10
nr. 4
01-04-2003

Oudere doopleden

Gereformeerde kerken zijn belijdende kerken. Een van de uitvloeisels daarvan is artikel 82 KO: De kerkenraad zal iemand die als kind de doop heeft ontvangen, vermanen wanneer hij als volwassene nalaat openbare belijdenis van het geloof te doen, of ook in ander opzicht zijn roeping tot nieuwe gehoorzaamheid in Gods verbond ontrouw is. Indien hij de vermaning van de kerkenraad hardnekkig verwerpt en daarbij duidelijk laat blijken dat hij afkerig is van het verbond en onverschillig of zelfs vijandig staat tegenover de dienst van de Here, zal dit met instemming van de classis aan de gemeente worden bekendgemaakt enz.

Een artikel tegen vrijblijvendheid en verbondsautomatisme! Mooi op papier. Maar hoe werkt het in de praktijk?

Roeping

Heel wat kerkenraden worstelen met het probleem van de ‘oudere doopleden’. En dan bedoel ik niet ouderen die uit schroom niet tot belijdenis en avondmaalviering durven komen, maar jongeren die voor de catechisatie niet meer te motiveren zijn. Ze hebben de bekende stof al zo vaak behandeld. Om dat weer eens te doen, en dan ook nog in een groep met jongeren, dat lokt absoluut niet aan. Hun probleem zit ook niet in de ‘kennis’. Het zit veel dieper.
Wat is daaraan te doen? Of moeten kerkenraden het maar accepteren en zien wat ervan komt? Moeten we blij zijn dat ze zich nog niet onttrokken hebben? Moeten we het gesprek jaar in jaar uit gaande houden in de hoop dat het lijntje niet breekt? Moeten we zorgen dat ons in ieder geval niets te verwijten valt en ze zich in ieder geval niet om ons ‘rigorisme’ onttrekken?
Artikel 82 KO benadrukt iets anders. Het spreekt over openbare geloofsbelijdenis die ‘nagelaten’ wordt. Over de roeping tot nieuwe gehoorzaamheid, waaraan zo’n jongere ontrouw is. Inderdaad: de doop vraagt om antwoord. Een eerlijk antwoord op een leeftijd waarop ook andere levenskeuzen worden gemaakt. Het antwoord van het geloof. Hoe kun je dat als kerkenraad bevorderen?
In het vervolg vindt u een model voor de bearbeiding van oudere doopleden aan de hand van de richtlijnen voor tucht over doopleden van de synode van Sneek 1939. Mogelijk biedt het een handvat.

Bearbeiding

1. Doopleden vanaf 19 jaar die nog niet de zgn. belijdeniscatechisatie bezoeken, krijgen elk jaar apart huisbezoek. Met hen wordt pastoraal gesproken over de roeping om de Here te belijden en over datgene wat hen daarvan weerhoudt. Op deze leeftijd zijn ze de puberteit voorbij en maken ze allerlei keuzen over de richting en invulling van hun leven. Dan mag de keus voor de Here niet de laatste zijn! Het is belangrijk dat ambtsdragers nagaan welke obstakels er zijn om belijdenis te doen en aan het opruimen daarvan werken.

2. Met doopleden vanaf 21 jaar wordt jaarlijks door de wijkouderlingen een concrete weg van bekwaming afgesproken, die nog niet meteen hoeft uit te monden in, maar die wel ‘gericht’ moet zijn op openbare belijdenis van het geloof. Meedraaien in de ‘gewone’ catechisaties levert vaak problemen op. Gekozen zou kunnen worden voor zelfwerkzaamheid aan de hand van E. Brink, Het Woord vooraf, waarbij de wijkouderling elke maand een gesprek heeft met het dooplid om te kijken hoe ijverig hij daarmee bezig is en om vragen door te spreken. In die gesprekken groeit hopelijk een band tussen ouderling en dooplid, zodat in hun contact ook persoonlijker kan worden doorgesproken. Om vrijblijvendheid tegen te gaan, wordt de afspraak door de wijkouderling schriftelijk bevestigd aan het dooplid.

3. Doopleden die zich aan hun afspraak niet houden of weigeren een dergelijke afspraak te maken, ontvangen twee keer per jaar bezoek van twee ouderlingen in het kader van de censuur over doopleden volgens art. 82 KO (vanwege dit kader is het bezoek van twee ambtsdragers nodig). Wanneer ze 25 jaar worden, zal de kerkenraad beoordelen of er sprake is van afkerigheid of onverschilligheid. Dit hoeft niet in het spel te zijn (er kan ook sprake zijn van diepe problemen door bijv. traumatische gebeurtenissen in het verleden, seksuele geaardheid, verstoorde relaties, persoonlijkheidsstoornissen etc.)! Maar is er sprake van onverschilligheid of afkerigheid, dan zal de kerkenraad dit met instemming van de classis aan de gemeente meedelen (vgl. art. 82 KO; zie voor de tekst van de ‘bekendmaking’ p. 539 van het Gereformeerd Kerkboek). Besluit een kerkenraad tot uitstel van deze maatregel, dan komt de zaak minimaal elk jaar terug, in principe tot uiterlijk hun dertigste levensjaar.

4. Doopleden die trouw de erediensten bezoeken, kerkelijk meeleven en zich niet ernstig in leer of leven misgaan, maar die wel nalaten tot openbare geloofsbelijdenis te komen, zullen pastorale zorg ontvangen in alle geduld en toewijding.

5. Doopleden die leven op een manier die openbare geloofsbelijdenis blokkeert (bijv. door ontrouw in kerkgang en catechese, ongehuwd samenwonen, werelds leven), zullen in bezoeken, die door twee ouderlingen gebracht worden, vanuit de Schrift worden onderwezen over de heiligheid die God van ons wil. Indien zij tot dit onderwijs geen mogelijkheid bieden of indien zij aan dit onderwijs geen gehoor geven door goede voornemens in praktijk te brengen, zal de kerkenraad na een periode van vermaan door twee ouderlingen besluiten dit met instemming van de classis aan de gemeente bekend te maken (vgl. art. 82 KO; zie voor de tekst van de ‘bekendmaking’ p. 539 van het Gereformeerd Kerkboek).

6. Indien doopleden weigeren zich door ouderlingen te laten aanspreken, zal de kerkenraad hen een paar keer schriftelijk benaderen. Afhankelijk van hun reactie zal de kerkenraad opnieuw persoonlijk contact met hen zoeken, dan wel (als ze totaal geen mogelijkheid tot contact bieden) besluiten tot de constatering van hun daadwerkelijke onttrekking, dan wel (indien de mogelijkheid bestaat dat inhoud te geven) tot censuur over doopleden volgens art. 82 KO.