64
40,814-816
01-07-1989

|814|

 

Kerkorde en rechtswetenschap

Onder deze veelbelovende titel heeft de eindredacteur van De Reformatie in een vijftal artikelen gereageerd op het artikel van mr. J.R. Krol ‘Een verkenning rond de kerkorde’, Radix, 1989, p. 227 e.v.
Krol had in zijn artikel gesteld, dat de rechtswetenschap aan de tot standkoming van de korde een wezenlijke bijdrage had kunnen leveren. Vervolgens oefent hij op een aantal punten tamelijk forse kritiek op de nieuwe kerkorde uit en concludeert dat de nieuwe kerkorde aan een grondige herziening toe is.
Hij dringt aan op de instelling van een commissie waarin theologen en juristen gezamenlijk zich over een herziening gaan beraden.
Dat op het artikel van Krol vanaf het ‘kamper erf’ wordt gereageerd, is op zichzelf genomen een verheugende zaak.
Tegen enkele onderdelen van de reactie, zoals door eindredacteur wordt gegeven, heb ik echter ernstige bezwaren. Ik beperk mijn reactie daartoe. Zij betreffen de meer algemene vraagstelling of de hulp van juristen überhaupt bij het opstellen van een kerkorde wenselijk c.q. bruikbaar [is] en de wijze waarop de eindredacteur zijn stellingen motiveert. Ik ga derhalve niet in op de door Krol aangevoerde concrete punten van kritiek op de kerkorde zoals deze hier en nu geldt.

Mijn hoofdbezwaar richt zich tegen de eerste twee afleveringen, die de eindredacteur schreef en de daar geformuleerde algemene (waarde)oordelen.
Terecht maakt de eindredacteur de opmerking

|815|

dat het kerkrecht van een geheel eigen aard is en door eigen normen c.q. regels wordt geregeerd. Terecht haalt hij Rutgers daarbij aan. Ik ben nog steeds onder de indruk, wat Rutgers daarover schreef. Het gehele eerste hoofdstuk van mijn ruim tien jaar geleden verschenen Kamper Bijdrage over rechtsvinding van de burgerlijke rechter in kerkelijke conflicten, wijdde ik aan Rutgers’ rede. Ik meen dat in de gesprekken tussen juristen en theologen de eigenaardigheid van het kerkrecht, zoals Rutgers die schetste het richtingbepalend uitgangspunt zal zijn en zal moeten blijven.
De eindredacteur heeft echter weinig vertrouwen in de ‘juristen’. Hij ziet het allemaal anders. Hij schetst eerst — althans in mijn ogen — een caricatuur van ‘het recht’ en concludeert vervolgens bij het licht van de Schrift (!) dat predikanten bij het redigeren van de kerkorde geen boodschap hebben aan juristen. Lees maar eens mee:

‘De strafwet en de burgerlijke wet dwingen: recht is recht.’, p. 471. Ik geef u nog een citaat: ‘Vrouwe Justitia heeft een blinddoek voor de ogen en de weegschaal van het recht is in haar hand. Onpartijdig moet het oordeel zijn, inderdaad. Maar in de gemeente geldt niet het objectieve koude en kille recht, maar wordt met open ogen en zonder enige blinddoek gekeken naar broeders en zusters voor wie Christus gestorven is. Daar wordt gewogen en wegen kost tijd’, p. 472.
In de kerk wordt ‘gewogen’ en bij het recht wordt er ‘gemeten’: Meten gaat recht toe recht aan, althans in de gedachtengang van de eindredacteur, er mag geen centimeter ontbreken. ‘Wet is wet.’ p. 472.
Dat leidt dan tot de conclusie, dat de klacht van Krol, dat ten onrechte juristen niet bij de tot standkoming van de kerkorde zijn betrokken en nu citeer ik: ‘in het licht van de Schrift! (uitroepteken van mij, F.T.O.) en van de historie’ moet worden afgewezen, p. 449.

