeloosstelling. De reden ligt voor de hand. De kerkenraad had zich niet gehouden aan een kernregel uit het gereformeerd kerkrecht. Als ‘ja’ tegenover ‘nee’ staat of het bewijs onvoldoende is, kan een kerkenraad geen beslissing nemen. Stille censuur was in dit geval niet geoorloofd. De echtscheiding moest in dit bijzondere geval worden overgelaten aan het geweten van de vrouw.

Het doel van deze bijeenkomst: is het bevorderen van ordelijk en zorgvuldig handelen door onze kerkenraden met name bij de behandeling van tuchtgevallen. Voor een goed begrip van het een en plaatsen we de kerkelijke rechtspraak eerst in het licht van het gereformeerd kerkrecht in het algemeen. Daarbij leggen we samen de volgende weg af:
- de fundamentele bijbelse gegevens,
- stelsels van kerkregering en de ontwikkeling van het presbyteriale kerkrecht,
- de D.K.O. als vormgeving van het gereformeerde kerkrecht,
- de ontkerstende situatie waarin wij vandaag als kerk staan en de opstelling van de wereldlijke rechter,
- ontstaan en bedoeling van het boekje ‘In orde’,
- een bespreking van de hoofdlijnen daarvan.

 

3. Fundamentele bijbelse gegevens

a) Niet het kerkverband, de landelijke kerk, maar de plaatselijke gemeente staat in het N.T. centraal. Elke plaatselijke gemeente is een openbaring van het lichaam van Christus. De eerste gemeente ontstaat te Jeruzalem (Hand. 3: 47, 5: 11) .Voor Petrus, die door Herodes in de kerker is geworpen, gaat vanuit de gemeente een voortdurend gebed op tot God. Barnabas zoekt Saulus op in Tarsen en dient met hem een jaar lang de gemeente van Antiochië. Tijdens de eerste zendingsreis stichten Paulus en Barnabas gemeenten in Lystre, Derbe en Ikonium (Hand. 14: 23 ) Paulus adresseert zijn brieven aan de plaatselijke gemeente: ‘De heiligen en gelovige broederen in Christus, die te Kolosse zijn’ (Kol 1: 2)

b) Christus is Hoofd van elke plaatselijke kerk en regeert die door ambtsdragers. De apostelen ontvangen in Matth. 16: 19 bij monde van de Heere Jezus de sleutelmacht: ‘En Ik zal u geven de sleutelen van het koninkrijk der hemelen; en zo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn, en zo wat gij ontbinden zult op de aarde ,zal inde hemelen ontbonden zijn’. Dat wordt in Matth. 18: 18 herhaald. De gemeente te Jeruzalem wordt geregeerd door apostelen en ouderlingen (Hand. 15: 6). Tijdens de eerste zendingsreis stellen Paulus en Barnabas in elke gemeente ouderlingen aan, die gekozen worden met het opsteken der handen, gebed en vasten (Hand. 14: 23). Titus krijgt op Kreta de opdracht om van stad tot stad ouderlingen aan te stellen (Titus 1: 5). Hoe treffend is ook het spreken van Christus als Koning tot Johannes, die de opdracht krijgt aan de zeven gemeenten van klein Azië te schrijven ( Openb. 1: 10, 11).

c) Hoofdregel voor alle kerkelijke handelen is 1Cor 14: 40: ‘Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden’. Laat alle dingen op een eerlijke, welvoeglijke gave manier plaats vinden. Laat ze geschieden ‘met orde’, naar een vaste regel, zoals in een goed geordend leger het geval is. De grondregels voor het kerkrecht zijn ons door Heere geopenbaard in het Woord: de prediking van het Evangelie, de bediening van de sacramenten, de opdracht van de ouderlingen en de diakenen. Elke kerkenraad heeft de bevoegdheid om aanvullende regels te geven. 1 Cor 14: 40 is ook de basis van elke kerkorde.

