45
5,729-731
01-05-2006

|729|

 

Met last en macht

De uitdrukking ‘met last en macht’ zal de meeste kerkenraadsleden wel bekend in de oren klinken. Zij staat op de brieven van de kerkenraden aan de classis, waarin zij melding maken van de namen van de broeders die namens hen naar de classicale vergadering zijn afgevaardigd.

De tekst van die brief (we noemen haar lastbrief, of oorspronkelijk geloofsbrief, die naam vindt u letterlijk in art. 33 van onze kerkorde) luidt:
‘De kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Kerk te … heeft in zijn vergadering van … tot afgevaardigden naar de classicale vergadering, die op … te … zal worden gehouden, benoemd de broeders: … met last en macht, om met de vergadering, op grond van Gods Woord, aangenomen formulieren van enigheid, Dordtse kerkorde en verdere synodale bepalingen van onze kerken, alles besluiten en uit te voeren wat tot het werk van die vergadering behoort’.
Ik heb de tekst helemaal uitgeschreven, omdat ik die straks nodig heb. Dezelfde inhoud, afgezien van afzender en geadresseerde, hebben de lastbrieven van de classis voor de particuliere synode en van de particuliere synode voor de generale synode.

 

Bedoeling van de lastbrief

De bedoeling van de lastbrief is om aan de betrokken vergadering duidelijk te maken wie er door de kerkenraad (ik blijf gemakshalve nu maar bij dat voorbeeld) zijn afgevaardigd. Die broeders hebben namelijk spreekrecht en stemrecht; eventuele anderen niet. Het kan immers voorkomen dat behalve de afgevaardigden ook anderen belangstelling hebben voor het bijwonen van de vergadering. Dan moet duidelijk zijn wie er precies aan de vergadertafel zitten. En stel je voor dat iemand zich als afgevaardigde zou presenteren als indringer! De vergadering zou niet weten waar zij aan toe was en de preses zou bij stemming niet weten wie hij mocht laten stemmen en wie niet. Geheel theoretisch is bovenstaande situatie niet; in de Ned. Geref. Kerken (waar men om emotionele oorzaken, meegenomen uit het verleden, soms erg bang is voor een al te formele gang van zaken) komt het soms voor dat regiovergaderingen worden gehouden zonder dat bij het begin schriftelijk duidelijk is wie er nu feitelijk deelnemer is, en wie belangstellende (en dat gebeurt zo nu en dan). Dan komt het aan op het goede vertrouwen. Daar is op zich niets mis mee, maar áls er dan eens problemen zijn… Dus aan het begin van iedere meerdere vergaderingen worden door de roepende kerk alle lastbrieven gelezen, de namen van de afgevaardigde broeders worden opgenoemd, en dan kan het werk beginnen!

 

Met last…

Afgevaardigde kerkenraadsleden gaan dus naar de classis met een ‘last’. Zij dragen die met zich mee, om zo te zeggen. Soms heel speciaal: een kerkenraad kan een bepaalde wens hebben ter bespreking op de classis: een instructie. Daar is door de kerkenraad over nagedacht en hij vraagt de classis om dat ook te doen. Die instructie kan op de binnenkant van de lastbrief geschreven worden. Zo gebeurde het vroeger, maar tegenwoordig stuurt de kerkenraad de tekst van zijn voorstel (instructie) naar de roepende kerk, en die zorgt ervoor dat de tekst,

|730|

samen met andere stukken voor de conceptagenda, tijdig naar alle kerkenraden wordt gestuurd. Dan kunnen die er kennis van nemen en desgewenst er ook op een kerkenraadsvergadering, voorafgaand aan de vergadering van de classis, erover spreken.

 

…en macht

Maar op dát punt aangekomen, wordt het oppassen. De broeders worden immers niet alleen met last, maar ook met macht afgevaardigd (kijkt u nog maar even naar de uitgeschreven tekst bovenaan dit artikel). En het is van belang om dat woordje ‘macht’ goed te wegen. Wat mogen de afgevaardigden doen? De tekst zegt dat zij macht krijgen om ‘alles besluiten en uit te voeren wat tot het werk van die vergadering behoort’. Dat is dus een ruim mandaat. Natuurlijk, het moet gebeuren binnen de kaders van Schrift, belijdenis, kerkorde en synodale besluiten, maar binnen die grenzen is een grote ruimte. Als het hier over macht gaat, is natuurlijk niet bedoeld een hogere macht. Dat is aan ons kerkelijk samenleven vreemd. Kerkelijke vergaderingen zijn principieel gelijkwaardig. Permanente macht, afgeleid van het gezag van Christus, heeft alleen de kerkenraad. Classicale (en andere meerdere) vergaderingen hebben alleen een afgeleide macht, die hen door die kerkenraden wordt verleend (zie dr. H. Bouwman, Gereformeerd kerkrecht. deel 2, blz. 17). Dat is overigens meteen een teken van de goede onderlinge geestelijke verstandhouding binnen het kerkverband: men vertrouwt erop dat de andere broeders, samen met die uit de eigen raad, met geestelijke wijsheid en verstand tot besluiten over hun eigen en andere voorstellen zullen komen.