Met verbijstering heb ik die eerste artikelen zitten lezen. De eindredacteur schetst, daarbij niet gehinderd door enige kennis van zaken een caricatuur van ‘het’ recht. Uit de citaten die ik gaf blijkt at de eindredacteur bijvoorbeeld strafrecht en privaatrecht in het geheel niet onderscheidt. Wie over recht schrijft moet beginnen de deelgebieden te onderscheiden.
De eindredacteur schrijft aan het eind van zijn stuk, dat ieder zich bij zijn leest moet houden. Dat lijkt mij een waar woord!
Recht wordt door de eindredacteur als wettenrecht gekenschetst: recht is recht, er mag geen centimeter aan ontbreken, wet is wet.
Dat is puur legisme.
De eindredacteur laat pijnlijk zien dat hij de elementaire betekenis van het woord rechtsvinding niet heeft begrepen. Uit zijn betoog blijkt dat hij de waarde van de rechtspraak, althans op het gebied van het privaatrecht, in het geheel niet overziet. Op dat gebied is recht beslist niet identiek met wet. Wie heeft hier eigenlijk een blinddoek voor?
Primair bepalen op het gebied van het privaatrecht de burgers zelf hun rechtsverhouding, de wet heeft aanvullende betekenis. In het verlengde daarvan ligt dat ook aan kerkgenootschappen alle vrijheid wordt gegeven om zelf hun statuur en onderlinge rechtsverhoudingen te bepalen.
Mijn stelling is steeds geweest, dat juist het privaatrecht en de wijze waarop daar conflicten worden benaderd zeer veel punten van overeenkomst vertoont met het kerkrecht: Wikken en wegen — en graag met de ogen open! — staat bij beide gebieden centraal, ook al weet ik heel goed dat ieder terrein zijn eigen (normatieve) invalshoek kent.

Het tweede argument van de eindredacteur is, dat in het licht van de historie juristen geen bijdragen hebben geleverd, althans behoren te leveren aan de kerkorde.
Ook tegen die opmerking, heb ik bezwaren en wel allereerst omdat die opmerking historisch niet juist is, zelfs niet als wij ons beperken tot de totstandkoming van de geldende kerkorde. In een van de laatste fasen van de totstandkoming van onze kerkorde heeft een jurist — naar ik mij herinner mr. Huijssen — de kerken van advies gediend inzake het artikel over de externe vertegenwoordiging van de plaatselijke kerk. Zelf heb ik in ander verband er op gewezen dat onze kerkorde in het geheel niet heeft ingespeeld op de tot standkoming van het nieuw burgerlijk wetboek en op de vrijheid die de wet aan de kerkgenootschappen biedt hun eigen statuut in vergaande mate te regelen (art. 2 Boek 2 NBW).
Andere kerkgenootschappen hebben daar zeer terecht wel op ingespeeld. Onder ons is in die periode de discussie over de reikwijdte en de mogelijkheden die het burgerlijk wetboek de kerken geeft, niet eens gevoerd. Er zijn meer mogelijkheden op dat terrein, dan wij thans benutten.
Door samenspel van juristen en predikanten is uiteindelijk mede door het synode besluit (Spakenburg-Noord 1987) inzake het deputatenrapport art. 51a Kerkorde de omissie weer wat recht gebreid. Kennelijk is de essentie van wat daar besloten is, de eindredacteur ontgaan.

Ik rond af en maak twee slotopmerkingen.

|816|

I In de argumentatie van de hoofdredacteur met betrekking tot het weren van juristen speelt een legistische wetsopvatting een essentiële rol: die kille koude wetsjuristen die met het romeinse rechtelijk sop zijn overgoten, moet je zo ver mogelijk bij de kerkorde vandaan houden.
Wie is hier nu eigenlijk de grootste legist?
Het wordt wel tijd dat we eens met elkaar in gesprek raken over het begrip rechtsvinding.

II Het grensgebied tussen kerkrecht en privaatrecht is een zeer complex terrein. Het gebeurt vandaag de dag nogal eens dat kerken of kerkleden qualitate qua in een rechterlijke (civiele) procedure verwikkeld raken. Ook thans zijn er bij de burgerlijke rechter een aantal zaken aanhangig die ons welhaast rechtstreeks raken. Hoe eerder juristen en predikanten die van kerkrecht verstand hebben met elkaar in gesprek raken hoe beter dat is. Het kleine congres, dat in Groningen indertijd werd georganiseerd — en waar o.a. Krol sprak — gaf reeds aan hoe goed het is om naar elkaar te luisteren: juristen en predikanten waren daar samen in gesprek over kerkrecht en kerkorde.
Het stuk dat de eindredacteur schreef, schept m.i. onnodig verwijdering tussen disciplines die elkaar m.i. hard nodig hebben, althans iets van elkaar kunnen leren. Het is om die reden dat ik met vrijmoedigheid tegen genoemde artikelen opponeer.