d) Vrijwillig, maar niet vrijblijvend samenleven met andere gemeenten in een kerkverband. Het is de wil van Koning Christus, dat de gemeenten niet los van elkaar blijven leven, maar de eenheid van het lichaam van Christus openbaren door het samenleven in een nationale gemeenschap: het kerkverband. In Hand 15, dat het apostelconvent beschrijft, treffen we de eerste synodale vergadering aan. Het al of niet onderhouden van de besnijdenis was een twistpunt geworden in de jonge gemeenten in Klein-Azië. Dat wordt in Jeruzalem op het apostelconvent besproken. Dat convent neemt tenslotte een bindende beslissing, die aan de gemeenten in Antiochië, Syrië en Cilicië wordt medegedeeld. Opvallend is hoe dit convent beklemtoont, dat het besluit genomen is in de vreze des Heeren, onder biddend opzien tot Hem om door Zijn Geest te worden geleid en met een beroep op de Schrift: ‘Het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht, ulieden geen meerdere last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen’ Hand. 15: 28).

 

4. Stelsels van kerkregering

Het roomse of canonieke stelsel: De paus stelt in samenwerking met het concilie het Wetboek van Canoniek Recht (Codex Iuris Canonici)) vast. Alles wordt tot in kleine details vanuit Rome geregeld. De leden van de kerk zijn volstrekt onmondig Het huidige Wetboek verscheen in een Latijns-Nederlandse uitgave in l983 te Hilversum en telt 400 blz. Nederlandse tekst..

Independentisme of congregationalisme. In Nederland krijgt deze visie gestalte in de zogenaamde vrije gemeenten. Met name in Engeland en de Engelstalige wereld komt benadering, waarin het kerkverband wordt afgewezen, veel voor. Er is géén kerkverband. De congregatie of kudde der gelovigen beslist over alle zaken. De ledenvergadering regeert en de kerkenraad voert het vastgestelde beleid uit. In de kringen van de Strict Baptists – de onder ons bekende Philpot-gemeenten – beslist de ledenvergadering beslist over het al of niet aanvaarden van een bekering en over iemands roeping tot het ambt.

Het presbyteriale stelsel. Dit werd in beginsel ontwikkeld door Calvijn, die teruggreep op de Schriftgegevens. Hij onderkende scherp dat de ambtsdragers aan Christus hun gezag ontlenen. Na zijn terugkeer in Genève ontwierp hij een kerkorde, die voor de plaatselijke gemeente bestemd was. Hij legde de uitdrukking ‘herders en leraars’ uit als een aanduiding van twee ambten: predikanten en doctoren voor de opleiding van studenten. Daarnaast kende hij ouderlingen en diakenen, zij het dat de ouderlingen gekozen werden uit de leden van de gemeenteraad. Verder was er een kerkenraad en een predikantenvergadering. Men heeft terecht gezegd, dat de paus in Genève schaakmat werd gezet door de pion van de ouderling.

De sterke groei van protestantisme in Frankrijk leidde tot de eerste synode in l559 in Saint Germain, een voorstad van Parijs. Te midden van felle vervolgingen werd daar de eerste gereformeerde belijdenis en de eerste landelijke kerkorde vastgesteld. Deze ‘Discipline Ecclésiastique’ kende een Provinciale en Generale Synode. Ze oefende grote invloed uit op de gereformeerden in ons land, die sedert 1563 als ‘gemeenten onder het kruis’ bijeen kwamen. Het Convent van Wezel (1568) legde een aantal grondlijnen vast en besloot tot de vorming van klassikale vergaderingen. De Synode van Emden gaf in 1571 een nadere uitwerking, die later zou resulteren in de eerste kerkorde: Middelburg (1581). Het ‘Kerkelijk Handboekje’ van ds. G.H. Kersten biedt alle informatie daarover.