Het spreekt voor zichzelf dat die broeders dan ook wel de ruimte (de macht) moeten hebben om te discussiëren, af te wegen, te vergelijken en zo samen met de anderen naar een besluit toe te groeien. Kerkenraden moeten hun afgevaardigde broeders dus niet op pad sturen met een bevel om bij een bepaalde zaak op een bepaalde wijze te besluiten. Is dat vanzelfsprekend? Dat zou zo horen te zijn, maar de geschiedenis leert dat dit niet altijd zo was: in oktober 1618 vergaderde de synode van Zierikzee en deze gaf de afgevaardigden naar de nationale synode van Dordrecht bepaalde bevelen in stemgedrag mee. Zou de zaak anders uitpakken, dan moesten de broeders eerst weer naar hun lastgevers (in Zierikzee dus) terug. Zij gingen, zoals dat heet, met een ‘mandat impératif’: een dwingend mandaat. En een paar jaar geleden hoorde ik van een classis in onze kerken, waar broeders uit een kerkenraad waren die de opdracht hadden gekregen om bij de zaak die aan de orde was, op een bepaalde, door de kerkenraad opgedragen, wijze te stemmen. Men zal daar ongetwijfeld een heel goede bedoeling mee gehad hebben, maar het moet gezegd worden: principieel gaat dat buiten de regel om dat ieder op de classis ‘met last en macht’ zitting heeft. Het laat zich indenken wat de gevolgen zijn wanneer iedere kerkenraad zijn afgevaardigden op deze wijze bindt: dan kan de preses volstaan met, wanneer hij de betreffende zaak aan de orde heeft gesteld, meteen de stemming aan de orde te stellen: bespreking en oordeelsvorming hebben geen zin meer. Het heeft bovendien de gedachte in zich (al zal niemand dat zo bedoelen) dat de eigen kerkenraad meent dat hij zelf zeker zoveel wijsheid bezit als de broeders van de andere kerkenraden samen; u begrijpt dat dit de nodige spanning in het classicale samenleven zal geven.

|731|

Terughoudendheid, ook in comitézaken

De betekenis van de woorden ‘met last en macht’ houdt dus in dat de kerkenraden terughoudend zullen zijn bij het vooraf samen bekijken van de agenda van de classis. Enig vooroverleg kan nuttig zijn en is ook zeker niet bij voorbaat verkeerd: het kan de broeders helpen zich inhoudelijk te oriënteren en goed beslagen ten ijs te komen. Maar altijd zullen zij voldoende ruimte moeten krijgen om vanuit een gevormde mening open en oprecht aan de beraadslagingen deel te nemen en eventueel aan een besluit mee te werken, dat anders uitpakt dan dat de kerkenraad vooraf had gedacht.
Die terughoudendheid geldt ook het wegen van de besluiten na de vergadering van de classis: de broeders doen verslag. De kerkenraad is niet geroepen alles na te rekenen, of — om het met een kerkelijke term te zeggen — de besluiten te ratificeren. Er zijn kerken van gereformeerd principe waar dat regel is: de Geref. Kerken (vrijg.) bijvoorbeeld. Met prof. Van ’t Spijker ben ik van mening dat dan in feite ‘de basis van het onderling vertrouwen, gegrond in de broederlijke gemeenschap wordt weggenomen’ (‘Het gezag der meerdere vergaderingen’, Ambtelijk Contact 1977, blz. 112). Dit laat onverlet dat, wanneer een kerkenraad meent dat een bepaald genomen besluit in strijd is met de principiële grenzen, hij gebruik kan maken van art. 31 K.O. Hij tekent dan appel aan. Maar we gaan uit van het principe van vertrouwen, en niet van het principe van vertrouwen na narekenen.

Diezelfde terughoudendheid geldt speciaal voor comitézaken. Onlangs vroeg een kerkenraad zich in dat kader af hoe afgevaardigden in een moeizame persoonlijke kwestie op de classis konden besluiten zonder dat zij met de eigen kerkenraad ruggenspraak hadden kunnen houden: stukken voor comitézaken worden immers niet vooraf onder de kerkenraden verspreid. Uit de hierboven gegeven uitleg zal helder zijn, hoop ik, dat die ruggenspraak ook niet nodig is; men zit met last en macht om álles te doen op de vergadering. Een kerkenraad kan wel met extra zorg de afvaardiging samenstellen en bepaalde broeders daarvoor aanwijzen. En men is dan als leden van die vergadering speciaal op elkaar aangewezen, biddend om wijsheid van de Geest. Ook het verslag over die comitézaak op de raad zal uiterst summier en terughoudend zijn, gezien het feit dat het om een persoon gaat. Dat is helemaal niet erg: de kerkenraad vertrouwt erop dat er in wijsheid gehandeld is, door zijn eigen broeders, én door de andere. Dat lijkt onbevredigend, maar ten diepste is het goed-kerkelijk. Want zelfs terwijl ambtsdragers aan hun geheimhoudingsplicht (bij hun bevestiging beloofd) gebonden zijn, blijven comitézaken toch dermate teer, dat grote terughoudendheid betracht moet worden wanneer de vergadering gesloten is. Stukken die voor een dergelijke zaak dienen, worden na afloop weer ingenomen. Wel (dit tussen haakjes) is het gewenst dat ze tijdens de behandeling, als deze over meerdere dagen/weken gespreid wordt, in het bezit van de leden van de vergadering blijven, onder geheimhouding. Hoe kan men zich immers anders gefundeerd voorbereiden?