 

5. De Dordtse Kerkorde (D.K.O.)

De afronding van het groeiproces van presbyteriale stelsel in Nederland vond plaats op de Synode van Dordrecht 1618/1619. Hier werd de D.K.O. aanvaard. Het is een ‘raamwet’ met 86 korte artikelen. Het Wetboek van Canoniek Recht telt 1752 canones of regels. Daarmee is het verschil tussen de pauselijke hiërarchie en het waarderen van de plaatselijke gemeente als het lichaam van Christus afdoende geïllustreerd. De D.K.O. regelt alleen wat de Schrift openbaart en wat verder uit praktisch oogpunt strikt noodzakelijk is. De kerkorde geeft in vier hoofddelen aanwijzingen voor de goede orde:
— De diensten of de kerkelijke verrichtingen van de ambtsdragers,
— De samenkomsten of de vergaderingen van de kerkenraad van de meerdere of bredere vergaderingen: classis, particuliere en generale synode,
— Het opzicht over de leer, de sacramenten en de liturgie,
— De christelijke censuur ten aanzien van leden en ambtsdragers.

Na 1619 was er nooit meer nationale synode! De regenten waren bevreesd voor de grote invloed van een dergelijke synode op het volk De overheid had door bepalingen in de kerkorde te veel greep gekregen op kerkelijke zaken. Daardoor kon de kerkorde niet volledig functioneren. In 1816 werd de D.K.O. bij Koninklijk Besluit vervangen door het beruchte Algemeen Reglement. De kerk werd op de leest van een vereniging geschoeid: Die moest op een zo redelijk mogelijke wijze centraal worden bestuurd. Vandaar: een landelijke kerk met besturen; de koning als hoogste gezagsdrager of opperkerkvoogd. De naam Gereformeerde Kerk werd vervangen door Hervormde Kerk. Bij de Afscheiding (1834) keerden de gereformeerden terug tot leer, eredienst en kerkorde van Dordrecht 1618-1619.

 

6. Kernpunten uit de D.K.O.

In 1907, bij het ontstaan van de Gereformeerde Gemeenten, werd de D.K.O. als akkoord van kerkelijke gemeenschap aanvaard. In de D.K.O. zijn verschillende bijbelse kerngedachten terug te vinden: de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente, de regering door ouderlingen en in kleine gemeenten mede door diakenen als hulpouderling, de ruimte voor het ambt aller gelovigen, die b.v. tot uitdrukking komt bij de verkiezing van de ambtsdragers.

Een dergelijk akkoord van kerkelijke gemeenschap betekent ook en vooral het openbaren van de eenheid van alle plaatselijke gemeenten naar de wil van Christus in dezelfde belijdenis en dezelfde kerkorde. Daarmede wordt de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente niet prijs gegeven. Er is sprake van een vrijwillige beperking van de autonomie van de plaatselijke gemeente.

De kerkenraad brengt alleen de zaken op de meerdere of bredere vergadering, die men zelf niet kan oplossen of waarin men advies behoeft of die men gezamenlijk wil behartigen, zoals het zendingswerk. Dat betekent vanzelfsprekend, dat de macht van de meerdere of bredere vergaderingen, zoals classes en synode daarmede wordt beperkt. Tot de zaken die de kerkenraad krachtens de bepalingen van de kerkorde niet of niet volledig kan afhandelen behoren drie zaken:
— de tuchtoefening over leden in een gevorderd stadium: het vragen van toestemming van de classis voor de toepassing van de tweede trap van de censuur;
— de tuchtoefening over ambtsdragers wegens openbare grove zonden: afzetting van een ouderling of diaken door een zogenaamde dubbele kerkenraad; schorsing van een predikant door een dubbele kerkenraad en diens afzetting door de classis;
— het indienen van een appèl van leden der gemeenten krachtens het ambt aller gelovigen tegen besluiten van de kerkenraad bij de meerdere vergadering.

 

7. De situatie waarin wij staan

De samenleving is vandaag geheel ontkerstend. Het loslaten van de bijbelse normen werkt ook door in de burgerlijke rechtspraak. De rechter oordeelt in tal van gevallen over de reden van een echtscheiding anders dan de kerk. Het gezag van de Bijbel heeft op veel terreinen in het burgerlijk recht afgedaan. De autonomie van de mens is uitgangspunt voor de oordeelsvorming. Deze tendens werkt ook door in het denken van sommige gemeenteleden. Onze tijd kent ook een veel grotere mate van mondigheid dan vroeger. Vandaar dat zich een tendens aftekent om een beslissing van een kerkenraad of meerdere vergadering voor te leggen aan de rechter.

Er is een tendens om in toenemende mate gang naar burgerlijke rechter te maken. Hoewel het Burgerlijk Wetboek nadrukkelijk bepaald, dat de kerken een eigen rechtsgang mogen hebben overeenkomstig een eigen statuut, betekent dat niet dat de rechter een klacht van een gemeentelid over een beslissing afwijst. Iedere Nederlander die denkt dat zijn of haar plichten in het geding zijn, heeft toegang tot de rechter. De vraag is niet of de rechter zich in bepaalde geschillen mag mengen, maar hoe hij dat doet.

Mr. D.A.C. Slump, vice-president van de Utrechtse rechtbank heeft in 1997 tijdens een symposium over ‘Kerk, recht en samenleving’ betoogd, dat de kerk vooral kritisch naar de eigen regels en gebruiken moet kijken. ‘Hoe beter de eigen zaken zijn geregeld, hoe minder ruimte nodig is voor het eigen, niet altijd te voorspellen oordeel van de burgerlijke rechter’. Daarbij zal de rechter zich in beginsel onthouden van een inhoudelijk oordeel zolang iemand in de eigen kerk nog in beroep kan gaan. Daarna zal hij de kerkelijke rechtsgang marginaal toetsen. Het gaat er om of een kerkenraad of meerdere vergadering gehandeld heeft overeenkomstig de fundamentele regels van het burgerlijk recht. Altijd, maar zeker in onze tijd, wordt de kerk geroepen om zorg te dragen voor goede procedureregels en voor het zorgvuldig nakomen daarvan.

 

8. Ontstaan en bedoeling van ‘In orde’.

Die regels zijn vanaf de reformatie ontwikkeld. Ze zijn verspreid over allerlei kerkorden en commentaren op het kerkrecht. Wie wil weten aan welke eisen de behandeling van een ingewikkelde tuchtzaak moet voldoen, kan dat zeker vinden, maar moet eerst veel graaf- en spitwerk verrichten. De behoefte aan een geordend overzicht van de geldende regels binnen het gereformeerde kerkrecht leidde tot de instelling van een werkgroep door het Deputaatschap van de Hoge Overheid. Dit deputaatschap liet na een bespreking op de Generale Synode in l996 een geel en groen boekje verschijnen (Handreiking en Toelichting).

De kerkelijke status van deze twee boekjes was niet zo duidelijk. Bovendien rezen er vanuit de praktijk een aantal nieuwe vragen. Daarom werden de twee boekjes opnieuw bewerkt door een commissie tot één rapport voor de Generale Synode van 1998. Deze Synode heeft dit rapport unaniem aanvaard. Vandaar dat de kerkenraden er verstandig aan doen om de oude gele en groene boekje nu maar weg te doen om misverstanden te voorkomen.

In plaats daarvan komt het door de Synode uitgegeven boekje ‘In orde’. Het bevat geen wezenlijk nieuwe dingen, maar een geordende en iets geharmoniseerde verzameling van regels en aanbevelingen uit het bestaande gereformeerde kerkrecht. Het is een spoorboekje voor het snel vinden van de vertrekpunten en de te volgen route bij tuchtzaken en andere kwesties, die om een zorgvuldige behandeling vragen. In de met geel gemarkeerde Handleiding wordt de kern van de zaak — de kerkelijke rechtspraak — besproken. In de met groen aangegeven Toelichting staan aanwijzingen voor de 13 artikelen van de D.K.O, die een zorgvuldig aanpak volgens bepaalde regels vereisten (blz. 58-59).

 

9. Rangorde van de bronnen en regels voor het kerkrecht.

De vraag is welk gezag de Handleiding en de Toelichting hebben, die ‘In orde’ ons aanbiedt. Daarom is het goed te beseffen, dat niet elke bron en elke regel de zelfde waarde heeft. U vindt dan ook op blz. 12 een rangorde, die het mogelijk maakt om tot een waardering van een bron of een regel te komen:
1. Het absolute gezag van de Heilige Schrift
2. Het daarvan afgeleide gezag van onze zes belijdenisgeschriften
3. Het kerkelijke gezag van de D.K.O.
4. De besluiten van de meerdere vergaderingen
5. De uitleg van de D.K.O. in de loop der eeuwen
6. De gewoontevorming binnen onze gemeenten.

 

10. De inhoud van ‘In orde’

Algemene inleiding en verantwoording (wit: blz. 7-27). Hier worden enkele algemene uitgangspunten en actuele zaken besproken, zoals het verschil tussen het wereldlijke en kerkelijke recht, de mogelijkheid dat een gemeentelid zich bij laat staan door een voorspraak, het inwinnen van adviezen door de kerkenraad of een gemeentelid van een deskundige, de vereisten voor een correcte interne rechtsgang, de losmaking van een predikant naar artikel 11 van de kerkorde.

Handleiding bij de kerkelijke rechtspraak (geel: blz. 58-128.). Dit behoort wat rangorde van gezag betreft tot punt 4 (zie vorige paragraaf). Het is immers het besluit van een meerdere vergadering: de Generale Synode l998/1999. Dit gele gedeelte is voorschrijvend bedoeld. Elke kerkenraad en meerdere vergadering is hieraan bij elke tuchtprocedure gehouden. Zou een gemeentelid onverhoopt naar de wereldlijke rechter gaan om zijn of haar beklag te doen over een beslissing, dan zal de rechter het handelen van de kerkelijke vergadering met name toetsen aan dit gedeelte.

Toelichting op de handleiding (groen: blz. 58-128). Dit behoort wat rangorde betreft tot punt 5: De uitleg van de D.K.O. door de eeuwen heen. De uitleg van de D.K.O is immers meer adviserend bedoeld. Hier vindt u gegevens over onderwerpen die in Handleiding niet worden behandeld, zoals de verzoening door middel van schuldbelijdenis en het afgeven en aannemen van attestaties. Met name bij ingewikkelde zaken is kennisname van dit gedeelte van groot belang.

Literatuur en Bijlage (wit: blz. 129-152). Dit gedeelte biedt een opgave van de voornaamste geraadpleegde literatuur. De bijlage wordt gevormd door de tekst van de D.K.O., zoals die opnieuw is uitgegeven door ds. G.H. Kersten in opdracht van de synode van 1907.

 

11. Bespreking in hoofdlijnen van de gang van zaken bij de kerkelijke tucht

(schema blz. 53 en 54).

Elke tuchtoefening begint als zelftucht onder het Woord, onder de prediking daarvan. De tuchtoefening krachtens het ambt aller gelovigen volgens Matth. 18 is en blijft van groot belang. Nooit mag een kerkenraad een klacht over een geheime zonde in behandeling nemen als niet aan deze regel hoe gebrekkig ook, is voldaan. De intentie om te handelen naar dit woord van Christus moet nog herkenbaar zijn. Daarbij behoort uiteraard niet het zonder toestemming opnemen van een persoonlijk gesprek op een bandrecorder. Evenmin behoort daartoe het tijdens een gesprek laten binnenkomen van andere gemeenteleden, zodat een soort overval tot stand komt met het doel om pressie te oefenen. Dat soort kwalijke zaken is in strijd met het broederlijke karakter van de regel van Matth. 18.

Tuchtoefening vindt ook plaats in ambtelijke gesprekken vanuit het woord in onderwijzende en vermanende zin als een klacht door de kerkenraad is aanvaard of als er sprake is van een openbare zonde. Onze tijd kenmerkt zich door een sterk individualisme, door eigen norm- en rechtsgevoel. Elk gemeentelid blijft echter aanspreekbaar op de vierde belijdenisvraag (Voetius), waarin men persoonlijk als voor Gods aangezicht heeft beloofd zich aan de kerkelijke vermaning, terechtwijzing en tucht te zullen onderwerpen.

Zodra een tuchtzaak begint, moet er een bezinning plaats vinden op de pastorale begeleiding van het gemeentelid. Vaak komt het voor dat een kerkenraad zo iemand tijdens het onderzoek volkomen in de kou laat staan. Dat is nog aangrijpender wanneer de tuchtzaak een ouderling of een predikant betreft.

Zorgvuldigheid is de eerste vereiste bij tuchtzaken. Het eigen onderzoek van de kerkenraad moet royaal voldoen aan de hoofdregels: hoor en wederhoor met de mogelijkheid van reactie en contrareactie. Wie naar het mild te geven oordeel van de kerkelijke vergadering niet in staat moet worden geacht om het woord te voeren, moet zich kunnen laten bijstaan door een voorspraak. Een beroep op het raadplegen van een deskundige, bij voorkeur uit eigen kring moet altijd worden gehonoreerd. Een zorgvuldige notulering is van essentieel belang. Op grond daarvan kunnen en moeten afschriften worden verstrekt van afgelegde verkalkingen, die door de betrokkene van wijzigingen kunnen worden voorzien. Voor getuigenverklaringen geldt dezelfde regel . Er is een recht van toegang tot de genomen besluiten. Een kerkelijke vergadering dient die besluiten met een omschrijving van de gronden waarop het besluit rust aan de betrokkene te laten toekomen. Elke kerkelijke vergadering moet waken tegen partijdigheid en familieleden en vrienden van de betrokkenen buiten het onderzoek en de besluitvorming houden. Ten diepste berusten deze fundamentele regels alle op Schriftgegevens uit het Oude en Nieuwe Testament. Daarbij is het woord van Christus feitelijk op elke regel van toepassing: Alle dingen dan die gij wilt dat u de mensen zouden doen, doet gij dat ook alzo, want dat is de wet en de profeten (Matth. 7: 12).

 

12. Harmonisatie voor het geheel der gemeenten

In enkele opzichten wil ‘In orde’ de gang van zaken in de gemeenten op één lijn brengen oftewel harmoniseren.

1. Termijnen. In een uitspraak van de kerkenraad of in een uitspraak van een meerdere vergadering moet altijd worden vermeld bij wie het beroepsschrift tegen de uitspraak moet worden ingediend en de termijn die daarvoor geldt: twee maanden! (blz. 50). Steeds moet informatie worden verstrekt over datum, tijd en plaats van de meerdere vergadering.

2. Voorkomen van partijdigheid. Geen bevooroordeling: nooit deelname aan het werk van een commissie van onderzoek en besluitvorming op de kerkelijke vergadering door vrienden of familieleden. Op de meerdere vergadering: bespreking in eerste instantie alleen door hen die nog niet eerder bij een zaak waren betrokken. Afgevaardigden van mindere vergadering, die als laatste in een zaak hebben geoordeeld onthouden zich altijd van de besluitvorming: nooit meestemmen (blz. 43). Men kan geen rechter zijn in eigen zaak!

3. Vervroeging van de meerdere vergadering. Een meerdere vergadering moet altijd nagaan of er redenen zijn om het vervroegd bijeenroepen te bevorderen van de vergadering, waarop men zich kan beroepen tegen de genomen beslissing. Tot het adviseren om de betreffende vergadering vervroegd bijeen te roepen, zal men in algemeen komen als de appellant daarbij een belang heeft. Het is onverantwoord om iemand, die gebogen gaat onder een zware aanklacht, bijna een jaar te laten wachten op een Particuliere Synode. De noodzaak van deze afweging wordt nog onderstreept, omdat een kort-geding-regeling in het kerkrecht ontbreekt en omdat de wereldlijke rechter terecht dit lange wachten als onjuist beschouwd. Laten we ons bij toepassing van de kerkelijke tucht altijd bewust zijn van het broederlijke karakter daarvan : niet vergeldend, maar medisch; niet om onze lust tot straffen bot te vieren, maar om uit liefde te behouden.

 

Gorinchem, donderdag 10 februari 2000
M. Golverdingen v.d.m.